Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

1968 – 1970 Julie is tegen abortus, zoekt haar vader en heeft moeite met haar Indisch verleden

Julie woont in 1968 meer dan 22 jaar in Nederland. Ondanks het feit dat zij zich volkomen geïntegreerd voelt duiken in haar psyche de sporen van haar Indisch verleden steeds vaker op. Waar zou toch haar vader zijn was een van de vragen die Julie zich herhaaldelijk stelde? Er waren verre geruchten dat hij ergens in Zuid-Amerika zou leven. Wat was de reden dat hij na de oorlog geen contact had gezocht met Julie en haar broer Boy? Julie was toen bijna zestien jaar oud en had Ferdinand twee en dertig jaar geleden voor het laatst gezien in hotel Homann te Bandoeng. Het was toen het meest bekende en mooiste hotel van Bandoeng. Haar vader had er gezond en gelukkig uitgezien. Ferdinand was vanuit India naar Indië gekomen om de scheiding tussen hem en moeder Charlotte af te ronden. 

Julie bewonderde de kleurenfoto van zijn nieuwe liefde de beeldschone en stralende jonge vrouw, Norine Tweedie. Zij was in 1915 te Agra geboren. Haar ouders kwamen uit Midden England en haar  vader was de stationschef van het Agra Railway Station. Julie had bewonderend naar haar 36 jarige en romantisch knappe vader gekeken. Hij had een positie als general manager van een belangrijke suikerfabriek in de buurt van Allahabad. Een positie die Ferdinand door hard werken en met grote inzet had weten te veroveren op veelal uit Engeland afkomstige mededingers. Wat ook een rol gespeeld heeft was zijn afkomst en zijn kennis van het vakbondswerk op Java die in grote mate verschillend was het Engelse Union denken maar meer rekening hield met de belangen van de werknemers. 

De Indiërs wilden net zoals de Indonesiërs onafhankelijk zijn van de kolonialisten waardoor Ferdinand met zijn Nederlandse paspoort en uitstekende opleiding op Java geen politieke onrust meegebracht onder de Indiase medewerkers van de Sri Krishna Deshi Sugar Mills die in die periode toebehoorde aan de familie Banwarilal. De suikerfabriek lag aan de spoorlijn van Jushi, toen nog een klein dorp op enige kilometers van de monumentale en heilig genoemde stad Allahabad. Ferdinand, geboren op het spirituele Java en opgeroeid in de verschillende culturen van Indië had geen enkele moeite gehad met de Hindoestaanse gebruiken van zijn medewerkers.

Ferdinand had na zijn verblijf op de Filippijnen al snel een groot sociaal netwerk opgebouwd in de Engelse maar ook Nederlandse verenigingen die onderdeel uitmaakten van de koloniale samenleving in India. Hij had zich in India minder een tweede klas burger gevoeld dan op Java en had Julie verteld dat zijn toekomst in India zou liggen en niet meer op Java. Na de moeizame wereldcrisis jaren vanaf 1930 tot 1934 die ook Java zwaar hadden getroffen en vervolgens de emotionele scheiding van zijn vrouw Charlotte en de twee kinderen wilde Ferdinand dolgraag met de zo veel jongere Norine trouwen. Zij bleek al enige maanden zwanger te zijn en men had er in India schande van gesproken dat Ferdinand en Norine nog niet getrouwd waren. 

De scheiding van Charlotte was op 9 oktober 1936 uitgesproken en Ferdinand had de officiële scheidingsakte nodig om vervolgens in India te kunnen hertrouwen. Zijn jongste zoon Boy was hem niet op komen zoeken in het hotel. Boy woonde toen al inofficieel in de Oranje Nassau stichting van Pa van der Steur. Boy zou zich in de steek gelaten voelen door zijn vader maar achteraf is gebleken dat Ferdinand altijd geld had gestuurd voor zijn verzorging bij Pa van der Steur. Het was ook niet zijn beslissing geweest om Boy daar onder te laten brengen. 

Pas in 1998 zou er nieuws over Ferdinand komen. Uit Amerika. De baby van Norine en Ferdinand werd in april 1937 in Calcutta geboren. Julie’s halfzuster Wendy kwam in 1998 voor een emotionele kennismaking naar Nederland. Wendy vertelde gedeeltelijk het verhaal van Ferdinand. Het verhaal zou in 2012 aangevuld worden maar is nog niet steeds niet geheel compleet. In een extra artikel volgt een reconstructie van het verhaal van Ferdinand.


In het najaar van 1968 bleek Julie opnieuw zwanger te zijn. Het was inmiddels vier jaar geleden dat haar dertiende kindje was geboren en de komst van nummer veertien was een grote verassing geweest. Een bericht waar Anton in het geheel niet blij mee was geweest. Anton voelde zich gewoonweg te oud om opnieuw vader te worden. Hij was immers in 1967 arbeidsongeschikt verklaard en ontving elke maand een uitkering. Julie zou in december 48 jaar oud worden en ook de huisarts drong mild aan op een abortus. Maar Julie kwam niet terug op de aan haar zelf opgelegde belofte. 

