Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

DNA 3 Joanna Carolina Elisabeth Heijligers - 1880 - 1943 en Adriaan Hendrik van der Steur 1868-1914


Portret van de grootmoeder van Julie van der Steur, Jeanne Heijligers.
- Antwerpen 1880 – Soerabaja 1943

November 1963 - Julie schrijft in het Indische tijdschrift de Tong Tong als volgt:

Mijn grootmoeder-van-vaders-zijde had een belangrijk deel aan mijn opvoeding. Zij was het die mij terstond bij mijn geboorte de naam gaf van háár moeder. Haar opvoeding van dit bruine kleinkind  was geheel gericht naar Haags voorbeeld. En zij was streng.

Er zijn nog zoveel ‘kleine vragen’ die ik beantwoord wil hebben voor dat ik het script van het “Julie, een Indisch meisje” boek verder kan uitwerken. Vragen over erfelijkheid van bijvoorbeeld talenten, karaktereigenschappen kunstzinnigheid, maar ook vragen over (angst)neurosen en verslavingen aan eten, drank en sigaretten. Het gaat hierbij niet alleen om de traumatische ervaringen van Julie maar ook om de geërfde 'DNA bagage' die Julie van haar ouders en voorouders mee heeft gekregen. En die Julie mogelijk ook door heeft gegeven aan haar kinderen en kleinkinderen. Na de oorlog en eenmaal in Nederland, leefde Julie in een cocon van (veel) kinderen baren, werken en altijd op zoek naar afleiding om de donkere Indische jaren van vóór 1947 te kunnen vergeten. 

Julie leefde tientallen jaren in een onverwerkt proces van ontkenning, verdringing en relativering. Pas na dat het laatste kind in 1969 werd geboren namen de trauma’s weer de kans om zich te manifesteren. Julie kreeg fysieke klachten en begreep niet waar die vandaan kwamen. Pas na jaren vertelde een psychiater aan Julie dat zij een ‘existentiële crisis’ doormaakte. Historisch besef, dus terug gaan in de tijd (jou tijd) kan dan tot verlichting en tot een gedeeltelijke bevrijding en eventueel tot meer begrip en inzicht leiden. 

Maar Julie wilde niet praten. Julie werkte nog een paar jaar op een uitgeverij en na een verhuizing in 1977 verstopte Julie zich steeds vaker achter borduurwerken, wandkleden en breimachines. Julie is geboren in 1920 en vanaf 1970 kondigde de lang weggedrukte demonen zich tergend langzaam aan. Julie kreeg spontane huilbuien. Als kinderen wilden wij onze moeder helpen. Met vragen. Over vroeger. “Mam, wat was de moeder van jou moeder eigenlijk voor een persoon?”. Julie was altijd iets aan het doen met haar handen. Zij keek dan even op en vertelde een meestal korte anekdote over bijvoorbeeld haar grootmoeder. Maar nooit een lang verhaal. Daar moesten wij het dan mee doen. Want tijdens het vertellen over ‘vroeger’ werd telkens opnieuw de weggedrongen pijn zichtbaar. De pijn van het voor ons onbekende ‘vroeger’. 

Maar wie was die moeder van haar vader eigenlijk? Langdurig en geduldig ‘snuffelen in oude archieven’ wordt soms beloond. En wat zou ik mijn kleine en grote vondsten graag met Julie delen. Leest zij over mijn schouder mee? Waar zij ook mag zijn in het oneindige sterrenstelsel waar Julie misschien met vele andere op Java geboren Indo’s misschien ook een herdenking kumpulan (bijeenkomst) houden? Kijk ’s avonds maar eens naar de sterrenhemel ver boven Java. Als er daar aan het gehemelte veel sterren dicht tegen elkaar zijn aangekropen dan zijn dat Indo’s die elkaar pas ná hun vertrek van moeder aarde veel te vertellen hebben. Daar wordt immers niet Indisch gekookt of ondeugende grapjes gemaakt in het vroegere pasar maleis of petjoh taaltje. Daar zijn geen rangen en standen. Pas in de hemel kan er vrijuit gesproken worden. 

Waarom had Julie het zo moeilijk met haar verleden? Julie hoort bij de eerste groepering Indo’s die na het einde van de oorlog en in Nederlands-Indië (8 december 1941 – 15 augustus 1945) en na de hevige vrijheidsstrijd van de Indonesiërs vanaf 17 augustus 1945 tot december 1949 naar Nederland vertrokken. De Indo’s waren over het algemeen zeer zwijgzaam over de bittere oorlogsjaren en de daarop volgende jaren. Een kleinere groepering met name blanke Nederlanders (100.000) had bijzonder moeilijke jaren in de kampen (achter het gedek) doorgebracht. Een veel groter aantal de ‘gemengdbloedigen’ (circa 250.000) bleef buiten de kampen en hebben de oorlog doorgemaakt als ‘buitenkamper’. Deze groep was door veranderende houding van de Indonesiërs min of meer vogelvrij waardoor zij vaak onvergelijkbare en zeer individuele ervaringen op zouden doen die niet vanuit een relatief overzichtelijk kampverleden zijn te beschrijven of na te vertellen. 

Veel buitenkampers konden beschikken over een persoonsbewijs (asal oesoel) waaruit zou blijken dat zij het voorheen zo verzwegen en vaak verfoeide ‘Inlandsche’ bloed zouden hebben. Terwijl het vóór de Japanse inval gebruikelijk was om het inlandse bloed zoveel mogelijk te maskeren met zeer Hollandse namen en de snel kleurende Indische huid zoveel mogelijk uit de zon te houden. Vanaf voorjaar 1942 trachten zoveel mogelijk Indische-Nederlanders desnoods via omkoping met vervalste bewijzen er voor te zorgen dat zij meer dan voldoende Inlands bloed zouden hebben. De zeer Hollands opgevoede Julie droeg in oorlogstijd zo vaak mogelijk een Javaanse kebaya en haar haar in een knotje om op straat zo min mogelijk op te vallen.

In de kampen heerste honger en ellende maar ook wanhoop, sleur, verveling, er werd geroddeld, verraden, vals beschuldigd, gestolen, misbruikt. De hoog opgeleide Japanse militairen wisten zich vaak geen raad met de eens zo fiere en trotse blanke Nederlanders en andere gevangengenomen westerlingen die zich in de kampen niet wisten te gedragen als ‘overwonnen volk’. De Koreaanse en Indonesische bewakers maakten zich in opdracht of uit machtswellust schuldig aan vele vormen van mishandeling. Niet alleen in de kampen maar ook daar buiten. De buitenkamp ervaringen zijn ervaringen die moeilijk te duiden zijn en zich vaak op wisselende locaties afspeelden. Dat kunnen steden zijn of landelijke dorpjes of afgelegen plantages enz. 

Buitenkampers hebben door het ‘vogelvrije’ leven ervaringen opgedaan die nauwelijks te bespreken waren. Ervaringen waarover je liever over zweeg. Waar je ook geen ‘kampboek’ over kon schrijven. Want er werd er ook vaak gezegd ‘Oh, gelukkig heb je niet in een kamp gezeten’ of ‘jij hebt tenminste regelmatig te eten gehad’. Buitenkampers hebben de afbraak van het Hollandse koloniale systeem in vlot tempo zien voltrekken vanwege de Japanisering van Java. Er mocht geen Nederlands gesproken worden. De klokken werden op Tokio tijd gezet. De jaartelling werd Japans. Het onderwijs werd op Japanse methoden afgestemd. 

De grote hongersnood op Java zou vanaf 1944 buiten de kampen voor miljoenen doden zorgen. Doden waar zelden over gesproken of geschreven werd. De voedseltekorten begonnen echter al vanaf 1943 voor grote problemen te zorgen onder de Javaanse bevolking. En hoe is het de vele kampongs en weeshuizen vergaan die vol zaten met niet erkende halfbloedkinderen? Die zijn nooit bij de bekende 250.000 Indo’s opgeteld. Veel buiten de kampen levende Indo’s hebben zich reeds van 1942 over het algemeen zo onopvallende mogelijk moeten gedragen want de haat tegen de blanken werd door de Japanse propaganda vooral onder de Indonesische jeugd in toenemende mate aangewakkerd. 


De bezetters hadden eveneens hun handen meer dan vol aan het ‘in de hand houden’ van meer dan 50 miljoen Indonesiërs eigenlijk niet opnieuw gekoloniseerd wilden worden. De grote werkeloosheid onder bevolking met name onder de jeugd zag er op toe dat er over geheel Java grote en kleine vaak zeer agressieve jeugdbendes ontstonden die vanaf de overgave door de Japanners in augustus 1945 op geheel Java voor grote onrust en rampspoed zouden zorgen.

Bijna zeventig jaar later in het Nederland van 2013 zijn er circa 1 miljoen nakomelingen die Indische ‘roots’ hebben. Honderden publicaties, boeken, documentaires en websites getuigen in golfbewegingen over de hernieuwde belangstelling voor het vroegere Nederlands-Indië. Het laatste stukje Nederlands-Indië (Nederlands Nieuw Guinea) werd op 15 augustus 1962 na een internationaal diplomatiek akkoord door Nederland aan Indonesië overgedragen. De digitale revolutie heeft veel archieven toegankelijk gemaakt en ook de kennis en belangstelling omtrent het menselijk DNA heeft een grote evolutie doorgemaakt en wij weten nu dat niet alleen fysieke uiterlijkheden maar ook talenten en bijvoorbeeld traumatische belevingen opgeslagen worden en door worden gegeven aan nieuw geborenen.

Over haar grootmoeder van vader’s kant Jeanne Heijligers was Julie niet erg te spreken. Julie noemde haar een strenge matrone met een lorgenet, zo’n brillenglas aan een kettinkje. Jeanne Heijligers was rond 1925 in de ruime bungalow op het grote bedrijfsterrein van Suiker Fabriek Delanggoe bij Klaten aan de weg tussen Solo en Yogyakarta in het jonge gezin van haar zoon ingetrokken. Overdag werkten Ferdinand en Charlotte elders op het grote terrein van de fabriek en Jeanne kon zodoende leiding geven aan de huishouding. Jeanne was de moeder van haar enige zoon Ferdinand. Jeanne noemde hem Nand en toen hij kleiner was Nandje. “Jeanne was een hooghartig en dominant kreng” vertelde Julie eens en voegde daar aan toe dat Jeanne graag liet blijken dat háár moeder uit een voorname Duitse familie zou afstammen. En haar vader zou ook uit een 'hoogstaand geslacht' zijn voortgekomen. Jeanne was een alleenstaande moeder sinds 1902 en was zeer trots op haar zoon die reeds op 25jarige leeftijd een belangrijke positie in de suikerindustrie had weten te verwerven en later ook in de suikervakbond een rol zou spelen. Vóór 1940 bevonden er zich op Java meer dan 100 grote tot zeer grote suikerfabrieken waar de Nederlandse overheid vele miljoenen heeft verdiend die men heden in miljarden uit zou kunnen drukken. 

Minder trots was Jeanne op de keuze van haar zoon voor Charlotte Deuning die er veel te Indisch (te bruin) uit zou zien. En was Charlotte ook niet nog eens vier jaar ouder dan haar zoon! Het kon niet anders zijn dat Charlotte haar toen negentienjarige zoon met haar zwoele vormen verleid zou hebben. Charlotte raakte zwanger en kleine Julie zou in december 1920 ter wereld komen. Jeanne was vlak voor de bevalling en zeer tegen haar zin naar Poerworedjo afgereisd waar Charlotte zou bevallen in het kleine bedrijfsziekenhuisje op het terrein van de suikerfabriek waar Ferdinand zijn eerst betaalde baan had gevonden na zijn opleiding aan de Suikerschool en waar Charlotte in de huishouding had meegewerkt in het gezin van de directeur die in een zeer voorname bedrijfsvilla op het terrein woonde.

Was het haar zoon Nand (Ferdinand dus) die voorstelde om de pas geboren Julie naar de moeder van Jeanne te vernoemen? Of was het zoals Julie schrijft juist dat Jeanne er op stónd dat haar eerste kleindochter naar háár moeder Julie Charlotte Heijligers-Chün vernoemd zou worden? Wie waren eigenlijk de ouders van Jeanne? Wie was Jeanne eigenlijk? Overgrootouders die hun kleinkind Julie nooit zou ontmoeten. Grootmoeder Jeanne had haar enige zoon al naar haar eigen vader Ferdinand Hendrik Heijligers vernoemd. De vader van kleine Nand heette gelukkig ook al Hendrik dus dat kwam goed uit met de naamgeverei. Het zijn vooral échte Hollandse namen die graag aan de blanke in Indië geboren kinderen werden gegeven. Hierdoor zouden er later geen misverstanden over de afkomst ontstaan. 

Zou Jeanne érg geschrokken zijn toen zij voor het eerst in het wiegje keek waar Julie lag te slapen na de geboorte. Julie had duidelijk zeer Indische trekken gehad net zoals haar moeder Charlotte. Het ingehouden teleurgestelde en lichte hoofdschudden van schoonmoeder Jeanne zal indruk op moeder Charlotte hebben gemaakt. En net zoals Jeanne boog Charlotte zich na de grote wereldoorlog over de wiegjes van de vele kinderen van Julie om te kijken of zij wel blank genoeg waren om later succesvol in het leven te kunnen staan. Charlotte werd vaak teleurgesteld. Het was de Javaanse moeder van Charlotte die Julie en veel van haar kinderen een sterk Indo uiterlijk zou bezorgen.

De vader van Jeanne werd in 1841 in het vestingstadje Ravenstein (bij Oss) geboren. Hij werd Ferdinand Hendrik Heijligers gedoopt. Hij groeide op in een militair milieu waar echter ook veel aandacht was voor cultuur. Zijn grootvader, zijn eigen vader en de broers van zijn vader waren allen militairen die zich regelmatig lieten inhuren om ook in Indië te dienen. De familie contacten gaan terug tot ver in vroegere VOC periode. De familie banden reikten tot ver in Duitsland en er waren dienst bindingen met het huis van Oranje-Nassau. De Heijligers waren loyale en betrouwbare militair getrainde begeleiders op de vele handelsmissies naar de Oost. Sommigen tekenden verblijfscontracten die hen jarenlang aan Batavia, Semarang, Soerakarta, of andere buitenposten zouden binden. De familie Heijligers bracht niet alleen militairen voort maar ook hogere ambtenaren, schrijvers, musici, en kunstschilders zoals de in Batavia geboren volle neef van Ferdinand Hendrik, de kunstschilder Gustaaf Antoon François Heijligers de zoon van Gustaaf zou later ook kunstschilder worden net zoals neef Henri Heijligers. 

Een volle nicht van Jeanne was de schrijfster E. Overduijn-Heijligers die furore maakte met haar indringende boeken over de Hollands-Indische en inlandse gemeenschap. Mevrouw Overduijn-Heijligers was een geboren uit een huwelijk met een Bataviaanse  metisse. Midden jaren ’50 van de vorige eeuw nam Julie het achterkleinkind van Frederik Hendrik en Julie Heijligers Chün privé schilderlessen in Alkmaar en produceerde binnen enige maanden een serie stillevens. Grootmoeder Jeanne had zich in de jaren '20 vaak opgewonden over het vrijgevochten gedrag van haar kleinkind Julie. ‘Het bloed kruipt waar het niet gaan kan’ had zij haar schoondochter Charlotte toegebeten. Hierbij refererend  aan de inlandse achtergrond van schoondochter Charlotte. Kleindochter Julie bleek echter een groot schilder en schrijf talent te bezitten. Zou Jeanne misschien wat milder zijn geweest over het gedrag van haar zo bruine kleinkind als zij toen had geweten wat wij heden over ons DNA kunnen onderzoeken?

Frederik Hendrik Heijligers vertrok eind 1865 vanuit Amsterdam en kwam eind januari 1866 in Batavia aan. Hij had zijn schoolopleiding voltooid en had geen gebleken aanleg voor een verdere opleiding als militair. Hij las liever boeken, hield van toneel en zijn liefde voor de mythologie had hij opgedaan tijdens de levendige lessen op de Latijnse School in Ravenstein. Ook de vele verhalen van zijn vader en andere familieleden over Indië hadden hem nieuwsgierig gemaakt naar dat mysterieuze land. Natuurlijk kende Frederik ook het boek van Euard Douwes Dekker – Max Havelaar of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappij. Het zal niet in de aard van Frederik hebben gelegen om zich politiek te engageren nadat hij het boek had gelezen. Zijn militaire familie zal het boek verfoeid hebben. Eenmaal aangekomen in Batavia werd hij al snel in de Nederlandse gemeenschap opgenomen die zo volledig anders was als het burgerlijke leven wat hij kende vanuit Nederland. 

Batavia was toen al een snel groeiende kleurrijke multiculturele stad met een zeer gevarieerd cultureel leven waar veel geld werd verdiend door hardwerkende Hollanders en buitenlanders die elkaar op zochten in de vele sociëteiten waar ook de plannen ontstonden voor muziek, opera en toneel voorstellingen die hebben geleid tot het oprichten van de Vereniging van Toonkunst en de bouw van de Schouwburg. Om het sociale leven meer inhoud te geven waren de vrijmetselaars al vanaf 1762 actief in en buiten Batavia. Juist vanaf de jaren 1860 richten de vrijmetselaars zich openlijker op het sociaal culturele leven en hebben ook grote invloed op de introductie van ‘westers onderwijs’ op Nederlandse leest geschoeid. Na jarenlange discussies mogen ook de Indo-Europeanen en leden van de Javaanse Sultananten deelnemen aan de ‘loge activiteiten’. Ook Frederik zal lid geweest zijn van een ‘loge’ en kon daardoor ‘over de vloer’ komen bij de leden. Hoe had hij anders zijn aanstaande vrouw Julie Charlotta Chun (18-11-1942 Batavia) kunnen ontmoeten.

De vader van Julie Charlotta is de in 1806 geboren Heinrich Ludwig Eduard Chun (Chün) die in 1834 te Batavia zou trouwen met Charlotta Wilhelmina Diering (Döring). Beiden komen oorspronkelijk uit het Duitse Aschaffenburg en maakten daar deel uit van een grote joodse gemeenschap die zich vanaf omstreeks 1500 in Aschaffenburg had gevestigd. De joodse gemeenschap had ook toen al niet makkelijk en er werd van hen verwacht dat zij zich zouden assimileren. Heinrich zal in Aschaffenburg zijn opleiding tot boekdrukker hebben genoten waardoor hij eenmaal in Batavia aangekomen al op 29 jarige leeftijd Hoofd Opziener van de ‘Lands-Drukkerij in Batavia kon worden. De vader van Charlotta had zich in Batavia als makelaar in goederen gevestigd en zou in de loop der jaren ook vaak als een deurwaarder genoemd worden. Na het huwelijk van Heinrich en Charlotta in 1834 zijn er circa 7 kinderen geboren waarvan uiteindelijk vier kinderen volwassen zijn geworden. Charlotta is nog jong als zij in 1853 op 34jarige leeftijd komt te overlijden. Heinrich zal haar twee jaar overleven en komt en sterft op 49 jaar oud in 1855.

Frederik en Julie trouwen op 22 februari 1866 in Batavia en zullen een deel van het grote landhuis met kampong van de familie Chün hebben betrokken. Het ruime huis stond in de toen aan de weelderig begroeide Bidara Tjina weg in de snel groeiende wijk Meester Cornelis. Frederik zou zich veel later opnieuw in Indië vestigen als ‘Translateur Fransch-Engelsch’. Zou Frederik wat zijn beroepskeuze betreft beïnvloed zijn geweest door zijn oom Guillaume Francois van Raemdonck (Brussel 1802) die was getrouwd met een zus van zijn schoonmoeder Julie Charlotta. Guillaume was in 1837 getrouwd met de toen 15 jarige Mietje Martha Diering. Nadat Guillaume in 1874 was overleden heeft Tante Mietje zich in Brussel gevestigd. Haar correspondentie werd echter verzorgd door Frederik en Julie die zich inmiddels in België hadden gevestigd in de Antwerpse Vestingstraat 25. 

Vermoedelijk heeft Frederik in Antwerpen zijn translateurs diploma’s weten te behalen en kon hiermee op 22 oktober 1881 met inmiddels zes kinderen vanuit Amsterdam met stoomschip “Prins Alexander” naar Batavia terugkeren. Het jongste kindje was de in 1880 geboren dochter Jeanne, de zo dominante grootmoeder van Julie van der Steur. Grootmoeder Jeanne heeft nooit in Den Haag gewoond zoals Julie veronderstelde. De ‘Haagse opvoedingsmethoden' zoals Julie de aanpak van grootmoeder Jeanne benoemde zullen eerder ingegeven zijn door eenzaamheid, boosheid en verbittering bij Jeanne en kwamen zeker niet uit Den Haag.

Jeanne groeide op in het benauwde en toen nog kleinburgerlijke Soerabaja. Haar vader Frederik zou in februari 1887 nog geen 46 jaar oud komen te overlijden. Haar moeder had voortaan alleen de zorg over zes opgroeiende kinderen waarvan Jeanne de jongste was. Jeanne bezocht de meisjesschool en daarna de HBS. De weekeinden en vakanties werden veelal in de koele heuvels bij Lawang en Tosari onder de Bromo vulkaan doorgebracht. Haar oudere broers werden later hoge ambtenaren bij het Indische Gouvernement. 

Haar oudere zus Charlotta zou in 1896 huwen met de later zeer bekend geworden directeur eigenaar van het fameuze Hotel Oranje, Lucas Martin Sarkies. Jeanne zal als jongste dochter haar moeder Julie terzijde hebben gestaan rond het huishouden in de rustige wijk Toentoengan. Er waren warme contacten met de andere families Heiligers en Chun die verspreid over Java woonden of op Sumatra. De huwelijken van de oudere zoons en dochters zorgende eveneens voor veel afleiding in huis. In die dagen was Soerabaja een snel groeiende stad waar de marine en de handelsbanken maar ook de gouvernementele instellingen voor veel werk zorgden. Maar ook een zich snel uitbreidende stad waardoor de inlanders geleidelijk uit hun kampongs werden verdreven naar het achterland. 

Er woonden rond 1900 meer Chinezen dan Hollanders en Europeanen in Soerabaja en de Arabische wijk bouwde aan een tweede moskee. In Soerababja was de Vrijmetselarij actief maar ook de mystieke Theosofie avonden waren een geliefd tijdverdrijf. Jonge meisjes werden indertijd goed opgeleid voor een huwelijk met een 'goede partij' en geacht deel te nemen aan conversatie lessen Frans, nuttige 'naaldvakken' en kooklessen.  Jeanne zal de kleurrijke binnenstad goed gekend hebben en zeker met haar huwbare vriendinnen regelmatig naar de dansavonden in de Marinesociëteit Modderlust of de betere Hotels zijn geweest. Het kroningsfeest van Wilhelmina in 1888 zal ook voor Jeanne een hoogtepunt zijn geweest. Net zoals de heerlijkheden van de beste banketbakkers van Indië - Grimm en Co. 

In 1889 werd Jeanne negentien jaar oud en in zou in dat jaar haar aanstaande echtgenoot Adriaan Hendrik van der Steur (Amersfoort 1868-1914) ontmoeten om begin december met hem in het huwelijk treden. Adriaan had in Rotterdam in oktober 1894 het examen ‘Eerste stuurman – Groote stoomvaart’ behaald  en woonde sinds september 1895 op Java waar hij voor verschillende scheepvaart bedrijven en vanuit verschillende havens als 1e stuurman had gevaren. Wat Jeanne en Adriaan met elkaar gemeen hadden was dat zij met het zelfde luxe stoom schip de ‘Prins Alexander’ naar Indië waren gekomen. 

In het voorjaar van 1900 zou Adriaan eerste machinist op de ‘Lucifer’ worden. Een positie die eigenlijk onder zijn rang was maar vermoedelijk aangenomen om vaker bij de zwangere Jeanne te kunnen zijn. De Lucifer was een klein schip wat behalve voor bodemmetingen ook werd ingezet om opiumsmokkelaars te onderscheppen. Hun zoontje Ferdinand werd in november 1900 geboren. Op de enige twee foto’s die ik van Adriaan en Jeanne bezit zien we een vriendelijke ogende man met een gekrulde snor die van levenslust en humor zou kunnen getuigen. 

De foto van Jeanne laat een statige dame zien met een wilskrachtige en stevige uitstraling. Toch zijn er ook zachte en verfijnde trekken waar te nemen. In juli 1901 wordt Adriaan in de landelijke gelegen Centraal Burgerlijke Ziekeninrichting te Lawang opgenomen met klachten van depressieve aard. Zijn verblijf werd na een eerste maand verlengd en het zou een langdurige opname worden. 

De nog zeer jonge Jeanne stond er alleen voor in het vochtig hete Soerabaja. Na de opname was het huwelijk niet meer te redden. Adriaan verdween naar Nederland en toen hij een nieuwe partner ontmoette liet hij zich via de rechtbank in Den Haag op afstand scheiden. Hun zoontje Ferdinand zal geen herinneringen gehad hebben aan zijn vader. En Jeanne zou na de officiële scheiding niet hertrouwen. Het is de vraag of Jeanne en Ferdinand ooit te horen hebben gekregen dat Adriaan in 1914 tijdens een storm op de Noordzee van boord is geslagen en op het strand van Katwijk is gevonden.

Jeanne was zeer praktisch van aard en nam al snel de leiding over het huishouden van haar schoondochter Charlotte. Tijdens haar verblijf in het gezin van haar zoon op de Suikerfabriek kon Jeanne dagelijks uren ook bezig zijn met maken van kleding voor haarzelf en kinderkleding. Daarnaast hield zij van grote borduurwerken. In de voorgaande jaren had zij haar oudere zus Charlotta bijgestaan die samen met haar echtgenoot Lucas Sarkies het drukbezochte internationale Oranje Hotel in Soerabaja bestierden. In zijn jongen jaren speelde Ferdinand veel samen met leeftijdgenoot en neef Eugene Lucas Sarkies die in 1910 een gedenksteen mocht onthullen aan de gevel van het vernieuwde Hotel Oranje. 

In 1929 brak de grote wereldcrisis uit en de vraag naar suiker op de wereldmarkt verminderde maandelijks. Er vielen veel ontslagen en ook Ferdinand en Charlotte moesten met hun gezin de suikerfabriek verlaten. Jeanne verhuisde naar haar broer in Gaston in Bandoeng en zou daar tot 1936 verblijven om weer terug te keren naar Soerabaja. Zij woonde in een van de huizen van de familie aan de Carpentierstraat en is op 14 februari 1943 in de door de Japanse bezetters afgezette woonwijk op  63 jarige leeftijd in eenzaamheid overleden. Jeanne had al jaren niets meer van haar zoon en schoondochter vernomen. Jeanne was een oorlogsslachtoffer maar wordt niet zoals haar oudere zus Charlotta Heijligers-Sarkies, die op 27-07-1945 in Banjoebiroe kamp 10 zou komen te overlijden herdacht op een van de Buiten erevelden in Soerabaja.

Over DNA gesproken. Hoe groot was de invloed van Adriaan en Jeanne en hun ouders op kleinkind Julie, welke talenten en karaktertrekken heeft zij van haar grootouders-van-vader’s-kant overerft. Vele jaren later zou Julie, het ongedurige kleinkind van Jeanne in Amsterdam een succesvol confectieatelier openen. Nadat haar laatste kind was geboren hield Julie zich dagelijks urenlang bezighouden met grote borduurwerken en aanverwante artistieke textiele werkvormen. Jeanne speelde goed piano en heeft Julie vele uren les gegeven. Haar vader Ferdinand was al heel jong 1e machinist binnen de suikerindustrie geworden en schoolde zich bij tot suikerchemicus en patentingenieur. De broers van Jeanne waren allen ook artistiek aangelegd en hielden van musiceren, schilderen. 

En  van wie heeft Julie toch dat schilder en schrijftalent en de liefde voor grafische vormgeving? Talenten die veel voorkwamen in de Heijligerstak. Nadat Adriaan de zo Hollandse grootvader van Julie zich had hersteld en was hertrouwd wordt hij herinnerd door de familie van zijn nieuwe echtgenote als een gezellige en hartverwarmende echtgenoot en fijne vader van de in 1909 geboren halfbroer van Ferdinand. Broers elkaar nooit zouden ontmoeten en mogelijk niet van elkanders bestaan wisten. Kleindochter Julie zou net als Jeanne een ‘Marineman’ trouwen, die evenals haar grootvader zijn 1e stuurman opleiding in Nederland heeft gevolgd. 

Bepaald ons DNA ook onze partner keuze of... In vele opzichten heeft Julie de praktische en artistieke karaktertrekken van haar grootmoeder Jeanne en van de andere Heijligers familieleden geërfd. Julie had niet helemaal ongelijk toen zij schreef dat haar grootmoeder-van-vader's-kant zo 'dominant' was geweest.

1881 Stoomschip "Prins Alexander' 

1890 Een kampong in Soerabaja

1895 circa Soerabaja Werfstraat met de 'Weeskamer' en het Politiekantoor

1895 Soerabaja

1898 Het Kroningsfeest van Wilhelmina in Soerabaja


1898 Grimm & Co - Soerabaja

1899 Marinesociëteit 'Modderlust' - Soerabaja

1900 Stoomschip 'Lucifer'

1900 circa - De Roode brug - Soerabaja

1910 Soerabaja -Kali Pigirian

1912 Oranje Hotel - Soerabaja

Adriaan Hendrik en zoon Pieter Ferdinand van der Steur 
samen met echtgenote/moeder Jeanne van der Steur-Heijligers

1986 - Julie is de dochter van F.P. van der Steur

Twee generatie's Heijligers en een schilderij uit 1956 
gemaakt door hun nichtje Julie van der Steur

Geen opmerkingen:

Een reactie posten