Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of  begin 2018
Posts tonen met het label Republiek Indonesië 1949. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Republiek Indonesië 1949. Alle posts tonen

1940 – 1942 Deel 2 - Soerabaya, Julie wordt weer moeder en William vader & vlieger

Julie heeft nooit veel willen vertellen over haar huwelijk met William Dobson. Dus ook niet over hun relatief korte periode samen en over hun twee kinderen die in het huis aan de Niasstraat (nu Jalan Nias) aan het spoor, niet ver van het centrum van Soerabaja zijn geboren. Niet ver van de Niasstraat bevind zich de Cannalaan. Hier woonde in die periode o.a. Bep Stubert. Lees meer over de wijk waar Julie woonden op de prettig geschreven en soms ontroerende website. Over het dagelijks leven in Soerabaya 1940 en daarna. Een andere website vertelt verder over de Cannalaan maar dan in het Soerabaja van ná 1945. Opnieuw een sobere maar humorvolle website die bewogen verhaalt over Hans, een in een Jappenkamp geboren kind tot aan zijn vertrek naar Nederland in 1960. 

Nog in 1998 vertelde Julie met een licht verwijtende maar  zachte stem terwijl zij haar gezicht afdraaide dat William indertijd zelf had gekozen voor een opleiding bij het Vrijwillig Vliegers Corps (het V.V.C.) en dat deze keuze dus mede zijn lot heeft bepaald. Dus ook het lot van Julie en kleine Billy en baby Ted die in november 1941 was geboren.

Het repatriantenschip Klipfontein vertrok op 25 oktober 1946 uit Batavia met 966 passagiers aan boord. Op 20 november werd er aangemeerd in de haven van Rotterdam. In een land wat Julie en Charlotte nog nooit hadden gezien. Het was koud.

Ch.H. Deuning * 1896
J.C. Dobson - van der Steur * 1920
W.R.E.J. Dobson * 1940
R.T. Dobson * 1941

Julie een jonge moeder met twee kinderen die zij vanaf eind 1942 nauwelijks had gezien. Haar moeder Charlotte waar Julie geen goede verstandhouding mee had. Meer was er van de familie niet over. Julie wist nog niet dat William de oorlog niet had overleefd. Zij had geen idee hoe het haar vader was vergaan en waar hij zou wonen. Julie had in juni 1946 haar jongere broer Boy onverwacht op het kantoor van de AMACAB ontmoet (Tjideng Kamp). Hij woog onder de 40 kilo en was te zwak om te reizen. Toch gaf hij aan dat hij in Indië wilde blijven. De oudere zussen, broers, neven en nichten van moeder Charlotte waren allen nog in Indië of waren overleden. Alhoewel er toen nog weinig bekend was over het lot van alle familieleden.

Terug naar 1940 -
Zelfs na de inval door de Duitsers in het verre Nederland dacht men in Indië maar al te graag dat de oorlog niet naar Indië zou ‘overwaaien’. Julie was een paar maanden zwanger toen de Duitsers in mei 1940 Nederland zouden bezetten. William was al onder de wapenen en bracht vele uren op het marineterrein door. De komst van de baby zal voor Julie centraal hebben gestaan. Julie was circa 4 maanden zwanger en luisterde zoals vele anderen naar de radio waar het schokkende nieuws over de Duitse inval op verontwaardigde en tegelijkertijd meelevende toon werd besproken. Indië stond er vanaf 10 Mei 1940 alleen voor. De Nederlandse regering was naar Londen gevlucht en liet de leiding voorlopig aan het Gouvernement over. 

Het motief van William om zijn functie als jonge maar ervaren zeeman om te ruilen voor een carrière als vlieger is onduidelijk. Mogelijk realiseerde hij zich dat de marinevloot  onvoldoende was uitgerust en anderzijds was het een mogelijkheid om na jaren op zee gewerkt te hebben om ‘iets anders’ te gaan doen. In het boek over Julie zal er dieper ingegaan worden op de familie achtergrond van William. Vast is komen te staan dat William na het overlijden van zijn vader in 1930 gewend was om zijn eigen leven vorm te geven. In september 1941 werd William na een vooropleiding tot 2e Officier bevorderd en zou zich dagelijks verder bekwamen in de vliegtuigtechniek. Na de onverhoedse aanval door de Japanners op Pearl Harbor in december 1941 waarbij een kwart van de Amerikaanse vloot werd weggevaagd werd de MLD in Soerabaja ofwel de Marine Luchtvaart Dienst naar 100% paraatheid getrimd en zou William begin februari 1942 aan Julie vertellen dat hij op 8 februari naar Australië zou vertrekken alwaar hij mede betrokken zou zijn bij het opzetten van een Nederlands-Indische vliegbasis in samenwerking met de Australische luchtmacht. 

Aan William was toegezegd dat vrouwen en kinderen later zouden volgen.  Julie had geen andere keuze dan zich hierbij neer te leggen. Wanneer William voor het laatst Julie en hun twee kinderen heeft gezien om afscheid te nemen is niet duidelijk. Het zal op de 7e of misschien de 6de Februari 1942 geweest zijn. Hij zou zijn jonge gezin nooit meer terug zien. Zijn eerste heftige kennismaking met de oorlog zal in Broome zijn geweest. De Japanner hebben het kleine havenstadje op 3 maart 1942 aangevallen waarbij 88 slachtoffers vielen.  Na 15 intensieve maanden in Australië bij het 18 squadron werd hij voorjaar 1943 ingedeeld bij de vliegersopleiding in Jackson Mississipi Amerika. The Royal Netherlands Military Flying School was aldaar in 1941 heropgericht en William werd met name voorbereid op het vliegen met de Mitchell bommenwerpers. In februari 1944 vloog William met zijn collega’s met de zojuist afgeleverde Mitchell’s naar Engeland waar zij gestationeerd werden in de buurt van Horsham om deel te nemen aan het offensief op Frankrijk.

Of Julie en William na zijn gehaaste vertrek contact konden houden is zeer onwaarschijnlijk.  De Japanners rukten zeer snel op en na hevige gevechten en zware bombardementen op Soerabaya reden de Japanners op 8 maart 1942 Soerabaya binnen. Het jaartal 1942 zou vervangen worden door de nieuwe orde. De klok ging 90 minuten vooruit naar Japanse tijd en het werd jaartal 2602. Post werd niet meer verzorgd en telefoonverkeer was nauwelijks mogelijk. De inlandse bevolking had met stijgende verbazing waargenomen dat het KNIL met al zijn parades en ander oorlogsvertoon binnen een aantal maanden onder de voet was gelopen. De Japanners werden door hen met groot gejuich ontvangen. Voor de net 21 jaar oud geworden Julie brak een bijzonder moeilijke periode aan die zou aanhouden tot zij voet op Nederlandse bodem zou zetten in november 1946.

Begin december 1946 bezocht Julie het tussen Driebergen en Doorn gelegen marinerepatriëring centrum. Hier moesten vragenlijsten ingevuld worden en ontving zij een medische keuring en een traktementsvoorschot. Alleen personen die in een kamp hadden verbleven werden onderzocht op post-traumatische stress problemen. Als 'buitenkamper' hoorde Julie niet tot deze groep (?) Pas later op de dag zou Julie vernemen dat haar echtgenoot William Caistor Dobson op weg naar het slagveld boven Engeland was omgekomen na een noodlottige botsing met een andere Mitchell bommenwerper. Behalve William kwamen er nog zeven andere collega’s om. Vermoedelijk heeft Julie nooit de vriendinnen of echtgenotes van zijn eveneens omgekomen collega’s ontmoet. William was 28 jaar oud toen hij omkwam. Zijn collega’s waren vaak nog jonger.

MLD 86 (Marine Luchtvaart Dienst) zie de Gedenkrol


IJsselstein, J.A. (1917) ovl.3.kmr.tv 08-06-1944 Mitchell FR 182

Engels, P. (1921) Sgtvgtlg 08-06-1944 Mitchell FR 182

Mensingh, Th.P. (1920) mil-sgtvgsch 08-06-1944 Mitchel FR 182

Mulder, G. (1915) ozwnr.3.kmr 08-06-1944 Mitchell FR 182

Dobson, W.C. (1915) ovl.2.kmr.tv* 08-06-1944 Mitchell FR 150

Hagen, J.H. van (1916) sgtvgsch 08-06-1944 Mitchell FR 150

Stoffels, R.D. (1920) sgtvgtlg 08-06-1944 Mitchell FR 150

Meester, J. (1923) ozwnr.3.kmr 08-06-1944 Mitchell FR 150 







1941 september marine vliegveld Soerabaya
Installatie van het Corps Officieren



Uit de krant 9 februari 1942 


1942 Bombardement Soerabaya


Steden en havens in Australië die door de 
Japanners werden aangevallen vanaf 1942


De aanval op Broome 3 maart 1942
Een foto door de Japanse luchtmacht gemaakt 
direct na de aanval.


Een foto in de cockpit van een door de geallieerden genoemde Betty Bomber
het was de Mitsubishi G4M die de Japanse Zero jagers veelal 
begeleidde op hun aanvalsvluchten




1942 MLD vaantje op de brug rechts staat 'in Australië'




1943 Prinses Juliana bezoekt de in Jackson USA gelegen vliegers waar ook William verblijft.


1943 Julie over William



1945 Julie over William 






1940 - het voorspel van de inval in Nederlands-Indië

  

1942 - Bandoeng najaar 1942 - Julie; 'Ik had iets gedaan waar de Jappen wat tegen hadden' 1

Ondanks de dagelijkse beslommeringen en de zorg voor twee kleine kinderen verveelde Julie zich. Het was najaar 1942. Zij woonde weer bij haar moeder Charlotte die de grote wasserij aan de Merdekaweg draaiende hield. In het grote huis naast de wasserij had Julie weinig om handen terwijl zij eigenlijk altijd wel iets zocht waar zij in 'op' kon gaan. Julie had met de kinderen enige maanden in een leegstaand huis van een zwager gewoond. Julie was niet alleen geweest maar woonde samen met meerdere voorheen welgestelde families. Ook deze families waren uit hun huizen gezet door de Japanners. De echtgenoten zaten in gevangenissen, kampen of waren op de vlucht voor de Japanners of Indonesische politie. Er werden geen salarissen uitbetaald en men kon ook geen geld opnemen van spaarrekeningen. Zwarthandel was formeel verboden maar er zat niets anders op om daar toch aan mee te doen om alsnog aan voedsel te komen. De lokale steuncomités trachten waar nodig hulp te verlenen maar de situatie werd steeds nijpender.

In het najaar van 1942 werd het al moeilijker om aan het dagelijks voedsel te komen. Met ruilhandeltjes en huisvlijt zoals de door Julie gemaakte kinderschoentjes met houten zooltjes, met van katoen gehaakte voetbedekking of met de verkoop van kinderjasjes uit oude kleding kwam Julie aan de kost. Andere vrouwen in het huis bakten koekjes of andere lekkernijen voor de verkoop.  Na verloop van tijd werd het echter te onveilig om op deze manier samen te wonen in een huis wat op elk moment door de Japanners gevorderd kon worden. Er waren immers geruchten dat ook de blanke vrouwen opgesloten zouden worden en de halfbloed vrouwen waren bang dat zij dan eveneens gearresteerd zouden worden.

Dagelijks werd er veel was gebracht en opgehaald in de wasserij van moeder Charlotte. Nieuwe klanten waren de Japanners. Die brachten hun uniformen en burgerkleding of lieten dat brengen door hun Indonesische bedienden. Julie had er moeite mee dat haar moeder de nieuwe klanten zo vriendelijk ontving en bleef zoveel mogelijk aan de achterkant van het huis waar de klanten niet kwamen. Door het bezoek van oud PTT collega Mijnheer Ingram  kwam er een einde aan de verveling van Julie. 

Julie was Ingram tijdens een fietstocht in de stad tegengekomen. Hij was in 1937/1938 haar  chef geweest op het grote postkantoor van Bandoeng. Zij mocht hem heel graag.  Enige tijd later kwam hij bij Julie langs en gaf haar een som geld. Je zal het nodig hebben vertrouwde Ingram haar toe. Julie was oprecht verbaasd. Ach had hij gezegd we hebben genoeg geld. Enige dagen later kwam Ingram weer langs. ‘Zou je ons willen helpen’? Julie: waarom ook niet, ik heb weinig te doen, ik verveel me dood. Wat moet ik doen? Ingram stelde haar voor om voedsel en geld uit te delen in de armenwijk Tjiateul. Julie wist dat er voedsel uitdeel projecten waren op verschillende plekken in Bandoeng. Ingram voegde er aan toe; "Jij bent Indisch, jij valt niet zo op, dus hebben we bedacht dat jij dat werk eigenlijk zou moeten doen". Wie dat 'we' waren is nooit duidelijk geworden. Tjiateul was in die jaren een van de armste wijken van Bandoeng. Een slum. Kleine stenen huisjes, kamponghuisjes of huisjes van golfplaat opgetrokken. Kleine benauwde straatjes. Er woonden veel Ambonezen en Indische familie van KNIL militairen. Door de oorlogssituatie waren veel KNIL soldaten in kampen opgesloten en werden de salarissen al sinds de Japanse inval niet meer uitgekeerd. Sommige bewoners hadden prachtige achternamen. Saint-Pourcain, De Blok van Haamstede, De Roy van Papendrecht. Veelal samengestelde namen uit de VOC periode.  Bijvoorbeeld fuselier Jan de Rooy, uit Papendrecht had een kind gemaakt bij zijn inlandse njai. Het prachtige donkerblanke kindje werd vervolgens vol trots Johannes de Roy van Papendrecht genoemd.

