Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

1963 – Kerstmis 2013 – De dromen van Julie en Martin Luther King


Het is dit jaar 2013 en vijftig jaar geleden. Toen was ik nog een heel jong Indo ventje. Het was ook het jaar dat ik wakker werd. De 1963 moord op president John F. Kennedy werd in november 2013 uitvoerig herdacht. De talloze complot theorieën worden opnieuw uitgebreid uitgesponnen op de Nederlandse TV zenders die wij in Senegal kunnen ontvangen. Het brengt beelden over vroeger bij mij terug. In mijn herinnering was er in 1963 ook bij ons thuis grote schrik en openlijk verdriet over de moord. Kennedy was immers een held. Waarom weet ik niet meer precies, ik begreep toen dat hij voor vrede zorgde. Kennedy had al eerder een oplossing gevonden voor de Russische atoomraketten die in 1962 op Cuba waren neergezet. 

Men was toen ook bang dat de Russen gekke dingen gingen doen in West Berlijn en dat ligt niet ver van het dorp in Nederland waar wij toen woonden. Kennedy had in juni 1963 op de TV gezegd “Ich bin ein Berliner”. De Russische president Chroestjov had al veel eerder met zijn schoen op zijn spreektafel geslagen in het gebouw van de Verenigde Naties. Wij deden de UN vergaderingen na op school na. Dicky B. was dan Chroestjov want die had de dikste kop.

Onze Pa had ons eerder en zeer ernstig kijkend uitgelegd wat wij moesten doen als er een atoombom zou vallen. Wij hadden het boekje van de Bescherming Burgerbevolking in mogen kijken. Pa zou onder het bureau gaan zitten en er konden volgens de opgenomen illustraties vijf kinderen per bom gered worden. Wij waren met tien kinderen. Vijf van ons zouden het niet halen als de bom zou vallen. Wij kwamen er onderling niet uit wie er om zouden moeten komen. Pa sprak erg lang en werd kwaad als wij hem onderbraken met vragen. 

Zelf had ik besloten om bij het luchtalarm vlug weg te komen. Om in een zijtunneltje van het spoorwegviaduct te schuilen. Ik overwoog om mijn jongste zusje mee te nemen. Maar ik twijfelde of ik niet liever samen met een Ambonees schoolvriendje zou ‘onderduiken’. Die had ook iets tegen de Russen en zijn vader had in het KNIL gediend, het vroegere Indische Leger. Die Molukse vader had dus wel verstand van oorlog voeren en ook hoe de Nederlandse regering met soldaten en slachtoffers pleegt om te gaan. 

1963 was een bijzonder jaar geweest. Het jaar was begonnen met een extreem koude winterperiode. Ons dorp was een Katholieke Volks Partij bolwerkje en er werd zeer geschamperd over Boer Koekoek van de Boeren Partij die in de Tweede Kamer was verkozen. In de klas deden wij zijn knauwende Drentse accent na; “ik krijg nooit een beurt”. De Juf werd er gek van. Dr. Martin Luther King sprak in augustus een hoopvolle rede uit “I have a dream”. Moeder was zeer ontroerd geweest en had ons uitgelegd dat Martin Luther King tégen geweld was. Nooit eerder had Ma zich uitgesproken over oorlog en geweld. De jaarlijks dodenherdenking op 4 mei ging immers over de verschrikkelijke oorlog die onze Pa had meegemaakt. Daar wist Ma heus niets over die had zo'n oorlog niet meegemaakt. Die was in tropisch Indië geboren. Altijd zon en nasi goreng en een moeder die er nooit over wilde spreken. 

Pa las de vroegere verzetskrant Het Parool wond zich op en las dan hardop voor. Pa had niéts met de communisten of het nieuwe Indonesië. Pa liet moeder dan wel eens foto's zien. Van bijvoorbeeld de toenmalige Indonesische president Soekarno. Die zou een vies spelletje spelen met de Amerikanen en de Russen om Nederland en vooral Minister Luns van buitenlandse zaken te irriteren. Ma haalde dan haar schouders op en kijk zogenaamd neutraal naar haar breiwerkje. De 1963 rede van Dr. King zal Ma geïnspireerd hebben een zeer aangrijpend artikel te schrijven in het Indisch Magazine De Moesson. Een artikel waarvan ik het bestaan niet kende en wat ik door toeval in 2011 tegen kwam.

