Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

Apathie, ontkenning, relativering en de overlevingsmodus

Vandaag de dag zie je het bij de vele vluchtelingen die naar Europa komen. Apathisch gedrag komt voor bij mensen die trauma’s hebben ondergaan. En daardoor geen energie meer hebben. Geen emoties kunnen tonen, gebrek aan motivatie hebben, geen levenslust of enthousiasme op kunnen brengen. Gebrek aan zelfvertrouwen hebben, onverschillig lijken te zijn. Zich stil houden. Spontane woedeuitbarstingen. En met zich laten ‘sollen’.


De Nederlandse overheid heeft zeer eigenlijk ruime ervaring met vluchtelingen. Maar door de vele naoorlogse kabinetswisselingen heeft het politieke korte termijn geheugen zich beter kunnen ontwikkelen dan het historisch geheugen. De 7 miljoen Nederlanders die er vanaf 1950 en ondanks de oproep van Koningin Juliana in dat jaar om te emigreren. Alsnog bij zijn gekomen heeft een onverwacht grote en kleurrijke diversiteit onder de huidige bevolking veroorzaakt.

Een lastige kwestie voor de weinig diverse Eerste- en Tweede kamer en de nog steeds zeer blanke kabinetten. Hun regeringsstijl doet mij vaak denken aan het voormalig koloniaal bestuur. Toen Nederland nog groot was. De huidige regering in 2016 draagt hierdoor zeker bij aan de algemene apathie onder de bevolking die hun stem mag uitbrengen.

                       Jongetje in Batavia 1946

Apathie houd mij bezig. Evenals ontkenning en ook de relativerende toon uit de politiek. Je leest dan: “Wij zijn bijna uit de crisis. Het gaat goed met Nederland. Maar we moeten wel zuinig zijn. Geld is schaars zegt minister Dijsselbloem”.  Zelf denk ik dan aan de voedselbanken in Nederland. Voedsel kan schaars zijn. Geld niet.

Mensen bang maken is apathie veroorzaken. In het boek waar ik aan werk zal het ook over apathie gaan. Een ziektebeeld wat ik al heel jong heb leren kennen. Bij oma. Bij vader en moeder. En later ook bij mijzelf. En altijd was de apathie gerelateerd aan angst. Angst voor het moment en angst voor de toekomst.



Mijn latere moeder Julie, kon op 18 oktober 1945 eindelijk vertrekken uit de villa aan Kedjaksan 18. Mijnheer Okuda had haar laten gaan.  Eigenlijk had hij niets gezegd toen Julie schielijk de villa verliet. Okuda had in zijn leunstoel gezeten. En al dagen als verdoofd naar buiten gestaard. De Japanse militaire politie, de Kempeitai. Had Julie in december 1943 bij Dr. Iki Okuda geplaatst. Hij was geen arts maar bioloog en als Japanse burger in bezet Nederlands-Indië opnieuw naar Java gestuurd. Om vervolgens als  directeur van de Javaanse Mestfabriek in Cheribon aan het werk te gaan.

 
Julie circa 1938 in Bandoeng

Julie was voordien. In mei 1943. Na diverse verkrachtingen in haar huurkamer. Naar de gevangenis gebracht. En was gedwongen onthoofdingen van collega verzetsstrijders aan te zien. In ruil voor het leven van haar moeder en haar twee kinderen had Julie toegestemd om als Kempeitai spionne Duitse onderzeeboot officieren af te luisteren. Het betrof met name Duitse marineofficieren die door hun Japanse marine collega’s in een bar met restaurant in Batavia werden uitgenodigd.


De Duitsers kochten rubber en andere producten in voor de Duitse oorlogsindustrie. De Duitse  onderzeeërs waren in aanvang zeer succesvol met hun onderwatertransporten naar Duitsland. Vervoer per schip was te onzeker geworden. Julie was in december 1943 als zwanger animeermeisje echter niet meer inzetbaar en kreeg het bevel om naar Cheribon te vertrekken.



Dr. Okuda had via de Japanse radio vernomen dat  Japan had gecapituleerd.  Niet veel later waren zijn vrienden van de Kempeitai langs gekomen. De Kempeitai afdeling die het bevel over Cheribon en omgeving voerden kunnen gerekend worden tot de meest hardhandige Kempeitai groepering op Java gedurende de bezetting. Met name de Chinese bevolking heeft zeer onder hun bewind geleden. Veel Chinezen vonden de dood in de diverse dorpen, kantoren en gevangenissen waar de Kempeitai de baas was geweest.

