Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

1942 Kerstmis in Bandoeng, Calcutta en San Remo 1992 – deel 1


December 1942 - Het Huis van Bewaring in de Bantjeuj straat was een smerig en slecht onderhouden gebouw uit circa 1870. Het had al jaren eerder gesloopt moeten worden maar door onenigheid in de gemeenteraad was het nooit zover gekomen. Door de komst van de Japanse bezetters had een nieuwe functie gekregen. Enerzijds bleef het de vaste verblijfplaats voor beruchte criminelen en moordenaars die al voor de Japanse bezetters waren vastgezet. Anderzijds heeft het gediend als onderkomen voor ‘vijandig gezinde onderdanen’ die op lijsten voorkwamen en verhoord moesten worden. O.a. door de al snel berucht geworden Japanse militaire politie de Kempei Tai die kantoor hield in een schoolgebouw aan de nabijgelegen Heetjansweg. De Nederlandse mevrouw Wilhelmina van Kooten ook bekend geworden als spionne  ‘Nr. 30’ heeft tussen 1942 en 1945 flink meegeholpen met het aanleggen van namenlijsten die de Kempeitai goed kon gebruiken. Inmiddels werden in december 1942 ook de Europese vrouwen en kinderen naar burgerkampen gedirigeerd. Vanaf september 1943 tot 1945 was Bantjeuj een ‘burgerkamp’ waar in hoofdzaak niet–‘Europeanen’ als politieke gevangen werden opgesloten. Dat zal ook de reden zijn dat er zo weinig bekend is uit die periode. De naoorlogse ‘zwijgzaamheid’ van de Indo’s en ook de Ambonezen is kennelijk toen al begonnen. Vanaf de jaren ’50 van de vorige eeuw zou Bantjeuj opnieuw in de belangstelling komen als de locatie waar de later president geworden Ing. Soekarno op 31 december 1929 was ondergebracht in cel 5 om daar een jaar te verblijven. Dat er in Bantjeuj vanaf 1942 tot 1945 veel mensen als gevolg van uithongering en mishandeling zijn omgekomen staat in géén van de Indonesische geschiedenisboeken.

Bantjeuj bevond zich op nog geen 15 minuten lopen van de Merdikaweg waar oma Charlotte met de twee kinderen van Julie in de wasserij van Mijnheer De Block woonde. Na de zware verhoren begin december door de Kempeitai (Japanse militaire politie) was Julie een paar dagen vrij geweest en alsnog opgehaald en in een gemengde afdeling van Bantjeuj opgesloten. Een afdeling waar met name Ambonezen om politieke redenen werden vastgehouden. Op onbepaalde tijden werden zij opgehaald door de Indische politie of de Koreaanse bewakers om ‘verhoord’ te worden. Julie zou hun strakke gezichten nooit meer vergeten. Na de verhoren werden zij vaak meer dood dan levend terug gebracht en zo goed mogelijk door de medegevangen verzorgd. Pas na meer dan vijftig jaar kon Julie kortaf en met ingehouden emoties vertellen over de gemartelde Ambonezen die na de verhoren het leven zouden laten in het schemer van de slecht verlichte ruimte. Het waren vaak intense momenten als de stervende mannen hun hoop uitspraken dat hun familie en kinderen het ooit nog goed zouden hebben als die ‘rot oorlog’ voorbij zou zijn. Het was hun onvoorwaardelijke liefde voor God en Vaderland die grote indruk op Julie hadden gemaakt. Het merendeel van de gevangen genomen Ambonezen waren KNIL militairen die trouw hadden gezworen aan Koningin Wilhelmina en hierin zo onverzettelijk bleken te zijn dat de Japanners hen als een groot gevaar zagen.

