Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

1954 - Julie en Anton hebben verschillende binnenkamers

Terwijl de broer van Julie nog in Bandoeng verbleef waar het bewind van President Sukarno de achtergebleven Indo’s naar een lagere positie op de maatschappelijke ladder manoeuvreerde trok de grijze mist over het naoorlogse Amsterdam langzaam op. Het inkomen van Anton was niet echt voldoende en Julie moest vaak bijspringen met extra werkzaamheden zoals het maken van advertenties en het doen van correctiewerk voor verschillende kleine stadskranten. 

De voorspoedige groei van haar gezin en de nabijheid van haar moeder Charlotte wakkerde het gemis aan informatie over haar vader aan. Julie had reeds verschillende pogingen ondernomen om uit te zoeken waar haar vader zich zou bevinden maar de verschillende Haagse Ministeries en ook het Internationale Rode Kruis konden geen enkel uitsluitsel geven. Sinds 1940 had Julie niets meer van hem vernomen. Hij zou in India hebben gewerkt als manager van een suikerfabriek en hij was hertrouwd met een jonge vrouw die Julie in 1938 bij het laatste bezoek van haar vader in Bandoeng had leren kennen. 

Het was ook de laatste keer geweest dat zij hem levend had gezien. Julie wist van de grote politieke onrust in India en de brieven van haar vader deden er soms maanden over om Indië te bereiken. 

Julie en Anton hadden na hun trouwdag in december 1951 hard gewerkt aan de vormgeving van hun gezin en de daaropvolgende jaren waren zonder grote gebeurtenissen voorbij gegleden. In de voorzomer van 1953 had Julie bemerkt dat zij weer zwanger was. Kindje nr. 7 werd begin januari 1954 geboren. Tot grote vreugde van Anton was het weer een dochter. Het was de tweede dochter die Anton en Julie samen hadden. Het gezinnetje bestond nu uit twee meisjes en vijf jongens. De gezellige bovenwoning aan de Blauwburgwal werd zo langzamerhand te klein.

Nederland werd in februari 1953 weer even het ouderwetse Holland toen door de watersnoodramp in Zeeland de nationale gevoelens van saamhorigheid door radiopresentator Johan Bodegraven met het radioprogramma ‘Beurzen open, dijken dicht’ naar een hoogtepunt werden gebracht. Voor het eerst na de oorlog was er een nationale gebeurtenis die niet over de tweede wereldoorlog, de koude oorlog of over het verlies van Indië ging. De dijken in Zeeland en omgeving hadden het begeven. Er was onvoldoende geïnvesteerd in de waterwering een probleem dat al gesignaleerd was in de vooroorlogse jaren. 

De economen in Den Haag hadden in 1949 berekend dat als Indonesië dan zo graag onafhankelijk wil zijn er door hen nog wel een factuur betaald moest worden van 385 miljoen ouderwetse guldens. Zijnde de investeringen in Nederlands-Indië van vóór 1942. Men zal met weemoed terug gedacht hebben aan de hoge inkomsten uit de eeuw daarvoor. Toen het Nederlandse wegennet en de spoorwegen opgebouwd werden met de vele miljoenen uit Indië. Verdiend door een half miljoen inlanders onder leiding van circa 30.000 blanken.

Op 14 oktober 1947 was de grote stoel van Koningin Wilhelmina in de Haagse Ridderzaal onbezet gebleven. Zij zou oververmoeid zijn geweest. Links in een andere stoel Prinses Juliana en rechts van de lege grotere stoel zit Prins Bernhard. Toen werd hij nog niet schavuit van Oranje genoemd. Zij zien er samen goed in hun nieuwe kleren. In Nederland was alles nog op de bon dus vermoedelijk is er elders inkopen gedaan. Koningin Wilhelmina is dus oververmoeid en er in goed overleg is besloten dat Prinses Juliana in afwachting van de troonsafstand de toko overneemt. 

Na enige formaliteiten besluit Juliana haar toespraakje met een gedragen uitgesproken ‘Zo Waarlijk Helpe Mij God’. De eigenlijk achtergrond van de Koninklijke Vermoeidheid was ruzie. Onenigheid heet dat op z’n Haags, met haar Ministers over o.a. de Indië kwestie. Tegelijkertijd werden in Den Haag de doofpotten gevuld met de vele kleine en grote schandalen uit het koloniale verleden. Hoeveel van die doofpotten er nog in achterkamertjes staan die nog op slot zitten maakt een rondgang door het sinds 2002 genoemde Nationaal Archief wel duidelijk. 

