Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of  begin 2018
Posts tonen met het label Wilhelmina. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Wilhelmina. Alle posts tonen

1942 Soerabaya 9 februari - Julie en de Waringin boom

Na het vertrek van William rond 8 februari naar Australië was Julie alleen achtergebleven met de 2 kleine kinderen. Zij kon vanwege de grote onrust in Soerabaya haar dagelijkse wandelingetjes met de kinderen naar het koelte gevende stadspark waar ook een groot aantal Waringin bomen stonden niet meer maken. Hoe vaak had zij daar al niet gezeten in het afgelopen jaar, hopend op een goede afloop. Ook haar vader Ferdinand had hier als peuter met grootmoeder Joanna rond gelopen terwijl haar echtgenoot Julie’s grootvader, in 1901 in het gesticht van Lawang werd behandeld voor ‘zenuwinzinkingen’. Julie voelde zich echter steeds ‘onveiliger’ worden in het vochtig hete Soerabaya. De bekende warme stadsgeuren hadden plaats gemaakt voor een andere zwaardere geur, een brandlucht die was opgekomen nadat het eerste zware bombardement op de stad door de Japanners op 3 februari had plaats gevonden.

Julie had al vanaf 1939 zich langzaam nestelende gevoelens van ‘onveiligheid’ gekregen die zij telkens opnieuw van zich af had gezet. Het incident met haar PTT chef die haar tegen haar wens had willen verleiden en de daarop volgende heftige discussies op het kantoor en haar besluit om zelf ontslag te nemen hadden haar min of meer wakker geschud. 
Het ongeoorloofde gedrag van haar Nederlandse ‘meerdere’ werd op basis van de toen in Indië heersende rangen en standen onder tafel geveegd en Julie moest of zwijgen óf vertrekken en ‘de eer’ aan zich zelf houden. Onder de grote Waringin boom van Hotel des Indes in Batavia besloot zij haar leven in eigen hand te nemen en zich niet maar te laten leven door kantoortijden en loyaliteit aan een blanke onbekende baas die handtastelijke werknemers toeliet.

Later zou Julie vertellen dat de vele Waringin bomen op Java haar altijd geestelijke kracht hadden gegeven. Als er problemen waren dan zocht zij juist deze boom op. Het liefst een Waringin aan een kleine rivier zoals vroeger toen zij jonger was en op het terrein van Suikerfabriek Delanggoe opgroeide wat nu Pabrik Gula Delanggu heet. Toen Julie op TV het bezoek van Juliana aan Indonesia in 1971 bekeek was zij aandachtig en stil maar snikte opeens onbedaarlijk toen zij een grote Waringin boom in beeld zag verschijnen.
Julie wilde zich niet zoals vroeger, toen haar vader vanwege zijn werk het gezin had verlaten opnieuw zo eenzaam en alleen voelen. Haar moeder was weliswaar aanwezig geweest evenals haar broertje. Maar die beklaagden zich meer over hun eigen kleine problemen dan dat zij onderling solidair waren na het vertrek van vader Ferdinand. Julie stond qua psychologische ontwikkeling vanaf het vertrek van haar vader min of meer alléén! Als 12jarig meisje had zij in de jaren ’30 de gevolgen van de grote werkeloosheid op Java gezien. Bedelende en hongerende inlanders, werkeloze Indo’s en Europeanen. Haar vader had zich altijd optimistisch gedragen en had ook aan Julie uitgelegd dat hij hoe dan ook wilde werken om niet bij de pakken neer te zetten. Desnoods werk zoeken in het buitenland.

Julie miste al snel haar vader met wie zij samen een bondgenootschap had gevormd tegen het klagende en immer ontevreden gedrag van moeder Charlotte. Vaak hadden zij samen de kranten gelezen en geluisterd naar de opera’s en andere klassieke muziek die Ferdinand mee naar huis bracht. Julie genoot van zijn lange slanke vingers en handen als hij weer eens iets aan het knutselen was. Of als hij de bouwtekeningen van machines voor de suikerfabrieken op de tafel uit had gespreid en deze met plezier bestudeerde en geduldig aan Julie uitlegde welke veranderingen hij zou aanbrengen zodat er minder problemen waren en de productie niet in gevaar zou komen.
In het benauwde Batavia van 1939 besloot zij na haar ontslagname niet met de stroom van de algehele ongerustheid over de toekomst van Indië mee te gaan. Julie had geen enkele binding met Nederland. Zij had daar ook geen familie. Het verschrikkelijke incident bij de PTT had haar duidelijk gemaakt dat zij door haar Indo afkomst nooit tot de ‘elite’ zou behoren. Met enige afschuw had zij het toegefluisterde advies ‘denk toch aan je toekomst’ van haar Indo collega’s om zich ‘rustig te houden’ terzijde geschoven. Net zoals haar vader haar had geleerd wilde Julie ‘niet bij de pakken neer zitten’. Vele jaren later heeft zij dat 'nooit opgeven' als het soms niet zo makkelijk ging ook op al haar kinderen (getracht) over te brengen. Julie had het in december 1941 maar vreemd gevonden dat Nederland de oorlog aan Japan had verklaard terwijl de Nederlandse regering zelf al naar Engeland was uitgeweken. Het leek welhaast een uitnodiging aan de Japanners om dan maar Nederlands-Indië aan te vallen. Achteraf gezien was dat ook zo! De dagen gingen snel voorbij voor Julie. Haar jonge kinderen vroegen de normale aandacht. Het bezoek wat langs kwam met opgewonden of sombere verhalen  nam eveneens veel tijd in beslag. Julie luisterde naar de berichten op de radio en volgde het nieuws in de kranten als de kinderen in de achtertuin hun slaapje deden of in hun bedjes lagen. Julie voelde zich steeds minder veilig maar had geen idee wat haar te wachten stond. 1942 - Nog geen drie jaar na het incident in Batavia zat Julie min of meer opgesloten in haar huis aan de Jalan Nias te Soerabaya. Met twee kleine kinderen en een echtgenoot die was vertrokken om voor het vaderland te vechten. Jazeker, zij zou hem volgen met een boot naar Australië. Maar wanneer? Als Julie naar buiten keek zag zij aan de overkant van de weg steeds meer treinen met militairen en wapentuig aankomen of vertrekken. Op straat ook veel vrachtwagens en militairen. 

De vrouwen en vriendinnen van de collega’s van William voelden zich ook onzeker over hun toekomst. Zij hadden samen gesproken en gehuild en zich grote zorgen gemaakt over de toekomst van hun jonge gezinnen. Al vanaf de oorlogsverklaring van Nederland aan Japan op 8 december 1941 was het onrustig geworden en had William soms iets los gelaten over a.s. vernielingen in Soerbaya van de voor Japan strategische doelen. Op 10 januari 1942 verklaarden de Japanners op hun beurt de oorlog aan het Koninkrijk der Nederlanden. Julie wist dat de Japanners op 11 januari het olie eiland Tarakan voor de kust van Borneo op het KNIL hadden veroverd om van daaruit de andere eilanden te bezetten. Want olie en andere grondstoffen dáár kwamen de Japanners voor net zoals de Nederlanders honderden jaren terug. Pas vele jaren later zou zij van haar nieuwe zwager (H.J.A Deijmann) horen dat hij een rol had gespeeld bij ‘de overdracht’ van het loodslichtschip wat aldaar voor de kust had gelegen. Hij was wat Julie betreft een van de weinigen in haar nabijheid die had begrepen in welke toestand het voormalig Indië had verkeerd tijdens de oorlog. Alhoewel hij wel benadrukte dat de (zijn) kampervaringen natuurlijk veel erger waren dan het leven buiten de kampen.

Op 28 februari 1942 zou de ‘Combined Striking Force’ het op moeten geven tegen de Japanse overmacht. Dit werd later de Slag in de Javazee genoemd. De Japanners kwamen hierdoor steeds dichter bij Soerabaya en steeds dichter bij het huis van Julie en de twee kleine kinderen. Met William had zij voor zijn vertrek afgesproken dat zij in het ergste geval naar Probolinggo zou gaan. Daar woonde een tante een zus van moeder Charlotte die aldaar een pension runde. De stad was voorzien van een haven waar eventueel ook nog (visser) schepen naar Australië zouden vertrekken. Maar eigenlijk was er geen echt plan. Niemand had kunnen voorspellen hoe het met Julie en de kinderen zou vergaan vanaf de 9e februari. Ook de Waringinboom in het stadspark van Surabaya niet.




De Muziektent in het stadspark van Soerabaya

Ingang van de stadstuinen van Soerabaya

De Waringin boom bij Hotel des Indes in Batavia


Kali in Soerabaya 

Soerabaya Darmo buurt

De Simpang Societeit Soerabaya

Ook aan de muur van de Simpang Societeit zat een bordje geschroefd
'Verboden voor honden en Inlanders'


Wilhelmina zou tijdens de kersttoespraak van 1943 nieuwe beloftes doen
Veel Nederlanders weten niet dat Nederland aan Japan 
de oorlog heeft verklaard.


De Zweedse Consul schreef een lijvig rapport over de situatie in Soerabaya vanaf 1942




Tarakan olieveld na de bezetting

 lees meer op tarakan.nl/


Nationaal Archief


28 februari 1942 - 'Slag in Javazee'
Diederik van Vleuten en Theo Doorman vertellen bij Pauw en Witteman. 

Tijdens de discussie zegt mijnheer Doorman dat het om het lot van 150.000 Europeanen zou gaan. Zou hij werkelijk de meer dan 200.000 Indo's per ongeluk vergeten zijn?

 


Trouwfoto december 1951
 in het midden Julie, links achter haar echtgenoot Anton 
rechts achter haar de broer van Anton, 
H.J.A. Deijmann


1942 - Bandoeng najaar 1942 - Julie; 'Ik had iets gedaan waar de Jappen wat tegen hadden' 1

Ondanks de dagelijkse beslommeringen en de zorg voor twee kleine kinderen verveelde Julie zich. Het was najaar 1942. Zij woonde weer bij haar moeder Charlotte die de grote wasserij aan de Merdekaweg draaiende hield. In het grote huis naast de wasserij had Julie weinig om handen terwijl zij eigenlijk altijd wel iets zocht waar zij in 'op' kon gaan. Julie had met de kinderen enige maanden in een leegstaand huis van een zwager gewoond. Julie was niet alleen geweest maar woonde samen met meerdere voorheen welgestelde families. Ook deze families waren uit hun huizen gezet door de Japanners. De echtgenoten zaten in gevangenissen, kampen of waren op de vlucht voor de Japanners of Indonesische politie. Er werden geen salarissen uitbetaald en men kon ook geen geld opnemen van spaarrekeningen. Zwarthandel was formeel verboden maar er zat niets anders op om daar toch aan mee te doen om alsnog aan voedsel te komen. De lokale steuncomités trachten waar nodig hulp te verlenen maar de situatie werd steeds nijpender.

In het najaar van 1942 werd het al moeilijker om aan het dagelijks voedsel te komen. Met ruilhandeltjes en huisvlijt zoals de door Julie gemaakte kinderschoentjes met houten zooltjes, met van katoen gehaakte voetbedekking of met de verkoop van kinderjasjes uit oude kleding kwam Julie aan de kost. Andere vrouwen in het huis bakten koekjes of andere lekkernijen voor de verkoop.  Na verloop van tijd werd het echter te onveilig om op deze manier samen te wonen in een huis wat op elk moment door de Japanners gevorderd kon worden. Er waren immers geruchten dat ook de blanke vrouwen opgesloten zouden worden en de halfbloed vrouwen waren bang dat zij dan eveneens gearresteerd zouden worden.

Dagelijks werd er veel was gebracht en opgehaald in de wasserij van moeder Charlotte. Nieuwe klanten waren de Japanners. Die brachten hun uniformen en burgerkleding of lieten dat brengen door hun Indonesische bedienden. Julie had er moeite mee dat haar moeder de nieuwe klanten zo vriendelijk ontving en bleef zoveel mogelijk aan de achterkant van het huis waar de klanten niet kwamen. Door het bezoek van oud PTT collega Mijnheer Ingram  kwam er een einde aan de verveling van Julie. 

Julie was Ingram tijdens een fietstocht in de stad tegengekomen. Hij was in 1937/1938 haar  chef geweest op het grote postkantoor van Bandoeng. Zij mocht hem heel graag.  Enige tijd later kwam hij bij Julie langs en gaf haar een som geld. Je zal het nodig hebben vertrouwde Ingram haar toe. Julie was oprecht verbaasd. Ach had hij gezegd we hebben genoeg geld. Enige dagen later kwam Ingram weer langs. ‘Zou je ons willen helpen’? Julie: waarom ook niet, ik heb weinig te doen, ik verveel me dood. Wat moet ik doen? Ingram stelde haar voor om voedsel en geld uit te delen in de armenwijk Tjiateul. Julie wist dat er voedsel uitdeel projecten waren op verschillende plekken in Bandoeng. Ingram voegde er aan toe; "Jij bent Indisch, jij valt niet zo op, dus hebben we bedacht dat jij dat werk eigenlijk zou moeten doen". Wie dat 'we' waren is nooit duidelijk geworden. Tjiateul was in die jaren een van de armste wijken van Bandoeng. Een slum. Kleine stenen huisjes, kamponghuisjes of huisjes van golfplaat opgetrokken. Kleine benauwde straatjes. Er woonden veel Ambonezen en Indische familie van KNIL militairen. Door de oorlogssituatie waren veel KNIL soldaten in kampen opgesloten en werden de salarissen al sinds de Japanse inval niet meer uitgekeerd. Sommige bewoners hadden prachtige achternamen. Saint-Pourcain, De Blok van Haamstede, De Roy van Papendrecht. Veelal samengestelde namen uit de VOC periode.  Bijvoorbeeld fuselier Jan de Rooy, uit Papendrecht had een kind gemaakt bij zijn inlandse njai. Het prachtige donkerblanke kindje werd vervolgens vol trots Johannes de Roy van Papendrecht genoemd.

Ondanks de vaak prachtige namen leefden deze families in buitengewoon moeilijke omstandigheden. Julie is zich altijd zeer verbonden blijven voelen met vooral de Ambonese groeperingen. Nog in de jaren negentig nam zij het op voor onderdrukte Ambonezen middels vele brandbrieven aan Amnesty International. Vaak dacht zij terug aan haar peetkind dochter van een Ambonese soldatenvrouw. Julie heeft haar bijgestaan tijdens haar zwangerschap. Juliette Nanlohy zou heden anno 2011, circa 69 jaar oud moeten zijn. Zou zij de oorlog overleefd hebben? 

Later heeft Julie begrepen dat het contant spaargeld van de Bandoengse banken geweest moet zijn. Vervreemde oorlogsbuit dus. De Japanners waren op zoek naar dat geld en nog zeer druk doende met het uitschakelen van verschillende verzetshaarden binnen en rond Bandoeng. Van enige keren per week werd het dagelijks werk voor Julie. Soms wel twee keer per dag op de fiets naar meerdere uitdeel plaatsen. Onderwijl bouwden de Japanners langzaam maar zeker bepaald wijken waar vooral Nederlanders woonden dicht met bamboespijlen, en prikkeldraad omheiningen.  Julie’s even oude nichtje Deetje Heyligers woonde met haar familie in een van deze wijken. In een vrijstaand huis aan de Papandajanlaan waar Julie tijdens  haar middelbare school periode nog een jaar in huis had gewoond. Jan Bouwer een in Bandoeng ondergedoken journalist schrijft in zijn boek Het Vermoorde Land als volgt over Dee Heyligers :

Julie had de berichten indertijd ook op de illegale radio gehoord en vermeed zoveel mogelijk de Papandajanlaan die echter wel een belangrijke verkeersverbinding was omdat het er altijd druk was en dus kon zij onopvallend passeren. Na enige maanden vertelde Julie’s moeder Charlotte dat er tijdens Julie’s afwezigheid twee Japanse militairen aan de deur waren geweest. Julie was verbaasd geweest. Maar had toch besloten om elders in de straat een kamer te huren. Zij vond het beter dat zij niet in het huis van haar moeder waar ook haar kinderen woonden aangehouden zou worden.

Na een week krijg Julie alsnog bezoek van twee Japanse militairen van de Kempeitai. Julie moest zich de volgende melden aan de Heetjansweg. Het kantoor van de Japanse militaire politie was gevestigd in de voormalige meisjes MULO. Het was december 1942. De volgende ochtend is Julie na grote twijfel toch maar langsgegaan. Tijdens haar wandeling door het oude schoolgebouw hoorde zij geluiden en zag door half openstaande deuren Japanners bezig met hun 'verhoren'.


Bandoeng 1941 - Bandung 1941


Julie vertelde in 1986 




Rechts van het Bandoengse sportterrein Tegallega de armenwijk Tjiateul





































Kamp Kareës Bandoeng grensde aan de Papandajanlaan. 
De dikke zwarte lijn betreft de afbakening




Het kantoor van de Kempeitai aan de Heetjansweg Bandoeng 
was gevestigd in de meisjes MULO. 
Op de buitenmuur rechts het logo van de Kempeitai.
Julie is in dit gebouw verschillende malen op zeer hardhandige wijze 
verhoord alvorens zij naar de gevangenis zou gaan.

Op de foto een andere MULO in Bandoeng die tijdelijk in gebruik is geweest als interneringskamp.























De oude MULO anno 2008 te Bandung



















Groepje Kempeitai mannen

















Kempeitai militairen in de trein





























In november 1942 werden onderstaande pamfletten verspreid in twee wijken 'aangewezen voor het verblijf van Europeesche vrouwen'.


De slag in de Javazee 1942



Guus Zuijderhoff - Zo vrij als een vogel



Verzet in Indië



Meer over de Kempeitai



Japans Amerikaanse burgers in 1942 op weg naar hun internering 

1949 Deel 4 - Mama wat doen we hier had het jongste kind gevraagd

28 december 1949 – Julie was diep geraakt geweest door de 27 december toespraak van Koningin Juliana uit het paleis op de Dam. De radio had haar woorden ‘live’ uitgezonden. Julie zou zich de strekking van de toespraak nog tot ver na 2000 herinneren. De woorden van Juliana hadden zo anders geklonken dan de stoere taal van haar moeder Wilhelmina die op 9 december 1941 vanuit Engeland de oorlog aan Japan had verklaard. Ook toen was Julie thuis geweest. In de huiskamer aan de Niasstraat in Soerabaya had Julie met de pas geboren baby op schoot gezeten. William en Julie hadden elkaar verschrikt en zwijgend aangekeken. Julie wist nu zeker dat William door de vliegdienst opgeroepen zou worden. Indië was nu in oorlog met Japan. De mobilisatie in Nederlands-Indië in het voorgaande jaar had al veel stress veroorzaakt in het nog jonge gezin. De tweede baby was na een onrustige zwangerschap geboren en huilde veel.

Julie verbleef op 17 augustus 1945 in Jakarta en had de ‘Proklamasi’ uitgesproken door Soekarno ook gehoord. Daarna waren op de straten van Jakarta vreugdefeesten en onlusten uitgebroken.

Wij het volk van Indonesië proclameren hierbij de onafhankelijkheid van Indonesië. Aangelegenheden met betrekking tot het bestuur zullen op ordelijke wijze en zo snel mogelijk worden geregeld

De Proklamasi was mede ondertekend door Mohammed Hatta die naast Juliana had gezeten tijdens haar toespraak. President Soekarno was niet naar Amsterdam afgereisd omdat hij vond dat op 17 augustus 1945 de onafhankelijkheid al was uitgesproken. Nog in december 1927 was Mohammed Hatta als Rotterdamse student gearresteerd in opdracht van de toenmalige Minister van Justitie J. Donner (de huidige P.H.Donner is huisvriend van de Oranje’s). Hatta was beschuldigd van ‘communisme’ en was de bedenker van de leus ‘Indonesia Merdeka’. 


Vier jaar en enige maanden later had Juliana’s stem door de radio geklonken in de huiskamer van Anton en Julie.

“Niet langer staan wij gedeeltelijk tegenover elkander. Wij zijn nu naast elkaar gaan staan. Hoezeer ook geschonden en gescheurd en vol van lidtekens van wrok en spijt”.

Julie had de naoorlogse interventies in Indië door de Nederlandse regering vanaf haar aankomst in 1946 via de kranten en de radio-uitzendingen gevolgd. De politionele (lees militaire) acties in Indië hadden opnieuw veel mensenlevens gekost. Maar ook verdriet en verscheurdheid veroorzaakt in vele Indonesische en Nederlandse gezinnen die hun kinderen zouden verliezen vanwege de halsstarrige houding van het naoorlogse Nederlandse bewind. Opnieuw vielen er oorlogslachtoffers en opnieuw werden er Indobaby’s geboren. Pas in 2005 zal Nederland na een officieel bezoek door toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot de onafhankelijkheids datum 17 augustus 1945 in politieke zin accepteren. Kennelijk kon dat alleen maar gebeuren door iemand die zelf als jongen gevangen had gezeten in een Japans interneringskamp in Nederlands-Indië.

Julie had zich veel zorgen gemaakt over haar vele Molukse vrienden die zij had leren kennen tijdens haar verzetswerk en gevangenschap in Bandoeng 1942/1943 en later in de Boei Lama gevangenis in Cheribon. Zij wist dat de Molukkers zeer trouw waren aan hun belofte om de Nederlandse Staat te dienen. Julie vroeg zag af hoe het haar twee Molukse petekinderen was vergaan. (hier kom ik later op terug). 

Juliana sprak verder: “Onmerkbaar groot is de voldoening van een volk dat zijn vrijheid verwerkelijkt ziet”. 


Het was deze zinsnede die Julie tot haar overlijden in 2001 zou onthouden en waar zij opnieuw aan zou denken toen Juliana in 1971 op bezoek was in Indonesië. Wilhelmina was in haar regeerperiode nooit in Indië geweest; “ach wat moet zo’n volk met een dik en zweterig mens op bezoek” had zij zelf als motivatie voor het uitblijven van een bezoek geuit. Julie was ontroerd en zeer van slag geweest tijdens de TV uitzendingen over het bezoek van Juliana. In kleur zag Julie de ongelooflijk hartelijke begroeting door de ‘vrije’ Indonesische bevolking. Maar het was vooral het terugzien van het land en de herkenning van gebouwen, straten en het natuurschoon wat Julie zo van streek zou maken.

Tijdens de laatste dagen van 1949 had Julie ook andere zorgen gehad. De jongens van 9 en 8 jaar oud speelden veel aan de grachten en in de zijstraten van het zich nog steeds herstellend Amsterdam. De jongens hadden ondertussen kennis gemaakt met de andere kinderen van Anton uit zijn vorige huwelijk. Die woonden met hun moeder op nog geen vijf minuten lopen en de oudste zoon Karel kwam wekelijks de alimentatie ophalen. Zijn toenmalige echtgenote wilde beslist niet van scheiden weten als er geen stabiele alimentatie regeling was beklonken. De echtscheidingsprocedure verliep hierdoor uiterst traag. Anton had elke week grote moeite om de alimentatie bijeen te verdienen maar er zat ook betalingsonwil van zijn kant bij. Hij had immers een nieuw gezin en zijn a.s. ex werkte immers als schoonmaakster en had dus een eigen inkomen. De twee kleine kinderen bonden Julie aan huis en ook de nieuwe zwangerschap zou opnieuw voor gezinsuitbreiding in het veel te kleine onderkomen zorgen. De zaken van Anton liepen niet echt geweldig en brachten weinig op.

In Julie groeide de wens naar meer rust en stabiliteit in haar gezin. Julie uitte nu openlijk kritiek op Anton. Hij kon dan driftig worden en was zelfs een keer handtastelijk. Julie kocht knalrode naar bloed kleurende nagellak en een dure nagelvijl. Zij liet trots haar nieuwe puntig uitlopend nagels aan Anton zien. ‘Hiermee krab ik je gezicht helemaal open als jij mij nog eenmaal slaat’. Julie vertelde dit verhaal als een serieuze anekdote in 1998. En wat zien wij op de jeugdfoto van Julie toen zij als zangeres Mona Banister een glamourfoto liet maken. Een charmante jonge vrouw die een goed gelakte en mooi gevijlde wijsvinger wat zwoel naar haar kin laat wijzen. De duim onafhankelijk en  wilskrachtig naast haar andere vingers.

Julie had Indië eind 1946 verlaten vanwege het falende beleid van de Nederlandse regering en de sterke wil van de Indonesische bevolking. De wil om onafhankelijk te zijn. Julie had voor vertrek naar Nederland gekozen omdat zij de hoop had eenmaal in Nederland aangekomen om onafhankelijk te zijn. Zij wilde haar kinderen maar ook haar moeder en zichzelf in veiligheid stellen. Niet meer op de vlucht zijn en geen honger meer hebben. In de jaren ervoor was openlijk Nederlands spreken verboden geweest. De volkswoede (bersiap periode) ten opzichte van alles wat Nederlands was had haar meer dan zeven maanden in een door de Nederlanders gebouwde gevangenis laten verblijven waar vroeger alleen Indonesische bandieten werden opgesloten.

Julie besefte eenmaal vrij gekomen uit de gevangenis dat deze periode van ontberingen en ziekte haar ook hadden beschermd tegen de aanvallen en moordpartijen van de opstandige Indonesische bevolking. Haar beslissing om naar Nederland te vertrekken was wel overwogen geweest. Julie wist dat de Indonesisch bevolking zich niet opnieuw zou laten kolonialiseren. Haar jongere broer Boy had zij niet kunnen overtuigen. Die voelde zich verraden door zijn in Soerabaya geboren Nederlandse vader. Hij voelde zich in de steek gelaten door zijn Indische moeder Charlotte die hem in 1936 naar het kinderhuis van Pa van der Steur had gestuurd. Boy wilde blijven en meehelpen de nieuwe republiek op te bouwen. Want hadden de Nederlanders hém geholpen toen hij als slaaf onder de meest verschrikkelijk omstandigheden aan de Birma spoorweg had moeten werken?

Julie had niet meer bij zich dan haar twee jongen kinderen, haar moeder en wat tassen met bagage toen zij in november 1946 voor het eerst haar voeten in het schemerdonker op de kade van de Rotterdamse kade had geplaatst. ‘Mama wat doen we hier had het jongste kind gevraagd’. Tijdens de zeereis had Julie veel nagedacht over hetgeen zij achter had moeten laten. Haar huis, haar meubelen, haar spaargeld, de fotoalbums, haar vrienden en vriendinnen. Haar baboe en de tuinjongen uit Sragen die later in Cheribon zou wonen en haar had geholpen de sieraden van Julie en anderen te verkopen op de Chinese markten. Wat Julie niet afgenomen werd waren haar herinneringen aan het uitzicht op de vulkanen en de mooie tuin met het koele water van de kleine Kali in de buurt van suikerfabriek DeLanggoe tijdens de eerste gelukkig te noemen tien jaar van haar leven. Ondanks de trieste scheiding van haar ouders had Julie het gevoel dat zij veel had kunnen leren op de scholen en tijdens de opleiding en het werken bij de Indische Posterijen in Bandoeng en Batavia.

Na haar huwelijk in 1940 werd zij moeder en er was zelfs ruimte in haar huis geweest voor Jim, de jongere broer van echtgenoot William. Die werd door hen beiden in huis genomen omdat hij anders voor galg en rad zou opgroeien. Na de moeilijke oorlogsjaren onder de Japanse bezetters en haar verblijf in de gevangenis had Julie grote moeite moeten doen om haar kinderen terug te krijgen. Kleine Jim was groot geworden en had samen met Ukkie Sombeek getuigd dat Julie een Jappenhoer was geweest en om die redenen haar tweede kind Ted niet terug zou moeten krijgen. Haar moeder Charlotte had haar Bandoengse huis, goederen en haar in leren fauteuils ingenaaide geld en sieraden tijdens een door de opstandige jeugdige Pemoeda’s aangestoken brand in vlammen op zien gaan. Ook het uithangbord aan de gevel met daarop de tekst ‘Machinale en Chemische Wasscherij De Hollandse’ was in de vlammen opgegaan. De straatnaam van het gebouw ‘Merdikaweg’ werd niet lang daarna omgedoopt in Jalan Merdeka.

Julie’s vertrouwen in de mensheid had in de jaren ’40 een onwaarschijnlijk grote knauw gekregen. Tijdens die laatste dagen van 1949 had Julie de woorden van Koningin Juliana ook op haar zelf betrokken en had er een persoonlijk tintje aan gegeven. ‘Onmeetbaar groot kan een mens zijn die zijn vrijheid verwezenlijkt ziet’. Julie had de wens gevoeld om haar kinderen in vrijheid op te laten groeien met veel broers en zussen die de niet zoals haar medegevangen lotgenoten van hun vrijheid en hun hoofd beroofd zouden worden. Begin jaren ’90 had Julie een prachtig wandkleed met een boom van gestikt gouddraad gemaakt op een zwart zijden achtergrond. Aan de grote boom hingen 15 verschillende met Indiaas garen geborduurde bladeren. Elk blad zou een omgekomen (onthoofde) gevangene representeren en elk blad was een nieuw kind van Julie geweest. Ondanks de pracht van geborduurde kunstwerk vond een van de kinderen van Julie dat hij en ook zijn zussen en broers niet gezien moesten worden als vervangers van de doden. Het zou dan zijn dat Julie in haar kinderen haar vermoorde lotgenoten zou zien. Als zodanig wilden de kinderen van Julie niet afgebeeld worden. Zij wilden allen en onafhankelijk van elkaar gewoon een kind van hun moeder zijn.

Achteraf kan voorzichtig vastgesteld worden dat de door de oorlog ontstane diepe wonden in de ziel van Julie  niet geheeld  werden door de komst van haar kinderen. Het gevolg is geweest dat veel kinderen van Julie zich emotioneel verwaarloosd voelen. Was het vijftiende blad aan de boom soms niet de miskraam uit 1966 die in de achtertuin van het huis in Bussum werd begraven? Een zelfde ritueel zoals bij haar Indische grootouders Casper en Djeminem die vanaf 1875 elke nageboorte ofwel moederkoek zouden begraven in de met tropische bloemen en planten begroeide tuin achter het grote huis in Bojolali waar Djeminem haar veertien kinderen zou baren. Zo Indisch was Julie dus weer wel. Met haar zwijgzaamheid en diepe lidtekens die niemand had mogen zien maar die altijd door haar kinderen gevoeld zouden worden. Daar kon de Hollandse nuchterheid en warmte van Anton niet tegen op.

Julie heeft tot haar laatste dagen haar nagels prachtig verzorgd. Het was een bijna noodzakelijk ritueel om haar gedachten op een rijtje te zetten. Het bracht orde in haar dagplanning. Onder die uiterlijk charmante laag van kwetsbaarheid, flegmatiek en Indisch aandoende schoonheid huisde een temperament wat niet wakker geschud moest worden. Het is vergelijkbaar met het Indonesische temperament waar ook de Nederlandse overheid zich zo vaak in vergist heeft. Anton had er kennis meegemaakt en het vervulde hem soms met vrees als hij ’s avonds moest vertellen dat er weer geen geld was verdiend. Julie kon dan stil vallen. Nadenken en dan uiterst scherp maar met zachte stem een analyse geven van wat Anton juist wél had moeten doen.

De oplossingen en de nodige gedragsverandering die Julie voorstond maakte Anton afhankelijk van de gunsten en het oordeel van Julie. Zijn moeder was nooit zo geweest. Die had altijd met zachte stem gezegd. ‘Ach jongen, het is ook allemaal niet makkelijk voor je’. Zo hoorde een vrouw te zijn volgens Anton. Liefdevol en begrijpend. In de voorgaande jaren maar ook al voor de oorlog was het huis van de moeder van Anton het belangrijkste vluchtadres geweest waar hij altijd begrip, weinig kritiek en trotse bewondering had gevonden. Zijn eerdere vriendinnen en echtgenotes waren ook altijd vol bewondering voor Anton geweest tot het moment dat zij zich kritisch zouden uiten. Anton had dan de neiging de ruzies te beëindigen met vertrek naar zijn moeder. Julie dacht daar anders over. Hij kon kiezen óf voor zijn moeder óf voor haar. Het werd een emotionele ruilhandel van geven en nemen met Julie aan het roer van een onbestendig schip wat langzaam de nog komende jaren ’50 in zou varen.

1935 De Merapi en Merbaboe gezien vanuit Klaten - Java
niet ver van de plaats waar Julie opgroeide. 

De grootmoeders van Julie - Djeminem Deuning en Joanna van der Steur

de moeder van Anton - Helena Deijmann


Een polderlandschap. 
Anton hield van de polders en was lid van de NJN
de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie