Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

1945 – 2012 : Bersiap-Merdeka-Revolusi Sosial: de Tante van Julie overleefde het niet


Een van de grootste inschattingsfouten van de elkaar opvolgende naoorlogse regeringen in Nederland was het weigeren van de uitdrukkelijke wens van de Indonesiërs om na de Japanse bezetting van Indië, onafhankelijk van Nederland te mogen zijn. Onbegrijpelijk. Na een bezetting van vijf jaar door de Duitsers en de internationaal steeds luider klinkende roep om het koloniale bezit terug te geven aan de respectievelijke volken. Heeft het uiterst verzwakte Nederland in 1945 de hulp nodig van de Engelsen om Indië zo snel mogelijk weer in te kunnen nemen. 

Er was immers veel geld nodig om Nederland weer op te kunnen bouwen. En daar had Indië vroeger ook al zou goed aan meegeholpen. In Nederland was de stemming verdeeld. Wel of niet de onafhankelijkheid accepteren, en tegelijk was er de bezorgdheid over de grote groep in kampen geïnterneerde Nederlanders. 


Over de veel grotere groep Indo-Europeanen die buiten de kampen hadden weten te overleven maakt men zich aanmerkelijk minder zorgen. De Nederlandse regering had grotere zorgen, de schatkist was immers leeg. Om de schatkist weer aan te vullen werd de propaganda machine opgestart met berichten over het zware lot van de gevangen Nederlanders en negatieve berichtgeving over Soekarno die met de Jappen gecollaboreerd zou hebben en nu een communistische staat van Indië wilde maken. De onderliggende doelstelling (geld) werd zo goed mogelijk uit de publiciteit gehouden. Dat gebeurde al eerder. 


O.a. in 1902 toen het Rhemrev-rapport vakkundig in een onvindbare ‘openbare lade’ van een ministerie werd opgeborgen. Het Rhemrev-rapport werd omstreeks 1985 ‘herontdekt’ door de Amsterdamse hoogleraar Jan Breman. Het gaf hem aanleiding tot het schrijven van zijn boek ‘Koelies, planters en koloniale politiek’. Het Rhemrev-rapport en het protest pamflet  van Mr. J. van den Brand 'De miljoenen van Deli’ zijn integraal in Bremans boek opgenomen en geven een verschrikkelijk beeld van de arbeidstoestanden op de plantages van Sumatra's Oostkust.

Onlangs verklaarde demissionair minister Rosenthal dat zijn regering geen geld (3 miljoen) beschikbaar zou stellen voor een nieuw Indië-onderzoek. Het NIOD, het NIHM en het KITLV hadden vlot uitgerekend dat zij met dat bedrag onderzoek konden doen naar het door Nederland gebruikte geweld tijdens de dekolonisatie periode. Hiermee werd bedoeld onderzoek naar de gevolgen van de aanwezigheid van Nederlandse militairen die pas vanaf maart 1946 op o.a. Java de positie van de Engelsen over mochten nemen. Het gezamenlijke onderzoek betreft de periode vanaf maart 1946 tot aan de laatste coup poging door ex-kapitein Raymond Westerling in januari 1950. Die met zijn eigen legermacht(je) de APRA dood en verderf zou zaaien. In hoeverre het door Nederland gebruikte geweld tot aan de overdracht van Nieuw-Guinea in 1962 onderzocht zou worden is nog niet duidelijk. 

Er was echter nóg een periode waarin veel geweld werd gebruikt en vooral veel mensen zijn vermoord. Door de arrogante en onverzoenlijke houding van de Nederlandse regering veranderde de feestelijke stemming in Indië over de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945  in geweld acties en moordpartijen  op de nog in Indië aanwezige Nederlanders, Indo-Europeanen en Indonesiërs die er van verdacht werden met de Nederlanders te heulen. De Indonesiërs wilden een duidelijk signaal afgeven aan de geallieerden én aan de Nederlandse regering dat zij onder geen beding terug wilden naar de jaren van weleer. De onlusten in de verschillende steden op Java begonnen in september 1945. 


Die drie miljoen Euro die nodig zijn voor het onderzoek zijn vermoedelijk te weinig als je het dan toch samen met de Indonesiërs gaat doen. Als al die onderzoeksbeperkingen bij het niet zo heel openbare Nationaal Archief worden opgeheven komt er genoeg nieuw geld binnen voor een veel groter onderzoekHet onderzoek kan dan  na een korte voorgeschiedenis beginnen vanaf 18 augustus 1945. Dus ruim voor de terugkeer van het Nederlands gezag en ruim voor dat de politionele acties opgestart werden.