De villa van Okuda was een geliefd onderkomen van de hogere Kempeitai officieren geweest. Julie had hoofd van de huishouding moeten spelen. Erop toezien dat er voldoende drank en eten was. Okuda was een bescheiden en beheerst man. Hij sprak redelijk goed Maleis en redelijk Nederlands.  Opgeroeid in het voordien door Japan bezette Taiwan. Afgestudeerd in Tokio. En zeer goed bekend met Java vanwege een twee jaren durend agrarische onderzoek op midden-Java in de jaren ’30. In latere jaren zou hij als meereizend agrarisch gezant nog een aantal malen Java bezoeken.  Okuda werd in mei 1942 verantwoordelijk gemaakt voor de over geheel Java noodzakelijke bemestingsproducten. Met name om de voedselexport naar Japan te bevorderen.


Julie werd eveneens gedwongen om Okuda dagelijks te ondersteunen als vertaalster van documenten rond de aanvoer per trein van slachtafval. Nodig om organische mest te maken voor de land en tuinbouw. Haar PTT opleiding als NL-EN-FR-Duits telegrafiste en stenograve én haar kennis van de lokale talen waren onmisbaar voor Okuda. Ook  tijdens de nachten in de grote villa zou Okuda over Julie beschikken. Van vluchten kon geen sprake zijn. Het inlandse personeel was op de hand van de Japanners. En zou zwaar gestraft worden als Julie zou vluchten.

Er werd na de capitulatie weken lang geschreeuwd, gehuild, gedweept en veel gedronken in de villa. De Japanse officieren hadden de oorlog verloren maar niet de opdracht gekregen zelfmoord (Harakiri) te plegen. Okuda voelde zich persoonlijk ook verslagen en zat urenlang apathisch in zijn stoel in de woonkamer. Sprak niet. Julie kon nog niet vaststellen dat zij ‘vrij’ zou zijn.


De Japanisering van Indië vanaf 1942 hield o.a. in dat er nergens meer Nederlands gesproken mocht worden. Julie had inmiddels voldoende Japans geleerd om te begrijpen dat Japan de oorlog had verloren. Maar haar positie was nog onduidelijk. Twee dagen na de capitulatie hadden Soekarno en Mohammed Hatta de Republiek Indonesië gesticht. Ook in Cheribon was er onder de Indonesiërs grote vreugde. Er werd Merdeka geroepen. Vrijheid. Dus ook bevrijd van de Hollanders. In aanvang konden de Kempeitai en de nog aanwezige Japanse legereenheden de stad onder controle houden.


In de loop van september en oktober 1945 namen de plunderingen en moordpartijen op met name de Chinese bevolking toe. Ook de Indo-Europeanen zoals Julie waren hun leven niet meer zeker. Jeugdbendes met bamboesperen bevolkten de straten. Veel van deze jongeren waren in de voorgaande jaren door de Japanners getraind om indien nodig tegen de naderende Engelsen, Amerikanen en Nederlanders te kunnen vechten.

In de voorgaande jaren hadden niet alleen de door Japan geïnterneerde krijgsgevangenen en Nederlandse burgers in de kampen geleden. Het merendeel van de Indo-Europeanen die niet waren opgesloten leefden als paria’s en zo onopvallend mogelijk tussen de Indonesische bevolking en de Japanners. De Indo-Europeanen waren vogelvrij en hadden geen rechten zoals de Indonesiërs die nog enigermate hadden. In 1944 begon ook de hongersnood op Java. Het Japanse leger en de burgerij in Japan werd eveneens gevoed met de verplichte export voedselquota die de Japanners zogenaamd tegen betaling opeisten.

Apathische en honger leidende (Indo) weeskinderen op Java

Meer dan 2 miljoen Javanen zouden tussen 1944 en 1945 van honger omkomen. Ook Julie zag vanuit de villa van Okuda in de villawijk van Cheribon vele door honger gestorven volwassenen en kinderen op straat liggen. Julie hoorde van het inlandse huispersoneel van Okuda over de hongersnood in de dorpen waar hun familieleden woonde.