De tekst van Dr. King uit 1963 is bijzonder:

“Ik heb een droom dat op een dag dit land zal opstaan en de ware betekenis van haar credo zal naleven: "Wij vinden de volgende waarheden vanzelfsprekend: dat alle mensen gelijk geschapen zijn". Ik heb een droom dat op een dag, op de rode heuvels van Georgia, de zonen van voormalige slaven en de zonen van voormalige slavenhouders in staat zullen zijn samen aan te schuiven aan een tafel van broederschap.

Ik heb een droom dat op een dag zelfs de staat Mississippi, een staat, die blakert in de hitte van onrecht en blakert in de hitte van onderdrukking, veranderd zal worden in een oase van vrijheid en gerechtigheid. Ik heb een droom dat mijn vier kinderen op een dag zullen leven in een land waar zij niet beoordeeld zullen worden op hun huidskleur, maar naar de inhoud van hun karakter. Ik heb een droom vandaag”.

Moeder heet Julie en schreef in haar artikel in het zelfde jaar o.a.

“Als een felle zomerzon straalt over het Hollandse platteland, dan overvalt mij soms een vreemde heimwee. Het is een stemming, die mij zelf vreemd aandoet, want verlangen naar mijn geboorte land doe ik niet. Ik woon en leef al zo lang in Holland. Mijn kinderen werden hier allen geboren en mijn man kent Indië niet. Hij is een totok. Onze vrienden zijn totoks en ook onze buren en onze zakelijke relaties. Voor hen is Indië slechts een vreemde, verre herinnering aan een koloniale staatsie.

Heb ik mijn man en kinderen dan niet verhaald over mijn geboorteland, mijn Java? Ach als een snaar geen klankbord vindt, wat geeft het deze te beroeren ... “. Als de Hollandse zon straalt over Hollandse dreven, dan overvalt mij een weemoed om al dat éigene, dat langzaam, maar o zo zeker, uit mijn leven weg ebt.

Wij, Indische Nederlanders, wij migreren en assimileren. Onze kinderen werden hier geboren. Zij groeien op als puur Hollandse kinderen. Ach ja, aan hun uiterlijk is – soms – duidelijk te zien, dat zij “Indisch” zijn, maar spreken zij onze taal? Denken zij onze gedachten? Voelen zij een heimwee, die ons soms stil doet zijn? Wij (de Indo’s) zullen ons niet tegen een volledige assimilatie kunnen verzetten. Waarom zouden wij ook? Ons Vaderland is goed! Het heeft ons ontwortelden, in een tijd van doodsnood een veilig thuis gegeven”.

In 1959 had Pa zijn kwekerij verloren. Wij verhuizden naar een kleinere woning. Er bleven grote schulden. Pas in 1963 waren Pa en Ma eindelijk uit de economische moeilijkheden gekomen. De voorgaande jaren waren thuis zeer magere jaren geweest. Zomer en winter liepen wij op plastic sandalen of rubberlaarzen en hadden nauwelijks kleding. Soms werd het  stroom afgesloten omdat Ma geen geld had voor de stroommeter waar je guldens in moest gooien. De Wet op de Kinderbijslag werd in 1963 geïntroduceerd en met tien kinderen in huis was dat een leuke som per kwartaal. 

In het voorjaar van 1963 was er opeens slagroomgebak geweest. Pa en Ma hadden hard gewerkt aan een ‘contract’ met een Duitse firma waarvoor zij werk gingen doen. Vroeger was Pa altijd fel anti-Duits geweest. Hij had ons vaak bang gemaakt met verhalen over de oorlog en wat de Duitsers allemaal hadden gedaan met het Nederlandse volk en ook met hem. Natuurlijk schrokken wij toen Pa zei dat het huis opgeruimd moest worden. Hij zei; ‘er komen Duitsers op bezoek’.

Mijn oudere broer en ik hadden als verdediging in de bosjes aan de overkant van het huis een stapel keien verstopt. Die zouden wij naar de Duitsers gooien als zij kwamen. Van een oude fietsband hadden wij ringen geknipt en deze aan elkaar geknoopt om een katapult te maken. Wij hadden dagen lang geoefend met kiezelstenen en zouden zeker één Duitser om kunnen leggen. Op de padvinderij hadden wij ook geleerd hoe wij knopen moesten maken die niet los zouden raken. Zo konden wij de Duitsers eventueel gevangen houden. 

In het padvindersblad Weest Paraat hadden wij ook over de kunst van het ‘sluipen’ gelezen. Ik was lang in onderhandeling geweest met vriendje Alfons over het ruilen van mijn collectie voetbalclubemblemen voor een militair mes. Daarmee zou ik mij verdedigen tegen een Duitser of eventueel ook tegen de Russen. Wij waren goed voor bereid op de oorlog. Dat was zeker.

Ons toenmalige vijandbeeld beperkte zich niet tot de Duitsers en Russen. Wij hadden ook een diepe haat tegen de Japanners. Want die hadden het land van Ma aangevallen in dezelfde tijd dat de Duitsers, Nederland hadden bezet. Ma was in Indië geboren, net zoals onze twee halfbroers. Zij waren na de oorlog naar Nederland gevlucht. Ma wilde nooit iets vertellen over de oorlog met Japan. Pa vertelde juist heel veel over de oorlog. Hij ging toen nog bijna elke zaterdag naar Amsterdam om met zijn vrienden uit het ‘verzet’ te praten. Pa was tijdens een razzia in 1944 in zijn been geschoten. Elke dag ging dat been omhoog en werd het lichtbruine ziekenfondsverband opnieuw om het geraakte onderbeen gewikkeld. Het was een eng wit, blauwgeaderd been. Net zo eng als de verhalen die Pa vertelde.

Als kind dacht ik dat ouder worden ook voortdurend oorlog voeren betekende. De oorlog werd immers 2e wereldoorlog genoemd. Dus er was ook een eerste wereldoorlog geweest. En de derde wereldoorlog zou wel snel komen. Op school werden wij gevoerd met veldslagen, oorlogen tegen de Koreanen, Fransen, de Engelsen, de Spanjaarden en zelfs in Nederland waren er de Hoekse en Kabeljauwse twisten en een 80jarige oorlog geweest. Wie kon je eigenlijk wel vertrouwen? Over de oorlog in Nederlands-Indië en wat er daarna gebeurde tussen 1945-1949 werd op school nooit gesproken. Over de oorlogen en veldslagen die Nederland in het Indië van vóór 1942 hadden gevoerd was helemaal niets te vinden in de toenmalige geschiedenisboekjes. Eigenlijk nog steeds niet.

Op de katholieke school zaten alleen maar witte kinderen. Op mijn nieuwe school voelde ik mij beter thuis. In mijn nieuwe klas zaten een Indisch meisje, een Ambonees jongetje met een grote gitaar en een Indo tweeling bij wie ik veel speelde. Hun moeder was een wonderschone slanke Javaanse die altijd heel lief en zachtaardig was. Zij ging liever niet naar buiten want zij had een 'fobie' had een van haar zoons gezegd. In de klas zat ook een jongetje uit Duitsland. Over zijn vader werd gefluisterd dat hij ‘verkeerd’ was geweest. In de hogere klassen zaten twee Surinaamse kinderen en een jongen van de Antillen met veel kroeshaar. Er waren toen nog nauwelijks gastarbeiders uit Spanje, Italië en later Turkije en Marokko in Nederland en zeker nog geen gastarbeider kinderen op de scholen in Nederland. De haat tegen de Indo’s was net een paar jaar geluwd (Indo Go Home). Alhoewel ik op straat toch nog vaak voor pinda-Chinees werd uitgemaakt.  

Als er dus racistische ‘grappen’ werden gemaakt waren de Ambonezen, Indische en Surinaamse kinderen vaak het slachtoffer. Zelf zag ik  er toen nog zeer Indisch uit. Ik was klein van stuk, heel slank en had pikzwart haar en was ook in de winter bruin getint. Dat leverde mij vaak spontane rotopmerkingen en soms klappen op. Gewoon op straat lopend. Hé bruine, ga naar je eigen land! In het dorp waar wij toen woonden deed iedereen het met elkaar. In mijn klas was meer dan helft van de kinderen familie van elkaar. Neven en nichten. Hun ouders ware blank en kweekten bloemen en planten of verkochten bollen en zaden. Zij werkten in elkaar’s bedrijven. 

Mijn vriendje Sjonnie had ouders die allebei dezelfde achternaam hadden. Zijn moeder had net als Sjonnie een muizengezicht en een slordige mond die voortdurend ratelde. Hun familie woonden al honderden jaren op het zelfde dorp. De ogen van de moeder van Sjonnie stonden heel dicht naar elkaar toe. Net zoals bloembollen die in elkaar waren gegroeid. Tijdens het zomerse bollen pellen moesten die in elkaar gegroeide bollen apart gelegd worden. Daar had je toch niets aan.

Eigenlijk was ik als kind voortdurend in een staat van paraatheid en had veel angst. Het waren de oorlogsverhalen van Pa en het onuitgesproken maar diepe verdriet van Ma. Dat heet nu stress. In 1961 had ik besloten om niet meer naar de katholieke school te gaan. De verhalen die daar verteld werden klopten niet met mijn werkelijkheid. Dat God je zou beschermen waar je ook maar zou zijn. Nou, daar klopte dus niets van. Schamen deed ik mij ook. Voor mijn oudere broer die fanatiek misdienaar was maar buiten schooltijd godsliederlijk kon vloeken. 

Via het voetballen was ik bevriend geraakt met een Indische tweeling die op een andere school zaten. Die vertelden dat zij het reuze naar hun zin hadden. Mijn besluit stond vast. Ma was zeer verbaasd en Pa werd kwaad. Sla me maar dood zei ik tegen Pa maar ik ga niet meer naar die school. Ma begreep het. Wat ik niet begreep is dat zij had gehuild in het spreekkamertje van mijn nieuwe school. Ook mijn nieuwe Juf keek meewarig naar mij. Maar ik was gelukkig op de nieuwe school aangenomen. En wat héb ik van die Juf gehouden.

De kerstverhalen op mijn nieuwe school waren anders dan op de katholieke school. De aandacht ging minder naar het kindje Jezus uit. Jozef en Maria werden als échte en verantwoordelijk handelende ouders neer gezet. Voor het eerst hoorde ik echt iets over de Drie Wijzen uit het oosten. Ofwel de drie Koningen. Die hadden een ster gevolgd en kwamen zo bij het stalletje waar Jezus was geboren. Die ster is nog steeds mijn lievelingsster. Door die ster heb ik toen geleerd dat er méér is dan dat moeizame dorp waar wij toen leefden. Dat Maria een kind had gekregen zonder dat Jozef haar had aangeraakt vond ik best wel onwaarschijnlijk. 

Elke keer als mijn vader onze moeder aanraakte leek zij meteen wel zwanger. In 1963 had Ma al twaalf kinderen gekregen, er zouden er nog twee volgen. Vroeger was mijn vader tuinman en kweker geweest. Vanaf 1959 was hij een keurige en in een strak kostuum gestoken vertegenwoordiger in snijbloemen en vaste potplanten. Pa reed elk jaar in een nieuwe Duitse auto. Zijn baas was een oude schoolvriend en die had een naam die je in elke straat in ons dorp een paar keer tegen kwam.

De Duitsers kwamen toch, in het voorjaar van 1963. Een grijze Mercedes met Duits kenteken stond voor onze deur toen ik uit school kwam. Voorzichtig sloop ik tegen de voorgevel aangedrukt naar het grote raam van onze doorzon woning. Mijn ouders bleken niet vastgebonden te zijn door de Nazi’s. Er werd geanimeerd gelachen vanuit het rotanbankstel in de woonkamer. Met een met keien gevulde dichtgeknopte zakdoek in mijn hand ben ik voorzichtig naar binnen gegaan. Het touwtje om het deurslot open te trekken hing gewoon uit de brievenbus. Dat zou de toenmalige  ‘Sicherheitsdienst’ nooit zo gedaan hebben. Eenmaal binnen liep ik voorzichtig naar de woonkamer deur en hoorde opnieuw het geanimeerde lachen en een moeder die vloeiend Duits sprak die ook voor mijn vader vertaalde. ‘Ach ist dass der William, der sieht ja hübsch aus’ sprak de vriendelijk ogende Duitse mijnheer. Toch meende ik verbazing te zien in zijn ogen. Ik zag er kennelijk niet écht Hollands uit.

