Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of  begin 2018
Posts tonen met het label Kohlbrugge. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kohlbrugge. Alle posts tonen

1932 - 1936 Julie groeit op 3

Julie was een rustige en onopvallende leerling op de Hogere Burger School in Bandoeng. Van 1932 tot 1933 fietste Julie elke ochtend vanuit haar woonwijkje bij het Andir vliegveld naar de Bilitonstraat in het centrum van Bandoeng. Een van haar beste vriendinnen was Nel Chevalier en ook haar nichtje Dorothea ofwel Deetje Heyligers zat in haar klas. Nauwelijks meer dan 10 jaar later zou een andere vriendin Marie en Deetje een belangrijke rol in het leven van Julie gaan in nemen. Het merendeel van de leerlingen op de dure HBS was van Europese afkomst. Blanke ouders met blanke gezinnen. Dat waren niet alleen Nederlandse maar konden ook Duitse, Engelse of uit andere Europese landen afkomstige kinderen zijn wier ouders of soms al hun grootouders zich op Java hadden gevestigd ver voor 1900 en succesvol waren geweest. Een veel kleiner percentage waren de ‘gemengd bloedigen’ of ‘Vreemde Oosterlingen’. 

Er waren kinderen van succesvolle Chinezen of uit Armeense gezinnen of andere gemengde kinderen met bijvoorbeeld Hollands/Indisch, Hollands/Japans, Hollands/Chinees,  Hollands/Arabies  bloed. Deze diversiteit gaf geen problemen zolang deze kinderen maar uitstekend Hollands spraken en ook duidelijk de zeden en gewoontes van de Hollandse gemeenschap hadden overgenomen via hun ouders.  Natuurlijk was het hoge schoolgeld eveneens een mooi selectie criterium. Voor gegoede 100% Indonesische kinderen was deze privé HBS geen voor de hand liggende keuze. Liever gingen de rijkere Indonesische kinderen naar scholen waar meer landgenoten op zaten. Alhoewel het Indische nationalisme bestreden werd door de aanwezige Nederlandse overheden broeide en bloeide het steeds opnieuw op. De Indonesiërs wisten onderwijl heel goed dat goed opgeleide landgenoten een sterk wapen tegen de 'Belanda onderdrukkers' zou kunnen zijn. 

Julie las wel in de kranten dat er soms problemen waren met de inlandse Nationalisten maar kon toen nog niet overzien waar het hen om ging. Pas toen zij haar moeder in Bandoeng tijdens een NSB optocht met gestrekte arm zag lopen was zij diep geschokt en ook beschaamd en ontwaakte er bij Julie een voorkeur voor de vredesbeweging en het bijbehorende pacifistische gedachtengoed.

Julie schrijft in 1999 aan haar broer


Julie’s vader Ferdinand, verbleef inmiddels in India en op de Filippijnen en moeder Charlotte voelde zich alleen en in de steek gelaten. In het voorjaar van 1933 begon zij een verhouding met een Indisch/Chinese ‘kaartlegger’ en nam steeds minder tijd voor haar kinderen. Haar bezoek aan India met Ferdinand was geen succes geworden. De liefde was uit het huwelijk verdwenen en Charlotte had grote moeite gehad met de mentaliteit van de Indiërs en de Engelsen in het verre Bengalen. Na een paar maanden kwam zij alleen terug naar Bandoeng. Eigenlijk wist Charlotte zich geen raad met haar twee kinderen. Zonder personeel en met een 'krappe beurs' voelde Charlotte zich enorm in haar vrijheid beperkt en vooral tekort gedaan door de mensen om haar heen die haar voortdurend verlieten. Haar moeder was gestorven toen zij twee jaar oud was en daarna was zij binnen haar familie voortdurend van hand tot hand gegaan om uiteindelijk als zevenjarige naar een strenge kloosterorde met interne meisjesschool gebracht te worden. Waar zij tot haar 17de levensjaar zou blijven. 

Later zou Julie schrijven dat Charlotte nooit liefde heeft gekend. Eigenlijk bedoeld Julie ook dat haar moeder niet in staat was geweest om liefde te geven.



Aan de rustige en landelijke opgroei periode op het suikerfabriek terrein omringd door de landerijen, de gezellige kampongs en de vele tempels was door het verhuizen naar Bandoeng een einde gekomen. Julie miste de verhalen van haar Baboe over de oude Javaanse Prinsen en Prinsessen over de inlandse tovenaars met hun geheimzinnige krachten

Zij miste de gezelligheid van haar vader. Zijn grapjes en wijze woorden en de verhalen die hij vertelde uit de vele boeken die hij las. De prachtige muziek uit zijn grammofoon en vooral zijn handen die lang en slank waren geweest en haar vaak hadden opgetild. De economische crisis bevond zich in 1934 op een hoogtepunt en bracht met name veel Indische families op de rand van de financiële afgrond door de draconische bezuinigingen op het overheidsapparaat. Ook de inlandse bevolking had het bijzonder zwaar. Telkens opnieuw zou Julie zich aan moeten passen aan de nieuwe regels in elk gezin waar zij (tegen betaling door vader Ferdinand) werd ondergebracht. Na één jaar op de privé HBS moest Julie vanwege geldgebrek vertrekken naar de minder goed bekend staande en zeer religieuze Zusters Ursulinen HBS bij het Pieterspark. 

