Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

1920 - 1930 - Julie groeit op 1

In het zeer vruchtbare vulkaangebied rond Solo wordt de natuur een extra handje geholpen door de meer dan 500 kilometer lange Bengawan Solo rivier die zich door het heuvelachtige gebied een baan zoekt.  Het is ook de vindplaats van de fossiele resten van de ‘Javamens’ die mogelijk meer dan 1 miljoen jaar geleden reeds in dat gebied heeft gewoond. Hun kinderen zagen er allicht anders uit dan Julie en haar broer die vanaf circa 1921 in een van de personeels woningen van Suiker Onderneming Delanggoe kwamen te wonen.

De ouders van Julie, Charlotte en Ferdinand zullen opgetogen geweest zijn over de ruime woning waar ook plaats was voor de kinder Baboe, de Kokkie die om het huis hielp en het meisje voor de schoonmaak. Eigenlijk had de nog zeer jeugdige (21) Ferdinand een contract onder zijn opleidingsniveau getekend maar het huis en de nabijheid van vrienden en de familie van Charlotte maakte weer veel goed. Er kwamen steeds meer Nederlanders naar Java die werk zochten en ondanks de hoogconjunctuur in o.a. de suikerindustrie was het door de vriendjespolitiek van de Nederlanders niet makkelijk om passend werk te krijgen. Hun kinderen zagen er allicht anders uit dan Julie en haar broer die vanaf circa 1921 in een van de personeels woningen van Suiker Onderneming Delanggoe kwamen te wonen.
Charlotte was op haar manier wel tevreden met de status die zij nu had. Zij was nu een ‘Mevrouw’ en de hulp van de bediendes vond zij enerzijds een zorg extra omdat zij hen moest controleren, anderzijds gaf het haar ook de vrijheid om haar familie en vriendinnen te bezoeken. Het waren fijne dagen en jaren op het grote terrein. Voor Julie werd de wereld pas groter zo rond haar zesde levensjaar. Zij werd naar de eerste klas gebracht van de Europeesche Lagere School in Solo. Er was ook wel een lagere school in het stadje Klaten wat maar op een paar kilometer afstand lag maar daar gingen veel meer inheemse en Indo kinderen van een lagere sociale klasse  naar toe en dat vond Charlotte toch minder geschikt voor Julie en haar broertje Boy. 

Er werd door Julie veel gespeeld met de andere Totok en gemengde kinderen op het grote woonterrein van de onderneming en al snel kreeg Julie ook vriendinnetjes op de lagere school. Onderweg naar school zag Julie de vele kinderen die kennelijk niet naar school gingen en langs de wegen speelden of aan het werk waren in de rijstvelden.  Tijdens uitstapjes in de omgeving zag Julie de vele tempels en oude gebouwen die grote indruk zouden maken vanwege al de voorstellingen die op de gebeeldhouwde muren waren aangebracht. De drukbezochte en vaak rondreizende voorstellingen met Wajangpoppen of dansgroepen waren eveneens een feest om te bezoeken. Het inlandse huispersoneel zorgde ervoor dat Julie al op vroege leeftijd ingewijd werd in de wereld van de Javaanse geesten en spoken.
Julie ontdekte spelenderwijs dat er naast het Nederlands ook andere talen en dialecten werden gesproken. Charlotte lette echter goed op dat Julie en haar broertje keurig Nederlands leerden spreken maar dat verstonden de kinderen weer niet die in de kampongs naast de onderneming woonden en net zoals Julie veel bij het ondiepe zijriviertje de Kali Pulu speelden. Je had het Maleis wat iedereen sprak maar daarnaast het Hoog Javaans wat je tegen een meerdere sprak en het Laag Javaans wat je spreekt tegen iemand die minder in rang is.  

Julie nam als vanzelfsprekend de taalverschillen in haar vocabulaire op. En leerde ook al vroeg wanneer zij bepaalde woorden wel of niet mocht gebruiken. Op school werd zij geconfronteerd met een regime wat zij nog niet kende. Langdurig stil zitten en braaf haar buurt afwachten. Niet makkelijk voor een meisje wat de leiding had over een volgzaam broertje. Het merendeel van de kinderen in haar klas was totok maar er zaten ook kinderen zoals Julie die uit de hoogste klasse van de Indo en Chinese families kwamen. Inheemse kinderen uit de kampong zaten er niet bij, daarvoor kon het schoolgeld niet gevonden worden door hun ouders. 

