Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of  begin 2018
Posts tonen met het label beriberi. Alle posts tonen
Posts tonen met het label beriberi. Alle posts tonen

1940 – 1942 Deel 2 - Soerabaya, Julie wordt weer moeder en William vader & vlieger

Julie heeft nooit veel willen vertellen over haar huwelijk met William Dobson. Dus ook niet over hun relatief korte periode samen en over hun twee kinderen die in het huis aan de Niasstraat (nu Jalan Nias) aan het spoor, niet ver van het centrum van Soerabaja zijn geboren. Niet ver van de Niasstraat bevind zich de Cannalaan. Hier woonde in die periode o.a. Bep Stubert. Lees meer over de wijk waar Julie woonden op de prettig geschreven en soms ontroerende website. Over het dagelijks leven in Soerabaya 1940 en daarna. Een andere website vertelt verder over de Cannalaan maar dan in het Soerabaja van ná 1945. Opnieuw een sobere maar humorvolle website die bewogen verhaalt over Hans, een in een Jappenkamp geboren kind tot aan zijn vertrek naar Nederland in 1960. 

Nog in 1998 vertelde Julie met een licht verwijtende maar  zachte stem terwijl zij haar gezicht afdraaide dat William indertijd zelf had gekozen voor een opleiding bij het Vrijwillig Vliegers Corps (het V.V.C.) en dat deze keuze dus mede zijn lot heeft bepaald. Dus ook het lot van Julie en kleine Billy en baby Ted die in november 1941 was geboren.

Het repatriantenschip Klipfontein vertrok op 25 oktober 1946 uit Batavia met 966 passagiers aan boord. Op 20 november werd er aangemeerd in de haven van Rotterdam. In een land wat Julie en Charlotte nog nooit hadden gezien. Het was koud.

Ch.H. Deuning * 1896
J.C. Dobson - van der Steur * 1920
W.R.E.J. Dobson * 1940
R.T. Dobson * 1941

Julie een jonge moeder met twee kinderen die zij vanaf eind 1942 nauwelijks had gezien. Haar moeder Charlotte waar Julie geen goede verstandhouding mee had. Meer was er van de familie niet over. Julie wist nog niet dat William de oorlog niet had overleefd. Zij had geen idee hoe het haar vader was vergaan en waar hij zou wonen. Julie had in juni 1946 haar jongere broer Boy onverwacht op het kantoor van de AMACAB ontmoet (Tjideng Kamp). Hij woog onder de 40 kilo en was te zwak om te reizen. Toch gaf hij aan dat hij in Indië wilde blijven. De oudere zussen, broers, neven en nichten van moeder Charlotte waren allen nog in Indië of waren overleden. Alhoewel er toen nog weinig bekend was over het lot van alle familieleden.

Terug naar 1940 -
Zelfs na de inval door de Duitsers in het verre Nederland dacht men in Indië maar al te graag dat de oorlog niet naar Indië zou ‘overwaaien’. Julie was een paar maanden zwanger toen de Duitsers in mei 1940 Nederland zouden bezetten. William was al onder de wapenen en bracht vele uren op het marineterrein door. De komst van de baby zal voor Julie centraal hebben gestaan. Julie was circa 4 maanden zwanger en luisterde zoals vele anderen naar de radio waar het schokkende nieuws over de Duitse inval op verontwaardigde en tegelijkertijd meelevende toon werd besproken. Indië stond er vanaf 10 Mei 1940 alleen voor. De Nederlandse regering was naar Londen gevlucht en liet de leiding voorlopig aan het Gouvernement over. 

Het motief van William om zijn functie als jonge maar ervaren zeeman om te ruilen voor een carrière als vlieger is onduidelijk. Mogelijk realiseerde hij zich dat de marinevloot  onvoldoende was uitgerust en anderzijds was het een mogelijkheid om na jaren op zee gewerkt te hebben om ‘iets anders’ te gaan doen. In het boek over Julie zal er dieper ingegaan worden op de familie achtergrond van William. Vast is komen te staan dat William na het overlijden van zijn vader in 1930 gewend was om zijn eigen leven vorm te geven. In september 1941 werd William na een vooropleiding tot 2e Officier bevorderd en zou zich dagelijks verder bekwamen in de vliegtuigtechniek. Na de onverhoedse aanval door de Japanners op Pearl Harbor in december 1941 waarbij een kwart van de Amerikaanse vloot werd weggevaagd werd de MLD in Soerabaja ofwel de Marine Luchtvaart Dienst naar 100% paraatheid getrimd en zou William begin februari 1942 aan Julie vertellen dat hij op 8 februari naar Australië zou vertrekken alwaar hij mede betrokken zou zijn bij het opzetten van een Nederlands-Indische vliegbasis in samenwerking met de Australische luchtmacht. 

