Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

Kerstmis 2016 - Van Indië naar India met opa Ferdinand P. van der Steur. De vader van Julie.

Bij ons, op het Afrikaanse dorp. Ben ik mij als een wat romantische en verwarde Indo jongen flink in het maraboutisme, sjamanisme  en hindoeïsme aan het in leven. Dat is nodig voor het boek over Julie. Een heuse sjamaan zal ik echter nooit worden. Er voor oefenen doe ik wel. Heb er ook een zeker belang bij. Omdat ik meer wil weten over mijn overleden voorouders. Ik wil hen leren kennen. Noteer de dromen. Die later verhalen worden.


Bij ons op het dorp waar Islamitische en Christelijke overtuigingen vreedzaam beleefd worden. Is mystiek denken en doen zeer populair. Hierdoor ontmoet ik ook veel marabouts. Die zijn vaak zeer veelzijdig. Helderziend, traditioneel genezer, tovenaar, hypnotiseur, vervloeker en kenner van oude rituelen die niemand kent.
Zelf help ik als dorpsoudere mee met het oplossen van problemen in de dorpsgemeenschap. Geef raad. En help regelmatig mee in de lokale kliniek. Dat betekend véél luisteren naar de dorpelingen. Uittreden doe ik ’s nachts, op mijn manier. Gewoon in bed. Dan denk ik voor het inslapen langdurig aan een voorouder. En hoop dan op contact met de overledene. Als ik wakker word dan weet ik vaak nog niets. Wel vaak leuk gedroomd over de verre landen waar mijn mijn opa's Ferdinand en Anton hebben gewoond.
Omdat een van mijn opa’s maar ook mijn oma en mijn moeder in het vroeger Hindoeïstische Indië zijn geboren. En opa daarna op zoek naar werk vanwege de economische crisis in Indië vanaf 1933 zeventien jaar in India heeft gewoond. Is het onvermijdelijk om de Vedische levenswijze en de verschillende hindoeïstische filosofische stromingen te bestuderen als onderdeel van mijn onderzoek. De opdrachtgevers van mijn in Indië werkende opa waren blanke Nederlanders die veelal in Nederland woonden. Maar zijn ondergeschikten waren inheemse werkkrachten. 

In Brits India had opa Ferdinand te maken rijke Indiase bezitters en met het ingewikkelde kastenstelsel die elk weer een eigen geloofsbeleving hadden. Zonder uitstekende kennis van en begrip voor hun levenswijze was goed samenwerken onmogelijk.
Behalve door het lezen van bekende Indiase schrijvers en het kijken naar oude films uit India zoals de prachtige film Pather Panchali uit 1955. Opgenomen in de streek waar opa veel heeft gewerkt.

Heb ook ik veel hulp gehad aan de boeken van o.a. Frits Staal. Een Amsterdamse jongen, net zoals ik. Zijn vader heeft de woontoren op het Victorieplein bedacht. Frits Staal schreef soms warrige maar prachtige boeken. Hij was wetenschapper. Maar als je hem goed leest. Dan zit er goed verstopt. Voortdurend een vileine Amsterdamse humor in zijn teksten. 
Frits hield niet van zweverigheid. Hij hield van logisch denken. Dus als fan van Frits word ik nooit een goeie sjamaan. Als achtienjarige adolescent was ik nogal gek op Laozi. Een Chinese filosoof. Die schreef de voor mij toen schokkende mantra ‘alleen dode vis gaat met de stroom mee’. Zeg dat maar eens in het Chinees.- 只有死魚隨大流 - Frits zegt dat mantra’s eigenlijk vogelgefluit liedjes zijn. En Frits zegt ook dat rituelen geen therapeutische of genezende waarde hebben. Maar wel héél leuk kunnen zijn.
Als leerling sjamaan en leerling logisticus ben ik dus nog steeds niet op de goede weg. Er blijft mij dus niets anders over dan nauwgezet onderzoek te doen. Want Frits zegt ook dat alles wat je niet onderzoekt getuigt van disrespect voor de wetenschap. Toen ik de woorden van Laozi goed tot mij liet doordringen. Heb ik enige weken later afscheid genomen van de antroposofische werk en leer omgeving waar ik toen als piepjongere door het lot of zoals de Sofen zeggen 'karma' in terecht was gekomen. Later op de universiteit ging het veel over Freud en driften. Dus eigenlijk over gebrek aan affectie, stroeve seks of juist geen seks hebben. En wat er dan als mens bewust en onderbewust met je kan gebeuren.
Het ging daar ook over internalisatie ofwel het gedrag van je ouders overnemen en identificatie over de periode dat je 'ik' vorm zou moeten krijgen. Maar echt goed met mijn vader op kunnen schieten heeft er nooit ingezeten. En mijn moeder had altijd een stil verdriet om haar heen. Ook niet bereikbaar dus. Pas toen ik Carl G. Jung ging lezen kwam ik écht bij mijzelf terecht. Want Jung leert je wel kijken. Verder kijken dan je eigen 'ik' dus. Als introvert ventje leerde ik door Jung mij meer extravert te gedragen. 

En om enig idee te verkrijgen over de wegen die mijn voorouders of beter gezegd mijn grootouders hebben bewandeld, heb ik maar een soort persoonlijke mix gemaakt van de ideeën van Plato, de filosofische aanpak van Immanuel Kant aangevuld met de anarchistische denkwijze van Noam Chomsky met als kers op de pudding de visie van Hannah Arendt op de banaliteit van Het Kwaad. Voor mij best wel moeilijke boeken. Ze helpen echter wel om de wereld een beetje beter te begrijpen. Lezen en nadenken over Het Kwaad is helaas nodig. Mijn beide opa's hebben immers twee wereldoorlogen meegemaakt en daar tussenin de grote economische wereldcrisis. Echter wel op twee zeer verschillende continenten.
Dat ik ook nog eens een serie Javaanse grootmoeders heb maakt de innerlijke maar niet onprettige verwarring nog groter. Daar komt nog bij dat mijn ouders getraumatiseerd uit de grote wereldoorlog kwamen en daarna een groot gezin zouden stichten. Ik ben hun vierde kind. Beter gezegd het 9de kind van mijn vader en het 6de kind van mijn moeder. Pas later zou ik leren dat de tien jaren vooraf gaand aan de 2e wereldoorlog. Ook wel de Grote Depressie genoemd. Eveneens van grote invloed zijn geweest op de levens van mijn ouders en hun gedrag na de oorlog toen er vanaf 1948 bijna elk jaar een kind werd geboren. Met name Jung en Arendt hebben mij geholpen om mijzelf te kunnen verzoenen met mijn ouders.
Dat ik o.a. Frits Staal en Jung heb gelezen is ook wel handig bij het reconstrueren van de levens van een paar voor mij belangrijke overledenen. Mijn ouders hebben getracht mij katholiek op te voeden. Door mijn Indo bloed is dat niet zo goed gelukt. Heel Nederland was in die jaren best nog wel kerkelijk. De eerste moskee in Nederland is pas in 1950 geopend. De Mobarakmoskee in Den Haag. 
In Indië waar mijn moeder en dus ook haar ouders vandaan komen hadden de inheemse bewoners oude geloven die uit India kwamen. De Nederlanders bouwden in Medan in 1905 een prachtige moskee. Overgrootmoeder Djeminem is in de kratong van Solo opgevoed. Bij de nabijgelegen Prambanan tempel.

Vroeger was de bevolking van Java animistisch. Indiase monniken brachten het Boeddhisme. Een paar honderd jaar later kwam de Islam er bij. Meegebracht door Islamitische handelaren. Beide geloven hebben grote invloed gehad op de levensstijl en het gedrag van de inheemse bevolking. Verdomd lastig als je als koloniaal aan die mensen op calvinistische wijze geld wil verdienen. Toen de inheemse bevolking ook nog eens Mohammedaans werd. Moesten er allerhande koloniale trucs bedacht worden om alsnog flink geld aan hen te kunnen verdienen.
Ondertussen weten wij allemaal dat Charles Darwin met zijn rond 1870 verschenen boek ‘De afstamming Van Den Mensch’ En De Seksuele Teeltkeus. Ongewild het racisme een nieuwe impuls heeft gegeven. Niet dat Darwin het expres deed. Maar zijn studie werd gewoonweg anders uitgelegd. In een voor vele blanke mensen uitstekende en goed van pas komende rechtvaardiging om de in hun ogen inferieure rassen te kunnen onderdrukken. Jezelf bewust of onbewust superieur voelen en anderen inferieur aan jou achten maakt je tot een racist. Lees er Frantz Fanon en Han Resink maar op na. Doe anders even de test. In een paar minuten weet je het zeker. www.racismetest.nl/
  
Anton mijn Hollandse opa groeide op als dwarsligger in een streng katholiek en Gronings milieu. Anton had grote moeite met de regels van de marine waar hij als moeilijk opvoedbaar kind naar toe was gestuurd. Mijn andere, in Indië geboren opa. Groeide beschermd op in een blanke thuisomgeving waar Onze Lieve Heer en zijn moeder de baas waren. Natuurlijk vraag ik mij af wat het opgroeien zonder vader betekend heeft voor Anton en Ferdinand. Hun omgang met vrouwen en echtgenoten was grillig. Verliefdheid en seks waren aanwezig. Maar vriendschap met hun vrouwen zat er niet in. 

Zou Freud dan toch gelijk hebben gehad. Dat zonen met dominante moeders en afwezige vaders vaak grote moeite hebben met de vaderrol? En daardoor ook niet leren om goed met vrouwen om te kunnen gaan. Omdat de zonen zich niet hebben kunnen identificeren met hun vader. Beide opa's hebben door scheiding niet al hun kinderen zien opgroeien.

De moeder van Ferdinand was een strenge, afstandelijke vrouw. Liefde kreeg opa Ferdinand van zijn Baboe. In het streng katholieke Groningse gezin van Anton zal weinig ruimte geweest zijn voor liefde en warmte. Als net 15jarige moest Anton het huis uit. Naar een zeevaart internaat. Ferdinand groeide echter op met de volksverhalen die zijn baboe vertelde. In een land waar geloofd werd in vele goden. Die woonden in de over geheel Java verspreide grote en kleine oude tempels. Waar mensen woonden die geloofden in heilige stenen, bomen, dieren en elkaar mysterieuze oude verhalen vertelden met Wajang poppen.


Mijn beide opa’s heb ik nooit gekend. Schrijven over mensen die je nooit gekend hebt word dan wel lastig. Pas in 1998 zag ik de eerste 3 foto’s van opa II. Van opa I heb ik nooit een foto gezien. Van oma 1 heb ik twee foto's. Van oma 2 heb ik vier foto’s. Van geen van hen heb ooit een handschrift gezien. Door de komst van het internet en de dagelijks toenemende informatiestroom via familie en archieven levert vele uren onderzoek een aardig beeld op. 