Uit het Godsdienst onderwijs op die school heeft Julie vooral genoten van de brieven van Paulus en de verhalen over de kleine en grote Heilige Theresia. Maar ook de Max Havelaar van Multatuli sprak haar aan naast de vele jeugdboeken die zij met vriendinnen ruilde of in de bibliotheek leende. Hieronder een fragment uit de Paulus Brieven die ook veel later door Julie werden herlezen:

‘Wil iemand zich op iets beroemen, laat hij zich op de Heer beroemen,’ want niet wie zichzelf aanprijst is betrouwbaar, maar wie door de Heer wordt aangeprezen.


Het was deze laatste zin uit deze brief die de kern zou worden van een grote aversie in Julie tegen 'opscheppers' en mensen die zich groter maakten dan zij eigenlijk waren. Hierbij past het in Indië veel gebruikte woord 'branie'.
Julie werd in die periode op haar manier zeer religieus maar zij voelde toen al de 'politiek' die vanuit de Kerk(en) bedreven werd. Zonder haar ouders werden bepaalde heiligen in die periode haar geestelijk leiders. Hierdoor kreeg zij een soort innerlijke kracht om alsnog de HBS met zeer goed cijfers af te sluiten en de dagelijkse problemen te kunnen relativeren. In tegenstelling tot haar nichtje Dee want die was gezakt voor het examen. Hierdoor moest Julie vertrekken uit het gezin van Dee waar zij het laatste schooljaar had doorgebracht. Julie zou Dee te weinig hebben geholpen volgens de moeder van Dee. 

Religie was voor Julie geen doel maar een middel om de ‘kleine dagelijkse ellende’ te kunnen ontlopen. Als het tegen zat dan fietste (vluchtte) Julie graag naar de kerk om gewoon even tot rust te komen of haar verdriet te kunnen vergeten. Sociaal deed Julie net voldoende om niet in de problemen met haar omgeving te komen. Julie had zich zelf aangeleerd om zich ondanks de grote problemen om haar heen, volledig af te sluiten en geconcentreerd aan een door haar gekozen doel te wijden. 


Pas vanaf 1970 zou Julie een aantal religieus bepaalde denkbeelden verlaten, behalve haar principe van 'vergeven en vergeten'. Het waren met name de urenlange en hevige discussies in haar kantoor aan huis met Pater J. Creighton* oud hoofd redacteur van De Linie en zijn 'zieltjeswinnerij' zoals Julie het later noemde, die haar op andere gedachten hebben gebracht. Met name het feit dat bijvoorbeeld de katholieke kerk zo weinig voor de Molukkers tijdens de bezetting in Indië had ondernomen zat haar flink dwars. Haar kleine kantoor gaf Julie de ruimte die zij nodig had om zich af te sluiten voor haar grote gezin. Zij schreef aldaar haar teksten en werkte reclamecampagnes uit maar het gaf haar ook de ruimte om te mijmeren over zaken die haar pijn hadden gedaan in haar jeugd en in de periode daarna. Toen zij jarenlang op de vlucht was. En over de rol van de kerk. Een periode waar zij door Pater Creighton aan herinnerd werd.


Op 5 April 1935 bracht Gouverneur B.C. Jonge een werk bezoek aan Surakarta (Solo). De koelieordonantie was toen nog niet geheel afgeschaft. Het was deze Gouverneur die door Nederland "De kolonie is er voor het moederland en niet andersom" was aangesteld om grote bezuinigingen in Ned.-Indië door te voeren en zodoende het Staats Inkomen in Nederland met de jaarlijkse 400 tot 600 miljoen gulden uit Indië op peil te houden. De pracht en praal van zijn bezoek staat in schril contrast met de armoe lijdende inlandse bevolking. Waarvan er maar circa 6% naar school ging. Julie was nog te jong om te bevatten wat er eigenlijk gaande was maar vertelde later wel dat zij op school of thuis geen kritische vragen mocht stellen. Uitbuiting van de inlandse bevolking werd verdedigd met argumenten zoals nieuwe scholen (circa 180 Hollands-Inlandse scholen voor 30 miljoen kinderen?) en aanleg van een infrastructuur die vooral bedoeld was om nog makkelijker zaken te doen in het belang van de blanke bevolking en de Nederlandse regering. 


"Driehonderd jaar hebben wij hier al met klewang en knuppel geregeerd en over driehonderd jaar zullen we dat nog wel doen", aldus de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, jonkheer B J. de Jonge toen zijn ambtstermijn in 1936 erop zat." *Mijnheer de Jonge zou deze uitspraak later ontkennen.

   Yogyakarta 1934 

1935 Pandhuis ofwel Bank van Lening voor de zeer verarmde inlandse bevolking

    Europese School in Indië

Montessori school Malang

    Javaanse lagere school in Indië

Dessa (platteland) school in Indië

De straatnamen in Bandoeng zijn nu allemaal veranderd. Veel van de oude Hollandse gebouwen en huizen zijn nog immer aanwezig.

