Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of  begin 2018
Posts tonen met het label vandersteur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vandersteur. Alle posts tonen

1942 - Bandoeng najaar 1942 - Julie; 'Ik had iets gedaan waar de Jappen wat tegen hadden' 1

Ondanks de dagelijkse beslommeringen en de zorg voor twee kleine kinderen verveelde Julie zich. Het was najaar 1942. Zij woonde weer bij haar moeder Charlotte die de grote wasserij aan de Merdekaweg draaiende hield. In het grote huis naast de wasserij had Julie weinig om handen terwijl zij eigenlijk altijd wel iets zocht waar zij in 'op' kon gaan. Julie had met de kinderen enige maanden in een leegstaand huis van een zwager gewoond. Julie was niet alleen geweest maar woonde samen met meerdere voorheen welgestelde families. Ook deze families waren uit hun huizen gezet door de Japanners. De echtgenoten zaten in gevangenissen, kampen of waren op de vlucht voor de Japanners of Indonesische politie. Er werden geen salarissen uitbetaald en men kon ook geen geld opnemen van spaarrekeningen. Zwarthandel was formeel verboden maar er zat niets anders op om daar toch aan mee te doen om alsnog aan voedsel te komen. De lokale steuncomités trachten waar nodig hulp te verlenen maar de situatie werd steeds nijpender.

In het najaar van 1942 werd het al moeilijker om aan het dagelijks voedsel te komen. Met ruilhandeltjes en huisvlijt zoals de door Julie gemaakte kinderschoentjes met houten zooltjes, met van katoen gehaakte voetbedekking of met de verkoop van kinderjasjes uit oude kleding kwam Julie aan de kost. Andere vrouwen in het huis bakten koekjes of andere lekkernijen voor de verkoop.  Na verloop van tijd werd het echter te onveilig om op deze manier samen te wonen in een huis wat op elk moment door de Japanners gevorderd kon worden. Er waren immers geruchten dat ook de blanke vrouwen opgesloten zouden worden en de halfbloed vrouwen waren bang dat zij dan eveneens gearresteerd zouden worden.

Dagelijks werd er veel was gebracht en opgehaald in de wasserij van moeder Charlotte. Nieuwe klanten waren de Japanners. Die brachten hun uniformen en burgerkleding of lieten dat brengen door hun Indonesische bedienden. Julie had er moeite mee dat haar moeder de nieuwe klanten zo vriendelijk ontving en bleef zoveel mogelijk aan de achterkant van het huis waar de klanten niet kwamen. Door het bezoek van oud PTT collega Mijnheer Ingram  kwam er een einde aan de verveling van Julie. 

Julie was Ingram tijdens een fietstocht in de stad tegengekomen. Hij was in 1937/1938 haar  chef geweest op het grote postkantoor van Bandoeng. Zij mocht hem heel graag.  Enige tijd later kwam hij bij Julie langs en gaf haar een som geld. Je zal het nodig hebben vertrouwde Ingram haar toe. Julie was oprecht verbaasd. Ach had hij gezegd we hebben genoeg geld. Enige dagen later kwam Ingram weer langs. ‘Zou je ons willen helpen’? Julie: waarom ook niet, ik heb weinig te doen, ik verveel me dood. Wat moet ik doen? Ingram stelde haar voor om voedsel en geld uit te delen in de armenwijk Tjiateul. Julie wist dat er voedsel uitdeel projecten waren op verschillende plekken in Bandoeng. Ingram voegde er aan toe; "Jij bent Indisch, jij valt niet zo op, dus hebben we bedacht dat jij dat werk eigenlijk zou moeten doen". Wie dat 'we' waren is nooit duidelijk geworden. Tjiateul was in die jaren een van de armste wijken van Bandoeng. Een slum. Kleine stenen huisjes, kamponghuisjes of huisjes van golfplaat opgetrokken. Kleine benauwde straatjes. Er woonden veel Ambonezen en Indische familie van KNIL militairen. Door de oorlogssituatie waren veel KNIL soldaten in kampen opgesloten en werden de salarissen al sinds de Japanse inval niet meer uitgekeerd. Sommige bewoners hadden prachtige achternamen. Saint-Pourcain, De Blok van Haamstede, De Roy van Papendrecht. Veelal samengestelde namen uit de VOC periode.  Bijvoorbeeld fuselier Jan de Rooy, uit Papendrecht had een kind gemaakt bij zijn inlandse njai. Het prachtige donkerblanke kindje werd vervolgens vol trots Johannes de Roy van Papendrecht genoemd.

Ondanks de vaak prachtige namen leefden deze families in buitengewoon moeilijke omstandigheden. Julie is zich altijd zeer verbonden blijven voelen met vooral de Ambonese groeperingen. Nog in de jaren negentig nam zij het op voor onderdrukte Ambonezen middels vele brandbrieven aan Amnesty International. Vaak dacht zij terug aan haar peetkind dochter van een Ambonese soldatenvrouw. Julie heeft haar bijgestaan tijdens haar zwangerschap. Juliette Nanlohy zou heden anno 2011, circa 69 jaar oud moeten zijn. Zou zij de oorlog overleefd hebben? 