In 1992 braken er op Ambon hevige onlusten uit gericht tegen de komst van de eerste Islamitische Gouverneur op Ambon. De Christelijke Ambonezen voelden zich diep gekwetst en bedreigd door deze politieke zet van President Soeharto om via deze vorm van Islamisering alsnog in het zadel te kunnen blijven. Door de berichtgeving in de internationale kranten kwamen bij Julie de beelden uit de Bantjeuj gevangenis weer naar boven. De beelden van de dappere Amboneze mannen die in haar schoot waren gestorven of met een strakke maar ongebroken blik naar boven hadden gestaard en met hun handen op hun rug gebonden gewacht hadden op het zwaard wat met een zucht hun hoofd van hun lichaam zou scheiden. Julie en haar medegevangen moesten de onthoofdingen verplicht aanzien op de schaars verlichte binnenplaats. Niet kijken zou betekenen dat zij het zelfde lot zouden ondergaan. Nadat Julie eind februari 1943 vrij kwam heeft zij besloten om de twee kinderen bij haar moeder achter te laten en schielijk uit Bandoeng te verdwijnen. Zij zou jarenlang op de vlucht blijven uit angst voor de Kempeitai. Julie heeft vanuit haar huisje in San Remo eind 1992 een serie emotionele oproepen geschreven aan o.a. het adres van Amnesty International opdat Amnesty toch vooral veel aandacht zou schenken aan het lot van de vervolgde christelijke Ambonezen op Ambon en de andere Molukse eilanden. 

Pas rond de kerstdagen van 1942 mocht haar moeder wat eten komen brengen. Oma Charlotte had Julie’s oudste zoontje meegenomen. Die zal zeker niet vergeten zijn dat het pannetje met eten door het grote hek aan de straatkant door een sterk vermagerde en diep verdrietige Julie werd aangenomen. Het waren die spaarzame en korte momenten dat Julie zich wél verbonden zou voelen met haar moeder. Vele jaren later zou haar ouder geworden moeder het zelfde doen. Julie had inmiddels een groot en druk gezin. Haar moeder woonde in het grote gezin van Julie en zou bij gelegenheid Julie van kleine Indische hapjes voorzien als Julie weer eens een periode had van hoge concentratie die nodig was om de huishoudkas aan te vullen. Julie sloot zich dan op in haar kleine ‘kantoortje’ om een reclame campagne af te werken waar een ‘dead line’ aan kleefde. Het waren dan die kleine Indische lekkerheden van oma Charlotte die haar op de been hielden. Net zoals toen, kerstmis 1942 in Bandoeng.

Er zullen in de schemerige ruimte van de Bantjeuj gevangenis zeker momenten zijn geweest dat Julie aan haar vader Ferdinand gedacht zal hebben. Al jaren had zij niets meer van hem gehoord. Zij wist dat hij in India woonde. En dat hij manager was van een suikerfabriek in de buurt van de Indiase stad Allahabad. Zijn laatste brieven waren van ver voor 1940 geweest. Het zou hem goed gaan had hij geschreven en weinig meer. Natuurlijk had hij ook geschreven dat de oorlogsdreiging ook veel onrust in India had gebracht. De Indiërs roken net zoals de Indonesiërs een mogelijke bevrijding van het koloniale bewind en in beide koloniën werden de krachten gemobiliseerd om juist het koloniale bewind in stand te houden of er tegen in verzet te komen. De internationale postverzorging in beide koloniën werd hierdoor onder toenemende censuur geplaatst maar ook de internationale zeevaart ondervond al grote moeilijkheden waardoor de postbezorging grote vertraging opliep en veel postzakken gewoonweg niet meer bezorgd konden worden. Pas in 1998 zou Julie enigermate gaan weten hoe het haar vader Ferdinand was vergaan vanaf 1940. De vaste lezers van dit blog weten inmiddels wel dat Ferdinand in november 1900 in Soerabaya is geboren als zoon van een in Amersfoort geboren stuurman Adriaan Hendrik van der Steur die in december 1899  in Soerabaya zou trouwen met Jeanne (Joanna Carolina Elisabeth) Heijligers. Een dochter uit een hoogstaand militair geslacht wat zich al voor 1850 op Java gevestigd had en veelal woonachting waren in Batavia, Djokja en Solo. Vanaf circa 1850 zouden nakomelingen ook hoge ambtelijke posities gaan in nemen als rechter, deurwaarder, leraar of anderzijds.

