Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

1946 - herstellen, verzamelen en vertrek naar Nederland

Julie werd op 26 april 1946 na haar aankomst op station Manggarai direct geconfronteerd met de in Nederlands-Indië teruggekeerde Nederlandse bureaucratie. Zij werd opgevangen door oud medewerkers van het NICA (Netherlands Civil Administration) intussen omgedoopt tot AMA-CAB (Allied Military Administration – Civil Affair Branch). 

Ondanks de vaak onbeschrijfelijke toestanden die waren ontstaan na het eenzijdig uitroepen van de Indonesische Republiek in augustus 1945 en vervolgens na het uitbreken van de Bersiap was men er in geslaagd om vanaf  oktober 1945 meer dan 220.000 Hollandse volwassenen en kinderen op te vangen, te verzorgen en te evacueren. 

De trein waar mee Julie eind april 1946 uit Cheribon was vervoerd  was een ruilhandel geweest tussen de nationalisten de geallieerden en de Nederlandse legerleiding. Vanaf station Gombong waren in de zelfde dagen van april ‘46 gezinsleden van TNI militairen vertrokken naar gebieden waar het geallieerde gezag (nog) geen greep op had.

Het in 1943 op Ceylon (Sri Lanka) gevestigde geallieerde commando heeft onder leiding van Lord Louis Mountbatten het RAPWI (Recovery of Allied Prisoners of War and Internees) opgericht. Deze dienst had als taak om gevangenen op te sporen, te voeden, aan te kleden en te evacueren. Eerst op verzamelpunten en daarna naar hun thuisland. In Nederlands-Indië hebben meer dan 10.000 RAPWI medewerkers meegeholpen aan deze succesvolle operatie. 

Julie werd na aankomst doorverwezen naar kamp Tjideng wat nog geopend was voor evacuees en waar zich ook een ziekenboeg bevond waar de ernstige beriberi verschijnselen van Julie behandeld konden worden. Julie had last van desoriëntatie en moeite met haar geheugen. Uiteraard vertoonde zij ook ondervoeding verschijnselen. Men had veel ervaring met dit soort patiënten en Julie knapte binnen een aantal weken enorm op. 

Tijdens haar wandelingetjes door kamp Tjideng ontdekte zij dat er verschillende kantoren van de AMA-CAB (voormalig NICA) waren gevestigd waaronder een klein hulp-postkantoor en een afdeling ‘werkverschaffing’ onder leiding van Kapitein Krijgsman.

Kapitein Krijgsman was verantwoordelijk voor het inhuren van ‘inlanders’ (zo werden zij weer genoemd) die tegen betaling wilden werken aan het opknappen van wegen en straten van Batavia. De diensten van Julie kwamen goed van pas. Zij sprak Maleis en Javaans en men kon gebruik maken van haar opleiding als 4talige stenotypiste. Kapitein Krijgsman en zijn collega Kapitein Voerman hebben Julie geholpen aan nieuwe persoonsbewijzen en ook haar status als echtgenote van een Luitenant bij de Marine laten bevestigen. 

Over het welzijn van haar echtgenoot William die in Amerika zou verblijven kon men indertijd geen uitsluitsel geven. Hierover zou Julie pas meer horen in december 1946 nadat zij in Nederland was aangekomen. Over het lot van haar vader Ferdinand Pieter van der Steur was ook niets bekend geweest.

Julie heeft enige maanden op het kantoor van Krijgsman gewerkt in afwachting van de uitkomst van een onderzoek wat door Pro Juventute Batavia op gang was gebracht. Pro Juventute was de toenmalige ‘kinderbescherming’ die al meer dan 50 jaar actief was in vele delen van Nederlands-Indië. In juni 1946 had Julie met hulp van Krijgsman een vlucht kunnen maken met een Dakota postvliegtuig die een dagelijkse verbinding had met Bandoeng.  Eenmaal in Bandoeng aangekomen had zij haar moeder niet in de oude wasserij aan de Merdikaweg gevonden. Die was in brand gestoken door strijdlustige jongeren. 

Moeder Charlotte verbleef in een opvangkamp (afgeschermde woonwijk) met Julie’s zoontje Billy. Ukkie Sombeek de oud PTT collega van Julie woonde nog wel in haar huis in een wijk van Bandoeng. Sombeek had Julie’s tweede kind vanaf zomer 1943 opgevangen en Ted was inmiddels bijna 5 jaar oud en herkende zijn moeder nauwelijks.

Ukkie Sombeek weigerde kleine Ted terug te geven. Zij beschuldigde Julie ervan gecollaboreerd te hebben met de Japanners en zelfs als Jappenhoer voor hen gewerkt te hebben. Hierin werd zij gesteund door de jongere broer van haar echtgenoot William Dobson, Jim. Ukkie en Jim hadden een aanklacht bij Pro Juventute Bandoeng tegen Julie ingediend en in afwachting van de uitkomst van een onderzoek moest Julie onverrichterzake terug keren naar Bandoeng. 

Het bewijs wat Ukkie aanvoerde was mager en gebaseerd op roddels maar ingegeven om op die wijze Ted bij zich te kunnen houden. Julie was door de jaren heen verschillende keren in de bedrijfskleding van een Japanse Sakura winkel naar Bandoeng gekomen. Ook haar raadselachtige verdwijning in de zomer van 1943 zou bewijs moeten zijn. 

Julie heeft met hulp van Krijgsman en Voerman voldoende positieve getuigenverklaringen in Batavia en Bandoeng kunnen verzamelen waardoor de maatschappelijk werker van Pro Juventute uiteindelijk en tegen zijn zin formeel toestemming moest geven voor ‘gezinshereniging’.

Terwijl Julie in afwachting van het onderzoek hard werkte in het kantoor van Krijgsman verscheen er een sjofel geklede en broodmagere man op kantoor. Het was Boy. Julie had sinds 1943 niets meer van hem vernomen en had gedacht dat hij was omgekomen. Boy bleek jarenlang onder verschrikkelijke omstandigheden als dwangarbeider voor de Japanners gewerkt te hebben. 

Hij was pas onlangs in Batavia aangekomen en zocht werk. Boy had gehoord dat er een werkverschaffingskantoor in kamp Tjideng was maar wist niet dat zijn zus daar zou werken. Voor Julie was het duidelijk. Zij wilde niets liever dan vertrekken en de moeizame jaren achter zich laten. Julie wilde haar echtgenoot weer terug zien en een nieuw leven opbouwen in een land waar geen onrust zou zijn.

September 1946- Julie verneemt in Bandoeng dat haar echtgenoot is omgekomen



Moeder Charlotte, Julie en de twee kinderen kregen toestemming om als gezin van een omgekomen Marine officier naar Nederland te repatriëren. Julie had graag haar jongere broer Boy (Gerard) mee naar Nederland genomen.
Voor Boy lag dat anders. Hij verweet hun vader en moeder dat hij door hen in de steek was gelaten toen hij op 11 jarige leeftijd naar het kinderhuis van hun Pa van der Steur was gestuurd. 

De doelstelling van Pa van der Steur was opvang en integratie van verweesde Indo-kinderen in de Indonesische samenleving. Als neef van Pa had Boy altijd wel een streepje voor gehad en Boy voelde zich nauw verbonden met zijn vrienden uit het Instituut van Pa en wilde hen niet in de steek laten. Het was zijn familie geworden. 

Boy is met zijn gezin, nadat President Soekarno in 1957 alle Nederlandse bedrijven uit woede over het verblijf van de Nederlanders in Nieuw Guinea had genationaliseerd medio 1959 berooid in Nederland aangekomen. Zijn droom om als door de Nederlanders goed opgeleide Indonesiër mee te helpen de nieuwe natie op te bouwen was niet uitgekomen. Hij werd ondanks zijn inzet nog steeds beschouwd als Nederlander en kon aldus niets anders dan vertrekken. Dit lot zou ook veel achtergebleven ‘oud Steurtjes’ treffen.

Terwijl eerder in Nederland en Indonesië voorbereidingen waren getroffen om met elkaar in 'gesprek' te gaan in het vakantiedorp Linggadjati zijn Julie, Ted en Billy met oma Charlotte op 25 oktober 1946 met de Ms. Klipfontein vanuit de haven van Tandjong Priok naar Nederland vertrokken. Veel bagage hadden zij niet. 

Al hun goederen en bezittingen waren in beslag genomen, verkocht, verdwenen of verbrand. 966 berooide passagiers die met gemengde gevoelens naar de langzaam uit het zicht verdwijnende kade keken. Tijdens een tussenstop in Ataka werd warme kleding uitgedeeld. 

Bij de aankomst in Rotterdam op 20 november was het koud geweest. De ramen van de bussen op weg naar de ‘contractpensions’ waren snel beslagen door de nieuwsgierige en onzekere laatste adem uit Nederlands-Indië. 


Het was altijd druk in de hoofdstraat van Meester Cornelis een buitenwijk van Batavia waar Julie jarenlang in de buurt woonde



1907 Pa van der Steur (overleden 16 september 1945) 
met Koninklijke onderscheiding en 8 van zijn Indo jongens.

Pa en zijn medewerkers hebben duizenden jongeren, geboren 
uit euro-indische relaties een tehuis ofwel een thuis gegeven. Het lot van van de vele Steurtjes die na de oorlog niet naar Nederland zijn gekomen is nog niet onderzocht.



Door Pemoeda's vernielde woning van Nederlanders tijdens 
de Bersiap periode 1945-1946



In veel huizen werden lijken gevonden, wat was deze jongeman overkomen? 
Honger, geweld? 
Door geweld en honger zijn er tijdens de periode 1942 - 1946 buiten de kampen 
meer dan 4 miljoen Indonesiërs in Nederlands-Indië omgekomen. 
Slechts zelden wordt dit feit in alle verhalen rond Indië genoemd.

Jaren later riep de Nederlandse overheid opeens dat Ned.-Indië eigenlijk een 'apart' land was geweest. Er is nog steeds een 'Back Pay' discussie gaande. 


Een RAPWI kantoor in het bekende Hotel des Indes Batavia/Jakarta



Een platte grond van het beruchte kamp Tjideng wat later ook werd gebruikt als 
kantoor voor de RAPWI-NICA en AMA-CAB - Julie werkte vlak bij blok IV



Een kade met zwaaiende mensen van de haven van Tandjong Priok 1946


Een foto van Ms. Klipfontein het schip waarmee Julie met haar moeder 
en kinderen mee naar Nederland zou varen in oktober 1946.

Als je niet uit Nederland kwam dan kwam je uit een ander cultuur en dus had je volgens de Nederlanders in die jaren vanzelfsprekend een culturele achterstand.



De Terugkeer is een strip van Eric Heuvel en Ruud van der Rol gemaakt in opdracht 
van het Indisch Herinneringscentrum BronbeekDe strip is ontwikkeld 
om als lesmateriaal te gebruiken. 

De titel gaat echter in het geheel niet op voor mensen zoals Julie en veel andere 
Indo's die nooit eerder in Nederland waren geweest.

Voor hen was het vertrekken om vaak nooit meer terug te keren. 
Het stripverhaal is nog te koop.



Een veelzeggende pagina uit De Terugkeer



Indo's aan het woord in De Terugkeer


jaaroverzicht 1946 

Jaren later riep de Nederlandse overheid opeens dat Ned.-Indië eigenlijk 
een 'apart' land was geweest. Er is nog steeds een 'Back Pay' discussie gaande. 


Geen opmerkingen:

Een reactie posten