Aan William was toegezegd dat vrouwen en kinderen later zouden volgen.  Julie had geen andere keuze dan zich hierbij neer te leggen. Wanneer William voor het laatst Julie en hun twee kinderen heeft gezien om afscheid te nemen is niet duidelijk. Het zal op de 7e of misschien de 6de Februari 1942 geweest zijn. Hij zou zijn jonge gezin nooit meer terug zien. Zijn eerste heftige kennismaking met de oorlog zal in Broome zijn geweest. De Japanner hebben het kleine havenstadje op 3 maart 1942 aangevallen waarbij 88 slachtoffers vielen.  Na 15 intensieve maanden in Australië bij het 18 squadron werd hij voorjaar 1943 ingedeeld bij de vliegersopleiding in Jackson Mississipi Amerika. The Royal Netherlands Military Flying School was aldaar in 1941 heropgericht en William werd met name voorbereid op het vliegen met de Mitchell bommenwerpers. In februari 1944 vloog William met zijn collega’s met de zojuist afgeleverde Mitchell’s naar Engeland waar zij gestationeerd werden in de buurt van Horsham om deel te nemen aan het offensief op Frankrijk.

Of Julie en William na zijn gehaaste vertrek contact konden houden is zeer onwaarschijnlijk.  De Japanners rukten zeer snel op en na hevige gevechten en zware bombardementen op Soerabaya reden de Japanners op 8 maart 1942 Soerabaya binnen. Het jaartal 1942 zou vervangen worden door de nieuwe orde. De klok ging 90 minuten vooruit naar Japanse tijd en het werd jaartal 2602. Post werd niet meer verzorgd en telefoonverkeer was nauwelijks mogelijk. De inlandse bevolking had met stijgende verbazing waargenomen dat het KNIL met al zijn parades en ander oorlogsvertoon binnen een aantal maanden onder de voet was gelopen. De Japanners werden door hen met groot gejuich ontvangen. Voor de net 21 jaar oud geworden Julie brak een bijzonder moeilijke periode aan die zou aanhouden tot zij voet op Nederlandse bodem zou zetten in november 1946.

Begin december 1946 bezocht Julie het tussen Driebergen en Doorn gelegen marinerepatriëring centrum. Hier moesten vragenlijsten ingevuld worden en ontving zij een medische keuring en een traktementsvoorschot. Alleen personen die in een kamp hadden verbleven werden onderzocht op post-traumatische stress problemen. Als 'buitenkamper' hoorde Julie niet tot deze groep (?) Pas later op de dag zou Julie vernemen dat haar echtgenoot William Caistor Dobson op weg naar het slagveld boven Engeland was omgekomen na een noodlottige botsing met een andere Mitchell bommenwerper. Behalve William kwamen er nog zeven andere collega’s om. Vermoedelijk heeft Julie nooit de vriendinnen of echtgenotes van zijn eveneens omgekomen collega’s ontmoet. William was 28 jaar oud toen hij omkwam. Zijn collega’s waren vaak nog jonger.

MLD 86 (Marine Luchtvaart Dienst) zie de Gedenkrol


IJsselstein, J.A. (1917) ovl.3.kmr.tv 08-06-1944 Mitchell FR 182

Engels, P. (1921) Sgtvgtlg 08-06-1944 Mitchell FR 182

Mensingh, Th.P. (1920) mil-sgtvgsch 08-06-1944 Mitchel FR 182

Mulder, G. (1915) ozwnr.3.kmr 08-06-1944 Mitchell FR 182

Dobson, W.C. (1915) ovl.2.kmr.tv* 08-06-1944 Mitchell FR 150

Hagen, J.H. van (1916) sgtvgsch 08-06-1944 Mitchell FR 150

Stoffels, R.D. (1920) sgtvgtlg 08-06-1944 Mitchell FR 150

Meester, J. (1923) ozwnr.3.kmr 08-06-1944 Mitchell FR 150 







1941 september marine vliegveld Soerabaya
Installatie van het Corps Officieren



Uit de krant 9 februari 1942 


1942 Bombardement Soerabaya


Steden en havens in Australië die door de 
Japanners werden aangevallen vanaf 1942


De aanval op Broome 3 maart 1942
Een foto door de Japanse luchtmacht gemaakt 
direct na de aanval.


Een foto in de cockpit van een door de geallieerden genoemde Betty Bomber
het was de Mitsubishi G4M die de Japanse Zero jagers veelal 
begeleidde op hun aanvalsvluchten




1942 MLD vaantje op de brug rechts staat 'in Australië'




1943 Prinses Juliana bezoekt de in Jackson USA gelegen vliegers waar ook William verblijft.


1943 Julie over William



1945 Julie over William 






1940 - het voorspel van de inval in Nederlands-Indië

  

1943 deel 4 - de witte vlag met de rode bal

De witte vlag met de rode bal had het rood, wit en blauw in het straatbeeld vervangen. Nederlands spreken was streng verboden en omdat de Japanners zich bewust waren van het feit  de bevolking nog Japans moest leren lezen en schrijven was Maleis als tweede taal toegelaten. Toespraken en teksten stonden echter onder streng toezicht van de Japanse censuur.

10 jaar eerder fietste de bijna 13 jarige Julie vanuit haar pleeggezin nog door een schoon en lommerrijk Bandoeng naar haar school of de katholieke kerk. Haar vader was inmiddels naar de Filipijnen vertrokken. Haar moeder had een scheidingsverzoek ingediend en het broertje van Julie was ondergebracht bij het weeshuis van Pa van der Steur. Julie was vervreemd van haar moeder en zocht troost in vlijtig werken op school en het devoot bidden in de kerk. Nog in 1940 had haar toenmalige pastoor tegen Julie gezegd dat haar huwelijk met William die immers niet gelovig was, niet door de Kerk erkend zou worden. Zij zou met een heiden samenleven en Julie was hierdoor een afvallige geworden.

Innerlijk woedend had zij de kerk verlaten en zichzelf beloofd nooit meer terug te keren. Nu in 1943 moest zij een nieuwe taal leren (Japans) en mocht Julie geen Nederlands meer spreken maar moest bevelen opvolgen van Japanners en Indonesiërs.  Julie beschouwde het als een schrale troost dat haar voorkomen zo ‘Indisch’ was waardoor zij minder op viel. Innerlijk voelde zij zich net zoals als in 1933. Julie voelde zich eenzaam, verlaten, opgejaagd zonder enig perspectief en vooral zonder een maatschappelijke maar vooral uitzichtloze positie in het nieuwe Indonesië. Zoals zovelen had ook Julie geen enkel idee hoe lang de ontstane situatie zou gaan duren. 

De Japanners wilden zo snel mogelijk de Indonesiërs omvormen tot een weerbare troepenmacht tegen het oprukkende westen maar hen ook inzetten als werkend onderdeel voor de voedsel, brandstof en oorlogsmateriaal productie. Het hongerige Japanse leger moest dagelijks bevoorraad worden. Ook Java werd  naar Japans model gereorganiseerd. Het kan gezien worden als een soort piramide systeem met in de top de Japanse militaire leiding met daaronder telkens organisatie niveaus waarin steeds meer Indonesiërs vrijwillig of niet werden betrokken.

Het Japanse Tonari Gumi (burenhulp) systeem werd gekoppeld aan de vergelijkbare traditionele Javaanse gotong royong ofwel wederzijdse hulp. De Japanse militaire scholingsprogramma’s waaronder vechtsporten, gesimuleerde gevechten met houten geweren en correct marcheren kwamen tegemoet aan de behoeftes van de Indonesiërs. Dergelijke exercities waren tijdens het Hollandse bewind immers verboden geweest uit angst voor opstanden.

De Fujinkai was de belangrijkste vrouwenbeweging op Java.  Het was ook de enige en in hoofdzaak bedoeld om de inlandse mannenorganisaties te steunen bij de verdedigingsactiviteiten tegen buitenlandse vijanden. Als vrouw moest je wel een heel goed excuus hebben als je niet mee wilde doen aan deze ‘vrijwillige’ beweging.

De vrouwenbeweging stond net zoals bij de Heiho, Romusha, Seinandan en Keibodan bewegingen onder streng toezicht van de Japanse bezetters. Jongere vrouwen konden zich aansluiten bij de Srikandi Brigade. Daar krijgen zij eerste hulp lessen, zelfverdediging en het bereiden van maaltijden voor het vrijwillig leger.

Achter het Kawat ofwel in de kampen waar  inmiddels meer dan 100.000 Nederlanders gevangen zaten had men geen idee wat zich buiten de bamboewanden en het prikkeldraad afspeelde. De geruchtenmachines draaiden weliswaar op volle toeren en werden aangevuld met nieuws meegebracht door nieuwe bewoners die zich vrijwillig of niet hadden gemeld bij de kampleiding. Honger in de kampen werd mede veroorzaakt door grote voedselschaarste buiten de kampen.

De ‘vrijheid’ van de Indo-Europeanen die buiten de kampen leefden was aan zeer grote beperkingen onderhevig. Zij moesten voortdurend vrezen voor verraad, valse beschuldigingen en ontrouw aan het Indonesische vrijheidsideaal of voor het grillige gedrag van de Japanners. Het aantal overleden ‘binnen-kampers’ inclusief doodsoorzaak is goed onderzocht (1 op 8). Het merendeel is overleden door ondervoeding en ziekte. De Japanners hadden echter geen uitroeiingsplan (Endlösung) zoals de Duitsers dat hadden. Er is weinig bekend omtrent de aantallen Indo-Europeanen (volwassenen en kinderen) die door verraad, marteling en uithongering buiten de kampen zijn omgekomen. Dit aantal zou wel eens vele malen groter kunnen zijn dan de dodentallen binnen de kampen. Het aantal slachtoffers buiten de kampen vanwege de grote hongersnood op Java wordt geschat op meer dan 4 miljoen personen.

Deze grote hongersnood is geheel en al te wijten aan de onmacht van de Nederlandse regering en haar leger en vervolgens aan het militaire Japanse regime. De desastreuse hongersnood vanaf 1943 tot 1945 wordt zelden of nooit vermeld in de verhalen uit de interneringskampen of tijdens herdenkingen. Volwassenen en kinderen die binnen de interneringskampen hebben geleefd hebben  collectieve en individuele ervaringen die soms overeenkomen, soms zeer verschillend zijn terwijl het over het zelfde kamp gaat (lees de boeken over Kamp Tjideng).  De vele kampverhalen die laten ‘los kwamen’ kunnen een grote hulp geweest zijn bij de verwerking.  Voor buitenkampers gaat dit in veel mindere mate op. Er zijn immers veel minder getuigen die kunnen bevestigen dat het voor buitenkampers vaak net zo moeilijk was om aan voedsel en onderdak te komen. Ook de omstandigheden waaronder de buitenkampers de bezetting zijn doorgekomen kan in hoge mate verschillend zijn. Zij verbleven in de steden of anders verscholen op landerijen en dorpen. Maar de Jap was overal.

Langdurige periodes van honger en angst zijn grote stressfactoren en de voedingsbodem voor daden waar men jaren later geen weet meer van heeft. Als er nog herinneringen zijn wil men daar liever niet aan terug denken (ontkenning). De oude pijn die dan opwelt roept vaak andere herinneringen op omtrent het eigen gedrag of het gedrag van anderen (individuele schaamte & collectieve schaamte). De momenten dat je niet wilde delen of dat je voedsel van een ander pikte. Of dat jou eten ruw werd afgenomen door anderen die sterker waren (onrechtvaardigheid en boosheid). Je wilt vergeten en zo mogelijk vergeven. Als deze gevoelens jaren later terug komen dan werden die vaak weggewuifd met opmerkingen zoals: Ach iedereen had het toch moeilijk en slecht. Of: er waren mensen die het wel erger hebben gehad. Zoals zo veel Nederlanders die de aankomende ‘repatrianten’ meteen voorhielden dat zij (in Nederland) het hoe dan ook véél slechter hadden gehad dan de binnen en buitenkampers uit Nederlands-Indië.