De periode na 18 augustus 1945 was de door de Nederlanders genoemde Bersiap-periode een term die nauwelijks bekend is onder de Indonesiërs. De Indonesiërs beschouwen deze periode en de aanwezigheid van de Nederlandse militairen vanaf maart 1946 als de Merdeka of de Revolusi Sosial. De twee belangrijkste nationalistische leiders Soekarno en Hatta proclameren op 17 augustus de onafhankelijkheid van Indonesië terwijl de hoofdbewoner van de villa, de Japanse Admiraal Maeda Tadashi op de bovenetage lag te slapen. Alhoewel de nationalisten al in 1944 waren begonnen met voorbereidingen was er in augustus 1945 nog geen sprake van goed georganiseerde nationale eenheid. De door de Japanners getrainde jongeren tussen 14 en 30 jaar waren geen betrouwbare en goed bewapende legereenheid die de nieuwe rechtsorde zou kunnen implementeren. Voor de nationale communicatie werd het voormalige Japanse radiostation gebruikt maar deze zender bereikte niet iedereen. 

Er was nationale verwarring en er ontstonden lokale interpretaties over de wijze waarop de onafhankelijkheid bereikt moest worden. Islamitische fundamentalisten en communistische groeperingen die radicaler waren dan de vaak wat oudere nationalisten die de weg van de dialoog voor stonden, werden geïntimideerd en tot onlusten en rooftochten aangezet. Veelal onder aanvoering van de lokale onderwereldfiguren die als kleine ‘warlords’ ook tijdens de Japanse bezetting en in de vele jaren daarvoor de onderkant van het sociale leven op geheel Java hadden bepaald. Het waren juist deze kleine bendeleiders die een grote invloed hadden op de bevolking van de vele kampongs en daarmee ook van grote invloed waren op de moorddadige gebeurtenissen die zich tijdens de Bersiap-periode zouden afspelen. Soekarno en zijn regering hadden nauwelijks invloed op hen en de invloed van de bendeleiders zou pas in de jaren ’80 van de vorige eeuw afnemen. 

De bevolking van het door de Japanners uitgemolken en verzwakte land hadden echter één gezamenlijk doel. De grote hongersnood op Java in 1944 zou meer dan 3 miljoen mensen het leven kosten en lag nog fris in het geheugen van de overlevenden die allen wel een of meerdere familieleden waren verloren. De doelstelling van de nationalisten was duidelijk. Géén terugkeer naar de dagen toen de Hollanders de dienst uitmaakten. Het is uiteraard een theoretische vraagstelling, maar hoe zou de geschiedenis verlopen zijn als de Nederlandse regering terstond en onvoorwaardelijk de onafhankelijkheid van Indonesië op 18 augustus 1945 had erkend? Vanwege de slechte radioverbinding in die periode had dat natuurlijk ook 19 augustus mogen zijn. 

Maar stel dat! Zouden dan die 5000 Nederlandse soldaten niet zijn gevallen tussen 1946 en 1949. Zouden dan die mogelijk meer dan 200.000 Indo-Europeanen die niet in de kampen zaten het overleefd hebben? Zouden de in de kampen geïnterneerden dan werkelijk weer vrij zijn geweest na 18 augustus 1945 waardoor zij eerder geholpen hadden kunnen worden met voeding en medicijnen. En zou de exodus van meer dan 350.000 personen naar Nederland en andere landen dan anders zijn verlopen? Deze vragen zouden eveneens afgewogen kunnen worden in het onderzoek wat (voorlopig) door de huidige regering is afgewezen. Mogelijk komt uit het onderzoekresultaat naar voren dat een van de belangrijkste oorzaken van de geweldsexplosie vanaf oktober 1945 juist door de starre houding van de toenmalige Nederlandse regering is veroorzaakt.

Op 18 oktober 1945 nam Julie van der Steur een ‘Andong’ (rijtuig) vanuit de wijk Mr. Cornelis in Batavia. Zij was op weg naar het treinstation om naar Bandoeng te kunnen reizen. In de jaren ervoor had Julie zich op de vlucht voor de Japanse militaire politie schuilgehouden in Batavia. En weten te overleven door zich in het hol van de leeuw te bewegen. 

Haar vroegere schoolvriendin Marie was met een op Java geboren en tot Nederlander genationaliseerde Japanner getrouwd en samen met haar echtgenoot werkte Marie in een Sakurai Kantoor. Een handelsonderneming waar de Japanse militairen en ambtenaren hun uit Japan afkomstige boodschappen konden halen of laten bezorgen. Het kantoor was gevestigd in de zeer bevolkte handelswijk Mr. Cornelis. De bevolking bestond als vanouds uit veel Chinezen, gemengdbloedigen (Euro-Aziaten) en een laag percentage Nederlanders. Julie had zich goed schuil kunnen houden in de nauwe straatjes achter de grote markt. 