Maar ik wil meer. Ik wil mijn opa’s kunnen spreken, voelen, hun lichaamsgeur in mij op kunnen nemen. Het reconstrueren van hun levensloop is als een studie. Van jaar tot jaar, van maand tot maand, van week tot week. Met soms het vangen van dagen. Zoals trouwdagen, de geboortedata van hun kinderen. Inschepingen, krantenberichten, verhuisberichten, inschrijvingen.
Van opa I weet ik nu dat hij zeer veel jenever dronk. Van opa twee weet ik dat hij dagelijks grote mokken van zijn geliefde Darjeeling thee dronk met veel, hoe kan het anders, rietsuiker. Oma 1 van mijn vaders kant, was een cholerische en wat dwingende forse knappe Hollandse vrouw, geboren in de buurt van Den Helder. Oma 2, mijn Indische oma. Was de eerste echtgenote van Ferdinand. Een wat flegmatisch/melancholische Indo-Europese schoonheid. Matroos opa I zal tijdens zijn verblijven in Indië zeker geproefd hebben van de slanke inheemse vrouwen. Na terugkomst in Den Helder bij zijn streng katholieke Helena was hij meer te vinden in de kroegen of in het cachot op het marineterrein waar hij zijn roes kon uitslapen.
 
Mijn vader had geen goed woord voor hem over. In tegenstelling tot mijn moeder Julie. Zij miste haar vader ten zeerste. De laatste keer dat zij Adriaan zou zien was oktober 1936. In het mondaine Bandoengse hotel Homann. Adriaan was naar Indië gekomen om aanwezig te zijn op de rechtbank in Klaten alwaar zijn huwelijk met Charlotte werd ontbonden. 

Het maakte de weg vrij voor een huwelijk met de in Agra geboren en zwangere Norine Tweedie. Julie was onder de indruk geweest van haar prachtige groene ogen, beeldschone uitstraling en haar jeugdigheid. Norine was maar vijf jaar ouder dan Julie. Zij zou op de in India (Darjeeling) geboren Vivien Leigh lijken. Zo wilde Julie er later ook wel uitzien.
Opa I was de vader van mijn vader. Geboren in 1875 in Groningen. Uit een Duitse vader en Hollandse moeder. In 1890 werd Anton naar de Kweekschool voor Zeevaart in Leiden gestuurd. Volgens het toen geldende school reglement: werden de kwekelingen onderwezen en geoefend [...] in uiteenlopende zaken, zoals daar waren: de kennis van de benodigde gereedschappen aan boord, de kennis van de ‘glazen en wachten’, het schoonschip maken, het knopen, het splitsen, het enteren, het roeien en pagaaien en niet te vergeten de kennis van de verschillende rangen aan boord van ’s Rijks oorlogsschepen.
Opa Anton maakte rond 1898 zijn eerste grote zeereis. Naar Nederlands-Indië. Deed daar eerst Batavia aan en vervolgens Soerabaya waar hij als matroos enige maanden verbleef op het terrein van het Marine-etablissement. Zijn op de Kweekschool opgedane kennis van ‘glazen en wachten’ zullen zwaar op de proef gesteld zijn in de diverse dranklokalen en de nabij gelegen bordelen. Door zijn alcoholproblemen zou Anton veelvuldig in de problemen komen. Vaak gestraft worden en geen promotie maken. Het zou ook zijn huwelijk kosten. Mijn vader is als nakomertje nagenoeg zonder vader opgegroeid. Anton senior zou in 1949 vereenzaamd in een klein pension boven een café in Amsterdamse Dapperstraat overlijden.
Eveneens op het terrein van het Marine-etablissement huisde stuurman Adriaan van der Steur. Adriaan was een 30 jaar oude stuurman op een gouvernementeel baggerschip. Adriaan zou een jaar later trouwen met de toen negentien jarige Joanna Heijligers. Haar moeder had als weduwe toestemming gegeven na dat Adriaan gepromoveerd was tot stuurman op de opiumjager ‘De Lucifer’. In november 1900 werd hun enige zoon geboren. Ook Ferdinand zou vaderloos opgroeien. Adriaan werd in 1901 vanwege depressies opgenomen in het Krankzinnigen Gesticht Lawang. Na zijn behandeling besloot hij naar Nederland terug te keren. Het huwelijk werd via de post in 1907 ontbonden.
Opa Ferdinand groeide als enig kind op in de betere blanke kringen van Soerabaya. De zus van zijn moeder was getrouwd met Lucas Sarkies. Een telg van welvarende Armeense zakenlieden. En vanaf 1908 o.a. eigenaar van Hotel Oranje. Moeder Joanna leefde met Ferdinand. Die Nandje genoemd werd. In een zijvleugel van het grote huis van Lucas en Charlotte Sarkies.

Ferdinand groeide beschermd en voorspoedig op. Na de driejarige H.B.S. werd hij leerling van de Suikerschool in Soerabaya. Aan zijn eerste baan als zeer jeugdig 2e Machinist begon hij in 1919 in de suikerfabriek van Poerworedjo. Medeverantwoordelijk voor het productieverloop van de suikerriet oogsten. Een leerschool die hem naast bekendheid met alle machines ook de fijne kneepjes van de suikerchemie bij zouden brengen. 

Ferdinand was ook zeer actief in als bestuurder in de Suikerbond. Later zal blijken dat hij net zoals zijn dochter Julie voorstander was van de Republiek Indonesië én van een onafhankelijk India.


