Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of  begin 2018
Posts tonen met het label Jan Breman. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jan Breman. Alle posts tonen

1938 Julie wordt 18 en verhuisde naar Jakarta en werkte voor de PTT

Vandaag had ik een rotdag. De voorgaande nacht was al niet zo best geweest. Werd boos wakker en sliep met moeite weer in. Ik had gedroomd over mishandelde inlanders op Java en over Wajangpoppen die waarschuwden dat er een grote oorlog op komst was. Kennelijk had ik de voorgaande dagen teveel over Indië gelezen. 

Dit Blog heeft als thema verdringing en ontkenning. Na tientallen boeken, honderden artikelen gelezen en vele foto’s over ‘ons Indië’ bekeken te hebben valt niet te ontkomen aan de beschrijving dat de voormalig koloniaal Nederland Rijks Beheerders en hun onderdanen zich honderden jaren lang vaak zeer schandalig hebben gedragen t.o.v. de inlandse bevolkingen waar zij over heersten.  En dat zit me vandaag goed dwars. 

In de naoorlogse geschiedenisboeken en op de Nederlandse scholen wordt nauwelijks iets vermeld over de deelname van Hollandse onderdanen aan de uitpersing en wandaden oogluikend toegestaan door van de vele Nederlandse regeringen die precies wisten wat er gaande was in hun ‘overzeesche gewesten’. Dat de halve Amsterdamse grachtengordel met woekerwinsten uit de Oost zijn gefinancierd zullen zich vandaag de dag maar weinigen bewust zijn. 

Naast de zeer terechte Indië herdenkingen vanwege de geleden ellende door de Japanse bezetting zou er wat mij betreft meteen een herdenkingsdag voor de mishandelde en vermoorde inlanders gehouden mogen worden. En dat zijn er heel wat meer dan het aantal slachtoffers uit 1942-1946.

Julie is een 'Indo' meisje wat opgroeide tussen de blanke en donker gekleurde inlanders en andere ‘vreemde oosterlingen’. Zij is niet in een kampong geboren maar heeft ouders met een gemengde achtergrond uit de wat hogere welstand regionen. Haar moeder had de lagere school afgemaakt en enige jaren huishoudonderwijs. Haar vader had meer kansen gehad en was op 18 jarige leeftijd in dienst gekomen bij de Verenigde Klaatensche Culturen Maatschappij die hem de gelegenheid gaven om naast zijn werk bij te studeren.

Julie’s moeder was 50% Hollands en 50% inlands. Julie’s vader 100% blank. Toch zag Julie er zeer Indonesisch uit. Er waren rangen en standen onder de Indo’s. De Hollanders waren immers A volk. De Indo’s en vreemde oosterlingen B volk en de Inlanders C volk of nog lager. Onder het B volk werd echter ook weer onderscheid gemaakt op basis van uitstraling, afkomst, opleiding, achternaam, beroep, functie, welstand enz. De doorsnee Indo woonde in twee werelden. De verfijnde Javaanse manieren werden afgewisseld met het doortastende en zakelijke van de gemiddelde Hollander. De twee (of meerdere) gezichten van de Indo. Of is het een voortdurende spagaat? Hier komen wij later op terug.

Julie was in december 1938 achttien jaar oud geworden. Zij had een goede baan bij de PTT in Batavia die zij weldra zou verliezen vanwege seksuele intimidatie door een Hollandse afdelingchef. Maar wie is zij? Waar hoorde zij bij? Bij de witte Hollanders? Of bij de inlanders? Julie’s achternaam was van der Steur maar haar donkere uitstraling zorgde ervoor dat zij toch wel heel vlot bij de Indo’s werd ingedeeld. 

En telkens opnieuw moest Julie aan de witte Hollanders uit leggen dat zij maar 25% Indonesisch bloed had en naar échte witte scholen was geweest. Omdat zij haar baan kwijt was geraakt en aldus zonder inkomen, solliciteerde zij ten einde raad bij een Dancing in de binnenstad van Batavia waar zij als serveerster aan het werk kon om de hoofdzakelijk witte bezoekers te animeren met drankjes en het zingen van liedjes onder begeleiding van een dansorkestje. Daarnaast verdiende zij bij door kleding te maken voor vrienden en kennissen. De kans op een nieuwe baan in overheidsdienst was door haar gedwongen vertrek minimaal. Want je moest als Indo geen ruzie krijgen met een witte Hollander.

Julie kwam dus niet uit de kampong rond de nabijgelegen KNIL kazernes waar een heetgebakerde jonge Nederlandse jongen onder de klamboe was gekropen met een volgzame en hongerige inlandse schoonheid. Om later haar mooie kindje bij Pa van der Steur in het Oranje Nassau Instituut in Magelang onder te brengen omdat zij de schande van het verlaten zijn niet kon verdragen én de voeding voor de baby niet kon opbrengen. Die korte warme omhelzing met die Hollandse jongen had haar een niet door de Nederlandse Regering erkende pracht baby opgeleverd. 

Alweer zo’n nieuwe Indo zonder Hollandse naam. Zijn moeder noemde hem Pierre omdat haar minnaar zich zo had genoemd. Een achternaam had zij nooit gehoord. Pierre werd een van de 7000 ‘van der Steurtjes’. Tussen de Indo’s Julie en Pierre zijn aldus vele 'Indo' varianten denkbaar die door het lot bepaald werden en zeker niet door het Nederlandse Wetboek want dat mooie wetboek was nauwelijks van toepassing op Indo's en inlanders in vergelijk met de rechten van de Hollanders.

De rond de eeuwwisseling geïntroduceerde ‘Ethische Politiek’ waardoor de inlanders het beter zouden krijgen was een wrang zoethoudertje geworden binnen een nationale en internationale marketing politiek. Het enorme inkomen uit Oost-Indie was immers belangrijker voor Nederland dan een winst verslindende welzijn organisatie op te bouwen voor miljoenen inlanders die afhankelijk werden gemaakt van de dagelijkse fooi die zij voor hun noeste arbeid ontvingen (lees hierover o.a. Koelie-ordonantie). 

De wantoestanden rond de inlandse werknemers op Sumatra werden begin 1900 beschreven in De millioenen uit Deli door mr. J. van de Brand. Naar aanleiding van zijn publicaties werden er een ook in de Tweede Kamer vragen gesteld en er zou een officieel rapport opgesteld worden wat later in de doofpot zou verdwijnen.

Dit rapport staat bekend als het Rhemrev-rapport uit 1904 opgesteld door een officier van Justitie uit Batavia. Deze J.T.L. Rhemrev (een Indo waarvan vermoedelijk verwacht werd dat hij zijn werk toch niet goed zou doen) had in mei 1903 de opdracht gekregen een administratief onderzoek in te stellen naar aanleiding van de ‘de brochure van mr. J. Van den Brand’. Er werd indertijd lacherig en smalend gereageerd in de Tweede Kamer op deze ‘brochure’. “Ach het zijn incidenten en het valt allemaal wel mee rond die luie Koelies”. 

In de jaren ’80 van de vorige eeuw deed Hoogleraar Jan Breman van de Erasmus Universiteit Rotterdam en van het Institute of Social Studies onderzoek. Uit zijn onderzoek kwam naar voren dat de toenmalig verantwoordelijke Minister er in 1904 persoonlijk op toe had gezien dat het rapport onder geen beding in de Tweede Kamer besproken zou worden. Dat de rapportage door Rhemrev vele malen schrijnender en kwalijker was dan de ‘brochure' van Van de Brand mocht niet naar buiten gebracht worden. Het gaat hier om misdragingen door Hollanders tegen inlanders die indertijd als 'normaal' werden geacht.

Hierboven wordt een summier voorbeeld gegeven van de verdringing en ontkenning waar de Nederlandse Staat en haar medewerkers in Nederlands-Indië zich telkens opnieuw en ten kostte van vele mensen(levens) zich in honderden jaren aanwezigheid in Indonesië schuldig aan hebben gemaakt. In deze hypocriete omgeving groeide Julie op waardoor zij haar goed betaalde baan verloor en op 18jarige leeftijd haar eerste grote levenles kreeg. Het ging in Indië niet alleen om ongestraft winst maken maar ook om huidskleur en afkomst. Een grapje? "Zijn er nog slachtoffers gevallen? Nee gelukkig niet, alleen maar inlanders".


Er bestaan veel 'anekdotes' over de machtswellust en het racisme van de Nederlanders in Indië vaak vermengd met flinke porties sadisme door lokale blanke potentaten. Dat was ook de 'minderen' zoals de Indo's niet vreemd als het ging om de mensen die weer onder hen stonden. Men zou in Nederland kunnen denken dat hier van overdrijving sprake is. De koloniale onderlinge verhoudingen kwamen immers nauwelijks voor in Nederland. 

De werkelijkheid van de koloniale samenleving zit verborgen achter een mist van Tempo Doeloe blabla en zoektochten naar Indische hapjes. Julie werd flink wakker geschud door haar gedwongen ontslag en begon steeds meer sympathie te krijgen voor het pacifisme en de Nationalisten.  


    Nederland had voor 1945 bijna 70 miljoen onderdanen
  
Batavia 1938 - G.G. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer aan het ontbijt met vrouw en dochter

Flat van de secretaris van de resident aan het Koningsplein van Batavia
                                  
                              Er werd goed geld verdiend in Indië - De Javasche Bank te Batavia

1904 De Balzaal van Gebouw Concordia te Batavia

Batavia Hotel des Indes

De Volksraad

Buiten werd de was gedaan

                                                              Multatuli - Max Havelaar


Jan Breman schreef o.a. 




De foto's hieronder laten een vertekend beeld zien. De werk en leefomstandigheden waren aanmerkelijk minder rooskleurig dan op de foto's zichtbaar gemaakt wordt. Mishandeling, gevangenneming, wanbetaling, onderdrukking en seksueel misbruik waren evenzeer onderdeel van het verblijf op een plantage als de keiharde werkomstandigheden.






    
     er werden ook Javanen verscheept naar Suriname



1940 Soerabaya 1 - Julie en William en hun eerste kindje

Terwijl Julie en William in de december 1939 hun eerste ontmoetingen beleefden in het warme Soerabaya met zijn zwoele avonden. Onderging Nederland al de mobilisatie. Vanaf eind augustus 1939 was het wachten op een oorlog die uiteindelijk in mei 1940 Nederland in alle heftigheid zou bereiken. De Duitse invasie in Polen had vanaf september 1939 meer dan 280.000 gemobiliseerde Nederlanders in de wachtstand gezet. 

In geheel Indië woonden rond 1940 circa 350.000 Europeanen waarvan circa 200.000 met gemengd bloed. Indo’s dus. De totale bevolking was circa 70 miljoen. Voor de circa 100.000 blanken was alles duidelijk, zij behoorden tot de toplaag en hadden de touwtjes in handen. Er was formeel sprake van ‘indeling naar landaard’ . Heden zouden wij dit gewoonweg ‘apartheid’ noemen. Alle niet blanken waren ‘Nederlandsch onderdaan, geen Nederlander zijnde’.

Julie was van gemengd bloed maar William niet. Toch was William met dat ‘leuke Indische meisje’ getrouwd en het was denkbaar dat dit zijn carrière zou kunnen schaden. De blanke gemeenschap was immers zeer gesloten en het is maar de vraag of de blanke dames Julie opgenomen zouden hebben in hun ‘hogere’ kringen.  Het jonge paar zou zich gaan vestigen in een vrijstaande woning aan de Niasstraat niet ver van het centrum van Soerabaja. William kreeg het vanaf mei 1940 steeds drukker als marineman want de regering in Batavia zette alle middelen in om de defensie te versterken. Hierbij lag het accent op orde en handhaving van de rust. Terwijl de Japanners hun militairen juist trainden op offensieve tactieken. De Nederlanders in  Indië lieten zich leiden door berichten van o.a. de Engelsen dat het Japanse leger niet veel voorstelde. Anderzijds trachtte de regering in Batavia de Japanners te imponeren met veel openbare militaire demonstraties waarbij de Japanse Ambassadeur met zijn gevolg als toeschouwers werden uitgenodigd.

Toen Julie en William vanaf maart 1940 zeker wisten dat er een kindje op komst was zullen zij net als vele andere jonge echtparen gewoonweg blij geweest zijn en met de voorbereidingen begonnen om de baby in een warm nest te kunnen ontvangen. Julie’s creativiteit en handigheid moet een grote geruststelling geweest zijn voor William die lange dagen  op de Marine basis maakte vanwege de opgelopen internationale politieke spanningen met Japan. 


Julie richtte het huis grotendeels zelf in. Naaide de gordijnen, maar kon ook goed met de verfkwast, hamer en zaag overweg. Ook in haar tweede huwelijk met Anton Deijmann was het Julie die altijd het voortouw én de hamer op nam bij verbouwingen in de steeds groter wordende huizen voor haar bijna jaarlijks groeiende gezin. Julie zou haar laatste baby in 1969 krijgen. Het zou haar veertiende kind zijn en Julie werd in dat jaar 49 jaar oud. Julie hield van al haar baby’s. De zwangerschappen gingen haar gemakkelijk af. 

Net zoals de zwangerschappen van haar grootmoeder van haar moeders kant Joanna Deuning die het merendeel van haar kinderen in het grote huis bij Bojolali zou baren. Joanna werd pas zo genoemd nadat zij in 1892 tot christenvrouw was gedoopt. Haar echtgenoot was Casper Frederik Deuning die pas op 9 september 1893 met Joanna ofwel Djeminem zou trouwen. Er waren toen al 11 kinderen geboren. Na 1893 volgenden er nog 3 kinderen. Henri, Charlotte (de moeder van Julie) en Marie. De kleine Marie werd op 23 mei 1898 geboren. Het moet een zware bevalling geweest zijn. Joanna zou enige dagen later overlijden.

Het was 29 mei 1898 dat Casper het droeve nieuws aan zijn kinderen zou gaan vertellen dat moeder Djeminem in haar laatste kraambed was gestorven. De vrouw met wie Casper vanaf 1875 had samen gewoond op het terrein van Suikerfabriek Tjokro-Toelong en later na zijn pensionering in Bojolali een wijk in de heuvels niet ver bij Soerakarta (Solo) vandaan. Djeminem zal niet ouder dan 46 zijn geweest toen zij het leven liet. Casper was net 55 jaar oud geworden toen hij alleen met 14 kinderen achter bleef. Julie heeft altijd het kleine portretje gekoesterd van haar sterke grootmoeder. Haar volledige naam was Raden Ajoe Sinem Istri Kamidjojo.

Charlotte de moeder van Julie sprak altijd met zachte stem en diep respect over haar moeder 'de Prinses' voor Charlotte was haar moeder op het zelfde niveau als het Nederlands Koninklijk Huis. Raden Ajoe zou zoveel betekenen als Prinses in het Maleis. Veel inlandse vrouwen lieten zich echter ook Raden Ajoe noemen vanaf het moment dat zij samenleefde met een Europeaan. Maar eigenlijk waren zij een ‘bijzit’ een njai zonder rechten. Het siert Casper Frederik dat hij al zijn kinderen erkend heeft. Met Djeminem getrouwd is en ook toestemde in haar doop waardoor zij de laatste jaren van haar leven als Johanna door het leven kon gaan.

De moeder van Julie, Charlotte was de dochter van Casper en Johanna. Charlotte heeft haar ouders nauwelijks gekend. Haar moeder overleed toen Charlotte twee jaar oud was en in 1905 stierf haar vader Casper. Het gezin Deuning viel min of meer uit elkaar, een ieder had zijn eigen bezigheden en Charlotte woonde vanaf 1905 jarenlang in het weeshuis van de Zusters Franciscanessen in Semarang waar zij onderwijs genoot en tot circa haar 18de levensjaar zou verblijven. Charlotte moest misschien wel een ideaal beeld rond haar overleden ouders ontwikkelen om de eenzaamheid en het gemis van haar ouders in het weeshuis te kunnen overwinnen. Charlotte heeft mogelijk nooit geweten dat haar moeder een ‘inlandse bijzit’ was. Of wilde Charlotte het soms niet weten? 

Indertijd zal Charlotte niet vermoed hebben dat haar dochter Julie zoveel naar haar inlandse grootmoeder Djeminem zou gaan aarden. De moeder van de vader van Julie (Ferdinand Pieter van der Steur) heette, toeval of niet ook Joanna (Heijligers). Djeminem en Charlotte hebben beiden 14 ‘erkende’ kinderen gekregen. De eventuele miskramen zijn niet meegeteld. Waarom Djeminem  aan zoveel kinderen het leven schonk is niet duidelijk. Was het wederzijdse liefde tussen Casper en Djeminem? Casper had immers goed verdiend als beheerder en administrateur van Suikerfabriek Tjokro-Toelong en het grote publieke schandaal waar hij door zijn broer in 1882 op werd betrokken waarbij een pas geboren baby heimelijk werd vermoord had schande over de Deunings gebracht. Wilde Casper door de komst van de vele kinderen bewijzen dat hij niet zoals zijn broer was? 


De kinderen die Julie na de oorlog zou baren zouden volgens Julie geboren worden als representatie van onthoofde medegevangenen. Onthoofdingen die Julie op straffe van onthoofding met open ogen moest aanzien van de Japanners toen zij in 1943 in de gevangenis van Bandoeng was opgesloten wegens haar verzetsactiviteiten in de KNIL wijk Tjiateul.

Auteur Reggie Baay heeft in 2008 een zeer leesbaar boek gepubliceerd over het fenomeen ‘de njai’. Reggie Baay is een Indo man die met zijn boek bewijst dat Indo’s wel degelijk iets te vertellen hebben over hun verleden.



Djeminem de njai en later echtgenote van Casper Frederik Deuning rond 1896
Zij was de moeder van Charlotte en de grootmoeder van Julie


klik op het boek voor een korte beschrijving van het boek


Een illustratie uit het boek De njai; Moeder van alle volken

Machine fabriek 'De Volharding'. Hier begon de Engelse grootvader van William C. Dobson aan zijn eerste baan in Soerabaja rond 1870

Gezicht op Soerabaya

Het marine vliegveld van Soerabaya in opbouwfase 1927

1940 - Een onderzeeboot in de haven van Soerabaya

Leslokaal van de Artsen opleiding in Soerabaya

Consultatiebureau en opleiding voor verloskundigen

Een foto uit 1991 van Niasstraat 40 in Soerabaya

Glas in lood eveneens in de Niasstraat 40 Soerabaya 
- foto's zijn van Hans R vd Woude





1942 Soerabaya 9 februari - Julie en de Waringin boom

Na het vertrek van William rond 8 februari naar Australië was Julie alleen achtergebleven met de 2 kleine kinderen. Zij kon vanwege de grote onrust in Soerabaya haar dagelijkse wandelingetjes met de kinderen naar het koelte gevende stadspark waar ook een groot aantal Waringin bomen stonden niet meer maken. Hoe vaak had zij daar al niet gezeten in het afgelopen jaar, hopend op een goede afloop. Ook haar vader Ferdinand had hier als peuter met grootmoeder Joanna rond gelopen terwijl haar echtgenoot Julie’s grootvader, in 1901 in het gesticht van Lawang werd behandeld voor ‘zenuwinzinkingen’. Julie voelde zich echter steeds ‘onveiliger’ worden in het vochtig hete Soerabaya. De bekende warme stadsgeuren hadden plaats gemaakt voor een andere zwaardere geur, een brandlucht die was opgekomen nadat het eerste zware bombardement op de stad door de Japanners op 3 februari had plaats gevonden.

Julie had al vanaf 1939 zich langzaam nestelende gevoelens van ‘onveiligheid’ gekregen die zij telkens opnieuw van zich af had gezet. Het incident met haar PTT chef die haar tegen haar wens had willen verleiden en de daarop volgende heftige discussies op het kantoor en haar besluit om zelf ontslag te nemen hadden haar min of meer wakker geschud. 
Het ongeoorloofde gedrag van haar Nederlandse ‘meerdere’ werd op basis van de toen in Indië heersende rangen en standen onder tafel geveegd en Julie moest of zwijgen óf vertrekken en ‘de eer’ aan zich zelf houden. Onder de grote Waringin boom van Hotel des Indes in Batavia besloot zij haar leven in eigen hand te nemen en zich niet maar te laten leven door kantoortijden en loyaliteit aan een blanke onbekende baas die handtastelijke werknemers toeliet.

Later zou Julie vertellen dat de vele Waringin bomen op Java haar altijd geestelijke kracht hadden gegeven. Als er problemen waren dan zocht zij juist deze boom op. Het liefst een Waringin aan een kleine rivier zoals vroeger toen zij jonger was en op het terrein van Suikerfabriek Delanggoe opgroeide wat nu Pabrik Gula Delanggu heet. Toen Julie op TV het bezoek van Juliana aan Indonesia in 1971 bekeek was zij aandachtig en stil maar snikte opeens onbedaarlijk toen zij een grote Waringin boom in beeld zag verschijnen.
Julie wilde zich niet zoals vroeger, toen haar vader vanwege zijn werk het gezin had verlaten opnieuw zo eenzaam en alleen voelen. Haar moeder was weliswaar aanwezig geweest evenals haar broertje. Maar die beklaagden zich meer over hun eigen kleine problemen dan dat zij onderling solidair waren na het vertrek van vader Ferdinand. Julie stond qua psychologische ontwikkeling vanaf het vertrek van haar vader min of meer alléén! Als 12jarig meisje had zij in de jaren ’30 de gevolgen van de grote werkeloosheid op Java gezien. Bedelende en hongerende inlanders, werkeloze Indo’s en Europeanen. Haar vader had zich altijd optimistisch gedragen en had ook aan Julie uitgelegd dat hij hoe dan ook wilde werken om niet bij de pakken neer te zetten. Desnoods werk zoeken in het buitenland.

Julie miste al snel haar vader met wie zij samen een bondgenootschap had gevormd tegen het klagende en immer ontevreden gedrag van moeder Charlotte. Vaak hadden zij samen de kranten gelezen en geluisterd naar de opera’s en andere klassieke muziek die Ferdinand mee naar huis bracht. Julie genoot van zijn lange slanke vingers en handen als hij weer eens iets aan het knutselen was. Of als hij de bouwtekeningen van machines voor de suikerfabrieken op de tafel uit had gespreid en deze met plezier bestudeerde en geduldig aan Julie uitlegde welke veranderingen hij zou aanbrengen zodat er minder problemen waren en de productie niet in gevaar zou komen.
In het benauwde Batavia van 1939 besloot zij na haar ontslagname niet met de stroom van de algehele ongerustheid over de toekomst van Indië mee te gaan. Julie had geen enkele binding met Nederland. Zij had daar ook geen familie. Het verschrikkelijke incident bij de PTT had haar duidelijk gemaakt dat zij door haar Indo afkomst nooit tot de ‘elite’ zou behoren. Met enige afschuw had zij het toegefluisterde advies ‘denk toch aan je toekomst’ van haar Indo collega’s om zich ‘rustig te houden’ terzijde geschoven. Net zoals haar vader haar had geleerd wilde Julie ‘niet bij de pakken neer zitten’. Vele jaren later heeft zij dat 'nooit opgeven' als het soms niet zo makkelijk ging ook op al haar kinderen (getracht) over te brengen. Julie had het in december 1941 maar vreemd gevonden dat Nederland de oorlog aan Japan had verklaard terwijl de Nederlandse regering zelf al naar Engeland was uitgeweken. Het leek welhaast een uitnodiging aan de Japanners om dan maar Nederlands-Indië aan te vallen. Achteraf gezien was dat ook zo! De dagen gingen snel voorbij voor Julie. Haar jonge kinderen vroegen de normale aandacht. Het bezoek wat langs kwam met opgewonden of sombere verhalen  nam eveneens veel tijd in beslag. Julie luisterde naar de berichten op de radio en volgde het nieuws in de kranten als de kinderen in de achtertuin hun slaapje deden of in hun bedjes lagen. Julie voelde zich steeds minder veilig maar had geen idee wat haar te wachten stond. 1942 - Nog geen drie jaar na het incident in Batavia zat Julie min of meer opgesloten in haar huis aan de Jalan Nias te Soerabaya. Met twee kleine kinderen en een echtgenoot die was vertrokken om voor het vaderland te vechten. Jazeker, zij zou hem volgen met een boot naar Australië. Maar wanneer? Als Julie naar buiten keek zag zij aan de overkant van de weg steeds meer treinen met militairen en wapentuig aankomen of vertrekken. Op straat ook veel vrachtwagens en militairen. 

De vrouwen en vriendinnen van de collega’s van William voelden zich ook onzeker over hun toekomst. Zij hadden samen gesproken en gehuild en zich grote zorgen gemaakt over de toekomst van hun jonge gezinnen. Al vanaf de oorlogsverklaring van Nederland aan Japan op 8 december 1941 was het onrustig geworden en had William soms iets los gelaten over a.s. vernielingen in Soerbaya van de voor Japan strategische doelen. Op 10 januari 1942 verklaarden de Japanners op hun beurt de oorlog aan het Koninkrijk der Nederlanden. Julie wist dat de Japanners op 11 januari het olie eiland Tarakan voor de kust van Borneo op het KNIL hadden veroverd om van daaruit de andere eilanden te bezetten. Want olie en andere grondstoffen dáár kwamen de Japanners voor net zoals de Nederlanders honderden jaren terug. Pas vele jaren later zou zij van haar nieuwe zwager (H.J.A Deijmann) horen dat hij een rol had gespeeld bij ‘de overdracht’ van het loodslichtschip wat aldaar voor de kust had gelegen. Hij was wat Julie betreft een van de weinigen in haar nabijheid die had begrepen in welke toestand het voormalig Indië had verkeerd tijdens de oorlog. Alhoewel hij wel benadrukte dat de (zijn) kampervaringen natuurlijk veel erger waren dan het leven buiten de kampen.

Op 28 februari 1942 zou de ‘Combined Striking Force’ het op moeten geven tegen de Japanse overmacht. Dit werd later de Slag in de Javazee genoemd. De Japanners kwamen hierdoor steeds dichter bij Soerabaya en steeds dichter bij het huis van Julie en de twee kleine kinderen. Met William had zij voor zijn vertrek afgesproken dat zij in het ergste geval naar Probolinggo zou gaan. Daar woonde een tante een zus van moeder Charlotte die aldaar een pension runde. De stad was voorzien van een haven waar eventueel ook nog (visser) schepen naar Australië zouden vertrekken. Maar eigenlijk was er geen echt plan. Niemand had kunnen voorspellen hoe het met Julie en de kinderen zou vergaan vanaf de 9e februari. Ook de Waringinboom in het stadspark van Surabaya niet.




De Muziektent in het stadspark van Soerabaya

Ingang van de stadstuinen van Soerabaya

De Waringin boom bij Hotel des Indes in Batavia


Kali in Soerabaya 

Soerabaya Darmo buurt

De Simpang Societeit Soerabaya

Ook aan de muur van de Simpang Societeit zat een bordje geschroefd
'Verboden voor honden en Inlanders'


Wilhelmina zou tijdens de kersttoespraak van 1943 nieuwe beloftes doen
Veel Nederlanders weten niet dat Nederland aan Japan 
de oorlog heeft verklaard.


De Zweedse Consul schreef een lijvig rapport over de situatie in Soerabaya vanaf 1942




Tarakan olieveld na de bezetting

 lees meer op tarakan.nl/


Nationaal Archief


28 februari 1942 - 'Slag in Javazee'
Diederik van Vleuten en Theo Doorman vertellen bij Pauw en Witteman. 

Tijdens de discussie zegt mijnheer Doorman dat het om het lot van 150.000 Europeanen zou gaan. Zou hij werkelijk de meer dan 200.000 Indo's per ongeluk vergeten zijn?

 


Trouwfoto december 1951
 in het midden Julie, links achter haar echtgenoot Anton 
rechts achter haar de broer van Anton, 
H.J.A. Deijmann


1943 - Bandoeng voorjaar 1943-deel 2 - Julie verlaat onvrijwillig haar kinderen om hen te beschermen

Het was alsof het bloed uit Julie’s lichaam weg vloeide. De warme geur van zweet en angst in de wit geverfde schoolgang mengde zich met de geluiden uit de verschillende klaslokalen en kamers die zij passeerde. Geluiden van soms geanimeerde gesprekken in het Japans dan weer gebroken Engels of Maleis en Nederlandse woorden. Dan weer geschreeuw, zacht praten het geluid van diepe zuchten en ingehouden pijn uit een half openstaande deur waar Julie in een flits zag dat iemand werd afgetuigd. Het waren allemaal mannen die zij in de schoolgangen zag. Japanse officieren, Japans-Koreaanse soldaten en Indonesiërs die minder goed gekleed waren dan hun meerderen. Ook Japanse mannen in burger kleding passeerden haar. Met dossiers in hun handen. Even dacht zij de eigenaar van de Japanse fotowinkel aan de Bragaweg te herkennen.

Julie werd naar het haar leek, urenlang ondervraagd in een kleine kamer met openstaande deuren naar de tuin van de school. Toegeschreeuwd en dan weer kalm en afgemeten pratend door verschillende Japanners en leden van de Indische Politie. Voor wie zij zou werken, hoe zij aan het geld en de goederen kwam. Meer dan één naam kon zij niet geven. En Mijnheer Ingram had zij al weken niet meer gezien. De hulpgoederen en de enveloppen met geld werden immers ’s nachts op het parkeerterrein naast de wasserij van haar moeder onder een zeil geplaatst. Julie werd in haar gezicht geslagen en er werd met een zwaard gezwaaid voor haar ogen wat telkens weer neer werd gelegd op het bureau en waar zij naar moest kijken. Nooit eerder had Julie zich zo leeg en angstig gevoeld. Zij had het gevoel dat haar ziel een prop was die diep in haar lichaam verstopt zat. Haar lichaam leek wel af te koelen door het angstzweet. De mannen ondervroegen en sloegen haar in het gezicht of op haar lichaam. Julie was onder de 160 centimeter lang. Bijna even groot als het merendeel van haar ondervragers. Die waren kennelijk niet gewend om vrouwen te ondervragen. Zij hadden veel meer te maken gehad met langere en grof gebouwde blanke Nederlanders of tanige Ambonezen die bij het KNIL dienden.

Julie huilde en herhaalde kermend dat zij niets meer wist dan hetgeen zij reeds vele malen had verteld. Later vertelde Julie dat zij tijdens het verhoor alleen maar aan haar kinderen had gedacht en zich zelf had ingepraat ‘blijf leven, blijf leven’. Nadat Julie verschillende keren was flauw gevallen werd zij naar buiten gedragen en op de koel aandoende tegels van het terras aan de tuinkant van de school neer gelegd. De mannen overlegden met elkaar. Soms lachend dan weer stoer pratend. Toen Julie weer enigermate bij haar positieven kwam dacht zij aan haar fiets die zij tegen de heg naast de school ingang had geplaatst. Na verloop van tijd stond zij schielijk op en rende door de tuin naar de uitgang van de school. Haar fiets stond er nog en razend van angst en opluchting fietste Julie naar de wasserij aan de Merdikaweg waar haar moeder ongerust had gewacht Laat op de avond werd Julie alsnog afgevoerd naar de Soekamiskin gevangenis aan de Grote Postweg. Deze gevangenis was onderwijl in een kamp veranderd en er was een gesloten afdeling met politieke gevangenen waar met name Ambonese KNIL soldaten in afzondering werden gehouden. In deze afdeling zou Julie circa twee maanden verblijven.

De Japanners hadden tijd nodig om meer onderzoek te doen naar de ‘positie’ die Julie had gehad binnen de verzetsgroep waarvan de Japanners dachten dat Julie deel van had uitgemaakt. Het verzet in Bandoeng werd zeer hard en stelselmatig de kop ingedrukt. Zo moeilijk was dat ook niet. De Indonesische bevolking hielp immers goed mee. Blanke Nederlandse mannen waren al uit het straatbeeld verdwenen en ook de Nederlandse vrouwen en kinderen werden langzaam maar zeker geïnterneerd. Indo’s zoals Julie werden voorlopig met rust gelaten maar moesten zich zeer bescheiden en terughoudend opstellen want verraad en geroddel waren aan de orde van de dag. De Bandoengse Soekamiskin gevangenis werd rond 1930 onder Nederlands bewind gebouwd. Na de capitulatie in 1942 werden daar o.a. gouverneur-generaal Starkenborch en zijn staf geïnterneerd. Het inheems gevangenis personeel stond vanaf maart 1942 onder leiding van een Japanse kampcommandant geassisteerd door Koreaanse bewakers en Indonesisch politie personeel. 

Na circa 8 weken werd Julie vrijgelaten. D.w.z. zij moest beschikbaar blijven voor eventuele nieuwe verhoren. Zij trok weer in bij haar moeder Charlotte aan de Merdikaweg waar ook de twee kinderen Billy en Ted verbleven. Julie was sterk vermagerd maar was vooral zeer aangeslagen door de gebeurtenissen in de gevangenis. De martelingen die haar celgenoten hadden moeten ondergaan. Het verzorgen van hen die wél terug kwamen uit de verhoren. Het stille treuren om hen die niet terug kwamen na de verhoren. Het samen bidden en het stille zingen tijdens deze donkere dagen en doorwaakte nachten zou haar voor de rest van haar leven verbinden met het lot van de Ambonezen die zo trouw zouden blijven aan het Koningshuis. Nog in de jaren ’90 schreef Julie protest brieven en verzocht o.a. Amnesty Internationaal om hulp voor de Ambonezen. In het laatste jaar van haar leven waren de beelden uit de gevangenis bijna dagelijks bij Julie terug gekomen. Kort na haar thuiskomst bij moeder Charlotte besloot Julie dat het veiliger voor iedereen zou zijn als zij zo snel mogelijk uit Bandoeng zou vertrekken. Welke andere keuzes had Julie in het voorjaar van 1943? Wie, in Bandoeng had haar verraden? Wie kon zij nog vertrouwen? Zij was op de vlucht voor de Japanse Kempeitai vanwege verzetsdaden. 

Julie had twee jonge kinderen en een moeder die noodgedwongen de kleding van Japanners waste in de wasserij van haar vriend die al in april 1942 in een kamp was opgesloten. Julie kon niet bij haar moeder wonen in een huis waar voortdurend Japanners in en uit liepen. Overal was gevaar en haar grootste tegenstander was haar afkomst. Een goed opgeleid Indo-Europees meisje, getrouwd met een KNIL-Marine officier. Op welke manier kon zij het beste haar twee jonge kinderen beschermen? Hoe zou zij aan middelen moeten komen om haar kinderen te kunnen verzorgen?


Bandoeng Soekamiskin gevangenis rond 1930




op de website geheugenvannederland.nl kan men 
een grote serie tekeningen vinden uit de periode Bandoeng 1943


Op de tekening zijn het Indonesische bewakers die de vrouw straffen omdat zij na 9 uur 's avonds nog op straat geweest zou zijn.



vanaf 1943 werd de Indonesische jeugd getraind



uit een Japans fotoboek; Japanse familie op Java


Ook in de Indische bioscopen werden naast de propaganda films 
Japanse cartoons vertoond. De spin in het filmpje is een 'engerd' 
afgebeeld als een neger met een pijp.

De filmbeelden zijn met name interessant omdat er geen blanke Nederlanders 
op te zien zijn. Die waren immers allen opgesloten in de kampen