                                                       Japanse soldaat met vlag



Julie schrijft in 1999 aan haar broer Boy (Gerard Eduard van der Steur) Uit de brieven kan opgemaakt worden dat zij voorheen nooit diepgaand over hun oorlogservaringen hebben gesproken. Hun ervaringen zijn dan ook zeer verschillend. Na ontvangst van de brieven schreef Boy niet terug maar werd er door hen getelefoneerd.


De Keizerlijk vlag wordt gehesen waar eens het KNIL trots paradeerde


Julie heeft meer dan 15 onthoofdingen verplicht moeten aanzien. De Japanners beschouwden onthoofdingen als een 'pedagogische maatregel' waar de achterblijvers van konden leren



Nog steeds verkrijgbaar 'De Japanse overheersing' DVD samengesteld door het NIOD


Heiho werving poster


Oproep in het blad "Pandji Poestaka" om tegen de Amerikanen en Engelsen te strijden


straatbeeld vanaf 1943 in Nederlands-Indië



Funjinkai de vrouwenbeweging als steuntroepen voor de mannen


De Japanners hadden het openbaar vervoer op Java snel op orde


Japanse propaganda 1944




In Nederland deden de kameraden ook hun best 



1946 - herstellen, verzamelen en vertrek naar Nederland

Julie werd op 26 april 1946 na haar aankomst op station Manggarai direct geconfronteerd met de in Nederlands-Indië teruggekeerde Nederlandse bureaucratie. Zij werd opgevangen door oud medewerkers van het NICA (Netherlands Civil Administration) intussen omgedoopt tot AMA-CAB (Allied Military Administration – Civil Affair Branch). 

Ondanks de vaak onbeschrijfelijke toestanden die waren ontstaan na het eenzijdig uitroepen van de Indonesische Republiek in augustus 1945 en vervolgens na het uitbreken van de Bersiap was men er in geslaagd om vanaf  oktober 1945 meer dan 220.000 Hollandse volwassenen en kinderen op te vangen, te verzorgen en te evacueren. 

De trein waar mee Julie eind april 1946 uit Cheribon was vervoerd  was een ruilhandel geweest tussen de nationalisten de geallieerden en de Nederlandse legerleiding. Vanaf station Gombong waren in de zelfde dagen van april ‘46 gezinsleden van TNI militairen vertrokken naar gebieden waar het geallieerde gezag (nog) geen greep op had.

Het in 1943 op Ceylon (Sri Lanka) gevestigde geallieerde commando heeft onder leiding van Lord Louis Mountbatten het RAPWI (Recovery of Allied Prisoners of War and Internees) opgericht. Deze dienst had als taak om gevangenen op te sporen, te voeden, aan te kleden en te evacueren. Eerst op verzamelpunten en daarna naar hun thuisland. In Nederlands-Indië hebben meer dan 10.000 RAPWI medewerkers meegeholpen aan deze succesvolle operatie. 

Julie werd na aankomst doorverwezen naar kamp Tjideng wat nog geopend was voor evacuees en waar zich ook een ziekenboeg bevond waar de ernstige beriberi verschijnselen van Julie behandeld konden worden. Julie had last van desoriëntatie en moeite met haar geheugen. Uiteraard vertoonde zij ook ondervoeding verschijnselen. Men had veel ervaring met dit soort patiënten en Julie knapte binnen een aantal weken enorm op. 

Tijdens haar wandelingetjes door kamp Tjideng ontdekte zij dat er verschillende kantoren van de AMA-CAB (voormalig NICA) waren gevestigd waaronder een klein hulp-postkantoor en een afdeling ‘werkverschaffing’ onder leiding van Kapitein Krijgsman.

Kapitein Krijgsman was verantwoordelijk voor het inhuren van ‘inlanders’ (zo werden zij weer genoemd) die tegen betaling wilden werken aan het opknappen van wegen en straten van Batavia. De diensten van Julie kwamen goed van pas. Zij sprak Maleis en Javaans en men kon gebruik maken van haar opleiding als 4talige stenotypiste. Kapitein Krijgsman en zijn collega Kapitein Voerman hebben Julie geholpen aan nieuwe persoonsbewijzen en ook haar status als echtgenote van een Luitenant bij de Marine laten bevestigen. 

Over het welzijn van haar echtgenoot William die in Amerika zou verblijven kon men indertijd geen uitsluitsel geven. Hierover zou Julie pas meer horen in december 1946 nadat zij in Nederland was aangekomen. Over het lot van haar vader Ferdinand Pieter van der Steur was ook niets bekend geweest.

Julie heeft enige maanden op het kantoor van Krijgsman gewerkt in afwachting van de uitkomst van een onderzoek wat door Pro Juventute Batavia op gang was gebracht. Pro Juventute was de toenmalige ‘kinderbescherming’ die al meer dan 50 jaar actief was in vele delen van Nederlands-Indië. In juni 1946 had Julie met hulp van Krijgsman een vlucht kunnen maken met een Dakota postvliegtuig die een dagelijkse verbinding had met Bandoeng.  Eenmaal in Bandoeng aangekomen had zij haar moeder niet in de oude wasserij aan de Merdikaweg gevonden. Die was in brand gestoken door strijdlustige jongeren. 

Moeder Charlotte verbleef in een opvangkamp (afgeschermde woonwijk) met Julie’s zoontje Billy. Ukkie Sombeek de oud PTT collega van Julie woonde nog wel in haar huis in een wijk van Bandoeng. Sombeek had Julie’s tweede kind vanaf zomer 1943 opgevangen en Ted was inmiddels bijna 5 jaar oud en herkende zijn moeder nauwelijks.

Ukkie Sombeek weigerde kleine Ted terug te geven. Zij beschuldigde Julie ervan gecollaboreerd te hebben met de Japanners en zelfs als Jappenhoer voor hen gewerkt te hebben. Hierin werd zij gesteund door de jongere broer van haar echtgenoot William Dobson, Jim. Ukkie en Jim hadden een aanklacht bij Pro Juventute Bandoeng tegen Julie ingediend en in afwachting van de uitkomst van een onderzoek moest Julie onverrichterzake terug keren naar Bandoeng. 

Het bewijs wat Ukkie aanvoerde was mager en gebaseerd op roddels maar ingegeven om op die wijze Ted bij zich te kunnen houden. Julie was door de jaren heen verschillende keren in de bedrijfskleding van een Japanse Sakura winkel naar Bandoeng gekomen. Ook haar raadselachtige verdwijning in de zomer van 1943 zou bewijs moeten zijn. 

Julie heeft met hulp van Krijgsman en Voerman voldoende positieve getuigenverklaringen in Batavia en Bandoeng kunnen verzamelen waardoor de maatschappelijk werker van Pro Juventute uiteindelijk en tegen zijn zin formeel toestemming moest geven voor ‘gezinshereniging’.

Terwijl Julie in afwachting van het onderzoek hard werkte in het kantoor van Krijgsman verscheen er een sjofel geklede en broodmagere man op kantoor. Het was Boy. Julie had sinds 1943 niets meer van hem vernomen en had gedacht dat hij was omgekomen. Boy bleek jarenlang onder verschrikkelijke omstandigheden als dwangarbeider voor de Japanners gewerkt te hebben. 

Hij was pas onlangs in Batavia aangekomen en zocht werk. Boy had gehoord dat er een werkverschaffingskantoor in kamp Tjideng was maar wist niet dat zijn zus daar zou werken. Voor Julie was het duidelijk. Zij wilde niets liever dan vertrekken en de moeizame jaren achter zich laten. Julie wilde haar echtgenoot weer terug zien en een nieuw leven opbouwen in een land waar geen onrust zou zijn.

September 1946- Julie verneemt in Bandoeng dat haar echtgenoot is omgekomen



Moeder Charlotte, Julie en de twee kinderen kregen toestemming om als gezin van een omgekomen Marine officier naar Nederland te repatriëren. Julie had graag haar jongere broer Boy (Gerard) mee naar Nederland genomen.
Voor Boy lag dat anders. Hij verweet hun vader en moeder dat hij door hen in de steek was gelaten toen hij op 11 jarige leeftijd naar het kinderhuis van hun Pa van der Steur was gestuurd. 

De doelstelling van Pa van der Steur was opvang en integratie van verweesde Indo-kinderen in de Indonesische samenleving. Als neef van Pa had Boy altijd wel een streepje voor gehad en Boy voelde zich nauw verbonden met zijn vrienden uit het Instituut van Pa en wilde hen niet in de steek laten. Het was zijn familie geworden. 

Boy is met zijn gezin, nadat President Soekarno in 1957 alle Nederlandse bedrijven uit woede over het verblijf van de Nederlanders in Nieuw Guinea had genationaliseerd medio 1959 berooid in Nederland aangekomen. Zijn droom om als door de Nederlanders goed opgeleide Indonesiër mee te helpen de nieuwe natie op te bouwen was niet uitgekomen. Hij werd ondanks zijn inzet nog steeds beschouwd als Nederlander en kon aldus niets anders dan vertrekken. Dit lot zou ook veel achtergebleven ‘oud Steurtjes’ treffen.

Terwijl eerder in Nederland en Indonesië voorbereidingen waren getroffen om met elkaar in 'gesprek' te gaan in het vakantiedorp Linggadjati zijn Julie, Ted en Billy met oma Charlotte op 25 oktober 1946 met de Ms. Klipfontein vanuit de haven van Tandjong Priok naar Nederland vertrokken. Veel bagage hadden zij niet. 

Al hun goederen en bezittingen waren in beslag genomen, verkocht, verdwenen of verbrand. 966 berooide passagiers die met gemengde gevoelens naar de langzaam uit het zicht verdwijnende kade keken. Tijdens een tussenstop in Ataka werd warme kleding uitgedeeld. 

Bij de aankomst in Rotterdam op 20 november was het koud geweest. De ramen van de bussen op weg naar de ‘contractpensions’ waren snel beslagen door de nieuwsgierige en onzekere laatste adem uit Nederlands-Indië. 


Het was altijd druk in de hoofdstraat van Meester Cornelis een buitenwijk van Batavia waar Julie jarenlang in de buurt woonde



1907 Pa van der Steur (overleden 16 september 1945) 
met Koninklijke onderscheiding en 8 van zijn Indo jongens.

Pa en zijn medewerkers hebben duizenden jongeren, geboren 
uit euro-indische relaties een tehuis ofwel een thuis gegeven. Het lot van van de vele Steurtjes die na de oorlog niet naar Nederland zijn gekomen is nog niet onderzocht.



Door Pemoeda's vernielde woning van Nederlanders tijdens 
de Bersiap periode 1945-1946



In veel huizen werden lijken gevonden, wat was deze jongeman overkomen? 
Honger, geweld? 
Door geweld en honger zijn er tijdens de periode 1942 - 1946 buiten de kampen 
meer dan 4 miljoen Indonesiërs in Nederlands-Indië omgekomen. 
Slechts zelden wordt dit feit in alle verhalen rond Indië genoemd.

Jaren later riep de Nederlandse overheid opeens dat Ned.-Indië eigenlijk een 'apart' land was geweest. Er is nog steeds een 'Back Pay' discussie gaande. 


Een RAPWI kantoor in het bekende Hotel des Indes Batavia/Jakarta



Een platte grond van het beruchte kamp Tjideng wat later ook werd gebruikt als 
kantoor voor de RAPWI-NICA en AMA-CAB - Julie werkte vlak bij blok IV



Een kade met zwaaiende mensen van de haven van Tandjong Priok 1946


Een foto van Ms. Klipfontein het schip waarmee Julie met haar moeder 
en kinderen mee naar Nederland zou varen in oktober 1946.

Als je niet uit Nederland kwam dan kwam je uit een ander cultuur en dus had je volgens de Nederlanders in die jaren vanzelfsprekend een culturele achterstand.



De Terugkeer is een strip van Eric Heuvel en Ruud van der Rol gemaakt in opdracht 
van het Indisch Herinneringscentrum BronbeekDe strip is ontwikkeld 
om als lesmateriaal te gebruiken. 

De titel gaat echter in het geheel niet op voor mensen zoals Julie en veel andere 
Indo's die nooit eerder in Nederland waren geweest.

Voor hen was het vertrekken om vaak nooit meer terug te keren. 
Het stripverhaal is nog te koop.



Een veelzeggende pagina uit De Terugkeer



Indo's aan het woord in De Terugkeer


jaaroverzicht 1946 

Jaren later riep de Nederlandse overheid opeens dat Ned.-Indië eigenlijk 
een 'apart' land was geweest. Er is nog steeds een 'Back Pay' discussie gaande.