Kerst 2014 / 1944 Julie in Batavia, Anton in Amsterdam



Het boek over Julie van der Steur krijgt steeds meer vorm. Het is een klein verhaal wat een weg zoekt binnen de grote geschiedenissen. Het is verleidelijk om het boek in romanvorm te gieten. Dat maakt het schrijven makkelijker, maar ik doe er niet aan. Het zonder romantiek koppelen van de kleine en grote realiteiten voelt voor mij beter aan. Dat geeft echter meer uitzoekwerk.



Er melden zich uitgevers. Maar het bezoeken van archieven is nog niet afgerond, het lezen van oude verhalen, het uitpluizen en scheidingen maken tussen zinvolle toevoegingen en telkens meegevoerd worden in gevonden verhalen blijft een spannende, ontroerende en vaak treurig stemmende bezigheid die soms om enige weken afstand vraagt. Er is nog wel een jaar nodig om ‘lijn’ in de geschiedenissen rond Julie te verkrijgen. Een geschiedenis die begint in 1728. Toen stapte de Nederduitse stamvader uitgevaren via Amsterdam in Batavia van boord.



In de zomer van 2014 ontstond er opwinding over de gelijktijdige uitgave van twee boeken met het zelfde thema. Historicus Hugo Röling had een boek geschreven over zijn vader Bert Röling. De voortrekker van de polemologie in Nederland. Professor Röling was vanaf 1946 de enige Nederlandse rechtskundige die vonnis mocht wijzen bij het Internationaal Militair Tribunaal van het Verre Oosten in Tokio. Schrijver Kees van Beijnum had een roman geschreven waarin de hoofdpersoon enorm veel zou lijken op Bert Röling. Over deze rel is verder voldoende via Google te vinden.


De zeven ter dood veroordelingen van oorlogsmisdadigers in Tokio waren uitzonderlijk mild in vergelijking met de meer dan 235 veroordelingen door de Temporaire Krijgsraden in Nederlands-Indië tijdens de zelfde periode. Nederland stelde zich zelfs harder op dan de rechters in Neurenberg. Er waren ook burgers in Nederlands-Indië ‘fout’ geweest. In Nederland werden er meer dan 500.000 burgers als fout gebrandmerkt.

Er is een 2e generatie oorlogsslachtoffers ontstaan. Kinderen van foute ouders, kinderen van getraumatiseerde ouders. Kinderen die in kampen zijn geboren of gedeeltelijk zijn opgegroeid. Kinderen waarvan één of beide ouders niet zijn terug gekomen. Kinderen die verscheept zijn naar andere landen. Kinderen van ouders die zich nooit ergens tegen verzet hebben. 

De 3e generatie naoorlogse Nederlanders is vooral op zoek naar zich zelf. Kent geen oorlogsdreiging of honger. Reist met gemak naar alle continenten met behulp van oogstrelende reisboeken waar weinig geschiedenis in wordt opgenomen. Deze generatie lijkt gevangen in consumentisme, waardoor het woord armoede een nieuwe betekenis krijgt.

Als kind van Julie en Anton werd ik mij al jong bewust van de grote culturele verschillen in achtergrond tussen Julie en Anton. Beiden hadden een totaal verschillende jeugd en oorlog meegemaakt. Een moeder die het liefst zweeg over haar leven in Nederlands-Indië en een vader die het bijna dagelijks over de ‘Duitsers’ had. Die toch maar mooi waren verslagen door een grote groep stoere, verzet plegende Nederlanders. Natuurlijk was er wat hulp van een grote buitenlandse troepenmacht geweest. Maar daar sprak Anton nooit over. Anton hield niet zo van buitenlanders.

Heden 2014, zeventig jaar later zijn de consequenties van de tweede wereldoorlog als nabevingen van een aardschok minder voelbaar voor de nieuw geboren generaties. De uit de grote oorlog geleerde lessen zijn kennelijk vergeten. De overlevenden zijn bijna allen overleden. En met hen de verhalen, die mee zijn genomen in hun graven of deels in archieven zijn opgeslagen in de afdeling ‘geschiedenis’.

Inmiddels zijn er na 1945 meer dan zeven miljoen Neder- en Medelanders bijgekomen. De huidige zich nog steeds Nederlands noemende samenleving wordt gekenmerkt door een multiculturele diversiteit waar minderheden onder druk worden gezet zich aan te passen aan de weinig moderne wetgeving die nog steeds ruimte geeft aan haat zaaien en onduidelijk is over het tegengaan van racisme en ongelijkheid. De Duitsers werden na de tweede wereldoorlog gedwongen tot ‘Wiedergutmachung’. Het Nederlandse conservatisme wijst graag naar een glorieus verleden maar zelden naar de daarmee gepaard gaande uitbuiting en ontkenning van het veroorzaakte menselijk leed.

Toch vreemd voor een land met een koloniaal verleden van uitbuiting en zelfverrijking. Een land wat vóór 1940 een van de grootste Islamitische landen van de wereld was. Het merendeel van de zeventig miljoen Nederlandse onderdanen in de kolonie Indonesië was immers Islamiet. In Suriname en op de Nederlandse Antillen woonden bijna twee miljoen Nederlandse onderdanen met o.a. Afrikaans, Hindoestaans, Chinees, Creools of Javaans bloed. Allemaal naar de Nederlandse koloniën gehaald toen er nog vrij gehandeld mocht worden in zéér goedkope arbeidskrachten.

Het werd écht lastig voor de witte regerende Nederlanders in Den Haag toen er  seksuele relaties ontstonden tussen de overwegend blanke mannen en de inlandse vrouwen. Daar kwamen kinderen van. Julie was er ook zo een. Een Javaanse grootmoeder en een gemengd bloedige grootvader. Julie werd echter zo Hollands mogelijk opgevoed op Java. Zij leerde eerder waar Hoogezand en Sappemeer lagen dan waar Soerabaja en Medan zich op de kaart bevonden. Omdat Julie er ondanks haar lichtere huid toch zeer Inlands uit kon zien bleef zij uit de door de Japanners opgezette interneringskampen. Pas later werden deze Indo-europeanen ‘buitenkampers’ genoemd.

Rond de kerstdagen van 1944 woonde Julie in Batavia. Min of meer ondergedoken in de nauwe straatjes rond de grote markt in de wijk Meester Cornelis bij een Chinees Indische familie. Julie was al sinds 1943 op de vlucht voor de Kempeitai afdeling Bandoeng. Julie kon hierdoor niet bij haar twee kinderen zijn die in Bandoeng waren achter gebleven. De oudste woonde bij haar moeder Charlotte en de jongste bij Ukkie Sombeek, een collega van haar oude werkkring bij de PTT.

De zo gevreesde Japanse militaire politie had ook een kantoor in Jakarta wat indertijd Batavia heette. De diensten werkten onderling niet nauw samen waardoor Julie zich redelijk veilig voelde in een stad waar alle Nederlandse elementen vanaf het begin van de Japanse bezetting in 1942 waren uitgebannen. Het was streng verboden om Nederlands te spreken of te schrijven. De voertaal was Indonesisch en op de scholen en in de wijken werd Japans onderwezen. Kinderen werden op Japanse wijze geschoold en gehard.

De voorheen goed onderhouden stad met Nederlands aandoende straten en wijken en veel gebouwen met een schoolmakende Nederlands koloniale architectuur maakte een verwaarloosde en haveloze indruk. Op voormalige regering en gemeentelijk gebouwen wapperden Japanse vlaggen. De in beslag genomen auto’s hadden nieuwe nummerborden en Japanse vlaggetjes.

Voor de Japanners en hun voor de rotklussen meegenomen 2de rang soldaten en burgers, de Japans-Koreanen en de Japans-Chinezen moest er om de haverklap gebogen worden. De wegen en straten werden slecht onderhouden en de verplichte schoonmaakdagen in de buurten waren vooral bedoeld om besmettelijke ziekten geen kans op verspreiding te geven. De Nederlanders waren volledig uit het straatbeeld verdwenen en de Indo-europeanen die niet in de kampen waren opgesloten hielden zich zo veel mogelijk op de achtergrond en zorgden ervoor zo Inlands mogelijk over te komen.

In alle wijken van Batavia werd er in de tuinen en op de nog vrije stukjes grond naast de door de Japanners verplicht aangeplante ‘Djarak’ om castor-olie te winnen, op kleine schaal groenten gekweekt. De Japanse bezetting was rampzalig gebleken voor de lokale economie en er heerste al sinds 1943 hongersnood op het zo vruchtbare eiland Java.  Er zouden meer dan 2,5 miljoen doden te betreuren zijn geweest. Het koste iedere burger de grootste moeite om aan eten te komen vanwege het voedsel export beleid voor de hongerige Japanse troepen.