In 1925 woonden er circa 35 miljoen mensen op Java en circa 100.000 blanken inclusief hun kinderen. De blanken vormden de bovenlaag van de maatschappij en waren behalve Nederlands ook afkomstig uit andere Europese landen. Dan volgde de Indo’s, Chinezen en personen uit Arabische culturen en hier en daar ook wel Japanners die net als de Chinezen handel dreven of in de diensten sector hun brood verdienden. Onder de 'Inlanders' was er ook sprake van diversiteit er woonden behalve Javanen ook bewoners die van de omringende eilanden naar Java waren verhuisd. 

Onder de Indo’s waren grote klassenverschillen waarneembaar. Hun status hing af van afkomst, opleiding, werk en de aanwezigheid van een Nederlandse vader (zelden Ned. moeder). Wat zij met elkaar gemeen hadden was hun gemengde bloed. Al met al telden deze groeperingen niet meer dan een half miljoen personen. Het merendeel van de bewoners was aldus inheems. Dat waren boeren, ambtsadel, en leden van de vele vorstenhuizen (Kraton's). Tot aan de grote wereldcrisis van 1929 ging het economisch redelijk voorspoedig op Java. Daarna was er ook een toenemende verpaupering waarneembaar ook onder de Indo’s die wél naar school waren geweest en zelfs vervolgopleidingen hadden genoten. Voor hen lagen de hogere banen echter niet in het verschiet. 

Er arriveerden telkens nieuwe groepen Nederlanders die voorrang kregen. De meerderheid van de KNIL militairen verdienden een laag salaris waardoor zij ook in de kampongs woonden met en een inlandse 'huishoudster' een Njai die ook de moeder van hun onwettige kinderen zou worden. De soldaten hadden vaak bijbaantjes om hun schamele loon aan te vullen. Bij Julie thuis merkte men niet zoveel van de algemene armoede op het gehele eiland.

Vader Ferdinand kon vaak over een auto beschikken en zij maakten dan weekend uitstapjes in de omgeving die rijkelijk was voorzien van soms meer dan duizend jaar oude monumentale tempels. De grondstoffen om tot deze vaak enorme en indrukwekkende bouwwerken te komen waren immers onder handbereik gevonden. Het vervoeren van de soms zeer grote stenen gebeurde via het rollen met boomstammen en het takelen gebeurde al even geschikt met de lange touwen van gevlochten lianen. Er waren handen genoeg voor al het bouwwerk wat soms wel een halve eeuw in beslag nam. Ferdinand moet veel aan zijn dochter uitgelegd hebben. Vele jaren later zou Julie blijk geven van veel handigheid als er verbouwingen in huis gedaan moesten worden. Julie kon goed zagen, timmeren en schilderen.

In de zomermaanden als het suikerriet in de groei stond trok het jonge gezin vaak naar de bergdorpen rond de Goenoeng Merbaboe die meer dan 3100 meter hoog is en waar Ferdinand ook zijn geliefde boeken kon lezen of ging jagen. In de kleine vakanties bezocht Charlotte met Julie sommige broers of zusters die verspreid over midden en oost Java woonden. Als jongste zus had Charlotte broers en zusters die soms meer dan twintig jaar ouder waren. Na het overlijden van de ouders van Charlotte was de familie min of meer uiteengevallen en was het onderlinge contact veel minder geworden.  Tijdens de Japanse bezetting zouden er veel Deunings in en buiten de kampen komen te overlijden en zouden er slechts drie zussen van Charlotte naar Nederland gerepatrieerd worden maar geen enkele broer.

Charlotte en Ferdinand voorzagen in een katholieke opvoeding en bezochten met de kinderen de Rooms Katholieke kerk in Klaten of Solo. Voor de maaltijden werden er gebeden opgezegd en ook voor het slapen gaan zaten Charlotte en Boy op hun knietjes om hun avondgebedjes op te zeggen. Charlotte kende al die gebedjes immers zeer goed. Charlotte had als kind bijna tien jaar op de kloosterschool van de Zusters Ursulinen in Magelang doorgebracht. Daarnaast waren de zondagse bezoeken aan de kerk ook een sociale gebeurtenis waar de laatste nieuwtjes en roddeltjes uitgewisseld konden worden. Er was ook gelegenheid om inkopen te doen op de marktjes en te winkelen in de Europese of Chinese ’toko’s’ waar naast de inheemse handelswaar bijna alles te krijgen was wat er ook zoal in Nederland of elders verkocht werd.

Voor  Julie was de wereld in haar eerst 10 levensjaren nog een overzichtelijk geheel. Het was thuis gezellig en zij had een lieve Baboe Anak (Kindermeisje) waar zij bijna meer contact mee had dan met haar moeder Charlotte. Julie was meer gesteld op haar vader die veel met zijn kinderen ondernam en zich meer open opstelde. Hij bezat meer van de aanstekelijke humor die kinderen vrolijk maakt dan Charlotte die vaak wat zwaar op de hand kon zijn vanwege haar soms melancholische instelling en dan en haar wat cynische levensvisie. Zij had immers haar moeder al jong verloren en de leerschool bij de Zusters Ursulinen was hardvochtig geweest met weinig aandacht voor affectieve ontwikkeling. 

Het was duidelijk dat Julie meer naar haar vader aarde en dat Boy zich sterker verbonden voelde met zijn moeder. Toen Charlotte veel ouder en reeds jaren lang in Nederland woonde heeft zij eigenlijk nooit één positief woord over haar echtgenoot uitgesproken. Zij liet eerder merken dat zij zich in de steek gelaten voelde door hem. Over haar eigen rol in die periode wilde zij liever niets zeggen. Charlotte was eigenlijk een typische Indo, klagen deed je niet en je vertelde zeker niets over je eigen gevoelsleven. Sudah, laat maar het is immers zo lang geleden was de standaard afsluiting bij vragen over vroeger. 

Op school leerde Julie vlot lezen en de Indische versie van Ot en Sien had al snel geen geheimen meer voor haar. Dwz voor Julie was het tafereel met het gelukkige plantergezin op de veranda van het mooie grote huis heel normaal. Ook de bediende met het dienblad achter vader die zich ontspant en het jongetje op blote voeten geven een beeld van een stabiel en welvarend gezinnetje in het Indië van toen. Hele generaties zijn opgegroeid met de boeken van Jan Ligthart en Hindericus Scheepstra. De illustraties in Ot en Sien waren van Cornelis Jetses. Ligthart en Scheepstra hebben ook meegewerkt aan de vernieuwing van het leesplankje van Hoogeveen. Wat in een Nederlandse én een Nederlands Indische versie verscheen. Cornelis Jetses heeft Indië echter nooit bezocht. Wat achteraf bezien wel te betreuren is gezien de prachtige tekeningen die hij heeft gemaakt. 

Julie bezat ook zo’n mooi rood letterdoosje. De schoolplaten en aardrijkskunde kaarten kwamen eveneens allen uit Nederland evenals de onderwijzers die vaak verbaasd waren over de rustige en beleefde kinderen in hun klassen. De geschiedenis lessen betroffen hoofdzakelijk de historie van Nederland. De Europese school was immers bedoeld als aansluiting op het onderwijs in Nederland. Er werd ook weinig gevochten op de speelplaats er leek een vanzelfsprekende rust en orde te heersen die ook waarneembaar was in de andere scholen en op straat. Op haar tiende wist Julie waar Hoogezand en Sappemeer zich in Nederland bevonden. Of de Nederlandse kinderen wisten waar Solo en Poerwordejo lagen valt te betwijfelen.

Julie was een vlijtig kind op school en speelde graag en met veel fantasie met haar buurtgenootjes. Charlotte vond het niet echt geweldig dat Julie zo graag optrok met de kinderen uit de kampong maar door haar veelvuldige afwezigheid kreeg Julie de kans en leerde spelenderwijs Maleis, Soendanees en het hoog en laag Javaans. Deze talenkennis zou haar tijdens de Japanse bezetting zeer van pas komen. Julie leerde ook leuke liedjes zingen uit de overbekende zangbundel ‘Kun je nog zingen, zing dan mee’. Nog in 1939 verscheen er een versie speciaal voor Nederlands Indië. En natuurlijk werd er veel naar de radio geluisterd.