Julie had haar Indische uiterlijk mee. Zij had haar verschijning weten te benadrukken door haar diep zwarte haar strak naar achteren te kammen en een haar staart tot een knotje te vormen. Zij droeg kleding zoals bij de inlandse vrouwen gebruikelijk was en liet niet merken dat zij uitstekend Nederlands sprak. Door haar kleine en magere gestalte onderscheidde zich nauwelijks van de inlandse vrouwen. Toch was het in het voorjaar van 1945 bijna mis gegaan. Waren het haar ogen die gemiddeld groter waren dan de ogen van de Javaanse vrouwen? Of was het haar angstige oogopslag die een dienstdoende Indonesische politie agent alarmeerde? Julie werd staande gehouden terwijl zij voor een boodschap op de bedrijfsfiets van Marie onderweg was. De politieagent vertrouwde haar antwoorden niet en boeide haar met een hand aan haar fiets. 


Onderweg naar het politiebureau waarschuwde Julie omstanders zo vaak als mogelijk om Marie op de hoogte te stellen van haar arrestatie. Julie werd opgesloten in een vochtige donkere cel in afwachting van verhoor door de leidinggevende Japanse politie. Julie heeft er twee dagen en nachten door gebracht. Het angstzweet had plaats gemaakt voor koud zweet en een longontsteking. Toen de celdeur werd geopend kreeg Julie het bevel om mee te komen. Zij werd in een auto geplaatst en tot haar grote verbazing naar de achterkant van een groot landhuis gereden. 


Het was niet ver van Kampong Makassar. Achteraf zou blijken dat Marie een goed woordje voor Julie had gedaan bij de hoofdbewoner van het grote oude koloniale landhuis. De hoofdbewoner was Kapitein Tanaka Kentaro een goede klant van het Sakura Kantoor. Marie had verteld dat Julie tuberculose had en Kentaro wilde haar om die redenen niet opsluiten in het nabij gelegen burgerkamp Bunsho I Kamp 9. Julie zou tot eind augustus 1945 in de kleine bijkeuken van het grote landhuis verblijven. Zij hielp de inlandse Kokkie met hand en span diensten in de keuken en kroop weg als de Japanse medewerkers van Kentaro zich op de terrassen ophielden. Pas eind augustus durfde Julie de bijkeuken en het terrein te verlaten. De geruchten over de Japanse overgave bleken waar te zijn. 


Julie wandelde angstig en onzeker naar Mr. Cornelis terug, de wijk waar haar vrienden zich zouden bevinden.  De huizen, wegen en zijstraten waren de voorgaande jaren slecht onderhouden en veel tuinen en perken waren als groentetuin in gebruik genomen. Er was veel volk op straat. Opgewonden strijdkreten roepend. De volwassenen en jongeren zagen er mager en onverzorgd uit en de vele straatkinderen trachten met bedelen hun kostje bij elkaar te scharellen. Nog geen zeven weken later werd Julie opnieuw vastgenomen en per vrachtwagen en trein naar de Oude Boei gevangenis in Cheribon vervoerd. Julie zou daar zeven maanden en onder zeer zware omstandigheden verblijven.

Een tante van Julie zou de Bersiap-periode niet overleven. Onlangs werden er twee uitzendingen uitgezonden door Omroep Max. Het betreft een tweedelige documentaire-serie die op zondag 12 en 19 augustus werden uitgezonden. De documentaire begint met een historisch overzicht van de periode vóór de Bersiap-periode die vanaf de tweede week van augustus 1945 die het gehele eiland van diverse brandhaarden zou voorzien. De documentaire is gemaakt door Pia Media. Op hun verzorgde website www.archiefvantranen.nl kan men het uitgebreide dossier lezen wat de aanleiding zou zijn naar nog meer research en uiteindelijke de tweedelige documentaire. 

Op de website word vermeld (ik citeer) dat er naar schatting 20.000 Nederlandse mannen, vrouwen en kinderen werden vermoord door Indonesische extremistische strijdgroepen, de pemoeda’s, die zich gevormd hadden na het uitroepen van de onafhankelijkheid op 17 augustus 1945 – Het is aldus een schatting, gemaakt op basis van diverse tellingen en bronnen. Er zouden echter veel meer slachtoffers genoemd kunnen worden. Er werden immers ook veel Indonesiërs vermoord omdat men hen er van verdacht bevriend te zijn met Nederlanders.

