Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of  begin 2018
Posts tonen met het label KNIL. Alle posts tonen
Posts tonen met het label KNIL. Alle posts tonen

1939 - Julie verhuisd van Batavia naar Soerabaya

Zo rond december 1939 is Julie haar koffers aan het pakken om naar Soerabaya te verhuizen. De stad waar haar vader is geboren in 1900. In de voorgaande maanden was er een nerveuze stemming in Batavia ontstaan. De berichten uit Nederland waren zeer verontrustend. De mobilisatie van de bevolking in Nederland was inmiddels op gang gekomen vanwege het dreigende gevaar uit Duitsland. In Batavia werden voortdurend militaire oefeningen gehouden. Er werd ook geld verdiend aan de opkomende oorlogsindustrie. Er was veel vraag naar rubber, katoen, touwvezels, kapok voor kledingvulling en matrassen. De prijzen stegen echter met de dag vanwege het gebrek aan transportschepen en de verhoogde verzekeringspremies.  Sommige handelaren verdienden vlot grote bedragen maar de arbeiders moesten opnieuw voor hun baan vrezen omdat er ook tekorten aan grondstoffen ontstonden. 

De pogingen van het Indisch Gouvernement om ‘in gesprek’ te blijven met de Japanners liepen vaak op niets uit. Dwz er werd overleg gevoerd maar er werd vooral een ‘stoere houding’ aangenomen door de Nederlanders. Tegelijkertijd realiseerden veel anderen dat het bijna onmogelijk was om met het relatief kleine leger de meer dan 40.000 kilometer kust te verdedigen. Julie volgde de berichten in de kranten en de conversaties met vrienden en bij kennissen. Maar kon er geen conclusies voor haarzelf aan verbinden ze had het zoals zoveel gewone mensen te druk met de kleine en grote dagelijkse beslommeringen. Mogelijk had zij een ongerust gevoel wat was te vergelijken met de periode 1930 – 1932 toen zij als klein meisje geconfronteerd werd met de gevolgen van de wereldcrisis die haar vader en moeder ook zouden treffen. 

Verhuizingen, zichtbare armoede onder de inlandse bevolking later zelfs honger. Charlotte haar moeder die haar altijd optimistische echtgenoot de schuld gaf van de armoede in het kleine gezin. Vrienden van vader Ferdinand die op bezoek kwamen in de economisch zeer moeilijke periode van 1930 tot 1932 en met elkaar spraken over de grote gevolgen van het ontslag uit de eens zo veilige werkomgeving binnen de suikerindustrie.

De werkeloosheid in Indië bereikte in de beginjaren ’30 een recordhoogte terwijl tegelijkertijd de salarissen met meer dan 50% werden verlaagd. Nederland bleef zich als een uitzuigend hongerig beest opstellen en had de inkomsten uit Indië hard nodig om de staatskas in Nederland aan te vullen. De bezuinigingen troffen  ook de Inlandse bevolking en er ontstond met name buiten de grote steden hongersnood. Minister-president Colijn vond indertijd 2 ½ cent salaris per dag al te hoog voor de koelies. Julie was pas 10 jaar oud maar kon zich de toen zichtbare armoede nog wel goed herinneren. 

Evenals de arrestatie in Bandoeng van nationalistenleider Soekarno en eind december 1930 en zijn daarop volgende pleitrede. Het verhoogde de spanningen tussen de Europeanen en de lokale bevolking die naar meer autonomie snakten maar de spanningen had ook gevolgen voor de Indo’s die net iets lager stonden dan Nederlanders maar weer wat hoger dan de inlanders. Zij zaten er tussen in. Maar welke keuze hadden zij? Voor Nederland of voor Indië?

De oorlogsdreiging uit Europa zorgde ook in de residentie voor een politieke verharding in het woelige 1939. Nederland weigerde Indië opnieuw meer autonomie te geven. Er werd zeer streng opgetreden tegen de Nationalisten en politici die zich wilden voorbereiden op de mogelijke komst van de Japanners. De petitie van Soetardjo die in 1936 was ingediend en in 1938 werd afgewezen zou in 1939 leiden tot de oprichting van de GAPI. De Gabungan Politik Indonesia waarin bijna alle Indonesische politieke partijen zich zouden verenigen en aanstuurden op een volwaardig Indonesisch parlementair  bestuur. Gouverneur-generaal Tjarda van Starkenborg Stachouwer wees dit namens de Nederlandse regering van de hand. Hij zou hierop na jaren van gevangenschap door de Japanners persoonlijk op terugkomen. Hij was na (misschien al tijdens?) de oorlog een groot voorstander van de soevereiniteitsoverdracht zonder ‘neven oogmerken’ geworden.