‘Mijn Nederland’
Waar de blanke top der duinen,
Schittert in den zonnegloed,
En de Noordzee vriend’lijk bruisend,
Neêrlands smalle kust begroet,

Julie heeft nog ‘Mijn Nederland’ leren zingen het werd in de 1939 bundel vervangen voor:

‘Mijn zonneland’
Waar het wuivend loof der palmen
Van de kust den zeeman groet,
Waar de gouden padiehalmen,
Rijpen in den zonnegloed.

Een ander mooi liedje was van de hand van de Rotterdamse verffabrikant Hendrik Tollens

Wien Neêrlands bloed in d’âd’ren vloeit,
Van vreemde smetten vrij,

Dit lied met acht coupletten geschreven rond 1813 werd ook gezongen door de Infanterie van Koning Willem 1 nadat hij België en Luxemburg bij Nederland had ingelijfd. De hoge kosten die deze inlijving met zich mee hadden gebracht werden voor een zeer groot gedeelte gefinancierd met inkomsten uit de koloniale ‘win’ gewesten waaronder Nederlands Indië. Julie’s grootmoeder Jeanne (J.C.) van der Steur-Heijligers had ouders gehad die onder Nederlandse vlag in de provincie Luxemburg waren geboren. 

In hoeverre kleine Julie de tekst ‘Van vreemde smetten vrij’ begreep in haar schooljaren is niet duidelijk, pas in 1937 zou zij besluiten dat zij de liedjes ‘stom’ vond omdat zij toen al heel goed besefte dat haar bloed niet van vreemde smetten vrij was. Het onderwijs of de onderwijzers hadden kennelijk geen voldoende diep indruk op Julie achtergelaten. Zij werd bijna ‘gek’ na enige weken op de pedagogische academie die toen nog ‘kweekschool’ heette.

De zangbundel was ook bladmuziek gezet voor piano leerlingen. Julie heeft enige jaren pianoles gehad maar leerde ook al vroeg Mozart en andere klassieke componisten kennen. Julie verteld altijd met vreugde dat zij haar hondje de indertijd zeer populaire opera zangeres Nelly Melba kon laten nadoen waar Ferdinand en Charlotte in de avonduren naar luisterden met behulp van hun koffergrammofoon of de radio. Donkere wolken tekenden zich af rond 1929 toen een grote economische crisis begonnen in Amerika als snel gevolgen had voor o.a. de wereldwijde suiker exporten vanuit Indonesië die zelfs enige tijd marktleider was geweest.  

Het zal Julie ook niet zijn ontgaan dat haar vader ’s avonds wel eens opgewonden of dan weer bedrukt thuis kwam van zijn werk. Langzaam maar zeker vielen er steeds meer ontslagen onder de meer dan 80.000 werknemers en de voorraden hoopten zich op terwijl de suikerprijzen kelderden. Maar het ging niet allen slecht met de Totoks en Indo’s. Door de snelle bevolkingsgroei en een te lage voedselproductie neemt de honger onder de inheemse bevolking steeds meer toe evenals de ontevredenheid over het gevoerde beleid vanuit de Nederlandse overheid.

Uit de verhalen van Julie zou moeten blijken dat haar vader een vlotte verschijning was die als aankomend ingenieur hard aan het onderhoud van de machines in de suikerfabrieken werkte. Hij was dol op zijn twee kinderen. Soms nam hij hen mee met paard en wagen of zelfs met een auto naar Jogjakarta om inkopen te doen. Er werd dan lekker gegeten aan Malioboro, de hoofdstraat van Yogyakarta zoals de stad heden genoemd wordt. Ferdinand nam hen ook mee naar de oude tempelcomplexen zoals de Borobudur of naar de vele meertjes en bergbeekjes. 