De Duitse bezoeker Dr. Fritz Hertel en zijn zoon waren ongelooflijk aardige bezoekers. Hertel was bioloog en schrijver van veel boeken over bloemen en planten. Het waren de eerste Duitsers die ik zou ontmoeten. Van de oorlogsfoto’s in de boeken van mijn vader kende ik alleen maar enge mannen in uniformen. Mijn moeder straalde en mijn vader wisselde zijn blijken van respect met knikken als hij het begreep. Soms zei hij ‘ach so’. Het contract was dus binnen. En er veranderde veel in ons huis en in de maanden die zouden volgen. Wij kregen allemaal nieuwe kleding. Er kwamen nieuwe meubelen. De bijkeuken werd verbouwd tot een heus kantoor voor Pa en Ma. Er was na vele jaren opeens voldoende geld om lekkerder en afwisselend te eten. En mijn jongere zus en ik kregen onze eerste echt goede brillen. Op mijn vraag aan Pa waarom hij nu wél opeens 'zo goed' was met de Duitsers kreeg ik een vernietigende blik maar geen antwoord.

Op de weekmarkt in ons dorp had ik al vele maanden een baantje. Elke dinsdagavond damesondergoed vouwen wat in grote dozen gelegd werd en dan in de auto van mijnheer Max Loog. Om circa 19.00 uur kreeg ik dan  twee kwartjes van een zwijgende mijnheer Loog die vaak tranen in zijn droevig kijkende ogen had. Als het donker werd dan begon mijnheer Loog te ijsberen om de kraan heen. Hoehoe klonk het dan zacht uit zijn keel. Mijnheer Loog was een zwierige grote man met enorme handen en een sterk lichaam. Hij zal toen circa 55 jaar oud zijn geweest. Iets ouder dan mijn vader. Zijn zacht klinkende wolvengehuil werd soms wat luider. Het gaf mij rillingen. Dan klonken er stemmen uit de andere marktkramen. "Het is goed Max, het is goed" klonk er dan geruststellend uit de andere kraampjes. Later hoorde ik dat Max een joodse achtergrond had en een van de weinigen was die een verschrikkelijk vernietigingskamp in Duitsland had overleefd. De rillingen die ik kreeg waren vergelijkbaar met de enge Herodus verhalen op mijn oude katholieke school. Dat was die engerd die Jezus dood wilde hebben. Vele jaren later was er een nieuwe engerd. Adolf Hitler.

Jaren later herkende ik de ingehouden snikkende geluiden van Max opnieuw. Moeder maakte de zelfde ingehouden geluiden. Dat begon vanaf de jaren zeventig. Al eerder schreef ik over de existentiële crisis waar Julie in terecht kwam. In 1963 ging het met Ma nog stukken beter. De nieuwe en ruimere inkomsten moesten door hard werken vergaard worden maar er was eindelijk een eind gekomen aan de zorgen. Als troost voor de kinderen was er meer eten, nieuw kleding, betere bedden en zelfs een nieuw wasmachine. Voor de oudere kinderen waar ook ik toe behoorde brak er een positieve periode aan. De zorgen van onze ouders drukten niet meer op ons. En ook Pa leek meer ontspannen alhoewel hij er dagelijks met de auto op uit moest om door het gehele land ‘voorlichting’ te geven over turfstrooisel producten. In oktober 1963 werden er enorm veel kolen voor de kachel gebracht. Dat was nooit eerder gebeurd.

Er mocht nu ook overdag gestookt worden en als de deuren op de boven etage de hele dag openstonden dan was het ’s avonds behaaglijk in de slaapkamers. Er was nu ook geld voor gordijnen en Nederland kon toen nog zo koud zijn waardoor ’s ochtends de slaapkamerramen bedekt waren met ijsbloemen. Die tijd was voorbij. Alle Nederlanders kregen het beter. In november stonden de kranten vol met artikelen en foto’s van de moord op Kennedy. Pa leek na de moord weer terug te vallen in zijn oude angstpraat over oorlogen. Nu tegen de Russen. Ma werd weer stiller en het feestgevoel van de vorige maanden leek weg te ebben. Onze oudste broer was militair en zou af gaan zwaaien als soldaat. Ging dat nog wel door. Zou hij opgeroepen worden. Onze andere halfbroer was op  22 november geboren. Hij voorspelde toen: voortaan wordt Kennedy op mijn verjaardag herdacht en ik niet meer. Ook deze broer was een oorlogskind (1941) een oorlog die hem zijn leven lang parten zou spelen. Hij overleed in 1998.

Vanaf half december 1963 werden de berichten uit Amerika geruststellender. Kennedy was door een geesteszieke eenling vermoord. En zijn moordenaar Lee Harvey Oswald werd door een andere geesteszieke man vermoord, Jack Ruby. Het zijn namen die ik nooit zal vergeten. De wereld treurde over Kennedy en op ons dorp werd voor het eerst uitbundige kerstverlichting ontstoken. Ma wilde dit jaar alle kinderen bij elkaar hebben en er was een veel grotere boom met veel meer kaarsjes dan in de vorige jaren. Er waren wel risico’s. Pa kon niet goed overweg met de tweede zoon van Ma. In mijn herinnering is deze kerst goed verlopen op een flinke ruzie tussen mijn oudste broers na. 

Met name Ma voelde zich dat jaar volledig geïntegreerd in Nederland. Haar eerste Kerst in Nederland was in 1946. Julie was met haar moeder Charlotte en de twee kinderen in november 1946 per schip in Rotterdam aangekomen. Zij werden ondergebracht In een contractpension te Markelo. De contractpensions waren speciaal opgezet als opvangadressen voor de meer dan 200.00 Indo’s die het Indonesië van ná de Japanse bezetting wilden of moesten verlaten. Zoals zoveel Indische mensen was ook moeder zwijgzaam over haar verleden in Indië.

Ma wilde ons opvoeden in een katholieke en pacifistische sfeer. Al haar kinderen zijn katholiek gedoopt. Alle kinderen zijn tegen oorlogen. Toch hebben de oorlogen van Pa en Ma, hoe verschillend die ook waren. Een grote rol in het bijna jaarlijks groeiende gezin gespeeld. Pa las veel over de oorlog en over het verzet. Ondanks de inspanningen van Pa en Ma hebben wij als kinderen onbewust en later bewust de emotionele gevolgen van hun oorlogen ondervonden. Ook in onszelf, alhoewel elk kind van Pa en Ma het anders heeft ervaren. En of er nog iemand van ons katholiek is? Ik zou het niet weten. 

Ma liet haar katholieke geloof met het toenemen van de jaren steeds meer varen. Het werd Jiddu Krishnamurti. Voor Ma was het lezen van Krishnamurti een geruststelling en bevestiging dat oorlogen geen oplossingen bieden. In 1963 mochten de grote kinderen voor het eerst mee toasten. Op de kerstfoto zit ik naast Ma, met een brilletje op. Het was mijn eerste glas Beaujolais. Vrede op aarde sprak Ma dan aangedaan. Vader zou vele jaren later met een pen op de foto tekenen om te kijken of een baard hem goed zou staan. 

Vijftig jaar later vier ik kerst in Afrika. Er groeien geen dennenbomen hier in Senegal. In sommige winkels is er kerstverlichting te verkrijgen. Ook wat doosjes met schreeuwend dure kerstballen en slingers maar kerst word hier in feite nauwelijks gevierd. Toch praten de Kids nú al over het aanstaande kerstfeest. Op mijn vragen waarom er eigenlijk kerstfeest bestaat weten de moslimkinderen geen antwoord. 

Ja, de Kerstman brengt cadeautjes en er word extra lekker gegeten. Sommigen weten dat het de geboortedag van Jezus is maar zij weten niets over zijn ouders, Jozef en Maria. Wat ga ik hun vertellen? Als Hollands/Indische jongen twijfel ik over de Hollandse kerst van mijn vader. Of zal ik vertellen over de door de tropische hitte smeltende kaarsen op de kersttafel van de Indische gezinnen in het koloniale Indië van mijn moeder? Of over de altijd gespannen relatie van mijn ouders die ook tijdens de kerstdagen van mijn jeugd een rol speelden waardoor ik nog steeds moeite heb met kerst vieren? 


