Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

DNA 4 Charlotte Henriëtte Deuning - Heilige Antonius, beste vrind, maak dat ik m’n sleutels vind


De moeder van Julie werd in 1896 in het grote huis op Tjokro geboren. Zij was het dertiende kind van Casper en Djeminem Deuning. Charlotte overleed in  Deventer 1979. Mama waar is oma Charlotte eigenlijk opgegroeid? Julie antwoordde: ‘ergens bij de nonnen in de buurt van Magelang’. Nonnen? Wat voor nonnen? Meer kregen wij niet te horen. Het boterde nooit echt goed tussen Julie (1920) en haar moeder Charlotte. Julie kon zich mateloos ergeren aan het soms lethargische en dan weer uitgelaten en dweepzieke gedrag van Charlotte. Charlotte zou haar hele leven in tweestrijd leven. 

Zwevend tussen streng gelovig en dan weer het ultra rechtse nationalistische gedachtegoed omhelzend. Voor het koningshuis had zij groot respect. Julie vond haar moeder racistisch en Charlotte zou een voorstander zijn van rassenverbetering zijn geweest. Julie vond dat er eigenlijk niets ‘te verbeteren’ viel aan de mens. Waar je werd geboren en hoe je er dan uitzag was je lotsbestemming. Dat moest je volgens Julie gewoonweg maar accepteren. 

Voor Charlotte lag dat kennelijk anders. Die kreeg van jongs af aan te horen dat zij als Indo meisje minderwaardig was en bij het ‘vertrapte ras’ zou horen. En dat zij twee keer harder moest geloven, bidden en werken om die door het lot bepaalde achterstand weg te kunnen werken. Maar hoe doe je dat als je als laatst geborene van dertien kinderen in een weeshuis voor inlandse meisjes wordt opgeborgen bij Hollandse Zusters met klinkende namen zoals Zr. Aloysa, Zr. Florida, Zr. Ernestine en Zr. Jovina?

Wie de verhalen over Casper Frederik Deuning heeft gevolgd, heeft de vader van Charlotte enigszins leren kennen. Charlotte heeft nauwelijks de kans gekregen om háár ouders te leren kennen. Moeder Djeminem overleed toen Charlotte twee jaar oud was en een maand voor haar achtste verjaardag overleed Casper. Als je al zo jong je ouders verliest dan is dat de ideale voedingsbodem voor een hechtingsstoornis. De oudere broers en zusters van Charlotte waren nog zeer jong werkten verspreid over Midden-Java en waren soms net getrouwd. Er zal bij hen geen opvang voor Charlotte geweest zijn. 

De Deuning’s waren katholiek en er werd voor Charlotte een plaatsje in het Semarangse Zusters Franciscanessen internaat/weeshuis voor meisjes gevonden. Enige jaren later werden Charlotte en een groepje leeftijdgenoten naar Mendoet verhuisd. De Inlandse Lagere School veranderde in een H.I.S. een Hollands Indische School. De Zusters maakten hierbij goed gebruik van de ruime subsidies die beschikbaar waren gekomen om het onderwijs aan inlanders te bevorderen. Uiteindelijk zou Charlotte het Huishoudschool diploma behalen en zich bij haar broer Reinier voegen die werkzaam was op een suikerfabriek in Poerworedjo. Reinier was voorbestemd om ‘suikerman’ te worden. Net zoals zijn vader en oudere broers dat hadden gedaan.

Het nieuwe weeshuis voor inlandse meisjes van de Zusters Franciscanessen groeide zo voorspoedig dat er rond 1912 ook een oefenschool voor aanstaande inlandse onderwijzeressen geopend kon worden. Charlotte zal blij geweest zijn met haar vertrek naar Mendoet. Niet vanwege de nabijheid van de Borobudur en de vele Hindoestaanse tempels in de wijde omgeving maar omdat haar twee jaar oudere broer Henri al jaren op minder dan acht kilometer afstand bij de Paters Jezuïeten. 

Henri woonde al enige jaren op het terrein van het door Pater Franciscus van Lith in 1906 gestichte Xaverius College in Moentilan. Een dorpje aan de weg van Magelang naar Yogyakarta. De afslag nemend naar Moentilan en dan doorrijdend kwam je van zelf in Mendoet. Het huidige Mendut. En Moentilan heet nu Muntilan.

Voor veel mensen die de Japanse bezetting van Indië tussen 1942 en 1945 hebben meegemaakt heeft de plaats Moentilan en Mendoet een volstrekt andere betekenis. Het ruim opgezette scholencomplex binnen de overal heersende tropische bomen, planten en bloempracht en omringd door riviertjes en oude tempels werd evenals het veel kleinere instituut van de Zusters in Mendoet gebruikt om de nonnen, paters, broeders en later burgers te interneren. 

Op de pagina’s van de Indische Kamparchieven kan men meer informatie vinden. Een bijzonder dagboekverslag met een beschrijving van het kampregime kan men via deze link lezen. Tegenwoordig worden de gebouwen gebruikt als ‘Van Lith Senior High School’. De schoolgebouwen van de Zusters in Mendoet zijn in 1948 door opstandige nationalisten volledig verwoest . Alleen de toegangspoort is overgebleven. Een zeer bijzondere man was bisschop Petrus Johannes Willekens die de Japanse bezetter trotseerde door demonstratief door Batavia te blijven fietsen om mensen te helpen.

De nieuwe schoolgebouwen en kerk werden op nog geen honderd meter van de rivier de Elo gebouwd. Honderd meter terug aan de overkant van de kerk en op een groot open veld staat de indrukwekkende Tjandi van Mendoet. Als je er boven op zou mogen klimmen dan zou je in een rechte lijn de Tjandi Pawon en daarna de Borobudur zien liggen. Deze wonderbaarlijke en mystieke omgeving met gebouwen die meer dan duizend jaar oud zijn moesten kennelijk opgeschud worden door de Kerk en Staat. Jezuïet Pater Hoevenaar was al in 1899 naar Mendoet vertrokken omdat hij een groot voorstander was van het kerstenen van de laagste klasse. 

Door de opkomst van de islam vanaf het begin van de 15e eeuw verdween het Boeddhisme naar de achtergrond. De omgeving rond de Borobudur was kennelijk nog relatief islam vrij en bood de Paters Jezuïeten en Zusters Franciscanessen kennelijk voldoende ‘werk & leefruimte’ om hun geloof uit te dragen. Het helpt dan enorm als je gratis onderwijs in mooie gebouwen kan leveren aan de indertijd zeer verpauperde bevolking die weliswaar een grote bijdrage aan de winsten leverden die het cultuurstelsel en later de ethische politiek hadden bedongen.

Charlotte met haar kleine en donkere gestalte zal door haar soms wat apathische uitstraling en flegmatische (Indo) gedrag. Menig zwart/wit geklede Zuster flink kwaad gemaakt hebben. Lijfstraffen waren ook bij de Zusters niet ongewoon en Charlotte paste niet zo in het opportunistische toekomst perspectief wat die de Zusters voor hun leerlingen hadden. Anderzijds waren de leerlingen waarvan het merendeel geen ouders had volledig aan de macht en willekeur van de Zusters overgeleverd. 

De Zusters waren er zeer op gebrand inlandse onderwijzeressen en zo mogelijk ook nieuwe Zusters op te leiden. Charlotte was een kleine soms onwillige leerling die regelmatig uren lang met haar blote knieën op de koude tegels naar de binnenmuur van het klooster mocht kijken. Later in het Nederland van de jaren vijftig paste Charlotte deze straf ook toe op sommige van haar kleinkinderen. 

Op zon en feestdagen zal er tijd geweest zijn om naar het zich immer uitbreidende Moentilan te begeven. Daar woonde haar twee jaar oudere broer Henri met wie Charlotte een nauwe band zou ontwikkelen. Henri deed het kennelijk goed op school. Hij overwoog zelfs om pater te worden en was jarenlang novice. Of Henri daadwerkelijk broeder en later pater is geworden is onbekend. Over zijn broers Charles, Georgius en Reinier is enige informatie bekend. 

Henri Theodorus Albertus Deuning was getuige op 25 januari 1921 bij de inzegening van het huwelijk van Charlotte met Ferdinand Pieter van der Steur. De inzegening heeft plaats gevonden in het kerkje of gebedsruimte van Djenar (Jenar) dicht bij suikerfabriek Poerworedjo. Pater J.J. Hoevenaars heeft hen getrouwd. Het was een oude bekende van Charlotte en Henri uit hun schooljaren in Moentilan.

Charlotte heeft na haar examen het meisjesinternaat verlaten en een werkkring gevonden in de huishouding van directie van S.F. Poerworedjo een van de grootste en succesvolste suikerfabrieken op Java. Het grote woonterrein was te vergelijken met een klein dorp met inwoners uit alle lagen van de bevolking. In de fabriek en op de terreinen werkten eveneens de nazaten van de uit Afrika afkomstige KNIL soldaten die zich vermengd hadden met inlandse vrouwen. 

Het zal voor Charlotte een bevrijding zijn geweest. Tegenover tien jaar strak dagregime in Mendoet; opstaan, bidden, ontbijten, huishoudelijke taken, schoollessen, huishoudelijke taken, middagmaaltijd en kleine pauze, huishoudelijke taken, avondeten, avondgebed, slapen. En bij gelegenheid bezoekjes aan haar broer Henri en ander uitstapjes. 

In Poerworedjo had Charlotte een eigen kamer, veel inlandse bedienden die meehielpen in en om het grote huis van de blanke mevrouw en de mijnheer.  Charlotte was betrokken bij het begeleiden van de blanke kinderen van mevrouw en mijnheer én had meer vrijheid een klein salaris en vrije dagen die haar de mogelijkheid gaven familie te bezoeken en soms uit te gaan in het nabijgelegen Poerworedjo. 

De leuke jonge blanke en Indo mannen die op de verschillende afdelingen aan het werk waren en knipoogden naar Charlotte zullen haar na de jaren van strenge controle op zedelijkheid en goede manieren goed hebben gedaan. Toch zal het gevoel van verlatenheid en minderwaardigheid Charlotte niet hebben los gelaten. De Zusters hadden haar goed laten weten dat zij inferieur was aan het blanke ras en dat zij daarom altijd een 'dienende' functie zou hebben.

Na het huwelijk van Charlotte kwam er opnieuw een dominante blanke vrouw in het leven van Charlotte. Haar Hollandse schoonmoeder Jeanne Heijligers, kwam na de geboorte van het tweede kind van Charlotte in huis wonen. Al na enige maanden had Jeanne de leiding overgenomen. En weer was er iemand in het leven van Charlotte die haar vertelde hoe zij hij leven in moest richten en haar tevens het gevoel gaf van een ‘mindere klasse’ te zijn. Ferdinand haar echtgenote vond het juist fijn dat zijn moeder in huis was komen wonen. Moeder las veel boeken, luisterde samen met Ferdinand naar de radio en operamuziek. Moeder bracht een cultuur mee waar Charlotte nooit weet van had gehad. 

Het boek wat Charlotte het best kende was de bijbel en daarnaast de door de Zusters indertijd toegestane stichtelijke lectuur. Jeanne kocht nooit geneeskrachtige kruiden en ging niet naar de Doekoen. Jeanne ging naar een échte dokter. Jeanne geloofde niet in de oude Javaanse sagen en legenden. Terwijl Charlotte juist genoot van de enge, gefluisterde verhalen van de Baboe of het wasmeisje en de tuinjongen. Charlotte voelde dat de kinderen haar langzaam afgenomen werden en had moeite met het kwikzilver gedrag van Julie en het aan haar rokken hangen van kleine Boy.

Pas in 1928 ging Jeanne weer uit huis om afwisselend in Soerabaja of Bandoeng te wonen bij haar succesvolle zus en broer. Na lang daarna begonnen de economische problemen binnen de suikerindustrie. Ferdinand en Reinier de broer van Charlotte waren actief in de suikerbond en veel van huis. Na 1930 raakte de wereldwijde financiële crisis ook het gezin van Charlotte. De prijzen stegen terwijl de suikerinkomsten bijna stil vielen. In 1931 werd ook Ferdinand ontslagen. 

De suikerfabriek werd voor weinig verkocht en meer dan de helft van de medewerkers moesten het terrein verlaten. Ook Charlotte en Ferdinand. Zij woonden enige tijd in Sragen terwijl de kinderen naar de Europese School konden. Maar ook dat werd te duur en in 1932 vertokken zij naar een zeer kleine arbeiderswoning aan de rand van een kampong in Bandoeng. Charlotte was diep  teleurgesteld en was niet echt blij met het plan van Ferdinand om op de Filippijnen aan het werk te gaan als manager op een suikerfabriek. 

Ferdinand nam de job aan voor zijn gevoel had hij geen andere keuze. Na een jaar kwam hij terug en vond behalve Charlotte ook een ‘half-Indische kaartlegger’ (schrijft Julie aan haar broer in 1999). Er is ruzie en het wordt bijgelegd. Charlotte en Ferdinand zijn samen naar Calcutta afgereisd en woonden in Allahabad waar Ferdinand ’s morgens met de trein en later met de auto naar de suikerfabriek in Jushi vertrok om 's avonds laat weer thuis te komen. Charlotte voelde zich diep ongelukkig had moeite met de taal en voelde zich niet geaccepteerd door de stijve Engelsen en de kleurrijke Indiërs.

Ferdinand daarentegen vond het geweldig dat zijn inzet en kennis hogelijk werden gewaardeerd. Ferdinand had een carriere stap gemaakt waarvan hij in Nederlands-Indië niet had durven dromen. Hij was ‘general manager’ van een suikerfabriek. Een positie die in Indië alleen voor in Nederland gestudeerden was weg gelegd. Na enige maanden reisde Charlotte alleen en gedesillusioneerd terug naar Indië. Terug in Bandoeng trok Charlotte met beide kinderen in bij haar zus Suus die een pension aan de Engelbert van Bevervoordeweg nr.4 dreef. Charlotte nam een baan aan bij familie de Block. Een woonhuis met een grote wasserij aan de Merdikaweg. Na enige maanden kreeg zij een verhouding met eigenaar Frans de Block (geboren in de Haarlemmermeer en in 1915 naar Indië vertrokken). 

Er was geen plaats voor de twee kinderen. Julie werd ondergebracht bij schoolvriendinnetje Nel Chevalier en Boy werd door Charlotte naar het kinderhuis van Pa van der Steur gebracht. Hiermee liet zij vooral Ferdinand voelen dat door hém het gezin uiteen was gevallen. Dat Charlotte zich nooit écht heeft kunnen hechten aan haar echtgenoot en kinderen zal alles te maken hebben met het verlies van haar ouders en de opvoeding bij de Zusters. In hoeverre Charlotte haar hechting problemen heeft overgedragen aan haar twee kinderen en kleinkinderen weten we nog niet zeker. De wetenschap is er nog niet uit of hechtingsstoornisen erfelijk zijn. 

Frans de Block was een forse Hollandse man. Een dominante man, die ook Charlotte lid van de Indische NSB maakte. In Nederland was de NSB bekend om hun nationaal socialistische sympathieën met het gedachte goed van Adolf Hitler en zijn Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij. Charlotte had geen tijd meer voor de kinderen. Zij was druk in de wasserij en liep mee in de NSB optochten met een bruin hemd en haar arm uitgestrekt omhoog. Julie en haar schoolvriendin zagen Charlotte lopen tijdens een optocht. ‘Kijk mijn moeder’: zei Julie geschrokken tegen Nel.

Was het vanwege het verlies op zeer jonge leeftijd van haar beide ouders en de liefdeloze opvoeding bij de Zusters die Charlotte zo weinig flexibel en ontoegankelijk hadden gemaakt. Kan het minderwaardigheidscomplex van Charlotte te maken hebben met haar Indo achtergrond. Zij was geen Javaanse en zij was geen Hollandse. Zij sprak accentloos Hollands en kende al jong alle belangrijke steden in Nederland. Zij had leren bidden en schreef in sierlijke schrijfletters: ‘Onze Vader, laat toekomen Uw Rijk ook voor ons, arme Javanen’

Maar ondanks de Zusters voelde Charlotte zich geen arme Javaanse. Door haar relatie met Frans de Block was Charlotte weer de mevrouw die zij zo graag wilde zijn. De Indische NSB vond de benaming Indo-Europeaan maar niets. Zij spraken liever over “Indische Nederlanders” – “zijnde van westerse cultuur” hiermee werden de Indo’s en volbloed Nederlanders gelijkgesteld. Nadat duidelijk werd dat de NSB in Nederland de ideeën van de Nazi’s ondersteunenden die sex met andere rassen verbood nam de populariteit van de NSB in Indië met rasse schreden af. 

Charlotte en Frans de Block zijn nooit getrouwd. Frans werd in 1942 geïnterneerd en zou in een kamp overlijden. Omdat Charlotte kon aantonen dat zij meer dan 75% Javaans bloed had kon zij zonder problemen buiten de interneringskampen blijven. Er bleef haar niets anders over dan de wasserij van Frans de Block voort te zetten. Julie heeft nog korte tijd bij haar gewoond in 1942 maar moest met achterlating van haar twee zeer jonge kinderen vluchten voor de Kempeitai. In het najaar van 1945, tijdens de nationalistische opstand (Bersiap) werd de wasserij door rebellen in brand gestoken. Tijdens de bezettingsjaren had Charlotte ook voor de Japanse militairen en ambtenaren hun was en het stoomwerk verzorgd. Charlotte verloor al haar bezittingen en verbleef met kleinkind Billy enige maanden in een opvangkamp.

Julie heeft haar in augustus 1946 gevonden en er voor kunnen zorgen dat Charlotte ook mee kon naar Nederland in oktober 1946. Charlotte was vijftig jaar oud. En woonde na verloop van tijd bij haar drie oudere zussen in de Den Haag. Charlotte werd ‘Toet’ genoemd. Afgeleid van de Balinese naamgeving. Daar wordt het vierde kind ‘Ketut’ genoemd. Alle andere broers en zusters waren immers in Indië overleden. Behalve de vier Indische tantes in Den Haag, waarvan er eigenlijk duizenden waren. De ‘weduwe van Indië’ zong totok meisje Wieteke van Dort. Charlotte riep graag beschermheiligen aan als zij iets kwijt was, dat had Charlotte in Mendoet geleerd. 

Toch hebben de Zusters in Mendoet hun werk niet echt goed gedaan. In het Indisch bejaardenhuis in Deventer voelde Charlotte zich niet altijd ‘senang’. Zij vond niet alle bewoners (veelal Indo’s) betrouwbaar en had weinig sociale contacten. Ook de Pastoor, de Dominee en zelfs de joodse Rabbi hadden haar niet kunnen geruststellen toen haar einde naderde. Charlotte zal twijfelend aan de vóór het sterven nog gesloten hemelpoort hebben gestaan. Ik hoor het oma Charlotte nog vertwijfeld uitroepen.... Heilige Antonius, beste vrind, maak dat ik m’n sleutels vind”. 

Instituut Zusters Franciscanessen

 Een 'gemengde' meisjes klas in Indië

A.s. onderwijzeressen opgeleid door de Zusters Franciscanessen


De omgeving van Mendoet - Mendut

1910 Tjandi Mendoet heet nu Candi Mendut

1910 In de Tjandi van Mendoet

Pater Frans van Lith met Henri -

'Onze Vader, laat toekomen Uw Rijk ook voor ons, arme Javanen’









1931 De weg naar Tjandi Mendoet - 
links het Franciscanessen klooster


1945 Augustus na de Japanse overgave verlaten 
de gevangenen kamp Moentilan 
http://nla.gov.au/nla.pic-an833803.


2008 De poort naar het voormalige Mendoet complex


Charlotte Henriëtte Deuning

Geen opmerkingen:

Een reactie posten