Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

1943 deel 4 - de witte vlag met de rode bal

De witte vlag met de rode bal had het rood, wit en blauw in het straatbeeld vervangen. Nederlands spreken was streng verboden en omdat de Japanners zich bewust waren van het feit  de bevolking nog Japans moest leren lezen en schrijven was Maleis als tweede taal toegelaten. Toespraken en teksten stonden echter onder streng toezicht van de Japanse censuur.

10 jaar eerder fietste de bijna 13 jarige Julie vanuit haar pleeggezin nog door een schoon en lommerrijk Bandoeng naar haar school of de katholieke kerk. Haar vader was inmiddels naar de Filipijnen vertrokken. Haar moeder had een scheidingsverzoek ingediend en het broertje van Julie was ondergebracht bij het weeshuis van Pa van der Steur. Julie was vervreemd van haar moeder en zocht troost in vlijtig werken op school en het devoot bidden in de kerk. Nog in 1940 had haar toenmalige pastoor tegen Julie gezegd dat haar huwelijk met William die immers niet gelovig was, niet door de Kerk erkend zou worden. Zij zou met een heiden samenleven en Julie was hierdoor een afvallige geworden.

Innerlijk woedend had zij de kerk verlaten en zichzelf beloofd nooit meer terug te keren. Nu in 1943 moest zij een nieuwe taal leren (Japans) en mocht Julie geen Nederlands meer spreken maar moest bevelen opvolgen van Japanners en Indonesiërs.  Julie beschouwde het als een schrale troost dat haar voorkomen zo ‘Indisch’ was waardoor zij minder op viel. Innerlijk voelde zij zich net zoals als in 1933. Julie voelde zich eenzaam, verlaten, opgejaagd zonder enig perspectief en vooral zonder een maatschappelijke maar vooral uitzichtloze positie in het nieuwe Indonesië. Zoals zovelen had ook Julie geen enkel idee hoe lang de ontstane situatie zou gaan duren. 

De Japanners wilden zo snel mogelijk de Indonesiërs omvormen tot een weerbare troepenmacht tegen het oprukkende westen maar hen ook inzetten als werkend onderdeel voor de voedsel, brandstof en oorlogsmateriaal productie. Het hongerige Japanse leger moest dagelijks bevoorraad worden. Ook Java werd  naar Japans model gereorganiseerd. Het kan gezien worden als een soort piramide systeem met in de top de Japanse militaire leiding met daaronder telkens organisatie niveaus waarin steeds meer Indonesiërs vrijwillig of niet werden betrokken.

Het Japanse Tonari Gumi (burenhulp) systeem werd gekoppeld aan de vergelijkbare traditionele Javaanse gotong royong ofwel wederzijdse hulp. De Japanse militaire scholingsprogramma’s waaronder vechtsporten, gesimuleerde gevechten met houten geweren en correct marcheren kwamen tegemoet aan de behoeftes van de Indonesiërs. Dergelijke exercities waren tijdens het Hollandse bewind immers verboden geweest uit angst voor opstanden.

De Fujinkai was de belangrijkste vrouwenbeweging op Java.  Het was ook de enige en in hoofdzaak bedoeld om de inlandse mannenorganisaties te steunen bij de verdedigingsactiviteiten tegen buitenlandse vijanden. Als vrouw moest je wel een heel goed excuus hebben als je niet mee wilde doen aan deze ‘vrijwillige’ beweging.

De vrouwenbeweging stond net zoals bij de Heiho, Romusha, Seinandan en Keibodan bewegingen onder streng toezicht van de Japanse bezetters. Jongere vrouwen konden zich aansluiten bij de Srikandi Brigade. Daar krijgen zij eerste hulp lessen, zelfverdediging en het bereiden van maaltijden voor het vrijwillig leger.

Achter het Kawat ofwel in de kampen waar  inmiddels meer dan 100.000 Nederlanders gevangen zaten had men geen idee wat zich buiten de bamboewanden en het prikkeldraad afspeelde. De geruchtenmachines draaiden weliswaar op volle toeren en werden aangevuld met nieuws meegebracht door nieuwe bewoners die zich vrijwillig of niet hadden gemeld bij de kampleiding. Honger in de kampen werd mede veroorzaakt door grote voedselschaarste buiten de kampen.