De vader van Julie heet F.P van der Steur en zijn dossier mag pas in 2020 open en zo zijn er honderden dossiers niet toegankelijk voor nabestaanden uit o.a. Indië. De vraag is waarom. Ferdinand is in 1900 in Soerabaja geboren en in 1973 in Bogotá overleden en is naar mijn weten nooit in Nederland geweest. Wat heeft hij in godsnaam gedaan wat zijn kleinkinderen uit naam van de Koningin niet mogen weten? Of moet men naar Thorbecke schrijven? Die had in 1848 tijdens de Grondwetsherziening toch geschreven ‘Openbaarheid, dat is de eenige school van de politieke opvoeding’. Hiermee wordt ook geïmpliceerd dat regeringen en parlementariërs verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor hun beslissingen en dat het Koninklijk Theater niet als dekmantel en afleider van excessen gebruikt zou mogen worden. 

In tegenstelling tot de meer pacifistisch aangelegde Juliana wilde haar moeder Wilhelmina juist meer macht omdat zij zich door politiek onbenul omgeven wist. Zij voelde zich op dat punt wél gesteund door Bernhard die dankbaar gebruik maakte van zijn populariteit en buiten het zicht van de regering graag wat bijverdiende of op z’n minst onrust stookte.

Tijdens een zelfde oktoberweek maar dan een jaar eerder in 1946 wacht Julie in Batavia ongeduldig op het vertrek van het schip wat haar naar Nederland zal brengen. Julie had in de maanden daarvoor grote moeite gehad om haar moeder met haar oudste zoon en haar tweede kind bij zijn pleegmoeder Ukkie Sombeek uit het door de Bersiap onlusten getroffen en daardoor buitengewoon onrustige Bandoeng weg te kunnen halen. 

De maatschappelijk werker van Pro Juventute Batavia ging heel modern voor 1946, van ‘de grotere belangen van het kind uit’. en geloofde in eerste instantie Ukkie Sombeek de pleegmoeder van Julie’s tweede zoon die bijna 2,5 jaar bij Ukkie had gewoond terwijl Julie op de vlucht was voor de Japanse Kempeitai. Als bewijsvoering had Ukkie zich gesteund geweten door de jongere broer van William, Julie’s vermiste echtgenoot. Jim Dobson en Ukkie Sombeek hadden naar voren gebracht dat Julie een Jappenhoer was geweest. Julie was in de voorgaande jaren enige keren in Bandoeng gesignaleerd in een typisch (geleend) Japans mantelpakje. Kakikleurig met een mooie donkerroze geborduurde kersenbloesem op de linkerkant. Dat zou het magere bewijs zijn geweest. 

Onbewust zal Julie in die periode een antipathie hebben ontwikkeld tegen een bepaald soort Indo mensen die zich bedienden van leugens en achterklap om zichzelf te redden uit benarde of frustrerende situaties. Eenmaal in Nederland zou Julie nauwelijks contacten aangaan met Indo's als onderdeel van haar behoefte om te vergeten.

In de moeilijke jaren tussen 1942 en 1946 hebben veel ‘buitenkampers’ door hun benarde positie als praktisch vogelvrije bewoners van Indië zich op vele manieren moeten redden met aanpassen en buigen voor de Japanners én voor de Indonesiërs om zodoende te kunnen overleven. Hun positie stond onder druk omdat zij als gedeeltelijke blanken op z’n minst verdacht werden van een te blanke mentaliteit en die was juist ongewenst verklaard door de Indonesiërs in hun streven naar een republiek zonder blanke inmenging. Indo’s moesten hierdoor hun verworvenheden inperken en vooral voor Indonesiër spelen. 