In de voorgaande maanden in 1939 had Julie gewerkt als serveerster en had haar zangcarrière een vlucht genomen. Zij lakte nu dagelijks haar nagels, gebruikte make-up en droeg de laatste mode die zij hoofdzakelijk zelf maakte  of zij liet zich helpen door de vele kleine naaiateliers in de buurt van de Chinese wijk waar zij op kamers woonde  bij een Chinese familie die uit intellectuelen bestond. Een familie waar zij onder geheel andere omstandigheden in 1943 als onderduikster opnieuw voor enige maanden terecht zou kunnen.

Julie zou in december 1939 negentien jaar oud worden. Als 18jarige was zij al volkomen zelfstandig en nam zij haar eigen beslissingen zonder invloed door haar ouders. De scheiding van haar ouders en de jaren die zij in gastgezinnen had door moeten maken hadden haar een soort innerlijke en uiterlijke zelfstandigheid gegeven. Zij had ook in moeilijke omstandigheden geleerd om voor zichzelf te zorgen. Door haar Indische uiterlijk kon zij zich in alle lagen van de bevolking bewegen. Haar zo precieze en accentloos gesproken Nederlands charmeerde weer de Nederlanders die dan vroegen waar zij zo goed Hollands had leren spreken. Julie wist dan precies hoe zij op charmante wijze de verbazing over de ‘Hollandsche welsprekendheid van zoo’n donker Indisch meisje ‘ weg kon nemen. Julie sprak ook uitstekend Engels, Duits en Frans en niet te vergeten Maleis en andere lokale dialecten. 

De wijze waarop de Europeanen omgingen met de Indo’s en de inlanders wekte soms haar irritatie of schaamte op en de wijze waarop zij haar baan bij de PTT was kwijtgeraakt kon haar in latere jaren nog boos maken. Maar wie en wát ben je als 18jarig Indo meisje in een land aan de vooravond van een wereldwijde tragedie. Julie was 1.58 lang en woog circa 54 kilo en rook vaak naar Boldoot of Patschuli. In september 1939 kwam Julie in Soerabaya aan. Het was de derde grote stad op Java waar Julie kwam te wonen. Tot haar twaalfde levensjaar had zij ‘landelijk’ gewoond. Opgroeiend op het terrein van een suikerfabriek die temidden van eeuwenoude Hindoe tempelcomplexen was gebouwd. Met Chinese tempels en de vele grote en kleine moskeen in de directe omgeving. Bezocht door mensen die alleen Maleis of een andere lokale taal spraken maar geen Nederlands zoals zij thuis en op school leerde. 

Java heeft een indrukwekkend en sterk glooiend tropisch landschap met eeuwen oude vulkanen zoals de Merapi die Julie in 1930 nog angsten hadden bezorgd na een enorme uitbarsting en waar zij met haar vader en broer nog is gaan kijken. De natuur zorgde op gezette tijden voor een enorme bloempracht met sterke geuren na een forse regenbui met daarna de warme zon. Haar moeder had haar voortdurend gewaarschuwd voor de enge bossen met verborgen geesten. Voor de sterk stromende rivieren die kinderen meesleurden. Voor de grote beelden in en rond de tempel complexen die opeens tot leven konden komen. Voor Julie was het makkelijker gebleken om in de relatieve anonimiteit van de steden een leven op te bouwen en misschien voelde zij zich ook wel veiliger vanwege mogelijk natuur geweld en minder sociale controle. 

Nadat zij zich vijftig jaar later begin jaren '90 van de vorige eeuw volledig had gevestigd in de zonnige heuvels van San Remo dacht (en sprak) zij vaak terug aan de exotische natuur waar zij was opgegroeid. Bijna dagelijks werkte zij in haar heuvelachtige tuin en plantte bij voorkeur cactussen die als een beschermende wal om haar huisje heen groeide. Maar het waren toch vooral de vele hibiscusbloemen in haar tuin die Julie aan 'vroeger' deden denken. Een bloem die zich sluit en zich bij de eerste ochtendstralen opent. Julie voelde zich sterk verbonden met het karakter van deze bloem. 
                     