De ‘vrijheid’ van de Indo-Europeanen die buiten de kampen leefden was aan zeer grote beperkingen onderhevig. Zij moesten voortdurend vrezen voor verraad, valse beschuldigingen en ontrouw aan het Indonesische vrijheidsideaal of voor het grillige gedrag van de Japanners. Het aantal overleden ‘binnen-kampers’ inclusief doodsoorzaak is goed onderzocht (1 op 8). Het merendeel is overleden door ondervoeding en ziekte. De Japanners hadden echter geen uitroeiingsplan (Endlösung) zoals de Duitsers dat hadden. Er is weinig bekend omtrent de aantallen Indo-Europeanen (volwassenen en kinderen) die door verraad, marteling en uithongering buiten de kampen zijn omgekomen. Dit aantal zou wel eens vele malen groter kunnen zijn dan de dodentallen binnen de kampen. Het aantal slachtoffers buiten de kampen vanwege de grote hongersnood op Java wordt geschat op meer dan 4 miljoen personen.

Deze grote hongersnood is geheel en al te wijten aan de onmacht van de Nederlandse regering en haar leger en vervolgens aan het militaire Japanse regime. De desastreuse hongersnood vanaf 1943 tot 1945 wordt zelden of nooit vermeld in de verhalen uit de interneringskampen of tijdens herdenkingen. Volwassenen en kinderen die binnen de interneringskampen hebben geleefd hebben  collectieve en individuele ervaringen die soms overeenkomen, soms zeer verschillend zijn terwijl het over het zelfde kamp gaat (lees de boeken over Kamp Tjideng).  De vele kampverhalen die laten ‘los kwamen’ kunnen een grote hulp geweest zijn bij de verwerking.  Voor buitenkampers gaat dit in veel mindere mate op. Er zijn immers veel minder getuigen die kunnen bevestigen dat het voor buitenkampers vaak net zo moeilijk was om aan voedsel en onderdak te komen. Ook de omstandigheden waaronder de buitenkampers de bezetting zijn doorgekomen kan in hoge mate verschillend zijn. Zij verbleven in de steden of anders verscholen op landerijen en dorpen. Maar de Jap was overal.

Langdurige periodes van honger en angst zijn grote stressfactoren en de voedingsbodem voor daden waar men jaren later geen weet meer van heeft. Als er nog herinneringen zijn wil men daar liever niet aan terug denken (ontkenning). De oude pijn die dan opwelt roept vaak andere herinneringen op omtrent het eigen gedrag of het gedrag van anderen (individuele schaamte & collectieve schaamte). De momenten dat je niet wilde delen of dat je voedsel van een ander pikte. Of dat jou eten ruw werd afgenomen door anderen die sterker waren (onrechtvaardigheid en boosheid). Je wilt vergeten en zo mogelijk vergeven. Als deze gevoelens jaren later terug komen dan werden die vaak weggewuifd met opmerkingen zoals: Ach iedereen had het toch moeilijk en slecht. Of: er waren mensen die het wel erger hebben gehad. Zoals zo veel Nederlanders die de aankomende ‘repatrianten’ meteen voorhielden dat zij (in Nederland) het hoe dan ook véél slechter hadden gehad dan de binnen en buitenkampers uit Nederlands-Indië.

                                                       Japanse soldaat met vlag



Julie schrijft in 1999 aan haar broer Boy (Gerard Eduard van der Steur) Uit de brieven kan opgemaakt worden dat zij voorheen nooit diepgaand over hun oorlogservaringen hebben gesproken. Hun ervaringen zijn dan ook zeer verschillend. Na ontvangst van de brieven schreef Boy niet terug maar werd er door hen getelefoneerd.


De Keizerlijk vlag wordt gehesen waar eens het KNIL trots paradeerde


Julie heeft meer dan 15 onthoofdingen verplicht moeten aanzien. De Japanners beschouwden onthoofdingen als een 'pedagogische maatregel' waar de achterblijvers van konden leren



Nog steeds verkrijgbaar 'De Japanse overheersing' DVD samengesteld door het NIOD


Heiho werving poster


Oproep in het blad "Pandji Poestaka" om tegen de Amerikanen en Engelsen te strijden


straatbeeld vanaf 1943 in Nederlands-Indië



Funjinkai de vrouwenbeweging als steuntroepen voor de mannen


De Japanners hadden het openbaar vervoer op Java snel op orde


Japanse propaganda 1944




In Nederland deden de kameraden ook hun best 



Geen opmerkingen:

Een reactie posten