Julie hield zich in leven door hand een span diensten te verrichten voor het Chinese echtpaar en voor de Japanse Sukarai winkel waar schoolvriendin Marie Carpentier werkte. Marie was getrouwd met een op Java geboren Japanse echtgenoot. Beiden waren min of meer verplicht in de Japanse winkel en handelsonderneming aan het werk gezet door de bezetters. Een aantal malen zag Julie kans om met de lichtbruine bedrijfskleding van Marie waarop een Japanse bloesem was geborduurd kort naar Bandoeng af te reizen om haar kinderen te bezoeken.

Na de oorlog, in juni 1946 zou Julie door Ukkie Sombeek beschuldigd worden van collaboratie met de Japanners vanwege de bedrijfskleding met de mooie bloesem. Ukkie Sombeek wilde het tweede kind van Julie niet afstaan. Julie moest zelf bewijzen aandragen dat zij vanwege verzetsdaden tegen de Japanners op de vlucht was geslagen en dat de bedrijfskleding en het persoonsbewijs van Marie waren geweest. De Temporaire  Krijgsraden en opnieuw ingerichte rechtbanken draaiden vanaf eind 1945 al vlot overuren. Niet alleen om de Japanners te veroordelen maar ook om de aanklachten tegen de ‘vrij’ gebleven Nederlanders  te onderzoeken en tot veroordelingen over te kunnen gaan.

Julie wist eind 1944 nog niet dat haar echtgenoot in juni van dat jaar met zijn geallieerde vliegtuig was omgekomen. Dat zou Julie pas in juni 1946 vernemen. Haar aanstaande en in Amsterdam wonende echtgenoot Anton Deijmann was nog getrouwd en leed met zijn gezin zoals bijna alle Amsterdammers eveneens honger. De zeer koude winter van 1944 zou bekend worden als de Hongerwinter. Anton woonde echter niet bij zijn gezin met vrouw en vier kinderen. Hij leefde grotendeels ondergedoken op de hoogste van het huis waar zijn moeder leefde aan de Marco Polostraat in Amsterdam West. Onder de naam Ton van Dijk was hij overdag actief in de zwarte handel. Hij zou dat later verzetswerk noemen.

Ook Anton zou vertellen dat de in september 1944 algemene spoorwegstaking die door de Nederlandse regering vanuit Londen was afgekondigd. De basis zou leggen voor de catastrofale honger die in de maanden daarna de gehele Amsterdamse bevolking zwaar zou treffen. Er was geen gas en elektra en vanaf ’s avond 20.00 mocht niemand zich op straat begeven. Er werden centrale gaarkeukens geopend waar eens per dag op vertoon van een ‘bonnenkaart’ waterige maaltijden of soep van bijvoorbeeld aardappelschillen verkrijgbaar waren. Wie nog een fiets had met of zonder banden gebruikte deze als vervoermiddel om soms wel vijftig kilometer verder bij boeren nog iets los te weken. Volwassenen en kinderen stierven van de honger en kou.

Julie handelde en sjacherde om te overleven in Batavia, en ook Anton overleefde op die wijze het hongerende Amsterdam. De kerstdagen van Anton in 1944 waren onvergelijkbaar met de kerstdagen van Julie in het zelfde jaar. Voor de Japanse bezetting was het de kleine christelijke minderheid die de kerstdagen op Java vierden. In 1944 waren zelfs de Duitse bezetters minder mild tijdens de kerstdagen. Zij verweten de Hollanders dat de honger hun eigen schuld zou zijn. De enige overeenkomst was hun gezamenlijke honger die voor Anton pas vanaf maart 1945 enigermate zou afnemen. Julie zou langer honger blijven houden. Zij moest opnieuw onderduiken.

Met hulp van Marie kwam zij in maart/april 1945 in de donkere bijkeuken van Villa Cililitan Besar terecht. Het bleek het grote woonhuis van Captain Tanaka en zijn assistenten. Het lag op de hoek van het bekende kamp Makassar waar de Nederlandse geïnterneerden de varkens moesten hoeden en ook groenten voor Tanaka en zijn staf verbouwen. Julie had al eerder in Bandoeng succes geboekt maar haar schorre hoest. Japanners waren doodsbang voor besmettelijke ziekten. Julie kon hierdoor uit gevangenissen weg blijven en ook Kapitein Tanaka had op aandringen van Marie goedgevonden dat Julie in de bijkeuken zou mogen verblijven om de Kokkie te helpen met zijn afwastaken.

De Amsterdammers, dus ook Anton zouden na 5 mei 1945 bevrijd worden van de bezettende Duitsers. Julie zou tot eind augustus 1946 in de bijkeuken verblijven. Nadat de Britse troepen en het nieuwe Indonesische leger enigermate de rust in Batavia wisten te bewerkstelligen vertrok Julie schielijk naar haar Chinese familie in de wijk Meester Cornelis. Op 18 oktober 1945 werd Julie opnieuw vastgenomen. Ditmaal niet door de Japanners maar door de Indonesische politie die gevolg gaven aan de nationale roep om alle Nederlanders maar ook alle Indo-europeanen ‘voor hun eigen veiligheid’ vast te zetten in gevangenissen en kampen.

Julie zou tot eind april 1946 opgesloten blijven in een oude reeds in 1928 afgekeurde gevangenis op 200 kilometer van Jakarta. De omstandigheden bleken nog erger dan de hongersnood op Java van 1943-1944. In Amsterdam kon Anton niet besluiten naar zijn vrouw en kinderen terug te keren. De naoorlogse vrijheid was hem liever dan de zorg voor zijn gezin.

In het vroege voorjaar van 1947 zouden Anton en Julie elkaar ontmoeten. Julie was in november als weduwe met twee kinderen in Nederland aan gekomen. Zij kwam te werken bij een notarissen en advocatenkantoor. In een voor haar volslagen onbekend land, waar neergekeken werd op Indische vrouwen zoals Julie. Want kwam het niet door de Indische-Nederlanders dat er ook veel Amsterdamse mannen ten strijde moesten trekken tegen de zo ondankbare en opstandige Indonesiërs. Pas na de geboorte van hun tweede kind in 1949 zou Julie ontdekken dat Anton zijn vrouw en kinderen onverzorgd had verlaten.

Het meeste voedsel was in de naoorlogse jaren nog schaars en veelal op de bon. Julie had in de oorlog met weinig voedsel leren improviseren en kookte smakelijke maaltijden met het voedsel wat Anton via de zwarte markten wist te bemachtigen. Anton trok bij Julie in omdat zij zo lekker zou koken. Beiden zochten troost bij elkaar om de verschrikkingen van de oorlog te kunnen vergeten.

Hun eerste gezamenlijke kerstperiode vond plaats op de kleine spaarzaam ingerichte bovenetage van Julie aan de Amsteldijk. Julie was inmiddels acht maanden zwanger van hun eerste dochter die in januari 1948 geboren zou worden. Anton had inmiddels kennis gemaakt met de twee zoons van Julie en haar moeder Charlotte die nog geen vijftig jaar oud volkomen grijs uit Indië was mee gekomen. De wederopbouw van Nederland voltrok zich langs een onzeker en grijs pad. 

Pas in 1963 en na de geboorte van tien kinderen zou Julie zich min of meer thuis gaan voelen in Nederland. Er zouden daarna nog twee kinderen geboren worden. Anton had werk gevonden bij een Duits bedrijf. 


1900 Militaire School te Meester Cornelis (Batavia)

1900 Stadhuis van Batavia


1930 Rijswijkstraat Batavia


1940 een etentje voor de medewerkers

1940 Paleis Rijswijk
 Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië  Tjarda van Starkenborgh Stachouwer

1942 De Japanners bezetten Batavia


1942 Tjarda van Starkenborgh Stachouwer op weg naar interneringskamp






1944 - augustus 1945 Julie woonde in de bijkeuken

Hongersnood Java 1944-1945


1946 voormalig Japans interneringskamp tot 1945 en opnieuw in 
gebruik genomen ter bescherming van Nederlanders en Indo-europeanen

De wijk Meester Cornelis (Batavia) - 
1946 Nederlandse militairen arriveren op Java

1947 Nog steeds grote armoede en verzet tegen Nederland

Amsterdam 1944-1945









2014