De eerste HBS van Julie is vanaf 1942 gebruikt als 
'voor internerings-gebouw' door de Japanners.

Luchtfoto van Bandoeng

De Groote Postweg Oost Bandoeng

De Grote Postweg - Julie zal later in Bandoeng, Batavia (Jakarta) en Soerabaja wonen. Tussen oktober 1945 en april 1946 verblijft Julie in de Oude Boei 'Boei Lama' gevangenis van Cheribon.

De toen nog landelijke Dagoweg




1940 – 1942 Deel 2 - Soerabaya, Julie wordt weer moeder en William vader & vlieger

Julie heeft nooit veel willen vertellen over haar huwelijk met William Dobson. Dus ook niet over hun relatief korte periode samen en over hun twee kinderen die in het huis aan de Niasstraat (nu Jalan Nias) aan het spoor, niet ver van het centrum van Soerabaja zijn geboren. Niet ver van de Niasstraat bevind zich de Cannalaan. Hier woonde in die periode o.a. Bep Stubert. Lees meer over de wijk waar Julie woonden op de prettig geschreven en soms ontroerende website. Over het dagelijks leven in Soerabaya 1940 en daarna. Een andere website vertelt verder over de Cannalaan maar dan in het Soerabaja van ná 1945. Opnieuw een sobere maar humorvolle website die bewogen verhaalt over Hans, een in een Jappenkamp geboren kind tot aan zijn vertrek naar Nederland in 1960. 

Nog in 1998 vertelde Julie met een licht verwijtende maar  zachte stem terwijl zij haar gezicht afdraaide dat William indertijd zelf had gekozen voor een opleiding bij het Vrijwillig Vliegers Corps (het V.V.C.) en dat deze keuze dus mede zijn lot heeft bepaald. Dus ook het lot van Julie en kleine Billy en baby Ted die in november 1941 was geboren.

Het repatriantenschip Klipfontein vertrok op 25 oktober 1946 uit Batavia met 966 passagiers aan boord. Op 20 november werd er aangemeerd in de haven van Rotterdam. In een land wat Julie en Charlotte nog nooit hadden gezien. Het was koud.

Ch.H. Deuning * 1896
J.C. Dobson - van der Steur * 1920
W.R.E.J. Dobson * 1940
R.T. Dobson * 1941

Julie een jonge moeder met twee kinderen die zij vanaf eind 1942 nauwelijks had gezien. Haar moeder Charlotte waar Julie geen goede verstandhouding mee had. Meer was er van de familie niet over. Julie wist nog niet dat William de oorlog niet had overleefd. Zij had geen idee hoe het haar vader was vergaan en waar hij zou wonen. Julie had in juni 1946 haar jongere broer Boy onverwacht op het kantoor van de AMACAB ontmoet (Tjideng Kamp). Hij woog onder de 40 kilo en was te zwak om te reizen. Toch gaf hij aan dat hij in Indië wilde blijven. De oudere zussen, broers, neven en nichten van moeder Charlotte waren allen nog in Indië of waren overleden. Alhoewel er toen nog weinig bekend was over het lot van alle familieleden.

Terug naar 1940 -
Zelfs na de inval door de Duitsers in het verre Nederland dacht men in Indië maar al te graag dat de oorlog niet naar Indië zou ‘overwaaien’. Julie was een paar maanden zwanger toen de Duitsers in mei 1940 Nederland zouden bezetten. William was al onder de wapenen en bracht vele uren op het marineterrein door. De komst van de baby zal voor Julie centraal hebben gestaan. Julie was circa 4 maanden zwanger en luisterde zoals vele anderen naar de radio waar het schokkende nieuws over de Duitse inval op verontwaardigde en tegelijkertijd meelevende toon werd besproken. Indië stond er vanaf 10 Mei 1940 alleen voor. De Nederlandse regering was naar Londen gevlucht en liet de leiding voorlopig aan het Gouvernement over. 

Het motief van William om zijn functie als jonge maar ervaren zeeman om te ruilen voor een carrière als vlieger is onduidelijk. Mogelijk realiseerde hij zich dat de marinevloot  onvoldoende was uitgerust en anderzijds was het een mogelijkheid om na jaren op zee gewerkt te hebben om ‘iets anders’ te gaan doen. In het boek over Julie zal er dieper ingegaan worden op de familie achtergrond van William. Vast is komen te staan dat William na het overlijden van zijn vader in 1930 gewend was om zijn eigen leven vorm te geven. In september 1941 werd William na een vooropleiding tot 2e Officier bevorderd en zou zich dagelijks verder bekwamen in de vliegtuigtechniek. Na de onverhoedse aanval door de Japanners op Pearl Harbor in december 1941 waarbij een kwart van de Amerikaanse vloot werd weggevaagd werd de MLD in Soerabaja ofwel de Marine Luchtvaart Dienst naar 100% paraatheid getrimd en zou William begin februari 1942 aan Julie vertellen dat hij op 8 februari naar Australië zou vertrekken alwaar hij mede betrokken zou zijn bij het opzetten van een Nederlands-Indische vliegbasis in samenwerking met de Australische luchtmacht. 

Aan William was toegezegd dat vrouwen en kinderen later zouden volgen.  Julie had geen andere keuze dan zich hierbij neer te leggen. Wanneer William voor het laatst Julie en hun twee kinderen heeft gezien om afscheid te nemen is niet duidelijk. Het zal op de 7e of misschien de 6de Februari 1942 geweest zijn. Hij zou zijn jonge gezin nooit meer terug zien. Zijn eerste heftige kennismaking met de oorlog zal in Broome zijn geweest. De Japanner hebben het kleine havenstadje op 3 maart 1942 aangevallen waarbij 88 slachtoffers vielen.  Na 15 intensieve maanden in Australië bij het 18 squadron werd hij voorjaar 1943 ingedeeld bij de vliegersopleiding in Jackson Mississipi Amerika. The Royal Netherlands Military Flying School was aldaar in 1941 heropgericht en William werd met name voorbereid op het vliegen met de Mitchell bommenwerpers. In februari 1944 vloog William met zijn collega’s met de zojuist afgeleverde Mitchell’s naar Engeland waar zij gestationeerd werden in de buurt van Horsham om deel te nemen aan het offensief op Frankrijk.

Of Julie en William na zijn gehaaste vertrek contact konden houden is zeer onwaarschijnlijk.  De Japanners rukten zeer snel op en na hevige gevechten en zware bombardementen op Soerabaya reden de Japanners op 8 maart 1942 Soerabaya binnen. Het jaartal 1942 zou vervangen worden door de nieuwe orde. De klok ging 90 minuten vooruit naar Japanse tijd en het werd jaartal 2602. Post werd niet meer verzorgd en telefoonverkeer was nauwelijks mogelijk. De inlandse bevolking had met stijgende verbazing waargenomen dat het KNIL met al zijn parades en ander oorlogsvertoon binnen een aantal maanden onder de voet was gelopen. De Japanners werden door hen met groot gejuich ontvangen. Voor de net 21 jaar oud geworden Julie brak een bijzonder moeilijke periode aan die zou aanhouden tot zij voet op Nederlandse bodem zou zetten in november 1946.

Begin december 1946 bezocht Julie het tussen Driebergen en Doorn gelegen marinerepatriëring centrum. Hier moesten vragenlijsten ingevuld worden en ontving zij een medische keuring en een traktementsvoorschot. Alleen personen die in een kamp hadden verbleven werden onderzocht op post-traumatische stress problemen. Als 'buitenkamper' hoorde Julie niet tot deze groep (?) Pas later op de dag zou Julie vernemen dat haar echtgenoot William Caistor Dobson op weg naar het slagveld boven Engeland was omgekomen na een noodlottige botsing met een andere Mitchell bommenwerper. Behalve William kwamen er nog zeven andere collega’s om. Vermoedelijk heeft Julie nooit de vriendinnen of echtgenotes van zijn eveneens omgekomen collega’s ontmoet. William was 28 jaar oud toen hij omkwam. Zijn collega’s waren vaak nog jonger.

MLD 86 (Marine Luchtvaart Dienst) zie de Gedenkrol


IJsselstein, J.A. (1917) ovl.3.kmr.tv 08-06-1944 Mitchell FR 182

Engels, P. (1921) Sgtvgtlg 08-06-1944 Mitchell FR 182

Mensingh, Th.P. (1920) mil-sgtvgsch 08-06-1944 Mitchel FR 182

Mulder, G. (1915) ozwnr.3.kmr 08-06-1944 Mitchell FR 182

Dobson, W.C. (1915) ovl.2.kmr.tv* 08-06-1944 Mitchell FR 150

Hagen, J.H. van (1916) sgtvgsch 08-06-1944 Mitchell FR 150

Stoffels, R.D. (1920) sgtvgtlg 08-06-1944 Mitchell FR 150

Meester, J. (1923) ozwnr.3.kmr 08-06-1944 Mitchell FR 150 







1941 september marine vliegveld Soerabaya
Installatie van het Corps Officieren



Uit de krant 9 februari 1942 


1942 Bombardement Soerabaya


Steden en havens in Australië die door de 
Japanners werden aangevallen vanaf 1942


De aanval op Broome 3 maart 1942
Een foto door de Japanse luchtmacht gemaakt 
direct na de aanval.


Een foto in de cockpit van een door de geallieerden genoemde Betty Bomber
het was de Mitsubishi G4M die de Japanse Zero jagers veelal 
begeleidde op hun aanvalsvluchten




1942 MLD vaantje op de brug rechts staat 'in Australië'




1943 Prinses Juliana bezoekt de in Jackson USA gelegen vliegers waar ook William verblijft.


1943 Julie over William



1945 Julie over William 






1940 - het voorspel van de inval in Nederlands-Indië

  

1944 deel 6 - van Cirebon naar Batavia

Na een verblijf van enige maanden in Cirebon voelde Julie zich niet meer veilig. De havenstad werd door steeds meer Japanners bemand en er werden ook steeds vaker Indo’s opgepakt om als dwangarbeider elders te moeten werken. Julie vertrok in december 1943 naar Batavia en had voorlopig onderdak bij een Indonesische familie. Na enige maanden ontmoette zij door toeval haar oud schoolvriendin van de Bandoengse HBS, Marie (vermoedelijk Carpentier)  die reeds jaren getrouwd was met een Indonesiër. Marie en haar echtgenoot werkten beiden in een Sakura Toko in de buurt van de markt van Meester Cornelis, een buitenwijk van Batavia.

De sociaaleconomische situatie in Batavia was zeer verslechterd in 1944. Er werd al grote druk op de Japanners uitgeoefend door de oprukkende Amerikanen. De Japanse regering had ook het militair gezag op Java opgedragen om meer (dwang) arbeiders, voedsel en materiaal te verschepen naar Japan en de andere oorlogsgebieden. Het voedseltekort was overal voelbaar en de zeer verarmde bevolking had nauwelijks geld om het schaarse en dure voedsel te kunnen betalen. Iedereen met een klein beetje grond of achtertuin verbouwde wel iets, terwijl anderen hierin trachten te handelen. Toch zijn er in die periode meer dan 250.000 mensen door honger en ziekte gestorven in en rond Batavia. Over geheel Java zijn in de periode meer dan twee miljoen personen overleden.

In de Sakurai Toko waar Julie af en toe mee hielp kwamen veel Japanners boodschappen doen. D.w.z. er kwamen ook veel tot Japanner genaturaliseerde Koreanen die meestal een lagere rang hadden dan de beter opgeleide ‘echte’ Japanners. Een van de vaste klanten van de Toko was Kapitein Kentaro Tanaka de commandant van Kampong Makassar. In de periode april 1942-januari 1945 was ‘Boerderij Makassar’ een berucht krijgsgevangenkamp. In januari 1945 werden de krijgsgevangenen deels naar Singapore overgebracht en deels naar een ander gebied in Batavia verhuisd. Het kamp werd een burgerkamp en er werden vervolgens meer dan 3.500 vrouwen en kinderen ondergebracht die in de tuinderijen moesten werken of in de varkenshouderij voor de Japanners die varkensvlees aten.

Begin juni 1945 was Julie op de bedrijfsfiets van de Sakurai  winkel onderweg voor een boodschap elders in Meester Cornelis. Tot haar grote schrik werd zij plotseling aangehouden door een Indonesische politieagent die haar ervan beschuldigde de fiets te hebben gestolen. Julie werd vervolgens met een handboei aan de fiets vast gemaakt en moest naast de politieman hollend naar het politiebureau. Julie riep herhaaldelijk tegen voorbijgangers ‘zeg tegen Marie dat ik op het politiebureau zit'. 

Julie was doodsbang dat zij naar de Kempeitai werd gebracht en wist onderwijl met haar vrije hand de epaulet met de KNIL strepen van haar echtgenoot William uit de binnenkant van haar kraag los te maken en weg te gooien. Julie belande na aankomst op het politiebureau in een kleine kille cel. Doodsbang en uitgeput raakte zij na verloop van enige uren bewusteloos en werd de volgende dag naar het nabijgelegen ziekenhuis gebracht. Malaria tropica en een zware longontsteking was de diagnose. Na verloop van dagen werd Julie tegen haar verwachting in niet naar een andere gevangenis gebracht. Maar werd vermoedelijk door bemiddeling van Marie en haar echtgenoot van de Sakura Toko naar het woonhuis van  Kapitein Kentaro Tanaka gebracht.

Kapitein Tanaka en zijn staf bewoonde sinds 1942 het door Laurens van der Crap in 1775 gebouwde landhuis ‘Cililitan Besar’ ook wel ‘Lebak Sirih’ genoemd. Het is een zeer ruim gebouwd huis met een enorme kap die aan alle zijden voor schaduw en koelte zorgt. Het bevind zich nog steeds in Jakarta aan de Jalan Rumah Sakit en was indertijd op loopafstand van Kampong Makassar. Tanaka beval Julie om zich direct naast de keuken aan de achterkant van het huis schuil te houden. Na verloop van tijd knapte Julie op maar als zij Tanaka waarnam dan hoestte zij flink en ging schielijk de keuken in. Zij kon het redelijk goed vinden met de Indonesische kokkie en met de japanse keukenchef een en heeft zich tot de laatste week van augustus 1945 schuil kunnen houden. Julie leerde in deze maanden verschillende medewerkers uit het Makassar kamp van Tanaka kennen die in hun vrije tijd kwamen eten, drinken en urenlang zaten te kaarten op een van de terrassen onder de grote overkapping. Al snel had Julie begrepen dat er ook bewakers bij waren die eigenlijk uit Korea kwamen. Die stonden bekend als uiterst hardvochtig en waren gevreesd om hun harde klappen met de vlakke hand of met een bamboestok. Als zij echter volgens de Japanse leidinggevenden niet hard genoeg corrigeerden dan werden zij zelf even hard gestraft door hun meerderen. 

Julie wist niet precies wat er zoal gebeurde in Kampong Makassar zij hoorde wel de verhalen. Wel is zij verschillende keren getuige geweest van keiharde aframmelingen van Europeanen door juist deze Koreaanse bewakers op de binnenplaats van het landhuis. Eén van de bewakers was Tekki Kanemura. In 1921 geboren in het door de Japanners gekoloniseerde Korea onder de naam Kim Seok-gi. In 1942 had Kim zich gemeld bij een militair opleidingscentrum in de Koreaanse stad Busan vanwege zicht op een goed salaris als uitgezonden militair. Na een korte maar bikkelharde opleiding waarbij hij net als  zo’n collega’s dagelijks werd geslagen (om hard te worden) werd Kim onder zijn nieuwe Japanse naam in augustus 1942 naar Java verscheept. Kim was in 2010 de nog enige in leven zijnde op Java veroordeelde oorlogsmisdadiger. Onder zijn Japanse naam Kanemura is  hij door een Temporaire Krijgsraad (TKR) op 4 mei 1948 tot zeven jaar gevangenisstraf veroordeeld. Een straf die hij moest uitzitten in de door de Holanders gebouwde Tjipinang gevangenis in Meester Cornelis. 

Hij was veroordeeld vanwege 'voortdurende en ernstig mishandeling van krijgsgevangenen'. Kim voelde zich onbegrepen en ten onrechte veroordeeld. Hij had alleen maar ja of nee mogen zeggen op vragen en had aangevoerd dat er nog vier anderen waren geweest met de zelfde naam en hij was immers alleen maar Kok geweest. In 1950 werd Kim overgeplaatst naar de Sugamo gevangenis in Tokio. Op 12 september 1950 werd hij vrij gelaten. Al snel daarna werd hem zijn Japanse status afgenomen en was hij weer Koreaan zonder enig recht op uitkering. Korea was toch weer onafhankelijk! Het heeft Kanemura c.q. Kim Seok-gi 10 jaar gekost om weer naar Korea terug te kunnen keren. Oorlogsmisdadigers die kans zagen om terug te keren naar Korea besloten bijna allen om geen enkele informatie over hun verleden te geven. Jeong, Kim’s 15 jaar jongere vrouw heeft pas onlangs vernomen dat haar echtgenoot een veroordeeld oorlogsmisdadiger was omdat Kim opeens een vergoeding kreeg uit Japan vanwege geleden materiele en immateriële schade tijdens de oorlogsjaren en daarna. Het had Jeong en haar kinderen altijd verbaasd dat Kim altijd met zijn ogen open sliep. Kim had altijd gezegd dat men ‘waakzaam’ moest zijn. Jeong had nooit echt geluisterd naar het geklaag over zijn lijden in het Japan van tijdens en na de oorlog. Daar had ze nu wel spijt van omdat zij hierdoor zijn woede en angst aanvallen beter begreep.

In 1986 ontmoette Julie via een spontaan bezoek door een van haar kleinzoons een jonge 17 jarige Koreaan. Een geadopteerde vriendelijke en stille jongen met een zeer Koreaans uiterlijk. Samen met de vader van de kleinzoon en zijn zoon stond deze jonge Koreaan opeens en als verrassing in de woonkamer van Julie. Julie trok geheel bleek weg, begon te beven en holde verschrikt en snikkend naar haar slaapkamer om niet meer terug te keren. Toen haar zoon enige tijd later ging vragen wat er aan de hand was vertelde Julie ontdaan dat S. zo op een Japans/Koreaanse bewaker had geleken, die ook Julie zo had geslagen. Dat was meer dan 40 jaar eerder geweest. 

Cililitan Besar het landhuis van Kapitein Tanaka commandant van Kampong Makassar 


















Kampong Makassar





Japans/Koreaanse bewakers aan de ingang van Kampong Makassar augustus 1945 werden ingezet om de Europeanen tegen de Indonesiërs te beschermen.
Tjipinang gevangenis Meester Cornelis waar in 1945 de Japanse oorlogsmisdadigers werden opgesloten. 


Bewaker Kim Seok-gi alias Kim Kanemura en zijn vrouw Jeong in 2010




1946 - herstellen, verzamelen en vertrek naar Nederland

Julie werd op 26 april 1946 na haar aankomst op station Manggarai direct geconfronteerd met de in Nederlands-Indië teruggekeerde Nederlandse bureaucratie. Zij werd opgevangen door oud medewerkers van het NICA (Netherlands Civil Administration) intussen omgedoopt tot AMA-CAB (Allied Military Administration – Civil Affair Branch). 

Ondanks de vaak onbeschrijfelijke toestanden die waren ontstaan na het eenzijdig uitroepen van de Indonesische Republiek in augustus 1945 en vervolgens na het uitbreken van de Bersiap was men er in geslaagd om vanaf  oktober 1945 meer dan 220.000 Hollandse volwassenen en kinderen op te vangen, te verzorgen en te evacueren. 

De trein waar mee Julie eind april 1946 uit Cheribon was vervoerd  was een ruilhandel geweest tussen de nationalisten de geallieerden en de Nederlandse legerleiding. Vanaf station Gombong waren in de zelfde dagen van april ‘46 gezinsleden van TNI militairen vertrokken naar gebieden waar het geallieerde gezag (nog) geen greep op had.