(wordt vervolgd rond de kerstdagen 2016)


Baboes, moeders en Poentianak in Nederlands-Indië

In het onderzoek waar ik al weer jaren aan werk. Met de werktitel Julie, een Indisch meisje. Spelen ook de traditionele medicijnmannen en waarzeggers een rol. Julie’s vader bezocht na haar geboorte een waarzeggende Doekoen. Die zou hem vertellen dat zijn eerste dochter een bijzonder vrijheidslievend kind zou zijn. Ook Julie raadpleegde voor en tijdens de Japanse bezetting op gezette tijden een Doekoen en gereputeerde waarzeggers. Of kocht traditionele medicijnen bij de kruidenvrouwtjes, de Mbok Jamu (Julie schreef Bibi Djamoe). Meer hierover in een volgend artikel.



Het merendeel van de in Nederlands-Indië geboren blanke kinderen zal een baboe gehad hebben. Zo ook de Indo-Europese kinderen. Als die tenminste ouders hadden die een baboe konden betalen. 
  Tijdens het onderzoek voor het boek over Julie heb ik veel biografieën gelezen. In bijna alle verhalen wordt wel een baboe genoemd. Veelal zonder naam. Toch waren het juist de baboe’ die in veel gevallen dichter bij de van baby tot jongvolwassene opgroeiende kinderen hadden gestaan dan de oorspronkelijke moeder. Tot zover heb ik nog geen wetenschappelijke onderzoeken naar de rol van baboe gevonden.


De grote invloed van een baboe op de zintuigelijke en emotionele ontwikkeling van de baby mag niet onderschat worden.  Van een geslaagde ‘hechting’, zoals de duurzame affectieve relatie tussen moeder en kind genoemd word. Zal zeker niet altijd sprake geweest zijn omdat de baboe veel verzorgende taken van de moeder overnam en relatief veel meer tijd met het kind doorbracht. Veel moeders zullen in de veronderstelling geleefd hebben dat de invloed van de ongeschoolde en volgzame baboe gering was. Zolang de baboe maar gevolg gaf aan de aanwijzingen van de gezaghebbende mevrouw zou het wel goed komen met de vorming van het kind. Reggie Baay beschouwt in zijn boek ‘Daar werd wat gruwelijks verricht’  en zeker niet ten onrechte, ook de baboe als (huis)slavin.


Historicus Cees Fasseur word op zijn laatste boek afgebeeld met zijn baboe. In het boek zelf géén woord over zijn baboe. Ook acteur en regisseur Eric Schneider en zijn twee jaar oudere broer Carel Jan zijn samen met hun baboe op de omslag van “Een tropische verrassing” afgebeeld. Carel Jan Scheider is het pseudoniem van diplomaat en schrijver F. Springer. Geen van beiden schrijft over hun baboe. Journalist Max Pam had in 1986 een gesprek met schrijver Rudy Kousbroek van o.a. “Het Oostindisch kampsyndroom. Rudy Kousbroek verteld: ‘Met zo'n baboe had je een eigenaardige relatie. De baboe mocht mij bij voorbeeld niet slaan. Op een bepaalde manier regeerde ik over haar en achteraf denk ik dat ik die macht verschrikkelijk misbruikt heb. Maar als het moment kwam dat zij zich toch moest laten gelden, vertelde zij griezelverhalen. Als kind was ik daar doodsbenauwd voor".

Twee belangrijke boeken - rechts Lizzy van Leeuwen

Kousbroek verteld verder: “Mijn baboe had mij verteld dat er een soort monster bestond, dat uit was op kinderen. Het had monster had het hoofd van een oud vrouwtje. Het had geen lichaam, maar wel ingewanden. Het sleepte zich eindeloos voort: pssst, pssst, pssst... “. Kousbroek doelde op Poentianak een in Indië gevreesde demonische verschijning die veelal in twee gedaantes verschijnt. Als een beeldschone vrouw met prachtig over de grond slepend lang haar. Zij heeft echter geen vagina maar een grote ronde opening waarin je als kind door opgeslokt kan worden. In een andere versie verschijnt Poentianak als de geest van een in het kraambed gestorven vrouw die uit jaloezie kinderen rooft. Het zou mij niet verbazen dat de baboes met dergelijke verhalen een beetje wraak namen op hun werkgeefster.

Poentianak door Kurt Komoda daarnaast Wewe Gombel een andere enge vrouw uit de Javaanse verhalen

Mijn in 1912 in Den Helder geboren vader had geen baboe en groeide op zonder vaderfiguur. Achteraf zou blijken dat Pa eigenlijk alleen maar van zijn moeder heeft gehouden. Mijn in 1920 in Poerworedjo geboren moeder had wél een baboe. En heeft een zeer moeizame relatie met haar moeder gehad. Ook haar broer Gerard heeft nooit een warme relatie met hun moeder Charlotte op kunnen bouwen. In Nederland zou men kinderjuffrouw zeggen, of gouvernante. In Nederlands-Indië was de baboe van inlandse afkomst. Lieve, stille, zachte en zorgzame jonge vrouwen, veelal afkomstig uit een nabijgelegen kampong. Zonder enige scholing en strikt de orders van de vrouw des huizes opvolgend. Die ook leiding gaf aan het andere inlandse personeel. Het keukenmeisje, het wasmeisje, de tuinjongen(s). Afhankelijk van het aantal kinderen in huis kwam het vaak voor dat ieder kind een eigen baboe had.

Circa 1918 Helena Deymann-van Wolferen Den Helder - Charlotte Deuning uit Boyolali. Onze grootmoeders uit twee werelden.