Ondanks de vaak prachtige namen leefden deze families in buitengewoon moeilijke omstandigheden. Julie is zich altijd zeer verbonden blijven voelen met vooral de Ambonese groeperingen. Nog in de jaren negentig nam zij het op voor onderdrukte Ambonezen middels vele brandbrieven aan Amnesty International. Vaak dacht zij terug aan haar peetkind dochter van een Ambonese soldatenvrouw. Julie heeft haar bijgestaan tijdens haar zwangerschap. Juliette Nanlohy zou heden anno 2011, circa 69 jaar oud moeten zijn. Zou zij de oorlog overleefd hebben? 

Later heeft Julie begrepen dat het contant spaargeld van de Bandoengse banken geweest moet zijn. Vervreemde oorlogsbuit dus. De Japanners waren op zoek naar dat geld en nog zeer druk doende met het uitschakelen van verschillende verzetshaarden binnen en rond Bandoeng. Van enige keren per week werd het dagelijks werk voor Julie. Soms wel twee keer per dag op de fiets naar meerdere uitdeel plaatsen. Onderwijl bouwden de Japanners langzaam maar zeker bepaald wijken waar vooral Nederlanders woonden dicht met bamboespijlen, en prikkeldraad omheiningen.  Julie’s even oude nichtje Deetje Heyligers woonde met haar familie in een van deze wijken. In een vrijstaand huis aan de Papandajanlaan waar Julie tijdens  haar middelbare school periode nog een jaar in huis had gewoond. Jan Bouwer een in Bandoeng ondergedoken journalist schrijft in zijn boek Het Vermoorde Land als volgt over Dee Heyligers :

Julie had de berichten indertijd ook op de illegale radio gehoord en vermeed zoveel mogelijk de Papandajanlaan die echter wel een belangrijke verkeersverbinding was omdat het er altijd druk was en dus kon zij onopvallend passeren. Na enige maanden vertelde Julie’s moeder Charlotte dat er tijdens Julie’s afwezigheid twee Japanse militairen aan de deur waren geweest. Julie was verbaasd geweest. Maar had toch besloten om elders in de straat een kamer te huren. Zij vond het beter dat zij niet in het huis van haar moeder waar ook haar kinderen woonden aangehouden zou worden.

Na een week krijg Julie alsnog bezoek van twee Japanse militairen van de Kempeitai. Julie moest zich de volgende melden aan de Heetjansweg. Het kantoor van de Japanse militaire politie was gevestigd in de voormalige meisjes MULO. Het was december 1942. De volgende ochtend is Julie na grote twijfel toch maar langsgegaan. Tijdens haar wandeling door het oude schoolgebouw hoorde zij geluiden en zag door half openstaande deuren Japanners bezig met hun 'verhoren'.


Bandoeng 1941 - Bandung 1941


Julie vertelde in 1986 




Rechts van het Bandoengse sportterrein Tegallega de armenwijk Tjiateul





































Kamp Kareës Bandoeng grensde aan de Papandajanlaan. 
De dikke zwarte lijn betreft de afbakening




Het kantoor van de Kempeitai aan de Heetjansweg Bandoeng 
was gevestigd in de meisjes MULO. 
Op de buitenmuur rechts het logo van de Kempeitai.
Julie is in dit gebouw verschillende malen op zeer hardhandige wijze 
verhoord alvorens zij naar de gevangenis zou gaan.

Op de foto een andere MULO in Bandoeng die tijdelijk in gebruik is geweest als interneringskamp.























De oude MULO anno 2008 te Bandung



















Groepje Kempeitai mannen

















Kempeitai militairen in de trein





























In november 1942 werden onderstaande pamfletten verspreid in twee wijken 'aangewezen voor het verblijf van Europeesche vrouwen'.


De slag in de Javazee 1942



Guus Zuijderhoff - Zo vrij als een vogel



Verzet in Indië



Meer over de Kempeitai



Japans Amerikaanse burgers in 1942 op weg naar hun internering 

1943 deel 4 - de witte vlag met de rode bal

De witte vlag met de rode bal had het rood, wit en blauw in het straatbeeld vervangen. Nederlands spreken was streng verboden en omdat de Japanners zich bewust waren van het feit  de bevolking nog Japans moest leren lezen en schrijven was Maleis als tweede taal toegelaten. Toespraken en teksten stonden echter onder streng toezicht van de Japanse censuur.

10 jaar eerder fietste de bijna 13 jarige Julie vanuit haar pleeggezin nog door een schoon en lommerrijk Bandoeng naar haar school of de katholieke kerk. Haar vader was inmiddels naar de Filipijnen vertrokken. Haar moeder had een scheidingsverzoek ingediend en het broertje van Julie was ondergebracht bij het weeshuis van Pa van der Steur. Julie was vervreemd van haar moeder en zocht troost in vlijtig werken op school en het devoot bidden in de kerk. Nog in 1940 had haar toenmalige pastoor tegen Julie gezegd dat haar huwelijk met William die immers niet gelovig was, niet door de Kerk erkend zou worden. Zij zou met een heiden samenleven en Julie was hierdoor een afvallige geworden.

Innerlijk woedend had zij de kerk verlaten en zichzelf beloofd nooit meer terug te keren. Nu in 1943 moest zij een nieuwe taal leren (Japans) en mocht Julie geen Nederlands meer spreken maar moest bevelen opvolgen van Japanners en Indonesiërs.  Julie beschouwde het als een schrale troost dat haar voorkomen zo ‘Indisch’ was waardoor zij minder op viel. Innerlijk voelde zij zich net zoals als in 1933. Julie voelde zich eenzaam, verlaten, opgejaagd zonder enig perspectief en vooral zonder een maatschappelijke maar vooral uitzichtloze positie in het nieuwe Indonesië. Zoals zovelen had ook Julie geen enkel idee hoe lang de ontstane situatie zou gaan duren. 

De Japanners wilden zo snel mogelijk de Indonesiërs omvormen tot een weerbare troepenmacht tegen het oprukkende westen maar hen ook inzetten als werkend onderdeel voor de voedsel, brandstof en oorlogsmateriaal productie. Het hongerige Japanse leger moest dagelijks bevoorraad worden. Ook Java werd  naar Japans model gereorganiseerd. Het kan gezien worden als een soort piramide systeem met in de top de Japanse militaire leiding met daaronder telkens organisatie niveaus waarin steeds meer Indonesiërs vrijwillig of niet werden betrokken.

Het Japanse Tonari Gumi (burenhulp) systeem werd gekoppeld aan de vergelijkbare traditionele Javaanse gotong royong ofwel wederzijdse hulp. De Japanse militaire scholingsprogramma’s waaronder vechtsporten, gesimuleerde gevechten met houten geweren en correct marcheren kwamen tegemoet aan de behoeftes van de Indonesiërs. Dergelijke exercities waren tijdens het Hollandse bewind immers verboden geweest uit angst voor opstanden.

De Fujinkai was de belangrijkste vrouwenbeweging op Java.  Het was ook de enige en in hoofdzaak bedoeld om de inlandse mannenorganisaties te steunen bij de verdedigingsactiviteiten tegen buitenlandse vijanden. Als vrouw moest je wel een heel goed excuus hebben als je niet mee wilde doen aan deze ‘vrijwillige’ beweging.

De vrouwenbeweging stond net zoals bij de Heiho, Romusha, Seinandan en Keibodan bewegingen onder streng toezicht van de Japanse bezetters. Jongere vrouwen konden zich aansluiten bij de Srikandi Brigade. Daar krijgen zij eerste hulp lessen, zelfverdediging en het bereiden van maaltijden voor het vrijwillig leger.

Achter het Kawat ofwel in de kampen waar  inmiddels meer dan 100.000 Nederlanders gevangen zaten had men geen idee wat zich buiten de bamboewanden en het prikkeldraad afspeelde. De geruchtenmachines draaiden weliswaar op volle toeren en werden aangevuld met nieuws meegebracht door nieuwe bewoners die zich vrijwillig of niet hadden gemeld bij de kampleiding. Honger in de kampen werd mede veroorzaakt door grote voedselschaarste buiten de kampen.

De ‘vrijheid’ van de Indo-Europeanen die buiten de kampen leefden was aan zeer grote beperkingen onderhevig. Zij moesten voortdurend vrezen voor verraad, valse beschuldigingen en ontrouw aan het Indonesische vrijheidsideaal of voor het grillige gedrag van de Japanners. Het aantal overleden ‘binnen-kampers’ inclusief doodsoorzaak is goed onderzocht (1 op 8). Het merendeel is overleden door ondervoeding en ziekte. De Japanners hadden echter geen uitroeiingsplan (Endlösung) zoals de Duitsers dat hadden. Er is weinig bekend omtrent de aantallen Indo-Europeanen (volwassenen en kinderen) die door verraad, marteling en uithongering buiten de kampen zijn omgekomen. Dit aantal zou wel eens vele malen groter kunnen zijn dan de dodentallen binnen de kampen. Het aantal slachtoffers buiten de kampen vanwege de grote hongersnood op Java wordt geschat op meer dan 4 miljoen personen.

Deze grote hongersnood is geheel en al te wijten aan de onmacht van de Nederlandse regering en haar leger en vervolgens aan het militaire Japanse regime. De desastreuse hongersnood vanaf 1943 tot 1945 wordt zelden of nooit vermeld in de verhalen uit de interneringskampen of tijdens herdenkingen. Volwassenen en kinderen die binnen de interneringskampen hebben geleefd hebben  collectieve en individuele ervaringen die soms overeenkomen, soms zeer verschillend zijn terwijl het over het zelfde kamp gaat (lees de boeken over Kamp Tjideng).  De vele kampverhalen die laten ‘los kwamen’ kunnen een grote hulp geweest zijn bij de verwerking.  Voor buitenkampers gaat dit in veel mindere mate op. Er zijn immers veel minder getuigen die kunnen bevestigen dat het voor buitenkampers vaak net zo moeilijk was om aan voedsel en onderdak te komen. Ook de omstandigheden waaronder de buitenkampers de bezetting zijn doorgekomen kan in hoge mate verschillend zijn. Zij verbleven in de steden of anders verscholen op landerijen en dorpen. Maar de Jap was overal.

Langdurige periodes van honger en angst zijn grote stressfactoren en de voedingsbodem voor daden waar men jaren later geen weet meer van heeft. Als er nog herinneringen zijn wil men daar liever niet aan terug denken (ontkenning). De oude pijn die dan opwelt roept vaak andere herinneringen op omtrent het eigen gedrag of het gedrag van anderen (individuele schaamte & collectieve schaamte). De momenten dat je niet wilde delen of dat je voedsel van een ander pikte. Of dat jou eten ruw werd afgenomen door anderen die sterker waren (onrechtvaardigheid en boosheid). Je wilt vergeten en zo mogelijk vergeven. Als deze gevoelens jaren later terug komen dan werden die vaak weggewuifd met opmerkingen zoals: Ach iedereen had het toch moeilijk en slecht. Of: er waren mensen die het wel erger hebben gehad. Zoals zo veel Nederlanders die de aankomende ‘repatrianten’ meteen voorhielden dat zij (in Nederland) het hoe dan ook véél slechter hadden gehad dan de binnen en buitenkampers uit Nederlands-Indië.

                                                       Japanse soldaat met vlag



Julie schrijft in 1999 aan haar broer Boy (Gerard Eduard van der Steur) Uit de brieven kan opgemaakt worden dat zij voorheen nooit diepgaand over hun oorlogservaringen hebben gesproken. Hun ervaringen zijn dan ook zeer verschillend. Na ontvangst van de brieven schreef Boy niet terug maar werd er door hen getelefoneerd.


De Keizerlijk vlag wordt gehesen waar eens het KNIL trots paradeerde


Julie heeft meer dan 15 onthoofdingen verplicht moeten aanzien. De Japanners beschouwden onthoofdingen als een 'pedagogische maatregel' waar de achterblijvers van konden leren



Nog steeds verkrijgbaar 'De Japanse overheersing' DVD samengesteld door het NIOD


Heiho werving poster


Oproep in het blad "Pandji Poestaka" om tegen de Amerikanen en Engelsen te strijden


straatbeeld vanaf 1943 in Nederlands-Indië



Funjinkai de vrouwenbeweging als steuntroepen voor de mannen


De Japanners hadden het openbaar vervoer op Java snel op orde


Japanse propaganda 1944




In Nederland deden de kameraden ook hun best