Het in 1943 op Ceylon (Sri Lanka) gevestigde geallieerde commando heeft onder leiding van Lord Louis Mountbatten het RAPWI (Recovery of Allied Prisoners of War and Internees) opgericht. Deze dienst had als taak om gevangenen op te sporen, te voeden, aan te kleden en te evacueren. Eerst op verzamelpunten en daarna naar hun thuisland. In Nederlands-Indië hebben meer dan 10.000 RAPWI medewerkers meegeholpen aan deze succesvolle operatie. 

Julie werd na aankomst doorverwezen naar kamp Tjideng wat nog geopend was voor evacuees en waar zich ook een ziekenboeg bevond waar de ernstige beriberi verschijnselen van Julie behandeld konden worden. Julie had last van desoriëntatie en moeite met haar geheugen. Uiteraard vertoonde zij ook ondervoeding verschijnselen. Men had veel ervaring met dit soort patiënten en Julie knapte binnen een aantal weken enorm op. 

Tijdens haar wandelingetjes door kamp Tjideng ontdekte zij dat er verschillende kantoren van de AMA-CAB (voormalig NICA) waren gevestigd waaronder een klein hulp-postkantoor en een afdeling ‘werkverschaffing’ onder leiding van Kapitein Krijgsman.

Kapitein Krijgsman was verantwoordelijk voor het inhuren van ‘inlanders’ (zo werden zij weer genoemd) die tegen betaling wilden werken aan het opknappen van wegen en straten van Batavia. De diensten van Julie kwamen goed van pas. Zij sprak Maleis en Javaans en men kon gebruik maken van haar opleiding als 4talige stenotypiste. Kapitein Krijgsman en zijn collega Kapitein Voerman hebben Julie geholpen aan nieuwe persoonsbewijzen en ook haar status als echtgenote van een Luitenant bij de Marine laten bevestigen. 

Over het welzijn van haar echtgenoot William die in Amerika zou verblijven kon men indertijd geen uitsluitsel geven. Hierover zou Julie pas meer horen in december 1946 nadat zij in Nederland was aangekomen. Over het lot van haar vader Ferdinand Pieter van der Steur was ook niets bekend geweest.

Julie heeft enige maanden op het kantoor van Krijgsman gewerkt in afwachting van de uitkomst van een onderzoek wat door Pro Juventute Batavia op gang was gebracht. Pro Juventute was de toenmalige ‘kinderbescherming’ die al meer dan 50 jaar actief was in vele delen van Nederlands-Indië. In juni 1946 had Julie met hulp van Krijgsman een vlucht kunnen maken met een Dakota postvliegtuig die een dagelijkse verbinding had met Bandoeng.  Eenmaal in Bandoeng aangekomen had zij haar moeder niet in de oude wasserij aan de Merdikaweg gevonden. Die was in brand gestoken door strijdlustige jongeren. 

Moeder Charlotte verbleef in een opvangkamp (afgeschermde woonwijk) met Julie’s zoontje Billy. Ukkie Sombeek de oud PTT collega van Julie woonde nog wel in haar huis in een wijk van Bandoeng. Sombeek had Julie’s tweede kind vanaf zomer 1943 opgevangen en Ted was inmiddels bijna 5 jaar oud en herkende zijn moeder nauwelijks.

Ukkie Sombeek weigerde kleine Ted terug te geven. Zij beschuldigde Julie ervan gecollaboreerd te hebben met de Japanners en zelfs als Jappenhoer voor hen gewerkt te hebben. Hierin werd zij gesteund door de jongere broer van haar echtgenoot William Dobson, Jim. Ukkie en Jim hadden een aanklacht bij Pro Juventute Bandoeng tegen Julie ingediend en in afwachting van de uitkomst van een onderzoek moest Julie onverrichterzake terug keren naar Bandoeng. 

Het bewijs wat Ukkie aanvoerde was mager en gebaseerd op roddels maar ingegeven om op die wijze Ted bij zich te kunnen houden. Julie was door de jaren heen verschillende keren in de bedrijfskleding van een Japanse Sakura winkel naar Bandoeng gekomen. Ook haar raadselachtige verdwijning in de zomer van 1943 zou bewijs moeten zijn. 

Julie heeft met hulp van Krijgsman en Voerman voldoende positieve getuigenverklaringen in Batavia en Bandoeng kunnen verzamelen waardoor de maatschappelijk werker van Pro Juventute uiteindelijk en tegen zijn zin formeel toestemming moest geven voor ‘gezinshereniging’.

Terwijl Julie in afwachting van het onderzoek hard werkte in het kantoor van Krijgsman verscheen er een sjofel geklede en broodmagere man op kantoor. Het was Boy. Julie had sinds 1943 niets meer van hem vernomen en had gedacht dat hij was omgekomen. Boy bleek jarenlang onder verschrikkelijke omstandigheden als dwangarbeider voor de Japanners gewerkt te hebben. 

Hij was pas onlangs in Batavia aangekomen en zocht werk. Boy had gehoord dat er een werkverschaffingskantoor in kamp Tjideng was maar wist niet dat zijn zus daar zou werken. Voor Julie was het duidelijk. Zij wilde niets liever dan vertrekken en de moeizame jaren achter zich laten. Julie wilde haar echtgenoot weer terug zien en een nieuw leven opbouwen in een land waar geen onrust zou zijn.

September 1946- Julie verneemt in Bandoeng dat haar echtgenoot is omgekomen



Moeder Charlotte, Julie en de twee kinderen kregen toestemming om als gezin van een omgekomen Marine officier naar Nederland te repatriëren. Julie had graag haar jongere broer Boy (Gerard) mee naar Nederland genomen.
Voor Boy lag dat anders. Hij verweet hun vader en moeder dat hij door hen in de steek was gelaten toen hij op 11 jarige leeftijd naar het kinderhuis van hun Pa van der Steur was gestuurd. 

De doelstelling van Pa van der Steur was opvang en integratie van verweesde Indo-kinderen in de Indonesische samenleving. Als neef van Pa had Boy altijd wel een streepje voor gehad en Boy voelde zich nauw verbonden met zijn vrienden uit het Instituut van Pa en wilde hen niet in de steek laten. Het was zijn familie geworden. 

Boy is met zijn gezin, nadat President Soekarno in 1957 alle Nederlandse bedrijven uit woede over het verblijf van de Nederlanders in Nieuw Guinea had genationaliseerd medio 1959 berooid in Nederland aangekomen. Zijn droom om als door de Nederlanders goed opgeleide Indonesiër mee te helpen de nieuwe natie op te bouwen was niet uitgekomen. Hij werd ondanks zijn inzet nog steeds beschouwd als Nederlander en kon aldus niets anders dan vertrekken. Dit lot zou ook veel achtergebleven ‘oud Steurtjes’ treffen.

Terwijl eerder in Nederland en Indonesië voorbereidingen waren getroffen om met elkaar in 'gesprek' te gaan in het vakantiedorp Linggadjati zijn Julie, Ted en Billy met oma Charlotte op 25 oktober 1946 met de Ms. Klipfontein vanuit de haven van Tandjong Priok naar Nederland vertrokken. Veel bagage hadden zij niet. 

Al hun goederen en bezittingen waren in beslag genomen, verkocht, verdwenen of verbrand. 966 berooide passagiers die met gemengde gevoelens naar de langzaam uit het zicht verdwijnende kade keken. Tijdens een tussenstop in Ataka werd warme kleding uitgedeeld. 

Bij de aankomst in Rotterdam op 20 november was het koud geweest. De ramen van de bussen op weg naar de ‘contractpensions’ waren snel beslagen door de nieuwsgierige en onzekere laatste adem uit Nederlands-Indië. 


Het was altijd druk in de hoofdstraat van Meester Cornelis een buitenwijk van Batavia waar Julie jarenlang in de buurt woonde



1907 Pa van der Steur (overleden 16 september 1945) 
met Koninklijke onderscheiding en 8 van zijn Indo jongens.

Pa en zijn medewerkers hebben duizenden jongeren, geboren 
uit euro-indische relaties een tehuis ofwel een thuis gegeven. Het lot van van de vele Steurtjes die na de oorlog niet naar Nederland zijn gekomen is nog niet onderzocht.



Door Pemoeda's vernielde woning van Nederlanders tijdens 
de Bersiap periode 1945-1946



In veel huizen werden lijken gevonden, wat was deze jongeman overkomen? 
Honger, geweld? 
Door geweld en honger zijn er tijdens de periode 1942 - 1946 buiten de kampen 
meer dan 4 miljoen Indonesiërs in Nederlands-Indië omgekomen. 
Slechts zelden wordt dit feit in alle verhalen rond Indië genoemd.

Jaren later riep de Nederlandse overheid opeens dat Ned.-Indië eigenlijk een 'apart' land was geweest. Er is nog steeds een 'Back Pay' discussie gaande. 


Een RAPWI kantoor in het bekende Hotel des Indes Batavia/Jakarta



Een platte grond van het beruchte kamp Tjideng wat later ook werd gebruikt als 
kantoor voor de RAPWI-NICA en AMA-CAB - Julie werkte vlak bij blok IV



Een kade met zwaaiende mensen van de haven van Tandjong Priok 1946


Een foto van Ms. Klipfontein het schip waarmee Julie met haar moeder 
en kinderen mee naar Nederland zou varen in oktober 1946.

Als je niet uit Nederland kwam dan kwam je uit een ander cultuur en dus had je volgens de Nederlanders in die jaren vanzelfsprekend een culturele achterstand.



De Terugkeer is een strip van Eric Heuvel en Ruud van der Rol gemaakt in opdracht 
van het Indisch Herinneringscentrum BronbeekDe strip is ontwikkeld 
om als lesmateriaal te gebruiken. 

De titel gaat echter in het geheel niet op voor mensen zoals Julie en veel andere 
Indo's die nooit eerder in Nederland waren geweest.

Voor hen was het vertrekken om vaak nooit meer terug te keren. 
Het stripverhaal is nog te koop.



Een veelzeggende pagina uit De Terugkeer



Indo's aan het woord in De Terugkeer


jaaroverzicht 1946 

Jaren later riep de Nederlandse overheid opeens dat Ned.-Indië eigenlijk 
een 'apart' land was geweest. Er is nog steeds een 'Back Pay' discussie gaande.