Julie schrijft in 1999 aan haar broer Boy

            Uitbarsting van de Merapi 1930 waar ook Julie met haar familie is gaan kijken.


Hibiscus onder de as van de Merapi na de uitbarsting in 2006


Zicht op de Merapi 2006


1930 Soekarno in het midden met dossiertas en medestanders in Bandoeng


Luchtfoto van Soerabaya met in het midden de Roode Brug


Straatbeeld Soerabaya met man op de Roode Brug


De uitgaanswijk in Soerbaya waar Julie zou gaan werken in de Tabarin Bar


Studio portret van een Europese familie in Soerabaya


Soerabaya - veroordeelden op weg naar de gevangenis


Europese familie voor hun huis in Soerabaya

een groep poserende jongens in Soerabaya


Groepsportret met leerlingen van de Koningin Emma School Soerabaya


Moskee in Soerabaya


Straatbeeld Soerabaya met Chinese tempel


Een Europese familie in Soerabaya


Soerabaya Kampong 1938


Een groep Arabische mannen bij de Arabische poort in Soerabaya


Julie vertrok naar Soerabaya en Tjarda van Starkenborgh Stachouwer bleef in Batavia en wilde Indië na de inval door de Japanners niet in de steek laten.

Soekarno als student

Sukarno met President Kennedy 1962

1940 Soerabaya 1 - Julie en William en hun eerste kindje

Terwijl Julie en William in de december 1939 hun eerste ontmoetingen beleefden in het warme Soerabaya met zijn zwoele avonden. Onderging Nederland al de mobilisatie. Vanaf eind augustus 1939 was het wachten op een oorlog die uiteindelijk in mei 1940 Nederland in alle heftigheid zou bereiken. De Duitse invasie in Polen had vanaf september 1939 meer dan 280.000 gemobiliseerde Nederlanders in de wachtstand gezet. 

In geheel Indië woonden rond 1940 circa 350.000 Europeanen waarvan circa 200.000 met gemengd bloed. Indo’s dus. De totale bevolking was circa 70 miljoen. Voor de circa 100.000 blanken was alles duidelijk, zij behoorden tot de toplaag en hadden de touwtjes in handen. Er was formeel sprake van ‘indeling naar landaard’ . Heden zouden wij dit gewoonweg ‘apartheid’ noemen. Alle niet blanken waren ‘Nederlandsch onderdaan, geen Nederlander zijnde’.

Julie was van gemengd bloed maar William niet. Toch was William met dat ‘leuke Indische meisje’ getrouwd en het was denkbaar dat dit zijn carrière zou kunnen schaden. De blanke gemeenschap was immers zeer gesloten en het is maar de vraag of de blanke dames Julie opgenomen zouden hebben in hun ‘hogere’ kringen.  Het jonge paar zou zich gaan vestigen in een vrijstaande woning aan de Niasstraat niet ver van het centrum van Soerabaja. William kreeg het vanaf mei 1940 steeds drukker als marineman want de regering in Batavia zette alle middelen in om de defensie te versterken. Hierbij lag het accent op orde en handhaving van de rust. Terwijl de Japanners hun militairen juist trainden op offensieve tactieken. De Nederlanders in  Indië lieten zich leiden door berichten van o.a. de Engelsen dat het Japanse leger niet veel voorstelde. Anderzijds trachtte de regering in Batavia de Japanners te imponeren met veel openbare militaire demonstraties waarbij de Japanse Ambassadeur met zijn gevolg als toeschouwers werden uitgenodigd.

Toen Julie en William vanaf maart 1940 zeker wisten dat er een kindje op komst was zullen zij net als vele andere jonge echtparen gewoonweg blij geweest zijn en met de voorbereidingen begonnen om de baby in een warm nest te kunnen ontvangen. Julie’s creativiteit en handigheid moet een grote geruststelling geweest zijn voor William die lange dagen  op de Marine basis maakte vanwege de opgelopen internationale politieke spanningen met Japan. 


Julie richtte het huis grotendeels zelf in. Naaide de gordijnen, maar kon ook goed met de verfkwast, hamer en zaag overweg. Ook in haar tweede huwelijk met Anton Deijmann was het Julie die altijd het voortouw én de hamer op nam bij verbouwingen in de steeds groter wordende huizen voor haar bijna jaarlijks groeiende gezin. Julie zou haar laatste baby in 1969 krijgen. Het zou haar veertiende kind zijn en Julie werd in dat jaar 49 jaar oud. Julie hield van al haar baby’s. De zwangerschappen gingen haar gemakkelijk af. 