Zij was het in 1947 zo eens geweest met de pastoor van de Sint Willibrorduskerk aan de Amstel in Amsterdam. Julie was in de zomer van 1947 in paniek en vol verdriet naar de kerk gevlucht. Zij wist niet of zij het kind van Anton wilde dragen. Zo voelde zich nog lang niet in staat om de afschuwelijk periodes in Indië tussen 1942 en 1946 te vergeten. Zij voelde het ook als verraad aan haar twee kinderen die nog met haar moeder in een contractpension in Markelo verbleven. De pastoor had haar weten te troosten. Nieuw leven schenken zouden de bittere dagen en jaren doen vergeten en een eerbetoon zijn aan de gevallenen. 

Het was een pragmatische oplossing voor de veelal ’s nachts opdoemende beelden waarin de onthoofdingen en martelpartijen in de diverse gevangenissen waar Julie in had verbleven als vanzelf opkwamen. Maar was de grote oorlog eigenlijk wel afgelopen. Politiek Den Haag had immers besloten tot ‘Politionele acties’ een eufemisme voor oorlog voeren in Indonesië. In juli 1947 zouden er opnieuw Nederlandse militairen ten strijde trekken tegen een vijand die al jaren streden voor hun onafhankelijkheid. De boze blikken die Julie als donkere Indonesisch ogende vrouw kreeg te verduren hadden alles te maken met de weerstand die er in Amsterdam was tegen het weg sturen van ‘hun jongens’ die nog nauwelijks bekomen waren van de zware bezettingsjaren onder de Duitsers.

Later zou Julie vertellen dat het niet alleen de onthoofdingen en martelingen waren geweest die haar ineen lieten krimpen. Het was ook het geschreeuw en de klappen die de veelal Koreaanse bewakers vaak om niets uitdeelden aan willekeurige slachtoffers. Het waren de periodes van langdurig intimidatie in de gevangenissen maar ook in het dagelijks leven die de persoonlijkheid van Julie voor een aantal jaren hebben beïnvloed. 

Het waren de zichtbare gevolgen van de grote hongersnood die op Java had geheerst met miljoenen slachtoffers onder de bewoners van Java die buiten de kampen leefden. Het was een lot wat Julie met veel in Indië geïnterneerde Nederlanders en buiten de kampen gebleven Indo’s zou delen. Een lot waar geen belangstelling voor was nadat men eenmaal in Nederland was aangekomen.

Julie had grote morele en ethische bezwaren tegen een eventuele abortus. Zij onderkende de medische bezwaren tegen het krijgen van een baby op gevorderde leeftijd. Maar deze bezwaren wogen niet op tegen de idee dat Julie een jong leven om zou laten brengen en het af te laten voeren in een vuilniscontainer. De ruzie met Anton liep zo hoog op dat Julie met haar auto naar het vakantiehuisje van haar oudste zoon in Zeeland vertrok. Julie had Anton te kennen gegeven dat zij nog liever een scheiding wenste dan de baby te laten aborteren. Na circa tien dagen vertrok Anton naar Zeeland. Julie wilde geen enkel compromis. 

De baby zou komen. En de baby kwam. Julie moest hiervoor enige maanden in het plaatselijke ziekenhuis ‘plat’ liggen in een zaal met hoofdzakelijk zeer jonge moeders. Het was geen gemakkelijke periode voor Julie, ook omdat zij opeens veel tijd had om na te denken over de achterliggende jaren. Julie en de baby bleken beiden gezond te zijn in juni 1969. Julie gaf de baby twee voornamen. Marco naar Marco Polo de wereldreiziger en als tweede naam Alexander naar Alexander de Grote. Julie had het gevoel dat deze baby wel een enorme reis gemaakt moest hebben om uiteindelijk in haar schoot terecht te mogen komen.

Julie zou vanaf 1970 opnieuw in komende en gaande depressies terecht komen die heftiger waren dan de depressie periodes in de voorgaande jaren. Julie trachtte deze depressies voor de kinderen verborgen te houden wat niet altijd lukte. Haar geloof in de katholieke kerk wankelde net zoals de toren van de Sint Willibroduskerk in Amsterdam tijdens de sloop in 1970. Vroeger werd de menopauze bij vrouwen ook wel ‘de overgang’ genoemd. Julie had sterk het gevoel dat de laatst geboren baby ook voor haar een tijdperk zou afsluiten waarbij zij nieuw leven schonk en zij zich door haar zwangerschappen sociaal nuttig had gemaakt. 

De overgang kwam hard aan bij Julie. Zij voelde zich geconfronteerd met stukken uit haar verleden die nog geen plaats hadden gekregen omdat veel van haar psychische energie in het steeds groeiende gezin en in haar werk was geïnvesteerd. Het huis in Bussum werd anderzijds ook steeds leger omdat de oudere kinderen zelfstandig gingen wonen. Doordat Anton eigenlijk voortdurend thuis was voelde Julie zich meer dan ooit genoodzaakt om hele dagen buiten huis te werken. Een ritme wat haar dwong om ’s morgens op tijd op te staan en zich te kleden voor haar werk. Om ’s avonds rond vijf uur weer moe thuis te komen waar Anton en de resterende kinderen hun opwachting maakten. 

Behalve het verleden wat haar niet los wilde laten was er ook een toekomst die economisch onzeker bleek waardoor Julie moest blijven zorgen voor aanvulling van de huishoudkas. Haar werk op een technische uitgeverij vroeg veel energie en de gesprekken met de huisarts en later een psychiater boden geen oplossing maar brachten Julie wel een bepaalde acceptatie die er op toe zag dat zij zich terug ging trekken in allerhande handwerkjes en later in de aanschaf van een breimachine die haar weer voor uren bezig hield in haar werkkamer. Na haar werk was haar werkkamer de plek waar de kinderen konden vragen welke boodschappen er nodig waren en het was tevens de verdeelplek van de huishoudelijke taken. Julie had een onzichtbaar cocon om zich zelf heen gecreëerd waar de kinderen en Anton soms met moeite doorheen konden breken.

In december 1970 wordt Julie vijftig jaar oud. Tijdens de kerstdagen komen haar oudere kinderen met hun partners en hún kinderen naar het huis van Julie en Anton. In sommige gevallen zijn de kleinkinderen al wat ouder dan het jongste kind van Julie en Anton. Julie lijkt zich te schikken in haar rol van moeder en grootmoeder terwijl Anton soms geïmponeerd raakt door de jeugdige vitaliteit van zijn groter gegroeide kinderen en hun partners. Anton voelt zich oud. 

Op de foto hieronder een bonte maar incomplete verzameling van kinderen, kleinkinderen en hun partners. Midden rechts zit oma Charlotte inmiddels 74 jaar oud. In de volgende 25 jaar zal het leven van Julie opnieuw een aantal bijzondere wendingen nemen. Een periode zonder zwangerschappen en een gestaag groeiend aantal kleinkinderen. In Nederland begint de multiculturele samenleving op gang te komen. De Indo’s lijken perfect geassimileerd te zijn en Nederland lijkt het verlies van Indië verwerkt te hebben. 

Het gas van Slochteren blijkt een prachtige inkomsten compensatie die met minder inspanningen vergelijkbaar veel zou opleveren als het voormalig Indië. Er worden zelfs Fokker vliegtuigen verkocht aan Indonesië. En Juliana en Bernhard pakken hun koffers voor een reis om President Suharto te bezoeken die in het voormalig paleis van de Gouverneur van Indië woont. Julie zal zich in de jaren zeventig en tachtig steeds meer in haar werkkamer/atelier op gaan sluiten. 

Van truien en kledingstukken voor de kleinkinderen evolueert haar werk steeds meer naar borduursels en wandkleden die vaak mysterieuze beelden weergeven van een ongrijpbaar verleden waarin zwarte kerken in witte landschappen en donkere figuren omringd door bloemen nog niet laten zien wat er werkelijk in Julie leefde. Toen de laatste baby een en twintig jaar oud was geworden en dus voor de wet zelfstandig, begon Julie in 1990 voorbereidingen te treffen om Anton te verlaten.

1936 Hotel Homann Bandoeng waar Julie haar vader bezocht

Jaren dertig - Agra Railway Station India 

Bandoeng - De Bragaweg waar Julie ook in 1936 zou fietsen 
om haar vader te bezoeken in Hotel Homann

vanaf 1942 - Japanners in Indië

1945 - De oorlog was afgelopen maar er was nog steeds grote honger 
onder de bevolking


1945 In de interneringskampen op Java heerste nog steeds honger en angst 
vanwege de roerige en gevaarlijke Bersiap periode

Een periode waarin de Indonesische bevolking hun onafhankelijkheid 
op zouden eisen en ook onderlinge rekeningen vereffenden


Ook na de 'bevrijding' van Indië vielen er nog veel slachtoffers door ondervoeding 
of door opstandige groeperingen

Er kwamen acties op gang vanuit Nederland

1947 - Nog steeds honger onder Indonesische bevolking


1948 Er waren ook protesten in Nederland tegen het Nederlandse ingrijpen 
in voormalig Indië






1969 - 1970 De Sint Willibrorduskerk aan de Amstel in Amsterdam wordt afgebroken

In deze kerk had Julie in 1947 troost gezocht 
zij was pas enige maanden in Nederland

De pastoor had haar verteld dat nieuw leven schenken 
de in Indië opgelopen trauma's zouden verlichten

Vanaf 1969 zou Julie haar katholieke geloof plaats laten maken 
voor meer wereldse opvattingen. 
Zij had het vertrouwen in de kerk als vredestichter opgegeven



Julie in 1969 met haar jongste zoon, 
haar veertiende en laatste baby.

1970 - Julie kookt voor de Kerstmaaltijd

1970 Links met snor de oudste zoon van Julie. 
Geheel onderaan en op schoot de jongste zoon van Julie. 
Op de foto konden twee kinderen van Julie en Anton niet aanwezig zijn. 
Er zijn wel vier kleinkinderen van Julie en Anton aanwezig.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten