Vandaag de dag zie je het
bij de vele vluchtelingen die naar Europa komen. Apathisch gedrag komt voor bij
mensen die trauma’s hebben ondergaan. En daardoor geen energie meer hebben.
Geen emoties kunnen tonen, gebrek aan motivatie hebben, geen levenslust of
enthousiasme op kunnen brengen. Gebrek aan zelfvertrouwen hebben, onverschillig
lijken te zijn. Zich stil houden. Spontane woedeuitbarstingen. En met zich laten ‘sollen’.
De Nederlandse overheid
heeft zeer eigenlijk ruime ervaring met vluchtelingen. Maar door de vele naoorlogse
kabinetswisselingen heeft het politieke korte termijn geheugen zich beter
kunnen ontwikkelen dan het historisch geheugen. De 7 miljoen Nederlanders die
er vanaf 1950 en ondanks de oproep van Koningin Juliana in dat jaar om te
emigreren. Alsnog bij zijn gekomen heeft een onverwacht grote en kleurrijke
diversiteit onder de huidige bevolking veroorzaakt.
Een lastige kwestie voor de
weinig diverse Eerste- en Tweede kamer en de nog steeds zeer blanke kabinetten.
Hun regeringsstijl doet mij vaak denken aan het voormalig koloniaal bestuur.
Toen Nederland nog groot was. De huidige regering in 2016 draagt hierdoor zeker bij aan
de algemene apathie onder de bevolking die hun stem mag uitbrengen.
Jongetje in Batavia 1946
Apathie houd mij bezig. Evenals
ontkenning en ook de relativerende toon uit de politiek. Je leest dan: “Wij
zijn bijna uit de crisis. Het gaat goed met Nederland. Maar we moeten wel
zuinig zijn. Geld is schaars zegt minister Dijsselbloem”. Zelf denk ik dan aan de voedselbanken in Nederland.
Voedsel kan schaars zijn. Geld niet.
Mensen bang maken is
apathie veroorzaken. In het boek waar ik aan werk zal het ook over apathie
gaan. Een ziektebeeld wat ik al heel jong heb leren kennen. Bij oma. Bij vader
en moeder. En later ook bij mijzelf. En altijd was de apathie gerelateerd aan
angst. Angst voor het moment en angst voor de toekomst.
Mijn latere moeder Julie,
kon op 18 oktober 1945 eindelijk vertrekken uit de villa aan Kedjaksan 18.
Mijnheer Okuda had haar laten gaan. Eigenlijk had hij niets gezegd toen Julie schielijk
de villa verliet. Okuda had in zijn leunstoel gezeten. En al dagen als verdoofd
naar buiten gestaard. De Japanse militaire politie, de Kempeitai. Had Julie in
december 1943 bij Dr. Iki Okuda geplaatst. Hij was geen arts maar bioloog en
als Japanse burger in bezet Nederlands-Indië opnieuw naar Java gestuurd. Om vervolgens
als directeur van de Javaanse
Mestfabriek in Cheribon aan het werk te gaan.
Julie circa 1938 in Bandoeng
Julie was voordien. In mei
1943. Na diverse verkrachtingen in haar huurkamer. Naar de gevangenis gebracht. En
was gedwongen onthoofdingen van collega verzetsstrijders aan te zien. In ruil
voor het leven van haar moeder en haar twee kinderen had Julie toegestemd om
als Kempeitai spionne Duitse onderzeeboot officieren af te luisteren. Het
betrof met name Duitse marineofficieren die door hun Japanse marine collega’s
in een bar met restaurant in Batavia werden uitgenodigd.
De Duitsers kochten rubber
en andere producten in voor de Duitse oorlogsindustrie. De Duitse onderzeeërs waren in aanvang zeer succesvol
met hun onderwatertransporten naar Duitsland. Vervoer per schip was te onzeker
geworden. Julie was in december 1943 als zwanger animeermeisje echter niet meer
inzetbaar en kreeg het bevel om naar Cheribon te vertrekken.
Dr. Okuda had via de
Japanse radio vernomen dat Japan had
gecapituleerd. Niet veel later waren
zijn vrienden van de Kempeitai langs gekomen. De Kempeitai afdeling die het bevel
over Cheribon en omgeving voerden kunnen gerekend worden tot de meest
hardhandige Kempeitai groepering op Java gedurende de bezetting. Met name de
Chinese bevolking heeft zeer onder hun bewind geleden. Veel Chinezen vonden de
dood in de diverse dorpen, kantoren en gevangenissen waar de Kempeitai de baas
was geweest.
De villa van Okuda was een
geliefd onderkomen van de hogere Kempeitai officieren geweest. Julie had hoofd
van de huishouding moeten spelen. Erop toezien dat er voldoende drank en eten
was. Okuda was een bescheiden en beheerst man. Hij sprak redelijk goed Maleis
en redelijk Nederlands. Opgeroeid in het
voordien door Japan bezette Taiwan. Afgestudeerd in Tokio. En zeer goed bekend
met Java vanwege een twee jaren durend agrarische onderzoek op midden-Java in
de jaren ’30. In latere jaren zou hij als meereizend agrarisch gezant nog een
aantal malen Java bezoeken. Okuda werd in
mei 1942 verantwoordelijk gemaakt voor de over geheel Java noodzakelijke bemestingsproducten.
Met name om de voedselexport naar Japan te bevorderen.
Julie werd eveneens gedwongen
om Okuda dagelijks te ondersteunen als vertaalster van documenten rond de
aanvoer per trein van slachtafval. Nodig om organische mest te maken voor de
land en tuinbouw. Haar PTT opleiding als NL-EN-FR-Duits telegrafiste en
stenograve én haar kennis van de lokale talen waren onmisbaar voor Okuda.
Ook tijdens de nachten in de grote villa
zou Okuda over Julie beschikken. Van vluchten kon geen sprake zijn. Het
inlandse personeel was op de hand van de Japanners. En zou zwaar gestraft
worden als Julie zou vluchten.
Er werd na de capitulatie
weken lang geschreeuwd, gehuild, gedweept en veel gedronken in de villa. De
Japanse officieren hadden de oorlog verloren maar niet de opdracht gekregen
zelfmoord (Harakiri) te plegen. Okuda voelde zich persoonlijk ook verslagen en
zat urenlang apathisch in zijn stoel in de woonkamer. Sprak niet. Julie kon nog
niet vaststellen dat zij ‘vrij’ zou zijn.


De Japanisering van Indië vanaf
1942 hield o.a. in dat er nergens meer Nederlands gesproken mocht worden. Julie
had inmiddels voldoende Japans geleerd om te begrijpen dat Japan de oorlog had
verloren. Maar haar positie was nog onduidelijk. Twee dagen na de capitulatie
hadden Soekarno en Mohammed Hatta de Republiek Indonesië gesticht. Ook in
Cheribon was er onder de Indonesiërs grote vreugde. Er werd Merdeka geroepen.
Vrijheid. Dus ook bevrijd van de Hollanders. In aanvang konden de Kempeitai en
de nog aanwezige Japanse legereenheden de stad onder controle houden.
In de loop van september en
oktober 1945 namen de plunderingen en moordpartijen op met name de Chinese
bevolking toe. Ook de Indo-Europeanen zoals Julie waren hun leven niet meer
zeker. Jeugdbendes met bamboesperen bevolkten de straten. Veel van deze
jongeren waren in de voorgaande jaren door de Japanners getraind om indien
nodig tegen de naderende Engelsen, Amerikanen en Nederlanders te kunnen
vechten.
In de voorgaande jaren
hadden niet alleen de door Japan geïnterneerde krijgsgevangenen en Nederlandse
burgers in de kampen geleden. Het merendeel van de Indo-Europeanen die niet
waren opgesloten leefden als paria’s en zo onopvallend mogelijk tussen de
Indonesische bevolking en de Japanners. De Indo-Europeanen waren vogelvrij en
hadden geen rechten zoals de Indonesiërs die nog enigermate
hadden. In 1944 begon ook de hongersnood
op Java. Het Japanse leger en de burgerij in Japan werd eveneens gevoed met de
verplichte export voedselquota die de Japanners zogenaamd tegen betaling opeisten.
Meer dan 2 miljoen Javanen
zouden tussen 1944 en 1945 van honger omkomen. Ook Julie zag vanuit de villa
van Okuda in de villawijk van Cheribon vele door honger gestorven volwassenen
en kinderen op straat liggen. Julie hoorde van het inlandse huispersoneel van
Okuda over de hongersnood in de dorpen waar hun familieleden woonde.
Voor Julie die nooit in
Nederland was geweest. Maar wel vlekkeloos Nederlands had leren lezen en
schrijven. Waren de achterliggende jaren tergend langzaam verlopen. Nadat in
maart 1944 haar door het hoofd van de Bandoengse Kempeitai verwekte kindje dood
was geboren. Was Julie in een vorm van
sluimerende apathie geraakt. De gedachten aan haar twee kinderen die op
verschillende adressen in Bandoeng verbleven hielden haar op de been.
Tijdens dienstreizen naar
Batavia die Julie als secretaresse (en maîtresse) van Okuda ondernam. Heeft
Julie drie keer tussen 1944 en 1945. De gelegenheid gehad om in een door haar
oud schoolvriendin Marie geleend kakikleuring Japans burgerjurkje naar Bandoeng
af te reizen. Per keer in een dag op en neer met de trein van Batavia naar
Bandoeng. Marie was een Indo-Japanse
vrouw met een burger Japanner getrouwd. Julie kon hierdoor relatief vrij reizen
met de Japanse burgerpas van Marie. De foto op de pas leek voldoende op Julie.
Julie zou haar bezoeken aan
Bandoeng later moeten berouwen met beschuldigingen van collaboratie met de
Japanners. Tijdens een verhoor in augustus 1946 door de Nederlandse
Inlichtingendienst. Heeft Julie een 8 pagina lange verklaring afkunnen leggen
die hier geheel zou vrijspreken van alle beschuldigingen. Deze verklaring
bevind zich in een geheim dossier van het Nationaal Archief. Die ik pas in
augustus 1945 kort mocht in zien.
Op 18 oktober 1945 kreeg
Julie uiteindelijk toestemming van de Kempeitai en mijnheer Okuda om naar
Bandoeng af te reizen. Julie hield in de straat voor het huis van Okuda een
andong (delman) aan. En kleine tweewielige wagen met een koetsier en paard. Bij
het station van Cheribon aangekomen werd de wagen staande gehouden door een
republikeinse politieman. Julie kreeg het bevel om uit te stappen. Op haar
persoonsbewijs stond duidelijk dat zij Indo-Europees was.
18 oktober 1945 was
ook de dag dat de republikeinen hadden besloten om Indo-Europeanen en
Hollanders op te sluiten in zogenaamd door de republikeinen beschermde kampen.
Julie werd immers net zoals de blanken en andere Indo-Europeanen als
nationalist gezien.
Julie werd op het stations
emplacement van Cheribon in een gereedstaande treinwagon geduwd. Enige uren
later werd zij met circa 900 andere Indo-Europeanen en Hollanders opgesloten in
de nabijgelegen Oude Boei gevangenis. Julie werd opgesloten in een kleine
ruimte zonder water en sanitair met 22 andere vrouwen. Pas eind april 1946
zouden Julie en de andere gevangen per goederentrein naar Batavia vervoerd
worden. Zij waren ‘geruild’ tegen 1500 door het Nederlandse leger gevangen
genomen Republikeinen.
Julie zou naar haar
bevrijding succesvol tegen de in de gevangenis opgelopen beriberi behandeld
worden. Vermoedelijk heeft Julie de droge vorm van beriberi opgelopen ofwel een
ernstig tekort aan vitamine A1 die een flinke aanslag is op het centraal
zenuwstelsel en aldus voor groot energie tekort zorgt en aldus tot apathisch
gedrag.
Julie kon zich hierdoor
haar gevangenisperiode nauwelijks herinneren. In een notitie schreef zij over
een in hun cel ’gek’ geworden Nederlandse vrouw die uiteindelijk gestorven is.
Eenmaal heeft Julie ons verteld dat zij de periode in de gevangenis heeft
kunnen overleven door af en toe rawit te eten. Extreem hete Spaanse pepertjes
met een zeer hoog vitamine C gehalte. Daarnaast vond zij wel eens eetbaar
onkruid groeiend onder het prikkeldraad van de afrastering aan de havenkant
waar de gevangenis zich bevond. In de verte kon zij de contouren van de
mestfabriek zien waar zij bijna twee jaar had gewerkt.
Voordat de het licht ’s
avonds in de gevangenis uitging . Werd er door alle gevangen zacht gezongen.
Enerzijds om de apathie te doorbreken. Anderzijds een om een gevoel van
saamhorigheid en hoop te behouden. Er werden twee variaties gezongen op de wijs
van een in heel Indië populair liedje van Bing Crosby. O’ give me a home.
Na de oorlog. Toen Julie
eenmaal in Nederland woonde. En nog eens twaalf kinderen had gebaard. Kwam de oorlog in Julie terug. Zij was net
vijftig jaar oud geworden. En de Hollandse dokter zei naar aanleiding van haar
veelvuldige spontane huilbuien en apathische gedrag; U heeft een ‘existentiële
crisis’.
Wat wist de dokter van
Nederlandse-Indië en wat daar gebeurt was. De dokter was tijdens de oorlog in
Friesland opgegroeid. Gewoon bij zijn eigen ouders. En ook wij. De kinderen van
Julie. Leerden op school niets over Indië. En thuis werd daar niet over
gepraat. Dat was een door Juli afgesloten periode. Een periode die in latere
jaren in alle hevigheid en ondanks innerlijk verzet van Julie. Soms en toen
vaker. Keihard zou terug komen.
In de afgelopen jaren heb
ik onderzoek gedaan naar de achtergrond van Julie. Onderzoek voor de
publicatie van een boek over Julie. Het is mij telkens opnieuw opgevallen dat
de zogenoemde Indische Zwijgzaamheid een sterke relatie heeft met de kenmerken
van apathie in combinatie met ontkenning en relativering. Het maakt het hierdoor
moeilijk om een beeld te vormen van de vele naar Nederland gevluchte
Indo-Europeanen die liever niet over hun geleden verleden wilde nadenken of
praten.
Zij waren immers ‘buitenkampers’. Hun verhalen worden overstemd door de
vele boeken met kampervaringen geschreven door blanke Nederlanders die door de
Japanners geïnterneerd waren.
Anderzijds hielpen de
eufemistisch te noemen ‘gastvrije’ Nederlanders ook flink mee om de meer dan
200.000 na de oorlog naar Nederland uitgeweken Indo’s in te peperen dat zij vooral
hun mond moesten houden en dankbaar moesten zijn voor de veelal door de
gevluchte Indo’s zélf betaalde kosten voor transport én opvang in Nederland.
Toen Nederland eind 1949
onder grote buitenlandse dwang Nederlands-Indië moest opgeven. Kwam er een
nieuwe groep uitgebluste verliezers naar Nederland. De Nederlandse militairen
die in Nederlands-Indië hadden gevochten. Die moesten eigenlijk ook maar hun
mond houden. En net zoals de Indo’s voor lief nemen dat Nederland niet van
‘verlies’ houd. Winst maken. Daar waren de Nederlanders vanaf de VOC tijd zo
goed in.
En had Prof. Wertheim in
1952 niet geschreven dat de Indo’s laag opgeleid, behoorlijk lui zijn en
apathisch gedrag vertonen. Nou, dan houd je wel je mond als gevluchte Indo in
Nederland. Toen het in de jaren ’60 van de vorige eeuw economisch weer
voortreffelijk met Nederland ging. En de middenklasse steeds beter kon worden
opgeleid. Mochten de Marokkanen en Turken en later nog meer minderheden naar
Nederland komen. Om schoon te maken, en in fabrieken te werken.
Momenteel wonen er in
Nederland circa 1 miljoen Nederlanders met gedeeltelijk Indisch DNA. Echt ‘leuk’
is het niet als deze groepering onderzoek wil doen naar hun afkomst. Zij
stuiten al snel op het leed wat hun grootouders hebben ondergaan. Op de apathie
ofwel het zogenoemde grote Indische Zwijgen. Of op ouders die geleden hebben
onder het leed van hún ouders.
Of men stuit anders wel op de vele gesloten
Staats Doofpotten in het Nationaal Archief. En op de al 71 jaar durende ontkenning
en het met het staatsgedraai omgeven probleem rond salarisbetalingen.
Oorlogsschade vergoedingen. De verloren gewelddadige oorlog tussen 1946 en
1949.
Wordt het niet eens tijd
dat de overheid de ereschuld (backpay) gaat inlossen? Tijd voor verzoening. En
ruimte maken voor een koloniaal archief en museum gekoppeld aan de archieven in
Jakarta en elders in Indonesië.
Wat eenn ontroerend verhaal. Kwam dit per ongeluk tegen omdat ik zelf ook aan het schrijven ben over deze periode, maar met veel minder "heftigheid" omdat het (hopelijk) een kinderboek wordt, in het Engels. Ik hoop dat Julie's verhaal uitkomt en dat velen zullen erkennnen hoeveel leed en moed het heeft gekost om toen al de drama te kunnen overleven - als de kans er was. Tegenwoordig wordt Post-traumatic Stress Disorder (PTSD) wel erkend en misschien is dat ook waar Julie aan heeft geleden. Veel goede wensen met dit boeiend levens verhaal.
BeantwoordenVerwijderen