Tijdens haar laatste maanden verlangde Julie niet naar haar moeder. Ook niet naar haar strenge en door Julie zo gevreesde grootmoeder Johanna. De moeder van haar vader. Haar zoon Ferdinand was opgegroeid zonder vader. Zijn in (Den-) Haagse stijl opgevoede moeder Johanna werkte dagelijks mee in de bloeiende hotels van haar zus en zwager. Waaronder het later zo bekend geworden Oranje Hotel in Soerabaya. Het was de baboe van Ferdinand die hem dagelijks zou verzorgen. Zij zou jarenlang op de grond naast zijn bedje slapen. Zou de 19jarige Ferdinand gevallen zijn voor de wulpse vormen van de vier jaar oudere Indische Charlotte omdat zij zou ruiken en aanvoelen zoals zijn baboe? Moeder Johanna was laaiend geweest. Over de zwangerschap, maar ook over hun huwelijk in 1921.

1926 Charlotte vd Steur-Deuning bij het huis op Delanggoe - Johanna vd Steur-Heyligers

Terwijl vader en moeder (links op de foto) werkten. Heerste grootmoeder Johanna over het huishouden in de vrijstaande villa op het terrein van Suikerfabriek Delanggoe. Julie schrijft in 1963 in een artikel voor het Indische magazine Moesson:
“Als ik dan thuiskwam met een druipend natte hansop, was het mijn baboe anak, die mij – schuldbewust – stiekem aan droge kleding hielp. Schuldbewust, want had zij niet, in plaats van bij mijn bed te waken, zoals mijn grootmoeder had opgedragen”. - Julie zal toen circa 6 jaar oud geweest zijn en baboe zou Julie buiten het terrein met schone kleding hebben opgewacht.

Suikerfabriek Delanggoe - Julie schreef in 1963 - "Achter die sawa's lag mijn sprookjesland, de kali en de kampong ten naasten bij".

De in 1911 in Jogjakarta geboren Nederlands-Indonesische dichter, schrijver en geleerde Han Resink zou in 1946 niet zoals Julie naar Nederland vluchten. Resink koos er voor om Indonesiër te worden. Hij overleed in 1997 te Jakarta. In de vele huishoudelijk advies boeken voor blanke vrouwen die in Indië een huishouden moesten leiden werd in veelal zeer bedekte gewaarschuwd voor baboes die met erotische trucjes met name de jongens fijn stil wisten te krijgen. Zouden die heerlijke trucjes de reden zijn dat de mannelijke schrijvers veel lyrischer over hun baboes schrijven dan de vrouwen? Han Resink had een zeer moeizame relatie met zijn moeder. Hij zou ook nooit trouwen.  

Han Resink zit links

Julie maakte in 2001 moeilijk maanden door. Op vijf juni van dat jaar zou Julie overlijden. Haar lever speelde op waardoor zij steeds langer in bed bleef. Het moet ook een pijnlijk proces geweest zijn. Julie zou op 5 juni overlijden aan de gevolgen van een levercirrose. Julie had in de voorgaande jaren dagelijks stevig gedronken. Er was oud verdriet wat weg gespoeld moest worden Rond 12.00 uur een witte wijn met een scheutje Campari.  Vanaf 17.00 maar vaak al eerder, een flink aantal glazen whisky. ’s Avonds rode wijn bij het avondeten. Elke dag.

Gerard en Julie Java 1927 - Julie in haar huisje te San Remo 1997

Julie huilde vaak in bed. Soms luid soms heel stil en dreef na verloop van uren weg in onrustige dromen. Dromen over Indië. Over het Indië van haar vroegste jaren. Jaren die zij doorbracht op het terrein van de suikerfabriek op midden-Java. Waar haar vader Ferdinand en moeder Charlotte beiden werkten. Vader als machinist en moeder op het kantoor. Beide kinderen hadden een eigen baboe. Baboe Jilly en baboe Boy. Want zo werd haar twee jaar jongere broertje Gerard genoemd.  

Baboes op het internet

Vader Ferdinand  had ook een baboe gehad in het fijne en grote geboortehuis aan de Palmenlaan in Soerabaya. Moeder Charlotte en haar twee jaar oudere broer Henri hadden samen een baboe gehad. Dat was wel zo fijn geweest. De moeder van Charlotte was in 1898 overleden toen Charlotte net twee jaar oud was geworden. In 1900 zouden Charlotte en Henri het mooie vrijstaande huis op het terrein van Suikerfabriek Tjokro verlaten. Vader Casper had pensioen en zou zijn laatste jaren bij zijn oudere dochter op het terrein van Suikerfabriek Tjepper met hen doorbrengen. Hij zou in 1905 overlijden.



Niet lang daarna zouden Charlotte en Henri afscheid moeten nemen van hun baboe. Beiden werden naar een katholieke kostschool te Moentilan gestuurd. Charlotte kwam onder de hoede van de strenge witte nonnen en Henri werd een leerling van Pater van Lith. Henri is later pater geworden en Charlotte liet na het mislukken van haar huwelijk met Ferdinand, Julie en Gerard in de steek voor een nieuwe liefde. Julie verbleef vanaf haar 13de in verschillende pleeggezinnen en broertje Gerard werd naar het kinderhuis van Pa van der Steur gebracht. 


Pater Frans van Lith met Henri circa 1915

Apathie, ontkenning, relativering en de overlevingsmodus

Vandaag de dag zie je het bij de vele vluchtelingen die naar Europa komen. Apathisch gedrag komt voor bij mensen die trauma’s hebben ondergaan. En daardoor geen energie meer hebben. Geen emoties kunnen tonen, gebrek aan motivatie hebben, geen levenslust of enthousiasme op kunnen brengen. Gebrek aan zelfvertrouwen hebben, onverschillig lijken te zijn. Zich stil houden. Spontane woedeuitbarstingen. En met zich laten ‘sollen’.


De Nederlandse overheid heeft zeer eigenlijk ruime ervaring met vluchtelingen. Maar door de vele naoorlogse kabinetswisselingen heeft het politieke korte termijn geheugen zich beter kunnen ontwikkelen dan het historisch geheugen. De 7 miljoen Nederlanders die er vanaf 1950 en ondanks de oproep van Koningin Juliana in dat jaar om te emigreren. Alsnog bij zijn gekomen heeft een onverwacht grote en kleurrijke diversiteit onder de huidige bevolking veroorzaakt.

Een lastige kwestie voor de weinig diverse Eerste- en Tweede kamer en de nog steeds zeer blanke kabinetten. Hun regeringsstijl doet mij vaak denken aan het voormalig koloniaal bestuur. Toen Nederland nog groot was. De huidige regering in 2016 draagt hierdoor zeker bij aan de algemene apathie onder de bevolking die hun stem mag uitbrengen.

                       Jongetje in Batavia 1946

Apathie houd mij bezig. Evenals ontkenning en ook de relativerende toon uit de politiek. Je leest dan: “Wij zijn bijna uit de crisis. Het gaat goed met Nederland. Maar we moeten wel zuinig zijn. Geld is schaars zegt minister Dijsselbloem”.  Zelf denk ik dan aan de voedselbanken in Nederland. Voedsel kan schaars zijn. Geld niet.

Mensen bang maken is apathie veroorzaken. In het boek waar ik aan werk zal het ook over apathie gaan. Een ziektebeeld wat ik al heel jong heb leren kennen. Bij oma. Bij vader en moeder. En later ook bij mijzelf. En altijd was de apathie gerelateerd aan angst. Angst voor het moment en angst voor de toekomst.



Mijn latere moeder Julie, kon op 18 oktober 1945 eindelijk vertrekken uit de villa aan Kedjaksan 18. Mijnheer Okuda had haar laten gaan.  Eigenlijk had hij niets gezegd toen Julie schielijk de villa verliet. Okuda had in zijn leunstoel gezeten. En al dagen als verdoofd naar buiten gestaard. De Japanse militaire politie, de Kempeitai. Had Julie in december 1943 bij Dr. Iki Okuda geplaatst. Hij was geen arts maar bioloog en als Japanse burger in bezet Nederlands-Indië opnieuw naar Java gestuurd. Om vervolgens als  directeur van de Javaanse Mestfabriek in Cheribon aan het werk te gaan.

 
Julie circa 1938 in Bandoeng

Julie was voordien. In mei 1943. Na diverse verkrachtingen in haar huurkamer. Naar de gevangenis gebracht. En was gedwongen onthoofdingen van collega verzetsstrijders aan te zien. In ruil voor het leven van haar moeder en haar twee kinderen had Julie toegestemd om als Kempeitai spionne Duitse onderzeeboot officieren af te luisteren. Het betrof met name Duitse marineofficieren die door hun Japanse marine collega’s in een bar met restaurant in Batavia werden uitgenodigd.


De Duitsers kochten rubber en andere producten in voor de Duitse oorlogsindustrie. De Duitse  onderzeeërs waren in aanvang zeer succesvol met hun onderwatertransporten naar Duitsland. Vervoer per schip was te onzeker geworden. Julie was in december 1943 als zwanger animeermeisje echter niet meer inzetbaar en kreeg het bevel om naar Cheribon te vertrekken.



Dr. Okuda had via de Japanse radio vernomen dat  Japan had gecapituleerd.  Niet veel later waren zijn vrienden van de Kempeitai langs gekomen. De Kempeitai afdeling die het bevel over Cheribon en omgeving voerden kunnen gerekend worden tot de meest hardhandige Kempeitai groepering op Java gedurende de bezetting. Met name de Chinese bevolking heeft zeer onder hun bewind geleden. Veel Chinezen vonden de dood in de diverse dorpen, kantoren en gevangenissen waar de Kempeitai de baas was geweest.

De villa van Okuda was een geliefd onderkomen van de hogere Kempeitai officieren geweest. Julie had hoofd van de huishouding moeten spelen. Erop toezien dat er voldoende drank en eten was. Okuda was een bescheiden en beheerst man. Hij sprak redelijk goed Maleis en redelijk Nederlands.  Opgeroeid in het voordien door Japan bezette Taiwan. Afgestudeerd in Tokio. En zeer goed bekend met Java vanwege een twee jaren durend agrarische onderzoek op midden-Java in de jaren ’30. In latere jaren zou hij als meereizend agrarisch gezant nog een aantal malen Java bezoeken.  Okuda werd in mei 1942 verantwoordelijk gemaakt voor de over geheel Java noodzakelijke bemestingsproducten. Met name om de voedselexport naar Japan te bevorderen.


Julie werd eveneens gedwongen om Okuda dagelijks te ondersteunen als vertaalster van documenten rond de aanvoer per trein van slachtafval. Nodig om organische mest te maken voor de land en tuinbouw. Haar PTT opleiding als NL-EN-FR-Duits telegrafiste en stenograve én haar kennis van de lokale talen waren onmisbaar voor Okuda. Ook  tijdens de nachten in de grote villa zou Okuda over Julie beschikken. Van vluchten kon geen sprake zijn. Het inlandse personeel was op de hand van de Japanners. En zou zwaar gestraft worden als Julie zou vluchten.