Net zoals de zwangerschappen van haar grootmoeder van haar moeders kant Joanna Deuning die het merendeel van haar kinderen in het grote huis bij Bojolali zou baren. Joanna werd pas zo genoemd nadat zij in 1892 tot christenvrouw was gedoopt. Haar echtgenoot was Casper Frederik Deuning die pas op 9 september 1893 met Joanna ofwel Djeminem zou trouwen. Er waren toen al 11 kinderen geboren. Na 1893 volgenden er nog 3 kinderen. Henri, Charlotte (de moeder van Julie) en Marie. De kleine Marie werd op 23 mei 1898 geboren. Het moet een zware bevalling geweest zijn. Joanna zou enige dagen later overlijden.

Het was 29 mei 1898 dat Casper het droeve nieuws aan zijn kinderen zou gaan vertellen dat moeder Djeminem in haar laatste kraambed was gestorven. De vrouw met wie Casper vanaf 1875 had samen gewoond op het terrein van Suikerfabriek Tjokro-Toelong en later na zijn pensionering in Bojolali een wijk in de heuvels niet ver bij Soerakarta (Solo) vandaan. Djeminem zal niet ouder dan 46 zijn geweest toen zij het leven liet. Casper was net 55 jaar oud geworden toen hij alleen met 14 kinderen achter bleef. Julie heeft altijd het kleine portretje gekoesterd van haar sterke grootmoeder. Haar volledige naam was Raden Ajoe Sinem Istri Kamidjojo.

Charlotte de moeder van Julie sprak altijd met zachte stem en diep respect over haar moeder 'de Prinses' voor Charlotte was haar moeder op het zelfde niveau als het Nederlands Koninklijk Huis. Raden Ajoe zou zoveel betekenen als Prinses in het Maleis. Veel inlandse vrouwen lieten zich echter ook Raden Ajoe noemen vanaf het moment dat zij samenleefde met een Europeaan. Maar eigenlijk waren zij een ‘bijzit’ een njai zonder rechten. Het siert Casper Frederik dat hij al zijn kinderen erkend heeft. Met Djeminem getrouwd is en ook toestemde in haar doop waardoor zij de laatste jaren van haar leven als Johanna door het leven kon gaan.

De moeder van Julie, Charlotte was de dochter van Casper en Johanna. Charlotte heeft haar ouders nauwelijks gekend. Haar moeder overleed toen Charlotte twee jaar oud was en in 1905 stierf haar vader Casper. Het gezin Deuning viel min of meer uit elkaar, een ieder had zijn eigen bezigheden en Charlotte woonde vanaf 1905 jarenlang in het weeshuis van de Zusters Franciscanessen in Semarang waar zij onderwijs genoot en tot circa haar 18de levensjaar zou verblijven. Charlotte moest misschien wel een ideaal beeld rond haar overleden ouders ontwikkelen om de eenzaamheid en het gemis van haar ouders in het weeshuis te kunnen overwinnen. Charlotte heeft mogelijk nooit geweten dat haar moeder een ‘inlandse bijzit’ was. Of wilde Charlotte het soms niet weten? 

Indertijd zal Charlotte niet vermoed hebben dat haar dochter Julie zoveel naar haar inlandse grootmoeder Djeminem zou gaan aarden. De moeder van de vader van Julie (Ferdinand Pieter van der Steur) heette, toeval of niet ook Joanna (Heijligers). Djeminem en Charlotte hebben beiden 14 ‘erkende’ kinderen gekregen. De eventuele miskramen zijn niet meegeteld. Waarom Djeminem  aan zoveel kinderen het leven schonk is niet duidelijk. Was het wederzijdse liefde tussen Casper en Djeminem? Casper had immers goed verdiend als beheerder en administrateur van Suikerfabriek Tjokro-Toelong en het grote publieke schandaal waar hij door zijn broer in 1882 op werd betrokken waarbij een pas geboren baby heimelijk werd vermoord had schande over de Deunings gebracht. Wilde Casper door de komst van de vele kinderen bewijzen dat hij niet zoals zijn broer was? 


De kinderen die Julie na de oorlog zou baren zouden volgens Julie geboren worden als representatie van onthoofde medegevangenen. Onthoofdingen die Julie op straffe van onthoofding met open ogen moest aanzien van de Japanners toen zij in 1943 in de gevangenis van Bandoeng was opgesloten wegens haar verzetsactiviteiten in de KNIL wijk Tjiateul.

Auteur Reggie Baay heeft in 2008 een zeer leesbaar boek gepubliceerd over het fenomeen ‘de njai’. Reggie Baay is een Indo man die met zijn boek bewijst dat Indo’s wel degelijk iets te vertellen hebben over hun verleden.



Djeminem de njai en later echtgenote van Casper Frederik Deuning rond 1896
Zij was de moeder van Charlotte en de grootmoeder van Julie


klik op het boek voor een korte beschrijving van het boek


Een illustratie uit het boek De njai; Moeder van alle volken

Machine fabriek 'De Volharding'. Hier begon de Engelse grootvader van William C. Dobson aan zijn eerste baan in Soerabaja rond 1870

Gezicht op Soerabaya

Het marine vliegveld van Soerabaya in opbouwfase 1927

1940 - Een onderzeeboot in de haven van Soerabaya

Leslokaal van de Artsen opleiding in Soerabaya

Consultatiebureau en opleiding voor verloskundigen

Een foto uit 1991 van Niasstraat 40 in Soerabaya

Glas in lood eveneens in de Niasstraat 40 Soerabaya 
- foto's zijn van Hans R vd Woude





1946 - herstellen, verzamelen en vertrek naar Nederland

Julie werd op 26 april 1946 na haar aankomst op station Manggarai direct geconfronteerd met de in Nederlands-Indië teruggekeerde Nederlandse bureaucratie. Zij werd opgevangen door oud medewerkers van het NICA (Netherlands Civil Administration) intussen omgedoopt tot AMA-CAB (Allied Military Administration – Civil Affair Branch). 

Ondanks de vaak onbeschrijfelijke toestanden die waren ontstaan na het eenzijdig uitroepen van de Indonesische Republiek in augustus 1945 en vervolgens na het uitbreken van de Bersiap was men er in geslaagd om vanaf  oktober 1945 meer dan 220.000 Hollandse volwassenen en kinderen op te vangen, te verzorgen en te evacueren. 

De trein waar mee Julie eind april 1946 uit Cheribon was vervoerd  was een ruilhandel geweest tussen de nationalisten de geallieerden en de Nederlandse legerleiding. Vanaf station Gombong waren in de zelfde dagen van april ‘46 gezinsleden van TNI militairen vertrokken naar gebieden waar het geallieerde gezag (nog) geen greep op had.

Het in 1943 op Ceylon (Sri Lanka) gevestigde geallieerde commando heeft onder leiding van Lord Louis Mountbatten het RAPWI (Recovery of Allied Prisoners of War and Internees) opgericht. Deze dienst had als taak om gevangenen op te sporen, te voeden, aan te kleden en te evacueren. Eerst op verzamelpunten en daarna naar hun thuisland. In Nederlands-Indië hebben meer dan 10.000 RAPWI medewerkers meegeholpen aan deze succesvolle operatie. 

Julie werd na aankomst doorverwezen naar kamp Tjideng wat nog geopend was voor evacuees en waar zich ook een ziekenboeg bevond waar de ernstige beriberi verschijnselen van Julie behandeld konden worden. Julie had last van desoriëntatie en moeite met haar geheugen. Uiteraard vertoonde zij ook ondervoeding verschijnselen. Men had veel ervaring met dit soort patiënten en Julie knapte binnen een aantal weken enorm op. 

Tijdens haar wandelingetjes door kamp Tjideng ontdekte zij dat er verschillende kantoren van de AMA-CAB (voormalig NICA) waren gevestigd waaronder een klein hulp-postkantoor en een afdeling ‘werkverschaffing’ onder leiding van Kapitein Krijgsman.

Kapitein Krijgsman was verantwoordelijk voor het inhuren van ‘inlanders’ (zo werden zij weer genoemd) die tegen betaling wilden werken aan het opknappen van wegen en straten van Batavia. De diensten van Julie kwamen goed van pas. Zij sprak Maleis en Javaans en men kon gebruik maken van haar opleiding als 4talige stenotypiste. Kapitein Krijgsman en zijn collega Kapitein Voerman hebben Julie geholpen aan nieuwe persoonsbewijzen en ook haar status als echtgenote van een Luitenant bij de Marine laten bevestigen. 

Over het welzijn van haar echtgenoot William die in Amerika zou verblijven kon men indertijd geen uitsluitsel geven. Hierover zou Julie pas meer horen in december 1946 nadat zij in Nederland was aangekomen. Over het lot van haar vader Ferdinand Pieter van der Steur was ook niets bekend geweest.

Julie heeft enige maanden op het kantoor van Krijgsman gewerkt in afwachting van de uitkomst van een onderzoek wat door Pro Juventute Batavia op gang was gebracht. Pro Juventute was de toenmalige ‘kinderbescherming’ die al meer dan 50 jaar actief was in vele delen van Nederlands-Indië. In juni 1946 had Julie met hulp van Krijgsman een vlucht kunnen maken met een Dakota postvliegtuig die een dagelijkse verbinding had met Bandoeng.  Eenmaal in Bandoeng aangekomen had zij haar moeder niet in de oude wasserij aan de Merdikaweg gevonden. Die was in brand gestoken door strijdlustige jongeren. 

Moeder Charlotte verbleef in een opvangkamp (afgeschermde woonwijk) met Julie’s zoontje Billy. Ukkie Sombeek de oud PTT collega van Julie woonde nog wel in haar huis in een wijk van Bandoeng. Sombeek had Julie’s tweede kind vanaf zomer 1943 opgevangen en Ted was inmiddels bijna 5 jaar oud en herkende zijn moeder nauwelijks.

Ukkie Sombeek weigerde kleine Ted terug te geven. Zij beschuldigde Julie ervan gecollaboreerd te hebben met de Japanners en zelfs als Jappenhoer voor hen gewerkt te hebben. Hierin werd zij gesteund door de jongere broer van haar echtgenoot William Dobson, Jim. Ukkie en Jim hadden een aanklacht bij Pro Juventute Bandoeng tegen Julie ingediend en in afwachting van de uitkomst van een onderzoek moest Julie onverrichterzake terug keren naar Bandoeng. 

Het bewijs wat Ukkie aanvoerde was mager en gebaseerd op roddels maar ingegeven om op die wijze Ted bij zich te kunnen houden. Julie was door de jaren heen verschillende keren in de bedrijfskleding van een Japanse Sakura winkel naar Bandoeng gekomen. Ook haar raadselachtige verdwijning in de zomer van 1943 zou bewijs moeten zijn. 

Julie heeft met hulp van Krijgsman en Voerman voldoende positieve getuigenverklaringen in Batavia en Bandoeng kunnen verzamelen waardoor de maatschappelijk werker van Pro Juventute uiteindelijk en tegen zijn zin formeel toestemming moest geven voor ‘gezinshereniging’.

Terwijl Julie in afwachting van het onderzoek hard werkte in het kantoor van Krijgsman verscheen er een sjofel geklede en broodmagere man op kantoor. Het was Boy. Julie had sinds 1943 niets meer van hem vernomen en had gedacht dat hij was omgekomen. Boy bleek jarenlang onder verschrikkelijke omstandigheden als dwangarbeider voor de Japanners gewerkt te hebben. 

Hij was pas onlangs in Batavia aangekomen en zocht werk. Boy had gehoord dat er een werkverschaffingskantoor in kamp Tjideng was maar wist niet dat zijn zus daar zou werken. Voor Julie was het duidelijk. Zij wilde niets liever dan vertrekken en de moeizame jaren achter zich laten. Julie wilde haar echtgenoot weer terug zien en een nieuw leven opbouwen in een land waar geen onrust zou zijn.

September 1946- Julie verneemt in Bandoeng dat haar echtgenoot is omgekomen



Moeder Charlotte, Julie en de twee kinderen kregen toestemming om als gezin van een omgekomen Marine officier naar Nederland te repatriëren. Julie had graag haar jongere broer Boy (Gerard) mee naar Nederland genomen.
Voor Boy lag dat anders. Hij verweet hun vader en moeder dat hij door hen in de steek was gelaten toen hij op 11 jarige leeftijd naar het kinderhuis van hun Pa van der Steur was gestuurd. 

De doelstelling van Pa van der Steur was opvang en integratie van verweesde Indo-kinderen in de Indonesische samenleving. Als neef van Pa had Boy altijd wel een streepje voor gehad en Boy voelde zich nauw verbonden met zijn vrienden uit het Instituut van Pa en wilde hen niet in de steek laten. Het was zijn familie geworden. 

Boy is met zijn gezin, nadat President Soekarno in 1957 alle Nederlandse bedrijven uit woede over het verblijf van de Nederlanders in Nieuw Guinea had genationaliseerd medio 1959 berooid in Nederland aangekomen. Zijn droom om als door de Nederlanders goed opgeleide Indonesiër mee te helpen de nieuwe natie op te bouwen was niet uitgekomen. Hij werd ondanks zijn inzet nog steeds beschouwd als Nederlander en kon aldus niets anders dan vertrekken. Dit lot zou ook veel achtergebleven ‘oud Steurtjes’ treffen.

Terwijl eerder in Nederland en Indonesië voorbereidingen waren getroffen om met elkaar in 'gesprek' te gaan in het vakantiedorp Linggadjati zijn Julie, Ted en Billy met oma Charlotte op 25 oktober 1946 met de Ms. Klipfontein vanuit de haven van Tandjong Priok naar Nederland vertrokken. Veel bagage hadden zij niet. 

Al hun goederen en bezittingen waren in beslag genomen, verkocht, verdwenen of verbrand. 966 berooide passagiers die met gemengde gevoelens naar de langzaam uit het zicht verdwijnende kade keken. Tijdens een tussenstop in Ataka werd warme kleding uitgedeeld. 

Bij de aankomst in Rotterdam op 20 november was het koud geweest. De ramen van de bussen op weg naar de ‘contractpensions’ waren snel beslagen door de nieuwsgierige en onzekere laatste adem uit Nederlands-Indië. 


Het was altijd druk in de hoofdstraat van Meester Cornelis een buitenwijk van Batavia waar Julie jarenlang in de buurt woonde



1907 Pa van der Steur (overleden 16 september 1945) 
met Koninklijke onderscheiding en 8 van zijn Indo jongens.

Pa en zijn medewerkers hebben duizenden jongeren, geboren 
uit euro-indische relaties een tehuis ofwel een thuis gegeven. Het lot van van de vele Steurtjes die na de oorlog niet naar Nederland zijn gekomen is nog niet onderzocht.



Door Pemoeda's vernielde woning van Nederlanders tijdens 
de Bersiap periode 1945-1946



In veel huizen werden lijken gevonden, wat was deze jongeman overkomen? 
Honger, geweld? 
Door geweld en honger zijn er tijdens de periode 1942 - 1946 buiten de kampen 
meer dan 4 miljoen Indonesiërs in Nederlands-Indië omgekomen. 
Slechts zelden wordt dit feit in alle verhalen rond Indië genoemd.

Jaren later riep de Nederlandse overheid opeens dat Ned.-Indië eigenlijk een 'apart' land was geweest. Er is nog steeds een 'Back Pay' discussie gaande. 


Een RAPWI kantoor in het bekende Hotel des Indes Batavia/Jakarta



Een platte grond van het beruchte kamp Tjideng wat later ook werd gebruikt als 
kantoor voor de RAPWI-NICA en AMA-CAB - Julie werkte vlak bij blok IV



Een kade met zwaaiende mensen van de haven van Tandjong Priok 1946


Een foto van Ms. Klipfontein het schip waarmee Julie met haar moeder 
en kinderen mee naar Nederland zou varen in oktober 1946.

Als je niet uit Nederland kwam dan kwam je uit een ander cultuur en dus had je volgens de Nederlanders in die jaren vanzelfsprekend een culturele achterstand.



De Terugkeer is een strip van Eric Heuvel en Ruud van der Rol gemaakt in opdracht 
van het Indisch Herinneringscentrum BronbeekDe strip is ontwikkeld 
om als lesmateriaal te gebruiken. 

De titel gaat echter in het geheel niet op voor mensen zoals Julie en veel andere 
Indo's die nooit eerder in Nederland waren geweest.

Voor hen was het vertrekken om vaak nooit meer terug te keren. 
Het stripverhaal is nog te koop.



Een veelzeggende pagina uit De Terugkeer



Indo's aan het woord in De Terugkeer


jaaroverzicht 1946 

Jaren later riep de Nederlandse overheid opeens dat Ned.-Indië eigenlijk 
een 'apart' land was geweest. Er is nog steeds een 'Back Pay' discussie gaande.