In Magelang bezochten de jonge familie regelmatig zijn oom Pa van der Steur, die aldaar een groot kinderhuis annex school had. Julie heeft heel vaak uit moeten leggen dat zij een échte Van Der Steur is en niet een ‘Steurtje’ zoals de kinderen van Pa werden genoemd. Of zij gingen langs bij de Deunings in Klaten. Daar woonde immers de zeer grote familie van moeder Charlotte. Het zou daar altijd een gezellige boel geweest zijn, niet alleen vanwege het grote aantal broers en zusters van Charlotte maar ook door de aangetrouwde ooms en tantes die ook weer kinderen hadden. 

Al heel jong werd Julie geconfronteerd met de grote cultuurverschillen in het oude Indië. Haar moeder Charlotte had weliswaar een echte Hollandse jongen getrouwd die volledig in Indië was opgegroeid. Charlotte had 50% Javaans bloed. En dat zag je goed terug in haar kinderen Julie en Boy: pikzwart haar en een huid die snel donker kleurde.

De Nederlands Indische families waren over het algemeen zeer prestatiegericht en hoe ‘blanker’ je overkwam des te groter was de kans op succes in een maatschappij die was opgezet door een inhalig bewind in het verre Nederland, zo dacht men. Julie leerde al vroeg naast het Maleis en ook het Javaans met haar Baboe en de bediendes te spreken. Pas veel later werd de officiële taal Bahasa genoemd. Charlotte lette er goed op dat Julie en Boy ook accentloos Nederlands leerden spreken en het mocht ook beslist niet vermengd worden met Maleise woordjes als er bezoek was. 

Het Nederlands was een taal die eigenlijk pas écht van pas kwam toen Julie met haar moeder en haar twee zoontjes eind 1946 in Amsterdam aankwam. Gevlucht uit een land dat niet meer van hen was. Of Julie een ‘Hollandse’ opvoeding heeft genoten valt sterk te betwijfelen. Ondanks de aanwezigheid van de Nederlandse taal en een levenstijl gekopieerd naar Hollands voorbeeld moesten Charlotte en Ferdinand het toch vooral hebben van voorbeelden uit de directe omgeving die hen moest inspireren bij de opvoeding. Charlotte en Ferdinand kwamen immers beiden uit ‘gebroken’ gezinnen. 

Er waren wel ‘damesbladen’ met opvoedkundige tips en boeken van schrijvers en schrijfsters uit Nederland en Nederlands Indië die invloed op de ouders van Julie hebben gehad. Natuurlijk was het overbekende Groot Volledig Oost-Indisch kookboek van Mevrouw Catenius-van der Meijden in huis. Een boek wat bijna elk Indisch meisje op haar huwelijksdag kreeg met meer dan 1300 recepten maar ook met handige ‘tips’.
"En hoewel een huisvrouw spoediger dan een heer het Maleisch zal aanleeren, omdat de nood haar dwingt en zij verplicht is dagelijks met de bedienden te spreken, hare bevelen te geven, toch zal zij in den beginne telkens stuiten op moeilijkheden door haar gebrek aan taalkennis. 
Om daaraan tegemoet te komen, ontwierp ik dit werk, dat, het zij nogmaals gezegd, geen aanspraak maakt op wetenschappelijkheid - omdat juist de spreektaal zoo aanmerkelijk afwijkt van alle Maleise taalregels - doch dat door vele dames als een welkome wegwijzer moge worden geraadpleegd. 
Voor critiek buig ik gaarne het hoofd. Er zijn er velen, die 't stellig b e t e r kunnen, maar die nimmer gedacht hebben aan 'de vrouw'".

Na de oorlog en eenmaal in Nederland zouden Bep Vuyk en Mary Bruckel-Beiten het Indisch koken opnieuw in Nederland introduceren met kookboeken die ook voor mannen en alleenstaanden aantrekkelijk waren. Deze sterke vrouwen die beiden voor de oorlog al persoonlijke verliezen moesten incasseren en vervolgens ook nog jaren in interneringskampen verbleven. Hebben behalve hun kookboeken ook hun kampervaringen onder de Nederlanders gebracht. Hierdoor hebben veel Nederlanders meer begrip kunnen krijgen voor wat er voor en na de oorlog in Nederlands-Indië speelde. 

Julie vertelde dat Charlotte haar soms redeloos hard strafte. Het was dan vaak haar Baboe die haar uit de benarde situatie redde. 'Mevrouw, mevrouw Jilly moet haar huiswerk nog afmaken'. Een echt diepgaand contact is er tussen Julie en haar moeder nooit ontstaan. Mogelijk was het gemis aan moederliefde en het herhaaldelijk van hand tot hand gaan een te zware druk voor Charlotte geweest toen zij zelf als klein kind haar moeder verloor. 

Ferdinand was een extrovert kind geweest die van iets negatiefs altijd weer iets positiefs wist te maken. Charlotte hield zeer veel van de Wajang poppen schimmenspelen met sprookjes en mythen uit de oude Javaanse cultuur. Voor Charlotte was de wereld veel meer zwart dan wit en vol met schimmen uit een onverwerkt verleden. Julie leek meer op haar vader. Zij veranderde makkelijker van kleur zonder dat haar persoonlijkheid veranderde. Terug kijkend op de eerste tien levensjaren van Julie zijn er geen schokkende of traumatiserende gebeurtenissen geweest. 

Julie is opgegroeid in een landelijk gelegen fijn huis bij een mooi fabrieksterrein waar haar vader zijn dagelijks werk deed en haar moeder bijna altijd aanwezig was om voor de organisatie van de huishouding te zorgen. Er waren in die periode financieel geen grote problemen er was zelfs sprake van luxe. Er was een radio in huis, een grammofoon, veel boeken en voldoende speelgoed. Ferdinand en Charlotte behoorden zeker niet tot de ‘toplaag’ onder de Europees-Indische gezinnen maar grote zorgen waren er niet. 

In hoeverre Julie zich heeft kunnen ‘hechten’ aan haar vaak melancholische moeder waardoor er een levenslange sterke band tussen beiden zou kunnen ontstaan blijft een open vraag waarop in een ander artikel op terug wordt gekomen. Julie is haar moeder en vader nooit ondankbaar geweest voor haar eerste 10 levensjaren. Zij vond dat zij een fijne jeugd had gehad met een vader die veel van haar hield.

Rond de meer dan 200 suikerfabrieken op Java werden grote wooncomplexen aangelegd. Rond de suikerfabrieken ontstonden gehele dorpen en in sommige gevallen kleine stadjes. 

Delanggoe huis - situatie 2010



De Javamensch schedel van circa 500.000 +jaar oud.
Maakt deze schedel de Javanen ouder dan de Nederlanders?
De Baboe

Inlandse Markt Delanggoe ofwel Delanggu

   Station Delanggoe 1915 - heden Delanggu

Suikerriet in Indië

   suiker weegschaal Delanggoe

    Delanggoe woning op het terrein voor de 'Tuin Employé'

   Charlotte (links achter) en Ferdinand (in het midden) rond 1927 op het personeelsterrein van Delanggoe

   Straatbeeld Jogjakarta 1925

Julie en Boy gingen met de grote bus naar school in Sragen. 

Andere kinderen gingen in 1930 met hun 'eigen' school vervoer 
bijvoorbeeld naar de Plantersschool Pengalengan


10 duizenden Nederlanders, Indo-Europeanen en meer dan een miljoen Javanen 
hebben in de vooroorlogse suikerindustrie werk gevonden

Het Rozenhuis Zeist werkt aan een documentaire over de suikerindustrie


3 opmerkingen:

  1. Badankt W,ik begin eindelijk een beeld te krijgen van het leven van mijn moeder, waarschijnlijk omdat het altijd zo pijnlijk bleek te zijn voor haar om erover te praten heb ik mij nooit een beeld kunnen vormen en kon ik mijn zoon Bobby weinig vertellen over zijn grootmoeder en voorouders.Na dit gelezen te hebben ben ik zeker van plan om een tocht langs de alle voor haar belangrijke plaatsen te maken om daar iets van mijn eigen roots te kunnen voelen.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. De huizen in Delanggu staan hier: https://www.google.nl/maps/@-7.6195969,110.6950114,3a,75y,258.57h,87.14t/data=!3m6!1e1!3m4!1sADBtBG2eEyEJ691tkqn2GQ!2e0!7i13312!8i6656

    BeantwoordenVerwijderen