Er ontstonden na 1945 twee Indo groeperingen die op punten zelfs lijnrecht tegen over elkaar stonden. Indo’s die zich Nederlander voelden en Indo’s die zich Indonesiër voelden. Zoals bijvoorbeeld de broer van Julie. Die voelde zich in de steek gelaten door zijn Europese vader en later door de Nederlandse regering die hem jarenlang had laten creperen in Japanse werkkampen tijdens de bouw van de Birma spoorweg ook wel de dodenlijn genoemd. Hier hadden niet alleen duizenden krijgsgevangen aan gewerkt maar ook duizenden burgers uit o.a. Java die als ‘vrijwillige’ Romusha’s ofwel dwangarbeiders vaak onder nog erbarmelijker omstandigheden trachten te overleven dan de ‘werknemers’ op de voormalige Sumatraanse plantages van de Nederlandse planters uit de 19e eeuw.

Julie had in 1946 bewust gekozen voor vertrek naar Nederland. Zij wilde weg uit haar geboorteland omdat zij wist dat het nooit meer zou worden zoals het ooit geweest was. Zij had haar sterk vermagerde broer in 1946 in Batavia teruggezien en hij had haar met vurige ogen getracht ervan te overtuigen dat zij geen toekomst als Indo in Nederland zou hebben. Hij zou zelf wél blijven en mee gaan helpen om de republiek op te bouwen. Zijn jarenlange verblijf in het instituut van Pa van der Steur, zijn Indonesische vriendenkring en zijn ervaringen als dwangarbeider hadden hem het gevoel gegeven dat hij vooral Indonesiër was. 

In 1952 was zijn eerste kind geboren uit zijn huwelijk met een Indo meisje die een Europese achternaam had gehad. In zijn brieven aan Julie had hij zich lichtelijk beklaagd over het gevoel van achterstelling door de minder goed opgeleide Indonesiërs die zijn leidinggevenden waren geworden. Julie had zich ongerust gemaakt over zijn welzijn en eveneens over het welzijn van haar vader. Ondanks haar streven naar een volledige integratie in de Nederlandse maatschappij had zij een gevoel van incompleetheid door de afwezigheid van haar vader en broer. Heimwee gevoelens wist Julie goed te onderdrukken door de beelden van de doorgemaakte verschrikkingen in Indië weg te werken door zwangerschappen, zorg voor de kinderen en het aannemen van extra werk. 

Die weggedrukte beelden zouden pas veel later in haar leven in versterkte mate terugkeren toen haar laatste kindje werd geboren en weer opnieuw toen zij zich los had gemaakt van Anton en in Italië ging wonen. De Italianen vonden dat zij geen Nederlandse kon zijn. Zij had immers duidelijk een exotische en Aziatische uitstraling  en zij gaven Julie en zo anders als de Nederlanders veel charmante complimenten.

Anton was in 1954 inmiddels twee en veertig jaar oud geworden. Het leven als vertegenwoordiger in schrijfwaren begon hem steeds meer tegen te staan. Hij had immers een tuinbouwkundige opleiding en door de toenemende welvaart in Nederland werden er ook weer bloemen en planten door het grote publiek gekocht. Anton had een tweede schrijfwaren depot bij zijn oudere broer Jo aan de Ceramstraat in Den Helder ondergebracht. Hierdoor waren zijn regelmatige reizen naar zijn moeder en andere familie in Den Helder gerechtvaardigd. 

Onderweg deed hij ook vaak Alkmaar aan. Een stad die hij goed kende omdat hij daar voor de tweede wereldoorlog gewoond en gewerkt had als tuinman bij de familie Doggenaar die een kwekerij hadden aan Geest 18 en een bloemenzaak aan de Langestraat. Hij had in het nabijgelegen Bergen ook de toenmalige kunstenaarsgemeenschap leren kennen en had vaak boeketten geleverd die als stilleven zouden dienen voor hun schilderijen. In Bergen bevindt zich ook het bekende café-restaurant Het Huis met de Pilaren. Alhier had Anton voor de wereldoorlog vaak zijn koffie gedronken en zijn vrienden uit de kunstenaarswereld ontmoet. 