Vijftig jaar later kijk ik niet terug op warme jeugdherinneringen. Toch heb ik bewondering voor mijn ouders die ondanks die nare oorlogen en de jaren die daarop volgden positief bleven. Dat leerde ik ook van Max Loog en enige andere bijzondere en vaak fijne mensen uit mijn jeugdjaren. Zij leerden ons vooral om te over-leven, ook als het eens flink tegen zit. In de jaren negentig van de vorige eeuw heb ik veel met Ma kunnen spreken over een wereld zonder geweld. En over haar wens dat háár kinderen daar aan zouden bijdragen. En dat haar kleinkinderen wereldburgers zouden worden zoals Krishnamurti dat bedoeld had op de een na laatste foto onderaan dit artikel. Dat was de droom van Julie.

Mijn besluit staat vast. Wij gaan er in Senegal een fijne kerstdag van maken. Vóór dat wij gaan eten, gaan wij een lange wandeling maken door de velden van Sandiara. Een landelijk dorp op 100 kilometer van Dakar. Onder mijn lievelingsboom een duizend jaar oude reuze Baobab zal ik de kids  foto’s laten zien van de waringinboom op Java. De boom waar mijn moeder zo graag onder schuilde. En foto’s van de iepenbomen op de beschermende dijken in het Holland van mijn vader. En ik zal vertellen over mijn droom. Dat al mijn kinderen en alle andere kinderen op de wereld op basis van karakter, inzicht en vlijt hun dromen waar mogen maken. En dat zij goed naar die grote ster moeten kijken die tijdens de kerst periode zo dicht bij de maan staat. Of droom ik maar wat?  



Pa heeft zelf het baardje en snor gezet om te kijken of het 'leuk' stond.

de auto's van mijn vader 1961-1962-1963

de Drie Wijzen en een schilderij van Hendrik ter Brugghen 
waarop een waardige zwarte Koning is afgebeeld. Hetgeen zeer zeldzaam is.

Chroetsjov en Kennedy en de atoombomdreiging 1960 - 1963

advies uit het Burger Bescherming boekje- ga onder je bureau zitten

Weest Paraat het padvinders magazine 1963 en Samson reclame 1963

Indo's werden vaak pinda-Chinees genoemd? 
Op de foto's een Chinese mijnheer die pinda's in Amsterdam verkoopt

President Kennedy met Minister Luns in het midden. 

Wij deden de hese stem van Luns veel na op school
Luns wilde Nederlands Nieuw Guinea toen nog niet opgeven

President Kennedy met president Sukarno

President Sukarno met de russische president Chroetsjov

De Nazi vijanden van mijn vader

Julie en Anton in 1967 op een Duits feestje


Julie had grote moeite met het bezoeken van onze Hollandse scholen. 
Het gebouw op de foto is een school in Bandoeng waar Julie 
verschillende malen is verhoord. Het staat aan de voormalige Heetjansweg. 
Later zou Julie jarenlang op de vlucht zijn om uit handen van 
de gevreesde Kempeitai te blijven.

Kerstmis 1936 in Indië - 
Onder de kerstboom een foto met de overleden vader van William C. Dobson. 
De eerste echtgenoot van Julie. Hij zou in 1944 omkomen.


Julie werd in 1943 door Kempeitai gearresteerd vanwege 'verzetsdaden'. 

Het betrof hier noodhulp aan met name Ambonese (Molukse) families in Bandoeng. Families waarvan de vaders zeer getrouwe KNIL soldaten waren. 
In de gevangenis van Bandoeng werd Julie opgesloten bij de Molukse soldaten
 die de verhoren door de Kempeitai niet allen zouden overleven.




Julie heeft zich tot aan haar overlijden ingezet voor de 'Molukse zaak'. 

In 1951 werden de Molukse soldaten zonder pardon uit het leger ontslagen. 
Hun oprechte woede, verbittering en de psycho-sociale gevolgen voor de 
soldaten en hun families spelen ook vandaag de dag nog 
een grote rol binnen de Molukse gemeenschap.





Een waringinboom bij een typische Indische vijver


Julie vond een latere jaren veel troost in de boeken van Jiddu Krishnamurti. De onderstaande uitspraak van Krishnamurti was voor Julie een van de redenen om niet meer katholiek te willen zijn.



Geen opmerkingen:

Een reactie posten