Er werd na de capitulatie weken lang geschreeuwd, gehuild, gedweept en veel gedronken in de villa. De Japanse officieren hadden de oorlog verloren maar niet de opdracht gekregen zelfmoord (Harakiri) te plegen. Okuda voelde zich persoonlijk ook verslagen en zat urenlang apathisch in zijn stoel in de woonkamer. Sprak niet. Julie kon nog niet vaststellen dat zij ‘vrij’ zou zijn.


De Japanisering van Indië vanaf 1942 hield o.a. in dat er nergens meer Nederlands gesproken mocht worden. Julie had inmiddels voldoende Japans geleerd om te begrijpen dat Japan de oorlog had verloren. Maar haar positie was nog onduidelijk. Twee dagen na de capitulatie hadden Soekarno en Mohammed Hatta de Republiek Indonesië gesticht. Ook in Cheribon was er onder de Indonesiërs grote vreugde. Er werd Merdeka geroepen. Vrijheid. Dus ook bevrijd van de Hollanders. In aanvang konden de Kempeitai en de nog aanwezige Japanse legereenheden de stad onder controle houden.


In de loop van september en oktober 1945 namen de plunderingen en moordpartijen op met name de Chinese bevolking toe. Ook de Indo-Europeanen zoals Julie waren hun leven niet meer zeker. Jeugdbendes met bamboesperen bevolkten de straten. Veel van deze jongeren waren in de voorgaande jaren door de Japanners getraind om indien nodig tegen de naderende Engelsen, Amerikanen en Nederlanders te kunnen vechten.

In de voorgaande jaren hadden niet alleen de door Japan geïnterneerde krijgsgevangenen en Nederlandse burgers in de kampen geleden. Het merendeel van de Indo-Europeanen die niet waren opgesloten leefden als paria’s en zo onopvallend mogelijk tussen de Indonesische bevolking en de Japanners. De Indo-Europeanen waren vogelvrij en hadden geen rechten zoals de Indonesiërs die nog enigermate hadden. In 1944 begon ook de hongersnood op Java. Het Japanse leger en de burgerij in Japan werd eveneens gevoed met de verplichte export voedselquota die de Japanners zogenaamd tegen betaling opeisten.

Apathische en honger leidende (Indo) weeskinderen op Java

Meer dan 2 miljoen Javanen zouden tussen 1944 en 1945 van honger omkomen. Ook Julie zag vanuit de villa van Okuda in de villawijk van Cheribon vele door honger gestorven volwassenen en kinderen op straat liggen. Julie hoorde van het inlandse huispersoneel van Okuda over de hongersnood in de dorpen waar hun familieleden woonde.

Voor Julie die nooit in Nederland was geweest. Maar wel vlekkeloos Nederlands had leren lezen en schrijven. Waren de achterliggende jaren tergend langzaam verlopen. Nadat in maart 1944 haar door het hoofd van de Bandoengse Kempeitai verwekte kindje dood was geboren. Was  Julie in een vorm van sluimerende apathie geraakt. De gedachten aan haar twee kinderen die op verschillende adressen in Bandoeng verbleven hielden haar op de been.

Tijdens dienstreizen naar Batavia die Julie als secretaresse (en maîtresse) van Okuda ondernam. Heeft Julie drie keer tussen 1944 en 1945. De gelegenheid gehad om in een door haar oud schoolvriendin Marie geleend kakikleuring Japans burgerjurkje naar Bandoeng af te reizen. Per keer in een dag op en neer met de trein van Batavia naar Bandoeng.  Marie was een Indo-Japanse vrouw met een burger Japanner getrouwd. Julie kon hierdoor relatief vrij reizen met de Japanse burgerpas van Marie. De foto op de pas leek voldoende op Julie.

Julie zou haar bezoeken aan Bandoeng later moeten berouwen met beschuldigingen van collaboratie met de Japanners. Tijdens een verhoor in augustus 1946 door de Nederlandse Inlichtingendienst. Heeft Julie een 8 pagina lange verklaring afkunnen leggen die hier geheel zou vrijspreken van alle beschuldigingen. Deze verklaring bevind zich in een geheim dossier van het Nationaal Archief. Die ik pas in augustus 1945 kort mocht in zien.

Op 18 oktober 1945 kreeg Julie uiteindelijk toestemming van de Kempeitai en mijnheer Okuda om naar Bandoeng af te reizen. Julie hield in de straat voor het huis van Okuda een andong (delman) aan. En kleine tweewielige wagen met een koetsier en paard. Bij het station van Cheribon aangekomen werd de wagen staande gehouden door een republikeinse politieman. Julie kreeg het bevel om uit te stappen. Op haar persoonsbewijs stond duidelijk dat zij Indo-Europees was.

18 oktober 1945 was ook de dag dat de republikeinen hadden besloten om Indo-Europeanen en Hollanders op te sluiten in zogenaamd door de republikeinen beschermde kampen. Julie werd immers net zoals de blanken en andere Indo-Europeanen als nationalist gezien.


Julie werd op het stations emplacement van Cheribon in een gereedstaande treinwagon geduwd. Enige uren later werd zij met circa 900 andere Indo-Europeanen en Hollanders opgesloten in de nabijgelegen Oude Boei gevangenis. Julie werd opgesloten in een kleine ruimte zonder water en sanitair met 22 andere vrouwen. Pas eind april 1946 zouden Julie en de andere gevangen per goederentrein naar Batavia vervoerd worden. Zij waren ‘geruild’ tegen 1500 door het Nederlandse leger gevangen genomen Republikeinen.

Julie zou naar haar bevrijding succesvol tegen de in de gevangenis opgelopen beriberi behandeld worden. Vermoedelijk heeft Julie de droge vorm van beriberi opgelopen ofwel een ernstig tekort aan vitamine A1 die een flinke aanslag is op het centraal zenuwstelsel en aldus voor groot energie tekort zorgt en aldus tot apathisch gedrag.

Julie kon zich hierdoor haar gevangenisperiode nauwelijks herinneren. In een notitie schreef zij over een in hun cel ’gek’ geworden Nederlandse vrouw die uiteindelijk gestorven is. Eenmaal heeft Julie ons verteld dat zij de periode in de gevangenis heeft kunnen overleven door af en toe rawit te eten. Extreem hete Spaanse pepertjes met een zeer hoog vitamine C gehalte. Daarnaast vond zij wel eens eetbaar onkruid groeiend onder het prikkeldraad van de afrastering aan de havenkant waar de gevangenis zich bevond. In de verte kon zij de contouren van de mestfabriek zien waar zij bijna twee jaar had gewerkt.

Voordat de het licht ’s avonds in de gevangenis uitging . Werd er door alle gevangen zacht gezongen. Enerzijds om de apathie te doorbreken. Anderzijds een om een gevoel van saamhorigheid en hoop te behouden. Er werden twee variaties gezongen op de wijs van een in heel Indië populair liedje van Bing Crosby. O’ give me a home.


Na de oorlog. Toen Julie eenmaal in Nederland woonde. En nog eens twaalf kinderen had gebaard.  Kwam de oorlog in Julie terug. Zij was net vijftig jaar oud geworden. En de Hollandse dokter zei naar aanleiding van haar veelvuldige spontane huilbuien en apathische gedrag; U heeft een ‘existentiële crisis’.

Wat wist de dokter van Nederlandse-Indië en wat daar gebeurt was. De dokter was tijdens de oorlog in Friesland opgegroeid. Gewoon bij zijn eigen ouders. En ook wij. De kinderen van Julie. Leerden op school niets over Indië. En thuis werd daar niet over gepraat. Dat was een door Juli afgesloten periode. Een periode die in latere jaren in alle hevigheid en ondanks innerlijk verzet van Julie. Soms en toen vaker. Keihard zou terug komen.

In de afgelopen jaren heb ik onderzoek gedaan naar de achtergrond van Julie. Onderzoek voor de publicatie van een boek over Julie. Het is mij telkens opnieuw opgevallen dat de zogenoemde Indische Zwijgzaamheid een sterke relatie heeft met de kenmerken van apathie in combinatie met ontkenning en relativering. Het maakt het hierdoor moeilijk om een beeld te vormen van de vele naar Nederland gevluchte Indo-Europeanen die liever niet over hun geleden verleden wilde nadenken of praten. 


Zij waren immers ‘buitenkampers’. Hun verhalen worden overstemd door de vele boeken met kampervaringen geschreven door blanke Nederlanders die door de Japanners geïnterneerd waren.

Anderzijds hielpen de eufemistisch te noemen ‘gastvrije’ Nederlanders ook flink mee om de meer dan 200.000 na de oorlog naar Nederland uitgeweken Indo’s in te peperen dat zij vooral hun mond moesten houden en dankbaar moesten zijn voor de veelal door de gevluchte Indo’s zélf betaalde kosten voor transport én opvang in Nederland.  


Toen Nederland eind 1949 onder grote buitenlandse dwang Nederlands-Indië moest opgeven. Kwam er een nieuwe groep uitgebluste verliezers naar Nederland. De Nederlandse militairen die in Nederlands-Indië hadden gevochten. Die moesten eigenlijk ook maar hun mond houden. En net zoals de Indo’s voor lief nemen dat Nederland niet van ‘verlies’ houd. Winst maken. Daar waren de Nederlanders vanaf de VOC tijd zo goed in.

1950 De Indische urn doordrenkt met bloed uit Nederlands-Indië wordt bijgezet in het monument op de Dam.

En had Prof. Wertheim in 1952 niet geschreven dat de Indo’s laag opgeleid, behoorlijk lui zijn en apathisch gedrag vertonen. Nou, dan houd je wel je mond als gevluchte Indo in Nederland. Toen het in de jaren ’60 van de vorige eeuw economisch weer voortreffelijk met Nederland ging. En de middenklasse steeds beter kon worden opgeleid. Mochten de Marokkanen en Turken en later nog meer minderheden naar Nederland komen. Om schoon te maken, en in fabrieken te werken.

Momenteel wonen er in Nederland circa 1 miljoen Nederlanders met gedeeltelijk Indisch DNA. Echt ‘leuk’ is het niet als deze groepering onderzoek wil doen naar hun afkomst. Zij stuiten al snel op het leed wat hun grootouders hebben ondergaan. Op de apathie ofwel het zogenoemde grote Indische Zwijgen. Of op ouders die geleden hebben onder het leed van hún ouders. 

Of men stuit anders wel op de vele gesloten Staats Doofpotten in het Nationaal Archief. En op de al 71 jaar durende ontkenning en het met het staatsgedraai omgeven probleem rond salarisbetalingen. Oorlogsschade vergoedingen. De verloren gewelddadige oorlog tussen 1946 en 1949. 


Wordt het niet eens tijd dat de overheid de ereschuld (backpay) gaat inlossen? Tijd voor verzoening. En ruimte maken voor een koloniaal archief en museum gekoppeld aan de archieven in Jakarta en elders in Indonesië.