Ferdinand groeide op als enig kind in Soerabaya en later in Bandoeng en heeft zijn vader weinig gezien. Adriaan werd in 1901 ernstig ziek (depressief) opgenomen in de Centraal Burgerlijke Ziekeninrichting van de buitenplaats Lawang. Daar bevond zich ook een ‘Krankzinnigen afdeling’. De oorzaak van de depressiviteit laat zich enigszins raden. In de voorgaande periode had Adriaan al eerste machinist op een ‘opiumjager’ van de Gouvernementele Marine gewerkt. In die jaren was Nederland de grootste opiumproducent van de wereld en om de opiumsluikhandel tegen te gaan werden er speciale schepen ingezet om de illegale opium smokkel te bestrijden. In de voorgaande jaren was Adriaan al herhaaldelijk van positie veranderd en leek het nergens lang vol te kunnen houden.  Kennelijk was de spanning die rond de opiumjacht hem te veel geworden. Uiteindelijk is Adriaan meerder malen opgenomen geweest en is zonder vrouw en kind op langdurig verlof gegaan naar Nederland. In 1907 zijn Adriaan en Joanna per post gescheiden vanuit Den Haag. In hoeverre Ferdinand heeft geweten dat hij in 1912 een halfbroer (Frits) heeft gekregen weet ik niet. Ferdinand zal vermoedelijk wel hebben vernomen dat zijn vader in 1914 en 46 jaar oud na een storm en het vergaan van zijn schip begin oktober levenloos op het strand bij Wijk aan Zee was gevonden. 

Ferdinand bleek een levendig en intelligent kind te zijn. Ondanks de afwezigheid van zijn vader en de aanwezigheid van een zeer dominante moeder verliep zijn lager school periode en zijn scholing op de Christelijke HBS zeer voorspoedig. Zijn grote belangstelling voor stoommachines en stoomtechniek zou zeer van pas komen bij zijn opleiding tot machinist van suikerriet verwerkende machines die over geheel Java verspreid te vinden waren in de meer dan 100 suikerondernemingen. Op negentienjarige leeftijd ontmoet Ferdinand in de Suikerfabriek Poerworedjo de 23 jarige Nederlands-Indische Charlotte Deuning en hun eerste kindje wordt in december 1920 geboren. Zij trouwen in januari 1921 en in 1922 wordt hun zoontje Gerardus (Boy) geboren en heeft Ferdinand een goed betaalde positie als tweede machinist van de Suikerfabriek Delanggoe verworven. Door verdere studie behaalt hij elk jaar nieuwe ‘suiker diploma’s’ en wordt ook actief binnen de Bond van Suiker Geëmployeerden’ en verwerft hiermee aanzien en status als ‘notabele figuur’. Na aanvang van de grote economische wereldcrisis vanaf 1929 verslechterde de export van de suiker en in 1932 raak ook Ferdinand zijn positie en bedrijfswoning kwijt. Hij bracht zijn vrouw Charlotte en de twee kinderen in een veel kleinere en eenvoudige woning onder en in het buitenland op zoek naar werk. In 1933 vertrok hij naar de Filippijnen en in na enige maanden vond hij een nieuwe betrekking in West Bengalen en liet Charlotte overkomen. Hun relatie was al onder druk komen te staan door het veel lagere inkomen en Charlotte voelde zich bijzonder ongelukkig in het door de Engelsen overheerste India en kon ook slecht uit de voeten met de Indiase mentaliteit die zo verschillend was van hetgeen zij als Indo-europese uit de hogere middenklasse  op Java gewend was geweest. Na enige maanden was zij al weer terug op Java en bracht Julie onder in een pleeggezin en haar zoon naar het Instituut van  Pa van der Steur en trok zelf in bij een oudere zus die een pension beheerde in Bandoeng. Het gezin was in 1936 definitief uiteen gevallen.

De liefhebbende vader was een verre vader geworden. Ook Ferdinand zal zich ongelukkig gevoeld hebben maar wist dat goed te verbergen (weg te drukken?). In oktober 1936 werd de scheiding definitief uitgesproken terwijl Ferdinand nog in Allahabad verbleef. In december 1936 reisde Ferdinand naar Java en verbleef een week in het bekende Bandoengse Hotel Homan. Daar vertelde hij opgetogen over zijn nieuwe liefde. Een beeldschone jonge Engelse vrouw die zwanger zou zijn van hun eerste kindje. Julie was blij geweest voor haar vader en had ook genoten van zijn aanwezigheid. Het zou de laatste keer zijn dat Julie hem zou zien. De vader die zij in de jaren die volgenden zocht was het beeld van een gelukkig ogende jonge zesendertig jaar oude man. Pas in 1998 zou Julie na een eerste ontmoeting met haar halfzus die in 1937 in Calcutta werd geboren, gedeeltelijk horen hoe het haar vader was vergaan vanaf die laatste dagen in Bandoeng 1936.

