Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

1958 – Titus Brandsma, de Belle Bambino wordt geboren en nog meer rampspoed

Terwijl er vanaf eind 1957 een nieuwe stroom repatrianten uit Indonesië gedwongen naar Nederland vertrok leek de kwekerij van Anton in de lente van 1958 wat succes te gaan krijgen. Ondanks de problemen met Indonesië leek het steeds beter te gaan met de economie in Nederland. Het aan de straatkant gelegen entree van de kwekerij was het visitekaartje van de ‘zaak’ geworden. Een mooi aangelegde bordes met een kleine vijver en veel fris ogende met vaste planten en kleine boompjes. Rechts de ingang voor een auto of kleine vrachtwagen en links van het hek het paadje naar de achterkant van het bovenhuis waar men via een soms glibberige lange houten trap op het balkon naast de keuken uit kwam. De voordeur aan de straatkant werd zelden door de kinderen gebruikt. Er waren een aantal lage en open bloemen- en planten bedden met een betonnen rand en er was de hoge en ruime glazen kas met vaste planten, pot planten en een veelheid aan bloemsoorten. 

Voor de kleine kinderen een paradijs maar voor de grotere kinderen die mee moesten helpen een kleine zoet/zuur ruikende hel met veel onkruid en brandnetels. De verkoop van bloemen en planten bracht echter veel te weinig op om het gezin te kunnen onderhouden. Julie moest blijven werken bij de drukkerij maar een gedeelte van haar inkomen ging op aan de onderhoudskosten van de kwekerij. Er moest iets bedacht worden waar wél geld mee verdiend kon worden. Julie had via de drukkerij contacten met de toen sterk expanderende Albert Heijn organisatie. Men had bedacht dat er op kleine schaal bloemen en planten verkocht zouden worden in de grotere AH supermarkten. Om logistieke redenen koos men in eerste instantie niet voor bloemen maar voor kleine plantjes die voor een laag bedrag ‘meegnomen’ konden worden bij de dagelijkse boodschappen.

Julie bedacht een (verdien)concept. Een klein keramiek potje gevuld met mooie tuinaarde afgedekt met vers ruikend groen mos waarin een stuk boomschors van circa 20 cm lengte en circa 8 cm breed rechtop geplaatst zou worden. Vervolgens werd er een kleine Hedera Helix ofwel klimopplant van circa 15 centimeter hoog in het potje geplant die zich aan het boomschorsje zou hechten om na verloop van tijd overgeplant te kunnen worden in een grotere pot. Het door de toen zeer bekende Meindert Zaalberg ontworpen potje zou dan als sierkeramiek een tweede bestaan krijgen. Julie en Anton hadden eerst voor een andere plant gekozen de Alocasia Bambino. Maar die bleek te lange wortels te hebben voor het kleine potje. Het werd toen de kleine sierklimop en de naam van het setje werd Belle Bambino gedoopt. Het geheel werd verpakt in een cellofaan zak die met goudkleurige inkt bedrukt zou worden. Een plastic zakje bedrukken was een nieuwe techniek in Nederland en daardoor nog zeer duur. Julie is verschillende keren naar het AH hoofdkantoor in Zaandam af gereisd voor overleg. En eindelijk was er groen licht voor een eerste partij beeldschone “Belle Bambino’s”.

Het is een ramp geworden. Albert Heijn had als echte kruidenier het financiële risico bij de producent gelegd. Het boomschors en het mos moesten illegaal in het nabijgelegen Bergense bos door de oudste zoon per fiets opgehaald worden. Hij nam vaak een van de kleinere kinderen mee want die konden met hun kleinere vingers het mos makkelijker in grote stukken loswerken. In weer en wind werd er op en neer naar het bos gereden om de fietstassen tot aan de rand te vullen. Dan volgde het vullen van de potjes, het plantje werd geplaatst het schorsje ernaast en toen de veel te duur uitgevallen goudbedrukte zak. Samen met Anton vormden de kinderen die mee konden helpen een productielijntje. Nadat de eerste 500 Belle Bambino’s waren afgeleverd kwam er slecht nieuws. Albert Heijn had moeite om de te duur uitgevallen Belle Bambino’s te verkopen aan de toen nog zuinige klant. Er volgde nog een contractuele bestelling en toen was het afgelopen. De dozen met bedrukte plastic zakken hebben nog lang onder een tafel gestaan. De resterende sierklimopjes werden in vierkante hout gevlochten bakjes gepoot en door Anton op markten en aan bloemisterijen in de regio verkocht. Het zou niet de enige ramp in 1958 blijven.

Anton maakte lange dagen en de oudere kinderen moesten veel meewerken na schooltijd. Terwijl Julie aan het werk was werden de twee kleine meisjes met een tuigje en circa 2 meter koord onder de bloemenkar vastgebonden terwijl Anton met zijn klanten onderhandelde. Het kwam voor dat Anton zo druk was dat hij de kleine meisjes wel eens vergat die dan uitgedroogd in hun tuigjes hangend door de andere kinderen na schooltijd werden gevonden. In het voorjaar werden de twee jongste dochters van Anton en Julie opgenomen in het St. Elisabeth Gasthuis Ziekenhuis van Alkmaar, beiden met een zware longontsteking. Julie moest onbetaald verlof nemen om de meisjes te kunnen verzorgen. Terwijl de kwekerij juist beter begon te draaien. Na enige weken kwamen de meisjes weer thuis en leek het voorjaar nieuwe klanten naar de kwekerij te trekken. Anton had steeds minder tijd om te wieden en experimenteerde met zelfbedachte onkruidverdelger.

Het was een mengsel van restanten vloeibare onkruidverdelger die Anton liet gisten in verschillende flesjes en op zou bergen in de gereedschapkast op het grote balkon naast de keukendeur. De schrijver van dit blog is zeven jaar oud en komt in het warme voorjaar om 12.00 uur uit school om vervolgens de keukendeur op slot te vinden. Oma Charlotte was kennelijk weg voor boodschappen of aan het wandelen met de kleine kinderen en Anton was elders op de kwekerij. De kleine jongen opent de gereedschapkast om de sleutel van de keuken te zoeken en ziet een bijna vol flesje met chocolademelk staan. Dwz door de bruine kleur van het flesje ziet hij niet dat er geen chocolademelk in zit. Hij pakt het flesje en neemt een ferme slok, en dan nog een grote slok. Nee, het smaakt niet lekker.

Na enige tijd doet oma Charlotte de keukendeur open, zij is weer terug en de kleine jongen zegt dat hij zich niet lekker voelt. Vlak voor de middagboterham krijgt hij een zware stuip terwijl hij op schoot van de in paniek geraakte Charlotte wordt gehouden. Er komen kinderen en de snel gehaalde Anton om heen staan. De kleine jongen verliest na verloop het bewustzijn en zal per ambulance opgehaald worden terwijl niemand weet wat de reden van zijn plotselinge ziekte is. Als Julie in het ziekenhuis aankomt verteld de dokter haar dat het zeer ernstig is en dat haar zoon in een zware coma ligt. De artsen hebben echter geen idee wat de oorzaak kan zijn en Julie moet voor zijn leven vrezen. Het wordt Julie te veel zij is weer terug in het oude Bandoeng. Het oude katholieke ziekenhuis doet haar denken aan de meisjes MULO aan de Heetjansweg in Bandoeng. Het gebouw werd tijdens de Japanse bezetting in gebruik genomen door de gevreesde Japanse militaire politie de  Kempeitai. Julie is daar langdurig verhoord en heeft in de lange schoolgang door de half openstaande deuren veel andere slachtoffers gehoord en gezien die zwaar waren toegetakeld. 

Urenlang blijft Julie naast het bed van haar zoon en weet zich geen raad. Anton komt haar ophalen want de andere kinderen hebben haar ook nodig. Julie komt kort naar huis en bespreekt de situatie met haar moeder. Julie vertrekt weer naar het ziekenhuis want de artsen hebben gezegd dat het een aflopende zaak is. De pastoor van de katholieke Sint Dominicuskerk wordt gewaarschuwd. Hij kende Julie en Anton goed. Grote katholieke gezinnen waren immers populair binnen de katholieke kerk. De pastoor  belooft langs te komen en ook hij wordt somber van het verslag van de artsen. Hij adviseert Julie om te bidden. Iedereen moet bidden. Thuis en ook op de inmiddels op de hoogte gestelde katholieke school van het jongetje wordt hevig gebeden. Het jongetje ligt aan een infuus maar ademt rustig. Julie blijft in het spaarzaam verlichte ziekenhuis en slaapt in de badkuip van de kamer waar haar zoon ligt. Om de zoveel tijd komt er een zuster kijken en fluistert Julie bemoedigende woorden toe. Julie heeft een bidprentje gekregen van de pastoor. Het is een dubbel gevouwen kaftje met een afbeelding van de in Dachau omgekomen Karmeliet en hoogleraar Titus Brandsma. Aan de binnenzijde van het kaft is een gebed afgedrukt en onder een uitgesneden venstertje is een stukje witte katoen stof aangebracht. Het zou een stuk van de witte pij van Titus Brandsma zijn en was zelfs gezegend door het Vaticaan.

De in februari 2012 overleden Frits Staal werd in 1967 bekend door zijn artikel in De Gids ‘Zinvolle en zinloze filosofie”. Hij verrichte lokale studies naar rituele handelingen en In 1975 deed hij met collega’s een wetenschappelijk onderzoek rond het twaalf dagen durend Vedische vuuroffer ritueel in Kerala (India). In zijn boek Drie bergen en zeven rivieren komt hij nog eens terug op zijn wetenschappelijk onderzoek naar rituelen. Hij stelt dat rituelen geen enkele magische of geheime kracht hebben maar eigenlijk wel ‘leuk’ zijn of troost kunnen bieden. Julie had in 1942 de katholieke kerk vaarwel gezegd. De pastoor in Bandoeng had haar gezegd dat het huwelijk met de ongelovige William een huwelijk in zonde zou zijn. Julie was razend geweest. In 1945/46 keerde haar geloof weer terug. Maandenlang zong Julie ’s avonds mee met de christelijke liederen die werden gezongen in de Boei Lama gevangenis van Cheribon waar zij met vele anderen was opgesloten tijdens de roerige Bersiap periode. 

Nadat Julie eind april 1946 was vrijgekomen en naar was Batavia vervoerd heeft zij herhaaldelijk de Theresiakerk in Jakarta bezocht om te bidden voor het terug zien van haar in Bandoeng verblijvende kinderen en voor een goede afloop. De Heilige Theresia had haar gebeden kennelijk verhoord uiteindelijk kon Julie veilig met haar kinderen naar Nederland vertrekken. Titus Brandsma was een overtuigd Karemeliet en bestudeerde niet alleen de Heilige Theresia maar waarschuwde al vroeg voor de gevolgen van het nationaalsocialisme, rassenhaat en ophitsing (populisme). Na zijn arrestatie door de Duitse bezetters werd hij met veel andere geestelijken naar concentratiekamp Dachau vervoerd en is op 26 juli 1942 door een kamparts met een dodelijke injectie vermoord. Het bidprentje van Titus Brandsma en een kleine biografie over de Heilige Theresia gaven Julie tijdens de vele uren in de ziekenkamer veel steun. 

De gebeden van Julie zouden opnieuw verhoord worden. De kleine jongen had weliswaar reeds de ‘Laatse Heilige Sacrementen’ toegediend gekregen en op zijn school was al verteld dat hij niet meer terug zou komen maar er geschiede na circa tien dagen een klein wonder uit onverwachte hoek. Anton had lang nagedacht en had het half lege Fosco flesje gevonden. Nadat hij dit bekend had gemaakt werd de maag van het jongetje volgestopt met Norit en andere ontgiftende middelen. Al nu enige uren kwam hij langzaam bij uit zijn dagenlange coma. ‘Dag Mam ik ben er weer’ zou hij gezegd hebben. Frits Staal kreeg gelijk, rituelen kunnen verlossing betekenen maar rationeel denken biedt eerder een échte oplossing. Pas vele jaren later zou Julie de ‘Kerk’ loslaten. In haar grote wandkleden werden de kerken als statische gebouwen ‘die niets deden voor de wereldvrede’ in somber grijs en zwart afgebeeld. Julie voelde zich in die periode zeer verbonden met de Argentijnse Dwaze Moeders.

Het was niet makkelijk voor de familie en het jongetje om de draad weer op te pakken. Het jongetje leek geen zichtbare schade opgelopen te hebben maar heeft meer dan twee jaar last gehad van zware soms misselijk makende migraine’s die in de loop der jaren zouden veranderen in korte perioden van niet door zijn omgeving herkende manische depressiviteit. Julie wist dat zij speciaal dit jongetje in de gaten moest houden maar werd na enige weken alweer opnieuw naar het ziekenhuis geroepen omdat de anderhalf jaar oudere broer van het jongetje met een zware hersenschudding in het ziekenhuis was opgenomen. Hij was van de hoge achtertrap gegleden en meer dan vier meter naar beneden gevallen met zijn hoofd boven op het stalen voetenveeg matje. Na enige tijd kwam hij met veel hoofdverband uit het ziekenhuis. Ja, zei hij; de dokter heeft gezegd dat ik een kop als een tartaartje had. In het najaar van 1958 kwamen er Deurwaarders. 

Er waren veel onbetaalde rekeningen en het bleek dat Anton al meer dan twee jaar de pacht van de kwekerij niet had betaald. Julie had hier niets van geweten. Er werd een regeling getroffen en Julie had ergens gelezen dat er in Aalsmeer nieuwe huizen op afbetaling en met subsidie gebouwd zouden worden. In maart 1959 is het gehele gezin naar Aalsmeer verhuisd en in april is het 9de kind van Anton en Julie geboren. Een mooie dochter met een Indische uitstraling. 

1958 Ook in Budel waren de repatrianten welkom

1958 Zeeland en het Tropenmuseum

1958 In Den Haag hadden Indo jongeren ruzie met Hollandse jongeren

1958 Een Zaalberg tentoonstelling in Amsterdam. 
Julie was een groot bewonderaar van Meindert Zaalberg

Boomschors met een Sterklimop

Het St. Elisabeth Gasthuis Ziekenhuis in Alkmaar



1958 Het door Anton achteraf vermalijde Fosco flesje





1938 De Theresia kerk in Batavia

2011 De zelfde Theresia kerk in Jakarta

2007 Er is een verklaring zoek
Frits Staal ook voor Indo's 



1958 Koningin Juliana bezoekt het woonoord Vaassen voor Ambonezen in de 
gemeente Epe, waarbij ze bloemen krijgt van de 13-jarige Juliaantje Sinay. 
Samen met Marga Klompé, minister van Maatschappelijk Werk, bekijkt ze 
oa de kantine en in de schoolbarak worden ze toegezongen door kleuters.


Een ontroerend verhaal uit Nieuw Guinea waar de katholieke 
Minister Joseph Luns waarschijnlijk niet blij mee was 


Geen opmerkingen:

Een reactie posten