Van Indië naar India met opa Ferdinand van der Steur. De vader van Julie.

Bij ons, op het Afrikaanse dorp. Ben ik mij flink in het sjamanisme  en hindoeïsme aan het in leven. Dat is nodig voor het boek over Julie. Een heuse sjamaan zal ik echter nooit worden. Er voor oefenen doe ik wel. Heb er ook een zeker belang bij. Omdat ik meer wil weten over mijn overleden voorouders. Ik wil hen leren kennen. Bij ons op het dorp waar Islamitische en Christelijke overtuigingen vreedzaam beleefd worden. Is ook mystiek denken en doen populair. Hierdoor ontmoet ik ook veel Maraboets. Die zijn vaak zeer veelzijdig. Helderziend, traditioneel genezer, tovenaar, hypnotiseur, vervloeker en kenner van oude rituelen die niemand kent.

Zelf help ik als dorpsoudere mee met het oplossen van problemen in de dorpsgemeenschap. Geef raad. En help regelmatig mee in de lokale kliniek. Dat betekend véél luisteren naar de dorpelingen. Uittreden doe ik ’s nachts, op mijn manier. Gewoon in bed. Dan denk ik voor het inslapen aan een voorouder. En hoop dan op contact met de overledene. Als ik wakker word dan weet ik vaak nog niets. Wel vaak leuk gedroomd over de verre landen waar mijn bijvoorbeeld mijn opa's Ferdinand en Anton woonden.

Omdat een van mijn opa’s maar ook mijn oma en mijn moeder in het vroeger Hindoeïstische Indië zijn geboren en opa daarna zeventien jaar in India heeft gewoond. Is het onvermijdelijk om de Vedische levenswijze en de verschillende hindoeïstische filosofische stromingen te bestuderen als onderdeel van mijn onderzoek. De opdrachtgevers van mijn in de suikerindustrie werkende opa waren in Indië blanke Nederlanders. Maar zijn ondergeschikten waren inheemse werkkrachten. In India had opa Ferdinand te maken met het ingewikkelde kastenstelsel die elk weer een eigen geloofsbeleving hadden. Zonder uitstekende kennis van en begrip voor hun levenswijze was goed samenwerken onmogelijk.

Behalve door het lezen van bekende Indiase schrijvers heb ik veel hulp gehad aan de boeken van o.a. Frits Staal. Een Amsterdamse jongen, net zoals ik. Zijn vader heeft de woontoren op het Victorieplein bedacht. Frits Staal schreef soms warrige maar prachtige boeken. Hij was wetenschapper. Maar als je hem goed leest. Dan zit er goed verstopt. Voortdurend een vileine Amsterdamse humor in zijn teksten. 

Frits hield niet van zweverigheid. Hij hield van logisch denken. Dus als fan van Frits word ik nooit een goeie sjamaan. Als 18 jarige adolescent was ik nogal gek op Laozi. Een Chinese filosoof. Die schreef de voor mij toen schokkende mantra ‘alleen dode vis gaat met de stroom mee’. Zeg dat maar eens in het Chinees.- 只有死魚隨大流 - Frits zegt dat mantra’s eigenlijk vogelgefluit liedjes zijn. En Frits zegt ook dat rituelen geen therapeutische of genezende waarde hebben. Maar wel héél leuk kunnen zijn.

Als leerling sjamaan en leerling logisticus ben ik dus nog steeds niet op de goede weg. Er blijft mij dus niets anders over dan nauwgezet onderzoek te doen. Want Frits zegt ook dat alles wat je niet onderzoekt getuigt van disrespect voor de wetenschap. Toen ik de woorden van Laozi goed tot mij liet doordringen. Heb ik enige weken later afscheid genomen van de antroposofische werk en leer omgeving waar ik toen als piep jongere door het lot of zoals de Sofen zeggen 'karma' in terecht was gekomen. Later op de universiteit ging het veel over Freud en driften. Dus eigenlijk over gebrek aan affectie, stroeve seks of juist geen seks hebben. En wat er dan als mens bewust en onderbewust met je kan gebeuren.

Het ging daar ook over internalisatie ofwel het gedrag van je ouders overnemen en identificatie over de periode dat je 'ik' vorm zou moeten krijgen. Maar echt goed met mijn vader op kunnen schieten heeft er nooit ingezeten. En mijn moeder had altijd een stil verdriet om haar heen. Ook niet bereikbaar dus. Pas toen ik Carl G. Jung ging lezen kwam ik écht bij mijzelf terecht. Want Jung leert je wel kijken. Verder kijken dan je eigen 'ik' dus. 

Als introvert ventje leerde ik door Jung mij meer extravert te gedragen. En om enig idee te verkrijgen over de wegen die mijn voorouders of beter gezegd mijn grootouders hebben bewandeld. Heb ik maar een soort persoonlijke mix gemaakt van de ideeën van Plato, de filosofische aanpak van Immanuel Kant aangevuld met de anarchistische denkwijze van Noam Chomsky met als kers op de pudding de visie van Hannah Arendt op de banaliteit van Het Kwaad. Best wel moeilijke boeken. Ze helpen echter wel om de wereld een beetje beter te begrijpen. Lezen en nadenken over Het Kwaad is helaas nodig. Mijn beide opa's hebben immers twee wereldoorlogen en zij hebben beiden een grote economische wereldcrisis meegemaakt. Echter wel op twee zeer verschillende continenten.

Dat ik ook nog eens een serie Javaanse grootmoeders heb maakt de innerlijke maar niet onprettige verwarring nog groter. Daar komt nog bij dat mijn beide ouders getraumatiseerd uit de grote wereldoorlog kwamen en daarna een groot gezin zouden stichten. Ik ben hun vierde kind. Beter gezegd het 9de kind van mijn vader en het 6de kind van mijn moeder. Pas later zou ik leren dat de tien jaren vooraf gaand aan de 2e wereldoorlog. Ook wel de Grote Depressie genoemd. Eveneens van grote invloed is geweest op de levens van mijn ouders en hun gedrag na de oorlog. Toen er vanaf 1948 bijna elk jaar een kind werd geboren. Met name Jung en Arendt hebben mij geholpen om mijzelf te kunnen verzoenen met mijn ouders.

Dat ik o.a. Frits Staal en Jung heb gelezen is ook wel handig bij het reconstrueren van de levens van een paar voor mij belangrijke overledenen. Mijn ouders hebben getracht mij katholiek op te voeden. Door mijn Indo bloed is dat niet zo goed gelukt. Heel Nederland was in die jaren best nog wel kerkelijk. De eerste moskee in Nederland is pas in 1950 geopend. De Mobarakmoskee in Den Haag. In Indië waar mijn moeder en dus ook haar ouders vandaan komen hadden de inheemse bewoners oude geloven die uit India kwamen. Overgrootmoeder Djeminem is in de kratong van Solo opgevoed. Bij de nabijgelegen Prambanan tempel.


Vroeger was de bevolking van Java animistisch. Indiase monniken brachten het Boeddhisme. Een paar honderd jaar later kwam de Islam er bij. Meegebracht door Islamitische handelaren. Beide geloven hebben grote invloed gehad op de levensstijl en het gedrag van de inheemse bevolking. Verdomd lastig als je als koloniaal aan die mensen op calvinistische wijze geld wil verdienen. Toen de inheemse bevolking ook nog eens Mohammedaans werd. Moesten er allerhande koloniale trucs bedacht worden om alsnog flink geld aan hen te kunnen verdienen.

Ondertussen weten wij allemaal dat Charles Darwin met zijn rond 1870 verschenen boek ‘De afstamming Van Den Mensch’ En De Seksuele Teeltkeus. Ongewild het racisme een nieuwe impuls heeft gegeven. Niet dat Darwin het expres deed. Maar zijn studie werd gewoonweg anders uitgelegd. In een voor vele blanke mensen uitstekende en goed van pas komende rechtvaardiging om de in hun ogen inferieure rassen te kunnen onderdrukken. Jezelf bewust of onbewust superieur voelen en anderen inferieur aan jou achten maakt je tot een racist. Lees er Frantz Fanon en Han Resink maar op na. Doe anders even de test. In een paar minuten weet je het zeker. www.racismetest.nl/
  

Anton mijn Hollandse opa groeide op als dwarsligger in een streng katholiek en Gronings milieu. Anton had grote moeite met de regels van de marine waar hij als moeilijk opvoedbaar kind naar toe was gestuurd. Mijn andere, in Indië geboren opa. Groeide beschermd op in een blanke thuisomgeving waar Onze Lieve Heer en zijn moeder de baas waren. Natuurlijk vraag ik mij af wat het opgroeien zonder vader betekend heeft voor Anton en Ferdinand. Hun omgang met vrouwen en echtgenoten was grillig. Verliefdheid en sex waren aanwezig. Maar vriendschap met hun vrouwen zat er niet in. 

Zou Freud dan toch gelijk hebben gehad. Dat zonen met dominante moeders en afwezige vaders vaak grote moeite hebben met de vaderrol? E daardoor niet leren om met vrouwen om te kunnen gaan. Omdat de zonen zich niet hebben kunnen identificeren met de vader. Beide opa's hebben geheel of gedeeltelijk door scheiding niet al hun kinderen zien opgroeien.


De moeder van Ferdinand was een strenge afstandelijk vrouw. Liefde kreeg opa Ferdinand van zijn Baboe. In het Groningse gezin van Anton zal weinig ruimte geweest zijn voor liefde en warmte. Als net 15jarige moest Anton het huis uit. Ferdinand groeide echter ook met de verhalen die zijn baboe verteld. In een land waar geloofd werd in vele goden die woonden in de over geheel Java verspreide grote en kleine oude tempels. Waar mensen woonden die geloofden in heilige stenen, bomen, dieren en elkaar mysterieuze oude verhalen vertelden met Wajang poppen.


Mijn beide opa’s heb ik nooit gekend. Schrijven over mensen die je nooit gekend hebt word dan wel lastig. Pas in 1998 zag ik de eerste 3 foto’s van opa II. Van opa I heb ik nooit een foto gezien. Van oma 1 heb ik twee foto's. Van oma 2 heb ik vier foto’s. Van geen van hen heb ooit een handschrift gezien. Door de komst van het internet en de dagelijks toenemende informatiestroom via familie en archieven levert vele uren onderzoek een aardig beeld op. 

Maar ik wil meer. Ik wil mijn opa’s kunnen spreken, voelen, hun lichaamsgeur in mij op kunnen nemen. Het reconstrueren van hun levensloop is als een studie. Van jaar tot jaar, van maand tot maand, van week tot week. Met soms het vangen van dagen. Zoals trouwdagen, de geboortedata van hun kinderen. Inschepingen, krantenberichten, verhuisberichten, inschrijvingen.

Van opa I weet ik nu dat hij zeer veel jenever dronk. Van opa twee weet ik dat hij dagelijks grote mokken van zijn geliefde Darjeeling thee dronk met veel, hoe kan het anders, rietsuiker. Oma 1 van mijn vaders kant, was een cholerische en wat dwingende forse knappe Hollandse vrouw, geboren in de buurt van Den Helder. Oma 2, mijn Indische oma. Was de eerste echtgenote van Ferdinand. Een wat flegmatisch/melancholische Indo-Europese schoonheid. Matroos opa I zal tijdens zijn verblijven in Indië zeker geproefd hebben van de slanke inheemse vrouwen. Na terugkomst in Den Helder bij zijn streng katholieke Helena was hij meer te vinden in de kroegen of in het cachot op het marineterrein waar hij zijn roes kon uitslapen.
 

Mijn vader had geen goed woord voor hem over. In tegenstelling tot mijn moeder Julie. Zij miste haar vader ten zeerste. De laatste keer dat zij Adriaan zou zien was oktober 1936. In het mondaine Bandoengse hotel Homann. Adriaan was naar Indië gekomen om aanwezig te zijn op de rechtbank in Klaten alwaar zijn huwelijk met Charlotte werd ontbonden. 


Het maakte de weg vrij voor een huwelijk met de in Agra geboren en zwangere Norine Tweedie. Julie was onder de indruk geweest van haar prachtige groene ogen, beeldschone uitstraling en haar jeugdigheid. Norine was maar vijf jaar ouder dan Julie. Zij zou op de in India (Darjeeling) geboren Vivien Leigh lijken. Zo wilde Julie er later ook wel uitzien.


Opa I was de vader van mijn vader. Geboren in 1875 in Groningen. Uit een Duitse vader en Hollandse moeder. In 1890 werd Anton naar de Kweekschool voor Zeevaart in Leiden gestuurd. Volgens het toen geldende school reglement: werden de kwekelingen onderwezen en geoefend [...] in uiteenlopende zaken, zoals daar waren: de kennis van de benodigde gereedschappen aan boord, de kennis van de ‘glazen en wachten’, het schoonschip maken, het knopen, het splitsen, het enteren, het roeien en pagaaien en niet te vergeten de kennis van de verschillende rangen aan boord van ’s Rijks oorlogsschepen.

Opa Anton maakte rond 1898 zijn eerste grote zeereis. Naar Nederlands-Indië. Deed daar eerst Batavia aan en vervolgens Soerabaya waar hij als matroos enige maanden verbleef op het terrein van het Marine-etablissement. Zijn op de Kweekschool opgedane kennis van ‘glazen en wachten’ zullen zwaar op de proef gesteld zijn in de diverse dranklokalen en de nabij gelegen bordelen. Door zijn alcoholproblemen zou Anton veelvuldig in de problemen komen. Vaak gestraft worden en geen promotie maken. Het zou ook zijn huwelijk kosten. Mijn vader is als nakomertje nagenoeg zonder vader opgegroeid. Anton senior zou in 1949 vereenzaamd in een klein pension boven een café in Amsterdamse Dapperstraat overlijden.

Eveneens op het terrein van het Marine-etablissement huisde stuurman Adriaan van der Steur. Adriaan was een 30 jaar oude stuurman op een gouvernementeel baggerschip. Adriaan zou een jaar later trouwen met de toen negentien jarige Joanna Heijligers. Haar moeder had als weduwe toestemming gegeven na dat Adriaan gepromoveerd was tot stuurman op de opiumjager ‘De Lucifer’. In november 1900 werd hun enige zoon geboren. Ook Ferdinand zou vaderloos opgroeien. Adriaan werd in 1901 vanwege depressies opgenomen in het Krankzinnigen Gesticht Lawang. Na zijn behandeling besloot hij naar Nederland terug te keren. Het huwelijk werd via de post in 1907 ontbonden.

Opa II groeide als enig kind op in de betere blanke kringen van Soerabaya. De zus van zijn moeder was getrouwd met Lucas Sarkies. Een telg van welvarende Armeense zakenlieden. En vanaf 1908 o.a. eigenaar van Hotel Oranje. Moeder Joanna leefde met Ferdinand. Die Nandje genoemd werd. In een zijvleugel van het grote huis van Lucas en Charlotte Sarkies.


Ferdinand groeide beschermd en voorspoedig op. Na de driejarige H.B.S. werd hij leerling van de Suikerschool in Soerabaya. Aan zijn eerste baan als zeer jeugdig 2e Machinist begon hij in 1919 in de suikerfabriek van Poerworedjo. Medeverantwoordelijk voor het productieverloop van de suikerriet oogsten. Een leerschool die hem naast bekendheid met alle machines ook de fijne kneepjes van de suikerchemie bij zouden brengen.Ferdinand was ook zeer actief in als bestuurder in de Suikerbond. Later zal blijken dat hij net zoals zijn dochter Julie voorstander was van de Republiek Indonesië én van een onafhankelijk India.


(wordt vervolgd rond de kerstdagen 2016)