Door oudere brieven uit het dossier van Julie en de meer recente contacten met de andere halfzusters en broers van Julie maar ook door het snuffelen in wereldwijde archieven werd steeds opnieuw duidelijk dat economische crisissen en oorlogen de mensheid enorm in beweging kan brengen. Als verdriet (en verdringing) een beest is wat diep onder de huid verborgen kan blijven en in onuitspreekbare trauma’s of onbegrepen lichamelijke klachten vertaald word of als het geheugen opspeelt. Dan lijkt het overlevingsinstinct het lange tijd te winnen van het verdrietige beest wat toch nog onverwacht opspeelt na zich zo lang verscholen te hebben. Dan uit het verdrietige beest zich niet alleen met tranen, er komen ook boosheid en soms kleine of grote woede mee. Maar ook de wens om erkenning en of genoegdoening. 

De kerstdagen waren voor Julie altijd een belangrijk feest gebleven. Een feest waarop zij vooral de wereldvrede wilde vieren. Na haar scheiding in 1992 gunde Julie het verdrietige beest meer vrijheid. Zij vierde de kerstdagen na een vijfenveertig jaar durende relatie geheel alleen. Julie liet haar verdrongen herinneringen vrijelijk toe. Julie schreef hierdoor veel brieven aan haar kinderen, aan haar ex-echtgenoot en begon oude ook rekeningen te vereffenen. Hierin leek zij in het geheel niet op haar vader Ferdinand of op haar moeder Charlotte. Als geen ander ging Ferdinand verdriet en tegenslag uit de weg en begon telkens opnieuw een nieuw leven zonder het vorige leven voldoende af te ronden. Hierin verschilde hij niet veel van de andere grootvader. De vader van Julie’s tweede echtgenote die net als zijn vader Anton genoemd werd. Lees meer over Ferdinand die zich vanaf 1937 Peter liet noemen in het volgende blog artikel.


Het Huis van Bewaring Bantjeut - Bandoeng - Penjara Banceuy Bandung



Banceuy Bandung - Bantjeut Bandoeng




Bandoeng voor de Japanse bezetting in 1942





19 dec 1942 De blijde aankomst in het Tjihapitkamp - Bandoeng'




Sakit betekend ziek in het Japans

De hygiëne in de kampen was gebrekkig. Er was een tekort aan water, zeep en schoonmaakmiddelen. De afvoer van de wc’s gaf problemen en… stank. Ziektes kregen in zo’n omgeving volop de kans. Maar medicijnen werden amper verstrekt. Dysenterie, buikloop, kwam vaak voor. Door ondervoeding hadden veel mensen hongeroedeem. In sommige kampen was aan het eind van de oorlog 1/3 deel ziek. Van de 140.000 geïnterneerden overleden er 20.000.




Vlak voor haar vertrek naar Nederland op 24 oktober 1946 met de Ms. "Klipfontein". Heeft Julie die in Indië Jill of Jilly werd genoemd een zeer gedecideerde afscheidstekst in de krant laten opnemen. De afkorting  p.p.c. staat voor 'pour prendre congé'. Alhoewel haar moeder ook op het zelfde schip meereisde heeft Julie haar naam niet in de advertentie opgenomen. Haar moeder had het tweede kindje Teddy tijdens de  bezetting aan een andere vrouw gegeven. Na een maandenlange en zeer verbeten strijd heeft Julie haar zoontje tenslotte terug gekregen. Pas tijdens de wekenlange reis naar Nederland zijn moeder en dochter weer enigermate tot elkaar gekomen. 





Vanaf 1947 kwamen er in Indië processen op gang. Uit onderstaand artikel blijkt opnieuw dat ook de Indonesiërs vaak zeer heftig tegen de Ambonezen gekant waren geweest tijdens de Japanse bezettingsjaren.





Kenpei spionne No. 30



                                                        
 







Geen opmerkingen:

Een reactie posten