Hier werd ook het idee geboren om voorjaar 1937 naar Zuid Frankrijk te vertrekken om aldaar de lokale kwekers er van te overtuigen een Nederlandse uitvinding voor het verwarmen van planten en bloemenkassen aan te schaffen. Het huwelijk tussen Anton en Trijntje Bosma was op de klippen gelopen. Trijntje zou met hun zoon naar Den Helder vertrekken en Anton toog met een vriend naar Grasse. Het zou niet meer dan een avontuur worden. De Franse kwekers wilden geen Nederlandse kasverwarming en Anton en zijn vriend spraken geen woord Frans. In augustus 1937 werden beiden als ongewenste vreemden het land uit gezet en Anton kwam weer voor enige maanden in Den Helder te wonen en vertrok in februari 1938 weer naar Alkmaar. In oktober van dat jaar verhuisd Anton met zijn vriendin Albertina Antonia Jörissen naar Bergen. 

Er wordt ook een kind geboren, Karel Antonius. Waarom het kind Jörissen en dan weer Verblauw heet is nog een raadsel. In oktober 1940 zouden Anton en Tonia in Amsterdam trouwen. Ook de oorlog zou de onrust in Anton niet wegnemen. In de voorgaande jaren was hij meer dan 20 keer verhuisd twee keer getrouwd en had veel werkwisselingen ondergaan. 

Tijdens en na de oorlogsjaren zou hij opnieuw op vele adressen wonen. Pas door de samenleving met Julie kwam hij tot rust. Beiden zochten naar stabiliteit na langdurige zwerftochten opgelegd door omstandigheden en factoren waar zij beiden geen greep op hadden. Julie was echter meer naar binnen gericht en wilde haar omgeving zo klein en overzichtelijk mogelijk houden, huis, kinderen en werk. 

Anton was de man van het grote gebaar en de vaak onzakelijke maar eerder emotionele beslissingen. Veel van hun kinderen hebben die wisselwerking tussen rust en onrust  geërfd. Net zoals Julie en Anton die hadden geërfd van hun vaders en grootvaders. Zeemannen en planters en van moeders en grootmoeders die thuis bleven met de kinderen en hun mannen zagen vertrekken en soms weer terug zagen. In 1955 verhuizen Julie en Anton naar Alkmaar.



1952 - Anton en Julie op een feest in Amsterdam


1954 De eerste dochter van Anton en Julie is inmiddels zes jaar oud 
en gaat naar school op de Herengracht (Burghtschool)

Amsterdam 1952 - Al eerder was de auto van Anton volledig in de gracht verdwenen. Deze auto had meer 'mazzel'


Amsterdamse Kalverstraat in 1952

Juliana bezocht in 1953 het rampgebied in Zeeland

In 1953 werd Prins Bernhard Inspecteur-Generaal van de Marine

In 1954 werd er een sneltype wedstrijd 'machine schrijven' 
georganiseerd in Hotel Krasnapolsky Amsterdam

1954 - Goedkoop bellen naar Indonesië

Amsterdam 1954 - De dagzaal van de internationale telefoonkamer  
aan de Spuistraat

1954 - MP Minister Drees is trots op het Statuut voor het Koninkrijk 
met de West (Suriname en de Antillen). 
Minder trots is men later met zijn besluit om één van de 
doofpotten te vullen rond de Politionele acties in voormalig Indië. 

Even terug naar 1948 ten tijde van de Politionele Acties in voormalig Indië

Omdat koningin Wilhelmina oververmoeid is zal prinses Juliana tijdelijk het koninklijk gezag waarnemen. In een speciale verenigde vergadering van de Eerste en Tweede Kamer legt Juliana in de Ridderzaal te Den Haag, in aanwezigheid van prins Bernhard, de eed af.


De Vorstin vraagt steun van het Volk voor de formering van een moordcommando. 
"Voor kutpraatjes gaan ze maar ergens anders naar toe." 
Uit: Borát, VPRO radioprogramma, te beluisteren tot 1989. 
(met Herman Koch als Vorstin).



Een tweede springvloed werd het genoemd: de hulp die zuid-west Nederland kreeg na de watersnoodramp van 1 februari 1953. Tonnen aan goederen en miljoenen aan guldens kwamen er binnen, van over de hele wereld. Het Rode Kruis en het Rampenfonds hadden de handen vol aan het in goede banen leiden van alle blijken van medeleven.



Julie en haar broer zullen de propaganda films van de Japanse bezetter ook gezien hebben. Julie's broer werd als Romusha 'geworven' en zou onder geheel andere omstandigheden als in het filmpje te werk gesteld worden.



Geen opmerkingen:

Een reactie posten