Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of  begin 2018
Posts tonen met het label Javamens. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Javamens. Alle posts tonen

Spekkoek - Het leven van Julie, een Indisch meisje

Eindelijk mocht ik in augustus 2015 na veel brieven en vragen uit Den Haag de supergeheime dossiers in het Nationaal Archief zien. Een zaal met veel witte formica tafels. Met zwijgende lezers die dikke dossiers uit genummerde kartonnen dozen doornemen. De vriendelijk maar afstandelijk ogende en zwijgzame bewaker zat kalm op mijn vingers kijkend op twee meter afstand. 

Er mag niets gekopieerd worden. Je mag alleen een potlood en een notitieblok bij je hebben. Overschrijven mag wel. Toen ik tijdens het lezen van de voor mij volledig onbekende informatie rood aanliep keek ik even verloren de bewaker aan. Zijn toch wel begrijpende blik ging de andere kant op. Hij zal het vaker meegemaakt hebben dat bezoekers van slag raken. Ik vroeg mij af of ik wel verder wilde lezen. De inhoud is intiem en huiveringwekkend. Het betreft immers mijn moeder. Deze dag begreep ik waarom Julie nooit heeft kunnen spreken over haar oorlogsjaren. 

Ik voelde mij duizelig, misselijk en aangeslagen. En later boos worden tijdens het lezen van de zogenaamde getuigenverklaringen uit Bandoeng die bol stonden van 'horen zeggen' en een goed beeld gaven van het geroddel, de achterklap en het verraad binnen de Indo gemeenschap die niet in de kampen had verbleven.

Julie had vanaf juni 1942 tot april 1943 deelgenomen aan verzetsactiviteiten in Bandoeng. In april 1943 werd Julie verraden en verschillende malen gevangen gezet. Dan weer een korte periode huisarrest met verhoren in haar kamer en vervolgens weer een korte detentie. Na het gedwongen bijwonen van onthoofdingen en martelingen van met name Ambonese medegevangenen werd Julie voor de keuze gesteld. Onthoofding van haar moeder en andere familie en het weghalen van haar twee kinderen of deelnemen aan spionage voor de Kempeitai en de inlandse Politieke Inlichtingen Dienst. 

Uit de dossiers in het Nationaal Archief blijkt dat Julie niet de enige Indo-Europese vrouw was die in werd gezet voor spionage of andere vormen van informatieverstrekking aan de Japanners. Of anderzijds aan de Indische politie de P.I.D. Die zeer nauw samenwerkte met de uitstekend georganiseerde Japanners. Er zullen duizenden Indo-Europeanen geweest zijn die niet in de interneringskampen verbleven en bewust of onbewust informatie verstrekt hebben aan vriendelijke inlandse buren of kennissen. Die de verkregen informatie vervolgens discreet door gaven aan de P.I.D. en de Kempeitai. 

Julie heeft op 7 augustus 1946 op acht getypte A4tjes gedetailleerd verslag gedaan over de periode mei 1943 tot augustus 1945. Na een korte detentie, verhoren, verkrachtingen en mishandelingen en poging tot zelfmoord dwong de Kempeitai haar inlichtingen te verzamelen. Met name officieren van de Duitse U-Bootdienst die de Sakura bar's in Batavia bezochten, moesten afgeluisterd en bewerkt worden. 

Julie vertrok eind juli 1943 na een zelfmoord poging onder dwang met een groepje geronselde vrouwen naar Batavia. Het groepje stond onder leiding van een Nederlandse mevrouw die speciaal vanuit Batavia naar Bandoeng was gekomen om blanke en Indo vrouwen te werven. Julie zou te werk gesteld worden in de Tsugara Bar niet ver van de Sluisbrug. En aldaar als animeermeisje onder de schuilnaam Conchita werken. Julie bleek na een aantal verhoren en verkrachtingen in juni in Bandoeng zwanger te zijn. Haar dikker wordende buik maakte haar ongeschikt om in de bar te blijven werken.

December 1943 werd Julie 'overgeplaatst' naar Cheribon waar zij als secretaresse en 'persoonlijk assistente' van directeur Dr. Okuda op de "Mestfabriek Java" kantoorwerk moest doen. De nachten en weekeinden was Julie verplicht om in het huis van Okuda aan de Kedjaksaan 18 te verblijven. In maart 1944 werd de baby dood geboren. In hoeverre de twee bij de bevalling aanwezige Indo vrouwen mee hebben geholpen bij het overlijden van de baby is onduidelijk. 

Pas toen de bommen op Hiroshima en Nagasaki in augustus 1945 waren gevallen begreep ook Dr. Okuda dat Japan de oorlog had verloren. Julie mocht weg en belande met een vrijbrief van Okuda in het uiterst onrustige Batavia waar zij opnieuw moest onderduiken.

Het flinke dossier zal de opzet van het boek ingrijpend veranderen. Vele pagina's zullen herschreven moeten worden. De tot zover ontbrekende periode van mei 1943 tot augustus 1945 heeft Julie op 7 augustus 1946 nauwgezet beschreven in het langdurig verhoor door de toenmalige geheime dienst. De NEFIS ofwel de Netherlands Forces Intelligence Service.

Toen Julie in 2001 overleed had zij een dunne kartonnen dossiermap voor mij achter gelaten. Met daarop mijn naam in zwierig handschrift en de tekst 'Alle belangrijke bewijsstukken'. Meer dan tien jaar lag de map onaangeroerd in mijn bureaula. Als zoon moest ik mij eerst trachten te bevrijden uit de soms beklemmende en somber makende herinneringen die het opgroeien bij Julie en mijn in 1995 overleden vader Anton hadden veroorzaakt.

En is dat gelukt, ben ik 'vrij'? Immers, die rotoorlogen in Nederland en Indië hebben een grote rol gespeeld in het steeds maar groeiende gezin van Anton en Julie. Ik ben geboren aan het begin van de 'grijze' jaren vijftig. In een gezin wat gedomineerd werd door twee culturen. In de periode toen het Nederland van mijn vader zich herstelde van de gevolgen van de 1940-1945 oorlog en het Indonesië van mijn gevluchte moeder zich na een bittere strijd en onder grote internationale druk in 1949 los had weten te maken van Nederland. 

Het verhaal over Julie laat zich lezen zoals het recept voor een te bereiden Indische spekkoek. Het verhaal is opgebouwd uit vele laagjes met historische ingrediënten uit Nederlands-Indië, Nederland en vele andere landen. Julie is geboren op Java. Onderdeel van een voormalige kolonie waar de Nederlanders meer dan 350 jaar aanwezig zijn geweest. En waar onze Duits-Nederlandse stamvader rond 1728 in de haven van Batavia wat nu Jakarta heet, aan zou meren en in Semarang een gezin zou  stichten.

Vanaf 1945 vertrokken er meer dan 350.000 Nederlanders of 'gemengdbloedigen' naar een vaderland waar het merendeel nooit eerder was geweest. Een land wat zij alleen maar kenden uit verhalen. Naar een land wat niet écht zat te wachten op deze grote toevloed van voor het merendeel bruin getinte immigranten.  


Dit blog zijn schrijfsels of eigenlijk aantekeningen die ik maak tijdens tijdens mijn soms zeer aangrijpende onderzoeksreis naar het verleden van Julie van der Steur, mijn moeder. Het onderzoek is begin 2011 gestart en levert telkens weer nieuwe feiten en wetenswaardigheden op die de voorgenomen publicatie van het boek over Julie vertragen.

De boekpublicatie zal een andere structuur hebben dan deze blog berichten. De in dit blog opgenomen artikelen zijn het resultaat van nog niet afgesloten onderzoek of eigenlijk een zoektocht en zullen wat dit blog betreft ingaan op de geschiedenis van Julie in Nederlands-Indië en later in Nederland. Anders dan het boek biedt dit blog de gelegenheid foto's te bekijken en door te 'linken' naar andere website's die als bron hebben gediend of nadere toelichting geven. 

In dit blog ligt het accent niet op de bekende Indische Tempo Doeloe sfeer waarin gedroomd wordt over het oude Indië en het vaak geromantiseerde verleden. Het accent ligt op verdringing, ontkenning en relativering van een soms bitter en zwaarmoedig stemmend verleden en de invloed die dit heeft gehad op Julie's leven en daardoor ook op haar kinderen en verdere nakomelingen. 

De in dit blog verkorte impressies uit het leven van Julie  worden afgewisseld met feiten die soms een geheel nieuw licht werpen op de reeds bekende verhalen uit Nederlands-Indië die door mythe vorming, ontkenning maar ook relativering achteraf kleuren kregen die in die periode nooit werden gebruikt. 

Pas vanaf de jaren '60 kreeg Nederland weer kleur. De welvaart nam toe. De opbouw van het land als gemeenschap met dezelfde regels en wetten werd minder belangrijk. Het individu mocht zich laten zien. Het werd 'ik ben' of 'ik wil'. Er kwamen nieuw immigranten vanaf de jaren '60. Immigranten die zich zeker niet zo makkelijk en stilzwijgend zouden vestigen als de Indo's. Zij worden allochtonen genoemd. 

En bij ons thuis? Was het wel een thuis, bij moeder Julie en vader Anton? Daar heersten twee culturen. De dominante Hollandse cultuur van Anton en de bescheiden verfijnd aandoende maar onderliggend eigenzinnige en trotse Indo-Europeese cultuur van Julie. Met aanvullingen en kleine verwijzingen van haar moeder Charlotte die regelmatig een paar maanden in  huis woonde en dan, na woorden met Anton weer voor een paar maanden verdween om pas later vanaf het midden van de jaren zestig volledig in te trekken. 

Er was door de aanwezigheid van oma Charlotte altijd, die bijna ongrijpbare Indische zweem in huis. De warme geur van een Indische kruiden die wat onverschillig in potjes en zakjes in de buurt van de grote pannen met Hollandse pot stonden. Oma, vertel toch eens over vroeger? Ach, dat is al zo lang geleden en zo ver van Holland vandaan. Ik ging op vijftien jarige leeftijd het huis uit. Het was mij thuis te benauwd geworden. Ik was opstandig geworden en had afstand nodig. Om te kunnen ontdekken wie ik zélf was. Ik kon mij onvoldoende identificeren met Pa. Hij was geen vaderfiguur voor mij. En Ma vond ik geen moederfiguur. Het was geen moeder die na schooltijd met een kopje thee op de kinderen wachtte. Pa en Ma waren altijd aan het werk. 's Avonds was er vermoeidheid en ver weg was er onuitspreekbaar verdriet, weemoed en onverwerkt verlies. 

Mijn ouders waren niet zoals de ouders van mijn vrienden. In hun huizen zag ik een soort warmte en geborgenheid die mij vaak in verwarring bracht. Waarom kon het bij mij thuis niet zó zijn vroeg ik mij dan af? Welke plaats nam ik in tussen de zeven zusters en zes broers? Ik was vijftien "heb ik dan niets meer over je te zeggen" vroeg Julie toen ik aankondigde uit huis te vertrekken. Jaren later zou ik vanuit de verte wat dichterbij te komen. Om te luisteren, te vragen en te begrijpen. Ma vertel eens, wat is er vroeger toch gebeurd? Met Pa, en met jou? Met jouw vader en wat voor mensen waren jou grootvaders en grootmoeders? 

Vader Anton sprak veel maar vertelde eigenlijk weinig. Hij sprak over de 'grote economische crisis' in de jaren dertig en de tweede wereldoorlog in de vorige eeuw. Over zijn jarenlange verzet tegen de Duitsers in Amsterdam, tijdens de oorlog. Julie was zwijgzaam en gesloten. Maar áls Julie vertelde dan waren het vaak korte en indrukwekkende en veelal zeer gedetailleerde flarden van kindergeluk op de suikerplantage waar zij met haar haar ouders en broertje woonden. En later heftige maar summiere mededelingen over de zware beproevingen tijdens de bezetting van Java door de Japanners. 

Door de jaren heen verzamelde ik de korte verhalen als puzzelstukjes die zich pas later zouden voegen tot het onvolmaakte beeld wat ik nu heb. En beeld wat bijna dagelijks wordt aangevuld door nieuwe informatie uit correspondentie, onderzoek en terugkerende herinneringen. 

Er bevonden zich wat foto's in de kartonnen map die ik in 2001 ongelezen in mijn bureaula had gelegd. Tussen de stapel papieren bevond zich een schrift met een kartonnen kaft 'Thailand 1996'. Julie was toen op weg naar Indonesië maar durfde uiteindelijk niet door te reizen. In dit schrift las ik het begin van een door Julie begonnen autobiografie waarin de hoofdpersonen waaronder haar overgrootouders, haar grootouders en ouders gefingeerde namen kregen. In  de verkleurde map bevinden zich circa veertig brieven en 'doorslagen' van getypte brieven en wat handgeschreven brieven die Julie 'bewijstukken' noemden. Brieven van en aan Anton, aan of over de kinderen en getypte brieven aan haar broer en haar halfzusters en broers die Julie enige jaren voor haar overlijden zou leren kennen.

Pas in 2011 was er voldoende emotionele afstand om de weinige brieven en documenten door te nemen. Het zeer beperkte aantal foto's en de korte alinea's uit haar brieven schetsen een beeld van haar onrustige jeugd en de verschrikkingen tijdens de Japanse bezetting van 1942 tot 1945 met daarna de Bersiap-periode toen de Indonesische Nationalisten het roer in Indonesië over wilden nemen. In het najaar van 1946 vertrok Julie met haar twee jonge kinderen en haar moeder naar Nederland. Naar een onbekend en geruïneerd land waar Julie als 26jarige oorlogsweduwe bepaald niet met open armen werd ontvangen. 

Dit blog is de gedeeltelijke weergave van een tocht door het verleden van Julie aangevuld met de toenmalige actualiteiten en bevat als voorpublicatie verkorte schetsen uit een nog samen te stellen boekpublicatie waarin met name de geschiedenis van Julie en de mensen om haar heen vanuit een psychoanalytisch perspectief wordt beschreven. Met specifieke aandacht voor 'verdringing' en 'ontkenning' en de gevolgen hiervan. 

Een andere rol speelt ook het 'relativeren' van hetgeen gebeurd was. De drie genoemde afweermechanismen spelen een grote rol bij de behoefte om te willen 'vergeten' maar vragen ook veel energie die tot geestelijke uitputting en depressies kunnen leiden. Vanaf het begin van de jaren '70 in de vorige eeuw had Julie steeds vaker terugkerende korte en langere perioden met depressies en had grote moeite haar verdriet maar ook boosheid over hetgeen haar in het verleden was overkomen onder woorden te brengen. 

Juist door het alsmaar relativeren en het ontkennen (ach, het viel wel mee, anderen hebben het zwaarder gehad) zorgde verdringing voor emotionele onbereikbaarheid en steeds langer durende  'verdriet perioden' bij Julie. Waarbij Julie zich afsloot voor haar directe omgeving en zich verstopte in haar atelier.

Het tekortschieten van de taal om te kunnen overbrengen wat was doorgemaakt is een terugkerend thema in het werk van Dr. Hans Keilson. Het is een thema wat ook op gaat voor de in Indonesië geboren Indo's die volgens de Nederlandse overheid zo 'succesvol en geruisloos' zijn geïntegreerd in de naoorlogse Nederlandse samenleving. Julie en de auteur van dit blog hebben Hans Keilson als therapeut gekend. Dit blog is geschreven in de geest van de uitspraken die Hans Keilson in een interview* deed. 

Het wezen van de psychoanalyse is dat je op de bank ligt en vrijuit associeert zonder ook maar iets te verzwijgen. 

Je moet precies de dingen die je niet graag hoort over jezelf kunnen zeggen, zodat je weet wat er in je leeft. 

Je moet eerlijk zijn tegenover jezelf, ook al schaam je je dood voor je gedachten. 


De uitspraken van Dr. Keilson zijn de basis voor de aanstaande blogberichten. Wie was Julie? Wat is haar overkomen? Het is een onderzoek naar achtergronden en een zoektocht naar het begrijpen van een intelligente en artistieke vrouw met een multiculturele achtergrond die in een door economische crisissen en oorlogen geplaagde wereld naar eenvoudig 'geluk' zocht.

Alinea's uit de brieven van Julie zijn aangevuld met teksten uit krantartikelen waarin Julie over zichzelf verteld. In het blog worden telkens momentopnames opgenomen die zich later tot een geheel zullen vormen. De traumatische gebeurtenissen tussen 1941 en 1946 gaan vooraf aan een onrustige periode waarin Julie opgroeit en volwassen wordt. In 1940 en in 1941 krijgt Julie twee kinderen. Na aankomst 1946 zal  Julie enige jaren later voor de tweede keer trouwen en nog eens 12 kinderen krijgen. In 1992 besluit Julie van Anton te scheiden en vertrekt naar Italië. 

Ondanks de ook bij Julie zo bekende Indische zwijgzaamheid heeft Julie tijdens de laatste 20 jaar van haar leven momenten gehad waarin zij iets meer los liet dan voorheen. Het geheugen is niet altijd even betrouwbaar maar foto's, agenda's, boeken, kranten, archieven, filmmateriaal en de gesprekken met kinderen, vrienden en kennissen van Julie brengen weer veel geschiedenissen tot leven. Langzaam bouwen zich de laagjes op, net zoals bij het maken van een spekkoek ofwel Lapis Legit


De omgeving waar Julie is opgeroeid heeft een uitzonderlijk rijke culturele geschiedenis die vele jaren ouder is dan Nederland. Miljoenen jaren oude vulkanen die op gezette tijden actief werden zorgden voor een uiterst vruchtbare bodem. Er bevinden zich eeuwen oude tempelcomplexen met verborgen mythische verhalen waar Julie al heel jong veel over hoorde en ook vaak op bezoek is geweest. Paleizen waar de Sultanaten zich hadden gevestigd met landerijen die plantage's werden waar Julie's voorouders zijn geboren. Java was het eerste eiland in Indië waar Nederlanders en andere Europeanen veel geld verdienden en zich daarnaast vermengden met de lokale bevolking. 

Al bij aankomst van de VOC schepen rond 1600 begon de vermenging met de lokale bevolking. De eerste Indo-Europeanen waren al geboren uit de Portugezen in de jaren daarvoor. Er werd handel gedreven, er kwamen havens, verharde wegen en spoorlijnen. Er werden plantages aangelegd en fabrieken gebouwd. Er ontstonden Europese en Chinese wijken tussen de kampongs in de almaar groter groeiende steden. De rond 1900 geïntroduceerde Ethische Politiek zou de samenleving in Nederlands-Indië van meer gelijkheid en welvaart moeten voorzien.

Het verhaal van Julie begint op Java rond 1840 in de omgeving van Soeracarta. Het was de periode van het landrentestelsel daarna volgen het cultuurstelsel en de ethische politiek. Meer dan 1000 jaar geleden werden er grote en kleine boeddhistische tempels gebouwd. Met de komst van de Islam op Java en de omringende eilanden werden er vele grote en kleine moskeeën gebouwd. Later kwamen er de kerken en kloosters en er werden verharde wegen aangelegd en steden met flinke Hollandse gebouwen en grote en kleine huizen in Hollandse stijl. 

Hollandse invloeden in een land met een bevolking die al duizenden jaren op de vele eilanden woonden en die hun eigen animistische tradities zouden vermengen met  nieuwe religies en door buitenlanders opgelegde wetten. Julie groeide op in een Nederlands-Indisch gezin. Een Indo-Europeese familie. 

Als Julie, eenmaal in Nederland aangekomen en opnieuw een gezin sticht worden deze 'roots' opnieuw doorgegeven. Er wonen heden circa 1 miljoen mensen in Nederland met gedeeltelijk Indisch DNA. In het huidige Indonesië wonen volgens schattingen meer dan 7 miljoen personen met Hollandse roots. In 1920 het geboortejaar van Julie, was het oude Indië al meer dan 300 jaar de belangrijkste externe inkomstenbron van Nederland. Een zeer gering aantal witte Europeanen had de leiding over meer dan 70 miljoen 'onderdanen'. 

De gemengdbloedigen zoals de familie van de moeder van Julie bevonden zich op een lager (wettelijk) niveau. Bij gebrek aan een heldere cultuurpolitiek vanuit Nederland lag de nadruk op geld verdienen en onderdrukking van de lokale bevolkingen en zeker niet op het in stand houden van het culturele erfgoed. 

Hoe donkerder de huid des te minder kansen op een 'goede functie' tussen de blanke overheersers. Er waren wetten en regels om de blanke Europeanen te bevoordelen t.o.v de Indo's of inheemse bewoners. De verontwaardiging was groot in Nederland toen de Japanners steeds dichterbij kwamen. Dwz Nederland was al bezet door de Duitsers maar de vlot naar Engeland 'uitgeweken' Nederlandse regering vond toch nog tijd en de wijsheid om in 1941 de oorlog aan Japan te verklaren. 


In 1942 werd Nederlands-Indië binnen een paar maanden door de Japanners bezet. De Japanners wisten eigenijk niet zo goed wat zij aan moesten met de gevangen genomen Nederlanders. De Nederlanders waren immers hun 'Vaderland' al kwijt aan de Duitsers. De Nederlanders die in kampen werden opgesloten weigerden zich als 'verslagen' volk aan te passen aan de regels van de Japanse bezetters. De Indonesiërs waren in eerste instantie blij dat zij van de Hollanders af waren. De gemengdbloedige 'Indo's' werden niet in kampen opgesloten maar hadden als 'buitenkamper' een buitengewoon onzeker bestaan en werden door de Japanners, Indonesiërs en Nederlanders gewantrouwd want waren zij Europeanen of Indonesiërs?  

Er kwam een nieuwe vlag in 1942. De Nederlandse scholen gingen dicht en het Nederlands werd afgeschaft men moest een nieuwe taal leren en de zeden en gewoontes van de Japanners leren accepteren. De blanke Nederlanders werden in afgeschermde wijken of kampen opgesloten en de meer dan 200.000 'gemengdbloedigen' moesten kiezen. Indonesiër worden of ook het kamp in. Dat werden de 'buitenkampers'Omdat Julie er zo Indisch uitzag en over de juiste papieren kon beschikken werd zij niet geïnterneerd. 

Julie bleef buiten de voor de Europeanen ingerichte kampen. Er volgde voor Julie alsnog vier jaar van verraad, vluchten, vernederingen, gevangenneming en vele ontberingen voordat zij haar kinderen weer bij zich zou hebben. Julie was vanwege het uitdelen van voedsel (de Japanners beschouwden dat als een verzetsdaad) in 1943 mogelijk verraden door een nichtje. Na het einde van de Japanse bezetting werd Julie door verschillende Indo's die wél in de kampen hadden verbleven voor Jappenhoer uitgemaakt omdat zij buiten de kampen had weten te overleven?  

Vanaf 1945 probeerde Nederland weer het 'gezag' in Nederlands-Indië te herstellen maar de Indonesiërs wilden niet opnieuw 'bezet' worden. Zeker niet door de Hollanders die immers van de Japanners hadden verloren toen het er op aan kwam. Opnieuw volgde een periode van vervolging, opsluiting, honger, ziekte en grote onzekerheid voor de Nederlanders de Indo's maar ook voor de Indonesiërs. In Julie's bescheiden dossiermap bevinden zich ook brieven omtrent haar scheiding in 1992 van Anton, haar tweede echtgenoot. 

Uit de brieven in het mapje valt op te maken hoe bijzonder goed het geheugen van Julie was. Details uit haar leven na aankomst in Nederland werden moeiteloos opgeschreven tot eind jaren '90. Dit in tegenstelling tot haar geslotenheid over de periode's van haar leven van vóór 1947. De brieven die Julie in 1999 aan haar broer Boy schreef lichten de sluiers van het verleden opnieuw enigermate op. 


De kinderen van Julie en Anton groeiden op met ouders die beiden een zeer verschillende culturele achtergrond hadden. Julie en Anton hebben beiden een andere oorlog meegemaakt. Zij hebben een onvergelijkbare jeugd gehad die ook binnen hun relatie een grote rol zou spelen. Samen kregen zij twaalf kinderen. Julie had al twee kinderen en Anton had reeds vijf kinderen uit eerder relaties. Er zijn heden meer dan vijftig kleinkinderen. In hoeverre de gebeurtenissen en trauma's uit het verleden van Anton en Julie effekt op hun kinderen en kleinkinderen hebben is een ander verhaal. 

In dit blog wordt de geheimzinnigheid en terughouding rond de achtergrond van Julie afgewisseld met de soms heftige verhalen die Anton over 'zijn' oorlog en de grote vooroorlogse crisis vertelde. Over zijn leven van vóór en tijdens de oorlog was net zoals over het leven van Julie niet veel bekend. Hun beider jeugd, hun oorlogservaringen en het Nederland van ná de oorlog hebben echter een groot individueel effekt op hun opgroeiende kinderen gehad. De magere inhoud van de bruine dossiermap van Julie is een lange en bijzondere reis geworden door het verleden van Julie en vele anderen. Een verleden wat met zekerheid ook in het DNA van hun kinderen en hun kleinkinderen te vinden zal zijn.


Julie hield o.a. van de gedichten van Leo Vroman hieronder twee citaten:


Ach, laten wij het leed dat men ons deed, vergeten,
God zal het allemaal wel weten

De laatste regels uit het gedicht Vrede uit ‘Slaapwandelen' 1957 passen meer bij haar echtgenoot Anton die tijdens de oorlog in Amsterdam verbleef.

Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen, 

en herhaal ze honderd malen: 

alle malen zal ik wenen.



We gaan op reis naar Tropisch Nederland






Het handschrift van Julie 1999 met de tekst die op de dossiermap staat













Pas op hoge leeftijd liet Julie iets méér los. 
Bijvoorbeeld in de binnenzijde van een boek


Hieronder een 'kladje' gevonden in een schrift. Circa 20 pagina's van een script wat een aanzet zou moeten worden tot een biografie in boekvorm. 

Julie is er in 1996 in Thailand aan begonnen. Zij schreef het in de Engelse taal. Vermoedelijk om 'emotioneel afstand' te kunnen houden van de 
pijnlijke ervaringen maar ook vanwege het grote gemis van haar 
geboorteland waar zij zo dichtbij was maar niet naar toe durfde te gaan. 


1996 - Het boek over Julie zal met deze pagina beginnen.

San Remo 8 december 2000 

Julie en haar vriend Carlo Maglitto in Bangkok 1996

1988 Amsterdam, Anton en Julie

1969 December - Julie met Marco de laatst geboren baby

Julie midden jaren '60 in haar kleine thuis-reclamebureau

Eind december 1959 komt na jaren van moeilijkheden het gezin van 
Gerard van der Steur vanuit Java in Amsterdam aan met de ss Zuiderkruis. 
Gerard is de broer van Julie en werd Boy genoemd. 
Het gezin was nooit eerder in Nederland geweest.  


1959 Aankomst in Amsterdam. Links Boy van der Steur en naast hem Julie. 
Boy en Julie hadden elkaar voor het laatst in Jakarta oktober 1946 gezien. 
Boy heeft van 1943 tot 1945 als Romusha - dwangarbeider onder 
de Japanse bezetters moeten werken. 

1959 December - Julie met negen kinderen. 
De oudste twee kinderen staan niet op deze foto en er zouden 
nog drie kinderen geboren worden in 1960, 1964 en 1969

Amsterdam 1952 Anton en Julie

Soerabaja - April 1940 William en Julie

1937 Julie aan de Merdikaweg - Bandoeng


Julie circa 1927 - In de buurt van Solo ofwel Soerakarta




het zal het enige recept in dit blog zijn!


1942 Oorlog

1920 - 1930 - Julie groeit op 1

In het zeer vruchtbare vulkaangebied rond Solo wordt de natuur een extra handje geholpen door de meer dan 500 kilometer lange Bengawan Solo rivier die zich door het heuvelachtige gebied een baan zoekt.  Het is ook de vindplaats van de fossiele resten van de ‘Javamens’ die mogelijk meer dan 1 miljoen jaar geleden reeds in dat gebied heeft gewoond. Hun kinderen zagen er allicht anders uit dan Julie en haar broer die vanaf circa 1921 in een van de personeels woningen van Suiker Onderneming Delanggoe kwamen te wonen.

De ouders van Julie, Charlotte en Ferdinand zullen opgetogen geweest zijn over de ruime woning waar ook plaats was voor de kinder Baboe, de Kokkie die om het huis hielp en het meisje voor de schoonmaak. Eigenlijk had de nog zeer jeugdige (21) Ferdinand een contract onder zijn opleidingsniveau getekend maar het huis en de nabijheid van vrienden en de familie van Charlotte maakte weer veel goed. Er kwamen steeds meer Nederlanders naar Java die werk zochten en ondanks de hoogconjunctuur in o.a. de suikerindustrie was het door de vriendjespolitiek van de Nederlanders niet makkelijk om passend werk te krijgen. Hun kinderen zagen er allicht anders uit dan Julie en haar broer die vanaf circa 1921 in een van de personeels woningen van Suiker Onderneming Delanggoe kwamen te wonen.
Charlotte was op haar manier wel tevreden met de status die zij nu had. Zij was nu een ‘Mevrouw’ en de hulp van de bediendes vond zij enerzijds een zorg extra omdat zij hen moest controleren, anderzijds gaf het haar ook de vrijheid om haar familie en vriendinnen te bezoeken. Het waren fijne dagen en jaren op het grote terrein. Voor Julie werd de wereld pas groter zo rond haar zesde levensjaar. Zij werd naar de eerste klas gebracht van de Europeesche Lagere School in Solo. Er was ook wel een lagere school in het stadje Klaten wat maar op een paar kilometer afstand lag maar daar gingen veel meer inheemse en Indo kinderen van een lagere sociale klasse  naar toe en dat vond Charlotte toch minder geschikt voor Julie en haar broertje Boy. 

Er werd door Julie veel gespeeld met de andere Totok en gemengde kinderen op het grote woonterrein van de onderneming en al snel kreeg Julie ook vriendinnetjes op de lagere school. Onderweg naar school zag Julie de vele kinderen die kennelijk niet naar school gingen en langs de wegen speelden of aan het werk waren in de rijstvelden.  Tijdens uitstapjes in de omgeving zag Julie de vele tempels en oude gebouwen die grote indruk zouden maken vanwege al de voorstellingen die op de gebeeldhouwde muren waren aangebracht. De drukbezochte en vaak rondreizende voorstellingen met Wajangpoppen of dansgroepen waren eveneens een feest om te bezoeken. Het inlandse huispersoneel zorgde ervoor dat Julie al op vroege leeftijd ingewijd werd in de wereld van de Javaanse geesten en spoken.
Julie ontdekte spelenderwijs dat er naast het Nederlands ook andere talen en dialecten werden gesproken. Charlotte lette echter goed op dat Julie en haar broertje keurig Nederlands leerden spreken maar dat verstonden de kinderen weer niet die in de kampongs naast de onderneming woonden en net zoals Julie veel bij het ondiepe zijriviertje de Kali Pulu speelden. Je had het Maleis wat iedereen sprak maar daarnaast het Hoog Javaans wat je tegen een meerdere sprak en het Laag Javaans wat je spreekt tegen iemand die minder in rang is.  

Julie nam als vanzelfsprekend de taalverschillen in haar vocabulaire op. En leerde ook al vroeg wanneer zij bepaalde woorden wel of niet mocht gebruiken. Op school werd zij geconfronteerd met een regime wat zij nog niet kende. Langdurig stil zitten en braaf haar buurt afwachten. Niet makkelijk voor een meisje wat de leiding had over een volgzaam broertje. Het merendeel van de kinderen in haar klas was totok maar er zaten ook kinderen zoals Julie die uit de hoogste klasse van de Indo en Chinese families kwamen. Inheemse kinderen uit de kampong zaten er niet bij, daarvoor kon het schoolgeld niet gevonden worden door hun ouders. 

In 1925 woonden er circa 35 miljoen mensen op Java en circa 100.000 blanken inclusief hun kinderen. De blanken vormden de bovenlaag van de maatschappij en waren behalve Nederlands ook afkomstig uit andere Europese landen. Dan volgde de Indo’s, Chinezen en personen uit Arabische culturen en hier en daar ook wel Japanners die net als de Chinezen handel dreven of in de diensten sector hun brood verdienden. Onder de 'Inlanders' was er ook sprake van diversiteit er woonden behalve Javanen ook bewoners die van de omringende eilanden naar Java waren verhuisd. 

Onder de Indo’s waren grote klassenverschillen waarneembaar. Hun status hing af van afkomst, opleiding, werk en de aanwezigheid van een Nederlandse vader (zelden Ned. moeder). Wat zij met elkaar gemeen hadden was hun gemengde bloed. Al met al telden deze groeperingen niet meer dan een half miljoen personen. Het merendeel van de bewoners was aldus inheems. Dat waren boeren, ambtsadel, en leden van de vele vorstenhuizen (Kraton's). Tot aan de grote wereldcrisis van 1929 ging het economisch redelijk voorspoedig op Java. Daarna was er ook een toenemende verpaupering waarneembaar ook onder de Indo’s die wél naar school waren geweest en zelfs vervolgopleidingen hadden genoten. Voor hen lagen de hogere banen echter niet in het verschiet. 

Er arriveerden telkens nieuwe groepen Nederlanders die voorrang kregen. De meerderheid van de KNIL militairen verdienden een laag salaris waardoor zij ook in de kampongs woonden met en een inlandse 'huishoudster' een Njai die ook de moeder van hun onwettige kinderen zou worden. De soldaten hadden vaak bijbaantjes om hun schamele loon aan te vullen. Bij Julie thuis merkte men niet zoveel van de algemene armoede op het gehele eiland.

Vader Ferdinand kon vaak over een auto beschikken en zij maakten dan weekend uitstapjes in de omgeving die rijkelijk was voorzien van soms meer dan duizend jaar oude monumentale tempels. De grondstoffen om tot deze vaak enorme en indrukwekkende bouwwerken te komen waren immers onder handbereik gevonden. Het vervoeren van de soms zeer grote stenen gebeurde via het rollen met boomstammen en het takelen gebeurde al even geschikt met de lange touwen van gevlochten lianen. Er waren handen genoeg voor al het bouwwerk wat soms wel een halve eeuw in beslag nam. Ferdinand moet veel aan zijn dochter uitgelegd hebben. Vele jaren later zou Julie blijk geven van veel handigheid als er verbouwingen in huis gedaan moesten worden. Julie kon goed zagen, timmeren en schilderen.

In de zomermaanden als het suikerriet in de groei stond trok het jonge gezin vaak naar de bergdorpen rond de Goenoeng Merbaboe die meer dan 3100 meter hoog is en waar Ferdinand ook zijn geliefde boeken kon lezen of ging jagen. In de kleine vakanties bezocht Charlotte met Julie sommige broers of zusters die verspreid over midden en oost Java woonden. Als jongste zus had Charlotte broers en zusters die soms meer dan twintig jaar ouder waren. Na het overlijden van de ouders van Charlotte was de familie min of meer uiteengevallen en was het onderlinge contact veel minder geworden.  Tijdens de Japanse bezetting zouden er veel Deunings in en buiten de kampen komen te overlijden en zouden er slechts drie zussen van Charlotte naar Nederland gerepatrieerd worden maar geen enkele broer.

Charlotte en Ferdinand voorzagen in een katholieke opvoeding en bezochten met de kinderen de Rooms Katholieke kerk in Klaten of Solo. Voor de maaltijden werden er gebeden opgezegd en ook voor het slapen gaan zaten Charlotte en Boy op hun knietjes om hun avondgebedjes op te zeggen. Charlotte kende al die gebedjes immers zeer goed. Charlotte had als kind bijna tien jaar op de kloosterschool van de Zusters Ursulinen in Magelang doorgebracht. Daarnaast waren de zondagse bezoeken aan de kerk ook een sociale gebeurtenis waar de laatste nieuwtjes en roddeltjes uitgewisseld konden worden. Er was ook gelegenheid om inkopen te doen op de marktjes en te winkelen in de Europese of Chinese ’toko’s’ waar naast de inheemse handelswaar bijna alles te krijgen was wat er ook zoal in Nederland of elders verkocht werd.

Voor  Julie was de wereld in haar eerst 10 levensjaren nog een overzichtelijk geheel. Het was thuis gezellig en zij had een lieve Baboe Anak (Kindermeisje) waar zij bijna meer contact mee had dan met haar moeder Charlotte. Julie was meer gesteld op haar vader die veel met zijn kinderen ondernam en zich meer open opstelde. Hij bezat meer van de aanstekelijke humor die kinderen vrolijk maakt dan Charlotte die vaak wat zwaar op de hand kon zijn vanwege haar soms melancholische instelling en dan en haar wat cynische levensvisie. Zij had immers haar moeder al jong verloren en de leerschool bij de Zusters Ursulinen was hardvochtig geweest met weinig aandacht voor affectieve ontwikkeling. 

Het was duidelijk dat Julie meer naar haar vader aarde en dat Boy zich sterker verbonden voelde met zijn moeder. Toen Charlotte veel ouder en reeds jaren lang in Nederland woonde heeft zij eigenlijk nooit één positief woord over haar echtgenoot uitgesproken. Zij liet eerder merken dat zij zich in de steek gelaten voelde door hem. Over haar eigen rol in die periode wilde zij liever niets zeggen. Charlotte was eigenlijk een typische Indo, klagen deed je niet en je vertelde zeker niets over je eigen gevoelsleven. Sudah, laat maar het is immers zo lang geleden was de standaard afsluiting bij vragen over vroeger. 

Op school leerde Julie vlot lezen en de Indische versie van Ot en Sien had al snel geen geheimen meer voor haar. Dwz voor Julie was het tafereel met het gelukkige plantergezin op de veranda van het mooie grote huis heel normaal. Ook de bediende met het dienblad achter vader die zich ontspant en het jongetje op blote voeten geven een beeld van een stabiel en welvarend gezinnetje in het Indië van toen. Hele generaties zijn opgegroeid met de boeken van Jan Ligthart en Hindericus Scheepstra. De illustraties in Ot en Sien waren van Cornelis Jetses. Ligthart en Scheepstra hebben ook meegewerkt aan de vernieuwing van het leesplankje van Hoogeveen. Wat in een Nederlandse én een Nederlands Indische versie verscheen. Cornelis Jetses heeft Indië echter nooit bezocht. Wat achteraf bezien wel te betreuren is gezien de prachtige tekeningen die hij heeft gemaakt. 

Julie bezat ook zo’n mooi rood letterdoosje. De schoolplaten en aardrijkskunde kaarten kwamen eveneens allen uit Nederland evenals de onderwijzers die vaak verbaasd waren over de rustige en beleefde kinderen in hun klassen. De geschiedenis lessen betroffen hoofdzakelijk de historie van Nederland. De Europese school was immers bedoeld als aansluiting op het onderwijs in Nederland. Er werd ook weinig gevochten op de speelplaats er leek een vanzelfsprekende rust en orde te heersen die ook waarneembaar was in de andere scholen en op straat. Op haar tiende wist Julie waar Hoogezand en Sappemeer zich in Nederland bevonden. Of de Nederlandse kinderen wisten waar Solo en Poerwordejo lagen valt te betwijfelen.

Julie was een vlijtig kind op school en speelde graag en met veel fantasie met haar buurtgenootjes. Charlotte vond het niet echt geweldig dat Julie zo graag optrok met de kinderen uit de kampong maar door haar veelvuldige afwezigheid kreeg Julie de kans en leerde spelenderwijs Maleis, Soendanees en het hoog en laag Javaans. Deze talenkennis zou haar tijdens de Japanse bezetting zeer van pas komen. Julie leerde ook leuke liedjes zingen uit de overbekende zangbundel ‘Kun je nog zingen, zing dan mee’. Nog in 1939 verscheen er een versie speciaal voor Nederlands Indië. En natuurlijk werd er veel naar de radio geluisterd.

‘Mijn Nederland’
Waar de blanke top der duinen,
Schittert in den zonnegloed,
En de Noordzee vriend’lijk bruisend,
Neêrlands smalle kust begroet,

Julie heeft nog ‘Mijn Nederland’ leren zingen het werd in de 1939 bundel vervangen voor:

‘Mijn zonneland’
Waar het wuivend loof der palmen
Van de kust den zeeman groet,
Waar de gouden padiehalmen,
Rijpen in den zonnegloed.

Een ander mooi liedje was van de hand van de Rotterdamse verffabrikant Hendrik Tollens

Wien Neêrlands bloed in d’âd’ren vloeit,
Van vreemde smetten vrij,

Dit lied met acht coupletten geschreven rond 1813 werd ook gezongen door de Infanterie van Koning Willem 1 nadat hij België en Luxemburg bij Nederland had ingelijfd. De hoge kosten die deze inlijving met zich mee hadden gebracht werden voor een zeer groot gedeelte gefinancierd met inkomsten uit de koloniale ‘win’ gewesten waaronder Nederlands Indië. Julie’s grootmoeder Jeanne (J.C.) van der Steur-Heijligers had ouders gehad die onder Nederlandse vlag in de provincie Luxemburg waren geboren. 

In hoeverre kleine Julie de tekst ‘Van vreemde smetten vrij’ begreep in haar schooljaren is niet duidelijk, pas in 1937 zou zij besluiten dat zij de liedjes ‘stom’ vond omdat zij toen al heel goed besefte dat haar bloed niet van vreemde smetten vrij was. Het onderwijs of de onderwijzers hadden kennelijk geen voldoende diep indruk op Julie achtergelaten. Zij werd bijna ‘gek’ na enige weken op de pedagogische academie die toen nog ‘kweekschool’ heette.

De zangbundel was ook bladmuziek gezet voor piano leerlingen. Julie heeft enige jaren pianoles gehad maar leerde ook al vroeg Mozart en andere klassieke componisten kennen. Julie verteld altijd met vreugde dat zij haar hondje de indertijd zeer populaire opera zangeres Nelly Melba kon laten nadoen waar Ferdinand en Charlotte in de avonduren naar luisterden met behulp van hun koffergrammofoon of de radio. Donkere wolken tekenden zich af rond 1929 toen een grote economische crisis begonnen in Amerika als snel gevolgen had voor o.a. de wereldwijde suiker exporten vanuit Indonesië die zelfs enige tijd marktleider was geweest.  

Het zal Julie ook niet zijn ontgaan dat haar vader ’s avonds wel eens opgewonden of dan weer bedrukt thuis kwam van zijn werk. Langzaam maar zeker vielen er steeds meer ontslagen onder de meer dan 80.000 werknemers en de voorraden hoopten zich op terwijl de suikerprijzen kelderden. Maar het ging niet allen slecht met de Totoks en Indo’s. Door de snelle bevolkingsgroei en een te lage voedselproductie neemt de honger onder de inheemse bevolking steeds meer toe evenals de ontevredenheid over het gevoerde beleid vanuit de Nederlandse overheid.

Uit de verhalen van Julie zou moeten blijken dat haar vader een vlotte verschijning was die als aankomend ingenieur hard aan het onderhoud van de machines in de suikerfabrieken werkte. Hij was dol op zijn twee kinderen. Soms nam hij hen mee met paard en wagen of zelfs met een auto naar Jogjakarta om inkopen te doen. Er werd dan lekker gegeten aan Malioboro, de hoofdstraat van Yogyakarta zoals de stad heden genoemd wordt. Ferdinand nam hen ook mee naar de oude tempelcomplexen zoals de Borobudur of naar de vele meertjes en bergbeekjes. 

In Magelang bezochten de jonge familie regelmatig zijn oom Pa van der Steur, die aldaar een groot kinderhuis annex school had. Julie heeft heel vaak uit moeten leggen dat zij een échte Van Der Steur is en niet een ‘Steurtje’ zoals de kinderen van Pa werden genoemd. Of zij gingen langs bij de Deunings in Klaten. Daar woonde immers de zeer grote familie van moeder Charlotte. Het zou daar altijd een gezellige boel geweest zijn, niet alleen vanwege het grote aantal broers en zusters van Charlotte maar ook door de aangetrouwde ooms en tantes die ook weer kinderen hadden. 

Al heel jong werd Julie geconfronteerd met de grote cultuurverschillen in het oude Indië. Haar moeder Charlotte had weliswaar een echte Hollandse jongen getrouwd die volledig in Indië was opgegroeid. Charlotte had 50% Javaans bloed. En dat zag je goed terug in haar kinderen Julie en Boy: pikzwart haar en een huid die snel donker kleurde.

De Nederlands Indische families waren over het algemeen zeer prestatiegericht en hoe ‘blanker’ je overkwam des te groter was de kans op succes in een maatschappij die was opgezet door een inhalig bewind in het verre Nederland, zo dacht men. Julie leerde al vroeg naast het Maleis en ook het Javaans met haar Baboe en de bediendes te spreken. Pas veel later werd de officiële taal Bahasa genoemd. Charlotte lette er goed op dat Julie en Boy ook accentloos Nederlands leerden spreken en het mocht ook beslist niet vermengd worden met Maleise woordjes als er bezoek was. 

Het Nederlands was een taal die eigenlijk pas écht van pas kwam toen Julie met haar moeder en haar twee zoontjes eind 1946 in Amsterdam aankwam. Gevlucht uit een land dat niet meer van hen was. Of Julie een ‘Hollandse’ opvoeding heeft genoten valt sterk te betwijfelen. Ondanks de aanwezigheid van de Nederlandse taal en een levenstijl gekopieerd naar Hollands voorbeeld moesten Charlotte en Ferdinand het toch vooral hebben van voorbeelden uit de directe omgeving die hen moest inspireren bij de opvoeding. Charlotte en Ferdinand kwamen immers beiden uit ‘gebroken’ gezinnen. 

Er waren wel ‘damesbladen’ met opvoedkundige tips en boeken van schrijvers en schrijfsters uit Nederland en Nederlands Indië die invloed op de ouders van Julie hebben gehad. Natuurlijk was het overbekende Groot Volledig Oost-Indisch kookboek van Mevrouw Catenius-van der Meijden in huis. Een boek wat bijna elk Indisch meisje op haar huwelijksdag kreeg met meer dan 1300 recepten maar ook met handige ‘tips’.
"En hoewel een huisvrouw spoediger dan een heer het Maleisch zal aanleeren, omdat de nood haar dwingt en zij verplicht is dagelijks met de bedienden te spreken, hare bevelen te geven, toch zal zij in den beginne telkens stuiten op moeilijkheden door haar gebrek aan taalkennis. 
Om daaraan tegemoet te komen, ontwierp ik dit werk, dat, het zij nogmaals gezegd, geen aanspraak maakt op wetenschappelijkheid - omdat juist de spreektaal zoo aanmerkelijk afwijkt van alle Maleise taalregels - doch dat door vele dames als een welkome wegwijzer moge worden geraadpleegd. 
Voor critiek buig ik gaarne het hoofd. Er zijn er velen, die 't stellig b e t e r kunnen, maar die nimmer gedacht hebben aan 'de vrouw'".

Na de oorlog en eenmaal in Nederland zouden Bep Vuyk en Mary Bruckel-Beiten het Indisch koken opnieuw in Nederland introduceren met kookboeken die ook voor mannen en alleenstaanden aantrekkelijk waren. Deze sterke vrouwen die beiden voor de oorlog al persoonlijke verliezen moesten incasseren en vervolgens ook nog jaren in interneringskampen verbleven. Hebben behalve hun kookboeken ook hun kampervaringen onder de Nederlanders gebracht. Hierdoor hebben veel Nederlanders meer begrip kunnen krijgen voor wat er voor en na de oorlog in Nederlands-Indië speelde. 

Julie vertelde dat Charlotte haar soms redeloos hard strafte. Het was dan vaak haar Baboe die haar uit de benarde situatie redde. 'Mevrouw, mevrouw Jilly moet haar huiswerk nog afmaken'. Een echt diepgaand contact is er tussen Julie en haar moeder nooit ontstaan. Mogelijk was het gemis aan moederliefde en het herhaaldelijk van hand tot hand gaan een te zware druk voor Charlotte geweest toen zij zelf als klein kind haar moeder verloor. 

Ferdinand was een extrovert kind geweest die van iets negatiefs altijd weer iets positiefs wist te maken. Charlotte hield zeer veel van de Wajang poppen schimmenspelen met sprookjes en mythen uit de oude Javaanse cultuur. Voor Charlotte was de wereld veel meer zwart dan wit en vol met schimmen uit een onverwerkt verleden. Julie leek meer op haar vader. Zij veranderde makkelijker van kleur zonder dat haar persoonlijkheid veranderde. Terug kijkend op de eerste tien levensjaren van Julie zijn er geen schokkende of traumatiserende gebeurtenissen geweest. 

Julie is opgegroeid in een landelijk gelegen fijn huis bij een mooi fabrieksterrein waar haar vader zijn dagelijks werk deed en haar moeder bijna altijd aanwezig was om voor de organisatie van de huishouding te zorgen. Er waren in die periode financieel geen grote problemen er was zelfs sprake van luxe. Er was een radio in huis, een grammofoon, veel boeken en voldoende speelgoed. Ferdinand en Charlotte behoorden zeker niet tot de ‘toplaag’ onder de Europees-Indische gezinnen maar grote zorgen waren er niet. 

In hoeverre Julie zich heeft kunnen ‘hechten’ aan haar vaak melancholische moeder waardoor er een levenslange sterke band tussen beiden zou kunnen ontstaan blijft een open vraag waarop in een ander artikel op terug wordt gekomen. Julie is haar moeder en vader nooit ondankbaar geweest voor haar eerste 10 levensjaren. Zij vond dat zij een fijne jeugd had gehad met een vader die veel van haar hield.

Rond de meer dan 200 suikerfabrieken op Java werden grote wooncomplexen aangelegd. Rond de suikerfabrieken ontstonden gehele dorpen en in sommige gevallen kleine stadjes. 

Delanggoe huis - situatie 2010



De Javamensch schedel van circa 500.000 +jaar oud.
Maakt deze schedel de Javanen ouder dan de Nederlanders?
De Baboe

Inlandse Markt Delanggoe ofwel Delanggu

   Station Delanggoe 1915 - heden Delanggu

Suikerriet in Indië

   suiker weegschaal Delanggoe

    Delanggoe woning op het terrein voor de 'Tuin Employé'

   Charlotte (links achter) en Ferdinand (in het midden) rond 1927 op het personeelsterrein van Delanggoe

   Straatbeeld Jogjakarta 1925

Julie en Boy gingen met de grote bus naar school in Sragen. 

Andere kinderen gingen in 1930 met hun 'eigen' school vervoer 
bijvoorbeeld naar de Plantersschool Pengalengan


10 duizenden Nederlanders, Indo-Europeanen en meer dan een miljoen Javanen 
hebben in de vooroorlogse suikerindustrie werk gevonden

Het Rozenhuis Zeist werkt aan een documentaire over de suikerindustrie