Voor Julie die nooit in Nederland was geweest. Maar wel vlekkeloos Nederlands had leren lezen en schrijven. Waren de achterliggende jaren tergend langzaam verlopen. Nadat in maart 1944 haar door het hoofd van de Bandoengse Kempeitai verwekte kindje dood was geboren. Was  Julie in een vorm van sluimerende apathie geraakt. De gedachten aan haar twee kinderen die op verschillende adressen in Bandoeng verbleven hielden haar op de been.

Tijdens dienstreizen naar Batavia die Julie als secretaresse (en maîtresse) van Okuda ondernam. Heeft Julie drie keer tussen 1944 en 1945. De gelegenheid gehad om in een door haar oud schoolvriendin Marie geleend kakikleuring Japans burgerjurkje naar Bandoeng af te reizen. Per keer in een dag op en neer met de trein van Batavia naar Bandoeng.  Marie was een Indo-Japanse vrouw met een burger Japanner getrouwd. Julie kon hierdoor relatief vrij reizen met de Japanse burgerpas van Marie. De foto op de pas leek voldoende op Julie.

Julie zou haar bezoeken aan Bandoeng later moeten berouwen met beschuldigingen van collaboratie met de Japanners. Tijdens een verhoor in augustus 1946 door de Nederlandse Inlichtingendienst. Heeft Julie een 8 pagina lange verklaring afkunnen leggen die hier geheel zou vrijspreken van alle beschuldigingen. Deze verklaring bevind zich in een geheim dossier van het Nationaal Archief. Die ik pas in augustus 1945 kort mocht in zien.

Op 18 oktober 1945 kreeg Julie uiteindelijk toestemming van de Kempeitai en mijnheer Okuda om naar Bandoeng af te reizen. Julie hield in de straat voor het huis van Okuda een andong (delman) aan. En kleine tweewielige wagen met een koetsier en paard. Bij het station van Cheribon aangekomen werd de wagen staande gehouden door een republikeinse politieman. Julie kreeg het bevel om uit te stappen. Op haar persoonsbewijs stond duidelijk dat zij Indo-Europees was.

18 oktober 1945 was ook de dag dat de republikeinen hadden besloten om Indo-Europeanen en Hollanders op te sluiten in zogenaamd door de republikeinen beschermde kampen. Julie werd immers net zoals de blanken en andere Indo-Europeanen als nationalist gezien.


Julie werd op het stations emplacement van Cheribon in een gereedstaande treinwagon geduwd. Enige uren later werd zij met circa 900 andere Indo-Europeanen en Hollanders opgesloten in de nabijgelegen Oude Boei gevangenis. Julie werd opgesloten in een kleine ruimte zonder water en sanitair met 22 andere vrouwen. Pas eind april 1946 zouden Julie en de andere gevangen per goederentrein naar Batavia vervoerd worden. Zij waren ‘geruild’ tegen 1500 door het Nederlandse leger gevangen genomen Republikeinen.

Julie zou naar haar bevrijding succesvol tegen de in de gevangenis opgelopen beriberi behandeld worden. Vermoedelijk heeft Julie de droge vorm van beriberi opgelopen ofwel een ernstig tekort aan vitamine A1 die een flinke aanslag is op het centraal zenuwstelsel en aldus voor groot energie tekort zorgt en aldus tot apathisch gedrag.

Julie kon zich hierdoor haar gevangenisperiode nauwelijks herinneren. In een notitie schreef zij over een in hun cel ’gek’ geworden Nederlandse vrouw die uiteindelijk gestorven is. Eenmaal heeft Julie ons verteld dat zij de periode in de gevangenis heeft kunnen overleven door af en toe rawit te eten. Extreem hete Spaanse pepertjes met een zeer hoog vitamine C gehalte. Daarnaast vond zij wel eens eetbaar onkruid groeiend onder het prikkeldraad van de afrastering aan de havenkant waar de gevangenis zich bevond. In de verte kon zij de contouren van de mestfabriek zien waar zij bijna twee jaar had gewerkt.

Voordat de het licht ’s avonds in de gevangenis uitging . Werd er door alle gevangen zacht gezongen. Enerzijds om de apathie te doorbreken. Anderzijds een om een gevoel van saamhorigheid en hoop te behouden. Er werden twee variaties gezongen op de wijs van een in heel Indië populair liedje van Bing Crosby. O’ give me a home.


Na de oorlog. Toen Julie eenmaal in Nederland woonde. En nog eens twaalf kinderen had gebaard.  Kwam de oorlog in Julie terug. Zij was net vijftig jaar oud geworden. En de Hollandse dokter zei naar aanleiding van haar veelvuldige spontane huilbuien en apathische gedrag; U heeft een ‘existentiële crisis’.

Wat wist de dokter van Nederlandse-Indië en wat daar gebeurt was. De dokter was tijdens de oorlog in Friesland opgegroeid. Gewoon bij zijn eigen ouders. En ook wij. De kinderen van Julie. Leerden op school niets over Indië. En thuis werd daar niet over gepraat. Dat was een door Juli afgesloten periode. Een periode die in latere jaren in alle hevigheid en ondanks innerlijk verzet van Julie. Soms en toen vaker. Keihard zou terug komen.

In de afgelopen jaren heb ik onderzoek gedaan naar de achtergrond van Julie. Onderzoek voor de publicatie van een boek over Julie. Het is mij telkens opnieuw opgevallen dat de zogenoemde Indische Zwijgzaamheid een sterke relatie heeft met de kenmerken van apathie in combinatie met ontkenning en relativering. Het maakt het hierdoor moeilijk om een beeld te vormen van de vele naar Nederland gevluchte Indo-Europeanen die liever niet over hun geleden verleden wilde nadenken of praten. 


Zij waren immers ‘buitenkampers’. Hun verhalen worden overstemd door de vele boeken met kampervaringen geschreven door blanke Nederlanders die door de Japanners geïnterneerd waren.

Anderzijds hielpen de eufemistisch te noemen ‘gastvrije’ Nederlanders ook flink mee om de meer dan 200.000 na de oorlog naar Nederland uitgeweken Indo’s in te peperen dat zij vooral hun mond moesten houden en dankbaar moesten zijn voor de veelal door de gevluchte Indo’s zélf betaalde kosten voor transport én opvang in Nederland.  


Toen Nederland eind 1949 onder grote buitenlandse dwang Nederlands-Indië moest opgeven. Kwam er een nieuwe groep uitgebluste verliezers naar Nederland. De Nederlandse militairen die in Nederlands-Indië hadden gevochten. Die moesten eigenlijk ook maar hun mond houden. En net zoals de Indo’s voor lief nemen dat Nederland niet van ‘verlies’ houd. Winst maken. Daar waren de Nederlanders vanaf de VOC tijd zo goed in.

1950 De Indische urn doordrenkt met bloed uit Nederlands-Indië wordt bijgezet in het monument op de Dam.

En had Prof. Wertheim in 1952 niet geschreven dat de Indo’s laag opgeleid, behoorlijk lui zijn en apathisch gedrag vertonen. Nou, dan houd je wel je mond als gevluchte Indo in Nederland. Toen het in de jaren ’60 van de vorige eeuw economisch weer voortreffelijk met Nederland ging. En de middenklasse steeds beter kon worden opgeleid. Mochten de Marokkanen en Turken en later nog meer minderheden naar Nederland komen. Om schoon te maken, en in fabrieken te werken.

Momenteel wonen er in Nederland circa 1 miljoen Nederlanders met gedeeltelijk Indisch DNA. Echt ‘leuk’ is het niet als deze groepering onderzoek wil doen naar hun afkomst. Zij stuiten al snel op het leed wat hun grootouders hebben ondergaan. Op de apathie ofwel het zogenoemde grote Indische Zwijgen. Of op ouders die geleden hebben onder het leed van hún ouders. 

Of men stuit anders wel op de vele gesloten Staats Doofpotten in het Nationaal Archief. En op de al 71 jaar durende ontkenning en het met het staatsgedraai omgeven probleem rond salarisbetalingen. Oorlogsschade vergoedingen. De verloren gewelddadige oorlog tussen 1946 en 1949. 


Wordt het niet eens tijd dat de overheid de ereschuld (backpay) gaat inlossen? Tijd voor verzoening. En ruimte maken voor een koloniaal archief en museum gekoppeld aan de archieven in Jakarta en elders in Indonesië.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten