Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

1961 – Trassi, een fles in de WC, atoomstraling en ander wereldnieuws maar niets over Indië wél uit Karachi

Ondanks het feit dat Anton graag naar de radio luisterde is er een uitzending gemist waar Julie wel graag naar had willen luisteren. De Wereldomroep had een wereldwijd programma Happy Station en zond op 5 januari 1961 een programma uit waarin Dorothy Van der Steur uit Karachi haar nieuwjaarsgroet deed. Het was de stem van de inmiddels derde vrouw van haar vader Ferdinand Pieter van der Steur waar Julie sinds eind jaren '30 niets meer van had vernomen. Ondanks het feit dat zij verschillende malen bij het Rode Kruis en de regeringsinstanties had geïnformeerd naar zijn verblijfplaats. 

In een apart verhaal kom ik op Julie's vader F.P. van der Steur terug. Zijn leven heeft door de politieke onrust in India en de daar opvolgende wereldoorlog een bijzondere wending genomen. Luister hier naar het fragment met Dorothy Vandersteur want zo schreef men toen haar naam. Zij werkte toen al meer dan tien jaar in het Midway House van de KLM in Karachi.

Het was een van de economisch moeilijkste jaren in het huwelijk van Anton en Julie. Anton had een basissalaris met verkoopbonus. Hierdoor was het gezin verzekerd bij het Ziekenfonds. Er waren oude schulden die afbetaald moesten worden dus het was geen vetpot. Eigenlijk waren wij arm maar op een redelijk stijlvolle manier. Julie zorgde voor de kinderen en deed ’s avonds een schriftelijke cursus reclametekenen. Het maakte haar soms onrustig en narrig dat zij geen werk buiten de deur had. Een leven als kinderverzorgster was nooit haar doel geweest. De twee oudste jongens uit het eerste huwelijk van Julie woonden weliswaar niet meer in huis maar de overige tien kinderen moesten dagelijks verzorgd worden uit een zeer krappe beurs. Als kind merkte je daar echter weinig van. 

Julie hield er van om gevarieerd te koken maar dit jaar was er vaak boerenkool met een of twee plakjes rookworst of macaroni in tomatensaus. Geld voor kleding en schoenen was er nauwelijks. Als de oudere kinderen een groeifase hadden dan ging hun kleding vanzelfsprekend door naar de kinderen die op dat moment de juiste maat hadden. Soms werden de ‘afdragertjes’ ingenomen of werd van een lange broek een korte broek gemaakt. Het zelfde proces gold voor de jurkjes van de meisjes. Met de Singer trapnaaimachine werden de oude jurkjes met coupnaadjes naar de laatste mode getrimd. 

Soms bracht oma Charlotte uit Den Haag verlichting met een volle tas met boodschappen en heerlijke geuren uit de keuken. Zelden mocht zij het sterk geurende Trassi gebruiken maar Julie verdedigde dan met verve de opmerkingen van Anton. De sterk geurende garnalenpasta zou onmisbaar zijn in de Indische gerechten van oma Charlotte. Ook had oma een vijzel met een grote granieten fijnstamper meegebracht om de knoflook en andere kruidenmengsels voor haar gerechten te kunnen prepareren. Het rotan bankstel bleek ook uit Indonesië te komen net zoals het gebruik van een lege liter melkfles in het toilet. 

“Ma waar is die fles voor in de WC? – Die is voor oma! – O ja, wat doet zij er dan mee? Dat vertel ik je later wel eens een keer”. – “Ma er staat een groot pak verband naast de melkfles, waar is dat voor? En er staat Maand Verband op afgedrukt. Is dat ook voor oma? Of is er iemand gewond? Ja ehh ga nou maar naar school want het is al laat”. ‘Ma waarom praat je soms in andere taal met oma? En welke taal is dat? – Dat is Maleis en dat hebben oma en ik vroeger geleerd. 

Oh waar dan? – In Indonesië! Wat moesten jullie daar nou doen? Nou daar zijn we geboren. Oh? Waarom zijn jullie dan hier? Was het soms niet leuk daar? Nou nee, door de oorlog moesten veel Nederlanders zoals wij naar Holland vertrekken. Oorlog? Welke oorlog? – Ja, ga naar maar door met vegen en daarna moet je nog margarine kopen bij de melkboer.

Als negenjarige heb je veel vragen en kreeg je toen veel minder antwoorden dan nu. Het werd duidelijk dat er een groot verschil tussen man-jongen en vrouw-meisje was. Het leken twee verschillende werelden die beiden hun eigen regels en geheimen hadden. De jongens moesten zich ‘manlijk gedragen’ en mochten minder snel hun verdriet kenbaar maken. De meisjes moesten volgzaam zijn en mysterieus lachend doen alsof zij onderlinge geheimen hadden. Ze mochten wel langer huilen. 

De jongens sliepen in een eigen kamer en dat was ook de plek waar Anton ons tot de orde riep. De meisjeskamer was groter en daar kwam Anton zelden. De oudste zus had daar de leiding en werd steeds vaker aangewezen als verantwoordelijke ondanks het feit dat zij toen pas 13 jaar oud was. 

Wij zeiden ook U tegen Anton, Julie en andere volwassenen. Als wij ‘jij’ zouden zeggen dan zo de afstand met de ‘ouderen’ te klein worden en werd het als brutaal ervaren dus kon je een flinke tik verwachten. Je paste dus wel op. Op de katholieke school was het helemaal streng. Behalve Hel en Verdoemenis werd er ook Goedheid gepredikt. Goedheid die echter alleen maar werd uitgevoerd door mensen die al dood waren en vaak verschrikkelijk hadden geleden onder hun gegeven goedheid. 

Er waren hele ritsen heiligen die vroeger gewone mensen waren geweest en zwaar hadden moeten boeten. Ze werden op kruizen vast geslagen met spijkers door hun handen en voeten. Of werden op brandstapels gezet. Er waren ridders die met hun legers helemaal vanuit Nederland naar het beloofde land waren getrokken om de Israëlieten te helpen. Wij leerden alles over Mesopotamië ofwel tweestromenland met de twee rivieren de Eufraat en de Tigres. Wij leerden waar Hoogezand en Sappemeer zich bevonden. En over Aruba en Suriname want dat waren landen die nog bij Nederland zouden horen. Maar geen woord over Java of Sumatra.

Wel over Nieuw Guinea want door stuurde Nederland soldaten naar toe en ook missionarissen. De soldaten verdedigenden de Papoea’s tegen andere landen en de missionarissen brachten God, onderwijs en goede manieren mee. Nieuw Guinea was kennelijk een ander land dan Indië, oma Charlotte leek helemaal niet op een Papoea vrouw. Er was echter één man in Nederland die écht veel van de Papoea’s hield. En dat was Minister Joseph Luns. Hij hield zoveel van hen dat zijn stem altijd schor was als hij over hen sprak op de TV. 

Luns vertelde dan dat het goed met hen ging en dat zij steeds meer leerden. En dan zag je weer beelden van donkere dansende bijna naakte mensen die handjes kregen van mannen in witte pakken of missionarissen die in hun lange warme jurken druk heen en weer liepen en zeiden dat de Papoea’s moesten gaan zitten. Je kon soms zien dat de Papoea vrouwen geen geld hadden voor een BH. Een kledingstuk wat in het preutse Nederland nooit buiten hing als het gewassen werd. De Papoea kinderen liepen in rieten rokjes of hadden een klein doekje om met een veter of touwtje om de benedenboel afgeschermd te houden. 

De schoolplaten, de leerboeken, de TV, de foto’s in de kranten, lieten vaak een andere wereld zien dan de wereld die op school aan ons werd voorgespiegeld. Er klopte iets niet. Het gesproken woord op school liep uit de pas met de beelden en andere verhalen buiten schooltijd. Als negenjarige dromer voelde ik mij vaak buitengesloten en had meer vragen dan dat ik antwoorden kreeg. Julie kon wel goed luisteren als ik mij daarover beklaagde en zei dan – gebruik toch je tijd om te spelen. Die antwoorden komen later wel

Het was een schrale troost maar het was tenminste een vorm van troost die een belofte in hield en het zou te maken hebben met geduldig groter groeien, dan zouden de antwoorden later wel komen. Dan maar weer buiten spelen. ‘Zo jongen’ zei de melkboer jij komt toch uit dat grote Indische gezin? Ja mijnheer. Ik heb daar nog gevochten na de oorlog! Heeft U gevochten ná de oorlog? Met wie dan? Volgende klant.

Anton had het moeilijk in september 1961. Er waren brieven gekomen van het Gemeentehuis over de Atoombom en wat je moest dan om je gezin te beschermen als de bom ergens zou vallen en de straling door de muren en ramen van onze doorzonwoning zou komen. Er zaten ook getekende ‘wenken’ in het boekje maar die gingen uit van een klein gezin. Maar hoe krijg je tien kinderen onder één bureau als de bom valt. Wij hadden trouwens geen bureau en de grote eettafel was van hout en daar zou de straling met gemak doorheen gaan.  

Het keldertje was te klein dus er zouden kinderen opgeofferd moeten worden. Tenminste dat was mijn persoonlijke conclusie als net tien jaar oud geworden wijsneus. De boekjes met de tekeningen lagen op tafel en er was voor het eerst dat wij een soort familieberaad hadden. Dwz Anton sprak ons bezorgd toe maar het was duidelijk dat hij zich niet goed raad wist. 

Onze buurman was Blokhoofd maar zag er toch eigenlijk heel gewoon uit. De oudere kinderen vonden het jammer dat wij niet meer in Alkmaar woonden want daar waren bunkers geweest vlak bij huis. In Aalsmeer had je die niet. Onder de kerk vlak bij school was wel een grote kelder maar die zou als mortuarium in gebruik worden genomen. Dat was wel gek want als de straling overal was wie zou dan de doden ophalen? Toch had Anton gelijk gekregen het waren de Russen die kwaad waren op Amerika en Rusland lag wel dichterbij dan Amerika. Dus de kans dat zij zouden winnen was heel groot. 

Terwijl Julie zat te breien sprak Anton met ons over wat we moesten doen als wij de sirenes zouden horen. De kinderen die groot genoeg waren om mee te praten gaven opgewonden tips en ideeën maar niets kon de straling tegen houden. Dus besloot Anton in navolging van Julie om dan maar gewoon af te wachten. De brief werd weer in de meterkast op de gang gehangen en de rode folder lag op een plank in het boekenrek. Vlak bij de toen nog kleine collectie oorlogsboeken van Anton. In de maanden die zouden volgen was het TV journaal telkens opnieuw de brenger van rust of onrust. Toch haalden wij de kerstdagen en het nieuwe jaar zonder dat er enige atoomstraling was geweest.


Op straat spelend waren wij wel behoedzaam geweest. Vroeger waren de laag aanvliegende vliegtuigen op weg naar de Aalsmeerbaan van Schiphol spannend geweest. In die periode kijken wij als kinderen toch enigszins bezorgd omhoog, om te kijken of er geen Rode Sovjet Ster op het vliegtuig geschilderd was. Op school speelden wij de vergaderingen van de United Nations na door op de achterkant van de houten linialen de naam van een wereldleider te zetten en dan hun stemmen na te doen. Het was vooral moeilijk om de stem van Minister Luns langdurig na te doen. Maar hij was wel een fascinerende man omdat hij telkens grapjes maakte terwijl het toch allemaal zo serieus was. 

Wij speelden veel op straat. Thuis was er toch niets te doen en zaten wij boven op elkaar. Op straat was meer ruimte en er waren toen nog weinig auto’s. Vaak genoeg werden wij herinnerd aan ons Indische uiterlijk. Soms op een positieve wijze maar vaker met smalende opmerkingen. “Hebben jullie thuis wel een WC of graven jullie een kuiltje in de tuin?”. 

Als tien jarige wist ik mij nog geen raad met dit soort opmerkingen. Ik was van de grote jongens bij ons thuis nogal klein en slank uitgevallen en kleurde sneller donker dan mijn ander half jaar oudere broer die van hoogblond naar donker blonk aan het groeien was. Mijn haar was diepzwart en sluik en ik loenste flink als ik moe was. Niet dat ik daar zelf erg in had maar ik werd er opmerkzaam op gemaakt. Hé ‘zwarte schele’ werd er dan geroepen. Gelukkig was mijn oudere broer groter en sterker en soms achtervolgden wij de uitschelder met stenen of kreeg hij klappen. 

Eenmaal thuis vroeg ik aan Julie of er vroeger in Indië ook wel gevochten werd met witte jongens. Oh ja hoor en de meisjes deden het ook wel eens. Je had zelfs scholen waar alleen totok kinderen naar toe gingen want die konden het betalen. En die gingen eigenlijk niet om met de Indo kinderen. De Indo kinderen gingen wel om met de Inlandse kinderen en leerden dan van elkaar de verschillende talen of dialecten. Julie kon hierover wel leuk vertellen maar het was altijd zo dat zij na korte tijd als het ware haar rug recht zette en dan zei. Zo nu is er wel weer genoeg gepraat. En als tip gaf zij mee: ‘schelden doet geen zeer, maar slaan veel meer’.



1961 - Julie met vier kinderen

1961 - Anton met zijn eerste Ford Taunus 17m

Bescherming Bevolking voorlichting in de periode 1950 en 1960








Ook bij Julie en Anton een envelop in de meterkast



Toelichting, een bijzonder boekje omdat men uitging van het 
gemiddelde gezin, met maximaal vijf kinderen. 
In 1961 hadden Pa en Ma tien inwonende kinderen.




Anton was te lang en te fors om onder het bureau te passen.


Tot ver in de jaren zestig van de vorige eeuw zouden er nog spijtoptanten naar Nederland komen die in veel gevalen nog nooit in Nederland waren geweest. 

Tjalie Robinson grapte nog: 
"Is een Nassibal een Indische fuif en zijn de spijtoptanten Hollandse Nieuwe?"

Papoea vrouwen rond 1961

Het werd ook wegwerp-verband genoemd. En het was veilig???
Maar waar wierp je het naar toe? 
Dachten wij als kleine jongens.

1961 Missionaris Pater Ross legt de Papoea jongens hun eigen land uit 
of de weg naar Nederland.   

Papoea man

                                1961 Uitleg aan de Papoea's op Nieuw-Guinea

Minister Joseph Luns bespreekt de Nieuw-Guinea kwestie in het gebouw van de Verenigde Naties in New York





Nieuw Guinea de weg naar zelfbeschikking drie bijzondere 

en verhelderende documentaires










Geen opmerkingen:

Een reactie posten