In deel twee van de sobere en soms zeer aangrijpende documentaire wordt o.a. de moord op Oma Deuning besproken en er word op locatie gefilmd in de afgelegen Desa Ngadireso. Victorine Deuning woonde in de buurt van de bijna volledig uitgemoorde familie Engelenburg. Hans Vervoort heeft hier eerder al eens over geschreven. En er moet wat rechtgezet worden. In de documentaire word gesteld dat Oma Deuning géén eigen kinderen zou hebben. Victorine was de weduwe van Georgius Gerardus Deuning. Georgius was enige jaren eerder overleden. Georgius was een oudere broer van de moeder van Julie van der Steur, Charlotte Deuning. Victorine Deuning was eerder getrouwd geweest met Albert Karel Frederik Le Febre. Een huwelijk waarin zij vier kinderen zouden krijgen waarvan er twee reeds op jonge leeftijd overleden. 

Het huwelijk hield geen stand en in 1907 is de scheiding uitgesproken. In 1909 trouwde Victorine met Georgius, zover bekend hebben zij samen geen kinderen gekregen. Dochter Pauline uit het eerste huwelijk van Victorine trouwde met Lodewijk L. Leenderts. De eerst geboren dochter van Lodewijk en Pauline werd Sonja genoemd. In de documentaire komt Sonja van der Hoff-Leenderts aan het woord en doet levendig verslag van haar contacten met haar eigen grootmoeder die in de documentaire haar kinderloze stiefmoeder wordt genoemd. 


Deze kleine details doen verder niets af aan wijze waarop de dramatische ontwikkelingen in beeld worden gebracht. Het bewijst echter ook hoe moeilijk het is om gedetailleerd onderzoek te doen naar de gebeurtenissen op Java tussen 1942 – 1949. In een land waar de gemeente en kerk registers en veel andere documenten en foto/filmmateriaal door de opgewonden Indonesiërs in brand zijn gestoken.

Julie en haar moeder Charlotte hadden na hun aankomst in Nederland geen fotoboeken of brieven van ‘vroeger’ in hun schamele bagage, zij hadden niets meer. Hun huizen en andere bezittingen waren geconfisqueerd of in brand gestoken. Van enige compensatie is nooit sprake geweest. De nieuwe Nederlandse regering liet beleefd weten dat het gebeurde in Indië onder een volstrekt andere regering had plaats gevonden. Het Nederlandse volk liet weten dat zij toch wel zo veel meer hadden geleden dan de repatrianten. Ja, daar wordt je wel stil van. 

Charlotte kwam uit een gezin van 15 kinderen en is opgeroeid in het landelijke Boyolali in de omgeving van Solo. Door trouwerijen ontstond een familie die in 1942 bijna honderd personen telde. Meer dan zeventig familieleden hebben de bezetting en de Bersiap niet overleefd. Hun stoffelijk overschotten liggen over Java, Sumatra, Thailand, Japan, Singapore en veel andere buitenplaatsen verspreid. 


Niet allen zijn (her)begraven op de vele oorlogskerkhoven en erevelden. Victorine is op 27 oktober 1945 vermoord omdat zij een Nederlandse achtergrond zou hebben. Als ik naar de prachtige sawa beelden van Michiel Praal kijk dan hoop ik dat de geest van Victorine in de buurt van haar huisje en bij de verstilde sawa’s alsnog rust heeft gevonden. In 1948 groef de Nederlandse Opsporingsdienst Overledenen 39 slachtoffers op die in de omgeving van het huisjes van Oma Deuning werden vermoord. 

De slachtoffers zijn herbegraven op Ereveld Kembang Kuning. Toen ik de beelden in de documentaire zag en de mensen hun soms zeer emotionele verhaal hoorde vertellen hoorde ik in de verte het ingehouden verdriet van mijn moeder Julie. Dan weer stil en dan soms wat luider. Het was diep weggestopt verdriet over ‘vroeger’. Verdriet waar zij niet over kon praten. Maar waarom leeft dat verdriet en verlies ‘van vroeger’ ook zo in mij? 


Tijdens de Atjeh periode 1874- 1918 werd door de 
Nederlandse militairen veel geweld gebruikt. 




Het blauwe deel van de Nederlandse vlag werd verwijderd







De villa waar de proclamatie werd voorgelezen is heden een museum


K. Wilhelmina laat ondertussen blijken dat zij er geen snars van begrepen heeft. 








Victorine Deuning-Anthonio voor haar huisje

1948 Ereveld Kembang Kuning Soerabaja


roosjeroos.nl

Geen opmerkingen:

Een reactie posten