Later heeft Julie begrepen dat het contant spaargeld van de Bandoengse banken geweest moet zijn. Vervreemde oorlogsbuit dus. De Japanners waren op zoek naar dat geld en nog zeer druk doende met het uitschakelen van verschillende verzetshaarden binnen en rond Bandoeng. Van enige keren per week werd het dagelijks werk voor Julie. Soms wel twee keer per dag op de fiets naar meerdere uitdeel plaatsen. Onderwijl bouwden de Japanners langzaam maar zeker bepaald wijken waar vooral Nederlanders woonden dicht met bamboespijlen, en prikkeldraad omheiningen.  Julie’s even oude nichtje Deetje Heyligers woonde met haar familie in een van deze wijken. In een vrijstaand huis aan de Papandajanlaan waar Julie tijdens  haar middelbare school periode nog een jaar in huis had gewoond. Jan Bouwer een in Bandoeng ondergedoken journalist schrijft in zijn boek Het Vermoorde Land als volgt over Dee Heyligers :

Julie had de berichten indertijd ook op de illegale radio gehoord en vermeed zoveel mogelijk de Papandajanlaan die echter wel een belangrijke verkeersverbinding was omdat het er altijd druk was en dus kon zij onopvallend passeren. Na enige maanden vertelde Julie’s moeder Charlotte dat er tijdens Julie’s afwezigheid twee Japanse militairen aan de deur waren geweest. Julie was verbaasd geweest. Maar had toch besloten om elders in de straat een kamer te huren. Zij vond het beter dat zij niet in het huis van haar moeder waar ook haar kinderen woonden aangehouden zou worden.

Na een week krijg Julie alsnog bezoek van twee Japanse militairen van de Kempeitai. Julie moest zich de volgende melden aan de Heetjansweg. Het kantoor van de Japanse militaire politie was gevestigd in de voormalige meisjes MULO. Het was december 1942. De volgende ochtend is Julie na grote twijfel toch maar langsgegaan. Tijdens haar wandeling door het oude schoolgebouw hoorde zij geluiden en zag door half openstaande deuren Japanners bezig met hun 'verhoren'.


Bandoeng 1941 - Bandung 1941


Julie vertelde in 1986 




Rechts van het Bandoengse sportterrein Tegallega de armenwijk Tjiateul





































Kamp Kareës Bandoeng grensde aan de Papandajanlaan. 
De dikke zwarte lijn betreft de afbakening




Het kantoor van de Kempeitai aan de Heetjansweg Bandoeng 
was gevestigd in de meisjes MULO. 
Op de buitenmuur rechts het logo van de Kempeitai.
Julie is in dit gebouw verschillende malen op zeer hardhandige wijze 
verhoord alvorens zij naar de gevangenis zou gaan.

Op de foto een andere MULO in Bandoeng die tijdelijk in gebruik is geweest als interneringskamp.























De oude MULO anno 2008 te Bandung



















Groepje Kempeitai mannen

















Kempeitai militairen in de trein





























In november 1942 werden onderstaande pamfletten verspreid in twee wijken 'aangewezen voor het verblijf van Europeesche vrouwen'.


De slag in de Javazee 1942



Guus Zuijderhoff - Zo vrij als een vogel



Verzet in Indië



Meer over de Kempeitai



Japans Amerikaanse burgers in 1942 op weg naar hun internering 

1944 deel 6 - van Cirebon naar Batavia

Na een verblijf van enige maanden in Cirebon voelde Julie zich niet meer veilig. De havenstad werd door steeds meer Japanners bemand en er werden ook steeds vaker Indo’s opgepakt om als dwangarbeider elders te moeten werken. Julie vertrok in december 1943 naar Batavia en had voorlopig onderdak bij een Indonesische familie. Na enige maanden ontmoette zij door toeval haar oud schoolvriendin van de Bandoengse HBS, Marie (vermoedelijk Carpentier)  die reeds jaren getrouwd was met een Indonesiër. Marie en haar echtgenoot werkten beiden in een Sakura Toko in de buurt van de markt van Meester Cornelis, een buitenwijk van Batavia.

De sociaaleconomische situatie in Batavia was zeer verslechterd in 1944. Er werd al grote druk op de Japanners uitgeoefend door de oprukkende Amerikanen. De Japanse regering had ook het militair gezag op Java opgedragen om meer (dwang) arbeiders, voedsel en materiaal te verschepen naar Japan en de andere oorlogsgebieden. Het voedseltekort was overal voelbaar en de zeer verarmde bevolking had nauwelijks geld om het schaarse en dure voedsel te kunnen betalen. Iedereen met een klein beetje grond of achtertuin verbouwde wel iets, terwijl anderen hierin trachten te handelen. Toch zijn er in die periode meer dan 250.000 mensen door honger en ziekte gestorven in en rond Batavia. Over geheel Java zijn in de periode meer dan twee miljoen personen overleden.

In de Sakurai Toko waar Julie af en toe mee hielp kwamen veel Japanners boodschappen doen. D.w.z. er kwamen ook veel tot Japanner genaturaliseerde Koreanen die meestal een lagere rang hadden dan de beter opgeleide ‘echte’ Japanners. Een van de vaste klanten van de Toko was Kapitein Kentaro Tanaka de commandant van Kampong Makassar. In de periode april 1942-januari 1945 was ‘Boerderij Makassar’ een berucht krijgsgevangenkamp. In januari 1945 werden de krijgsgevangenen deels naar Singapore overgebracht en deels naar een ander gebied in Batavia verhuisd. Het kamp werd een burgerkamp en er werden vervolgens meer dan 3.500 vrouwen en kinderen ondergebracht die in de tuinderijen moesten werken of in de varkenshouderij voor de Japanners die varkensvlees aten.

Begin juni 1945 was Julie op de bedrijfsfiets van de Sakurai  winkel onderweg voor een boodschap elders in Meester Cornelis. Tot haar grote schrik werd zij plotseling aangehouden door een Indonesische politieagent die haar ervan beschuldigde de fiets te hebben gestolen. Julie werd vervolgens met een handboei aan de fiets vast gemaakt en moest naast de politieman hollend naar het politiebureau. Julie riep herhaaldelijk tegen voorbijgangers ‘zeg tegen Marie dat ik op het politiebureau zit'. 

Julie was doodsbang dat zij naar de Kempeitai werd gebracht en wist onderwijl met haar vrije hand de epaulet met de KNIL strepen van haar echtgenoot William uit de binnenkant van haar kraag los te maken en weg te gooien. Julie belande na aankomst op het politiebureau in een kleine kille cel. Doodsbang en uitgeput raakte zij na verloop van enige uren bewusteloos en werd de volgende dag naar het nabijgelegen ziekenhuis gebracht. Malaria tropica en een zware longontsteking was de diagnose. Na verloop van dagen werd Julie tegen haar verwachting in niet naar een andere gevangenis gebracht. Maar werd vermoedelijk door bemiddeling van Marie en haar echtgenoot van de Sakura Toko naar het woonhuis van  Kapitein Kentaro Tanaka gebracht.

Kapitein Tanaka en zijn staf bewoonde sinds 1942 het door Laurens van der Crap in 1775 gebouwde landhuis ‘Cililitan Besar’ ook wel ‘Lebak Sirih’ genoemd. Het is een zeer ruim gebouwd huis met een enorme kap die aan alle zijden voor schaduw en koelte zorgt. Het bevind zich nog steeds in Jakarta aan de Jalan Rumah Sakit en was indertijd op loopafstand van Kampong Makassar. Tanaka beval Julie om zich direct naast de keuken aan de achterkant van het huis schuil te houden. Na verloop van tijd knapte Julie op maar als zij Tanaka waarnam dan hoestte zij flink en ging schielijk de keuken in. Zij kon het redelijk goed vinden met de Indonesische kokkie en met de japanse keukenchef een en heeft zich tot de laatste week van augustus 1945 schuil kunnen houden. Julie leerde in deze maanden verschillende medewerkers uit het Makassar kamp van Tanaka kennen die in hun vrije tijd kwamen eten, drinken en urenlang zaten te kaarten op een van de terrassen onder de grote overkapping. Al snel had Julie begrepen dat er ook bewakers bij waren die eigenlijk uit Korea kwamen. Die stonden bekend als uiterst hardvochtig en waren gevreesd om hun harde klappen met de vlakke hand of met een bamboestok. Als zij echter volgens de Japanse leidinggevenden niet hard genoeg corrigeerden dan werden zij zelf even hard gestraft door hun meerderen. 

Julie wist niet precies wat er zoal gebeurde in Kampong Makassar zij hoorde wel de verhalen. Wel is zij verschillende keren getuige geweest van keiharde aframmelingen van Europeanen door juist deze Koreaanse bewakers op de binnenplaats van het landhuis. Eén van de bewakers was Tekki Kanemura. In 1921 geboren in het door de Japanners gekoloniseerde Korea onder de naam Kim Seok-gi. In 1942 had Kim zich gemeld bij een militair opleidingscentrum in de Koreaanse stad Busan vanwege zicht op een goed salaris als uitgezonden militair. Na een korte maar bikkelharde opleiding waarbij hij net als  zo’n collega’s dagelijks werd geslagen (om hard te worden) werd Kim onder zijn nieuwe Japanse naam in augustus 1942 naar Java verscheept. Kim was in 2010 de nog enige in leven zijnde op Java veroordeelde oorlogsmisdadiger. Onder zijn Japanse naam Kanemura is  hij door een Temporaire Krijgsraad (TKR) op 4 mei 1948 tot zeven jaar gevangenisstraf veroordeeld. Een straf die hij moest uitzitten in de door de Holanders gebouwde Tjipinang gevangenis in Meester Cornelis. 

Hij was veroordeeld vanwege 'voortdurende en ernstig mishandeling van krijgsgevangenen'. Kim voelde zich onbegrepen en ten onrechte veroordeeld. Hij had alleen maar ja of nee mogen zeggen op vragen en had aangevoerd dat er nog vier anderen waren geweest met de zelfde naam en hij was immers alleen maar Kok geweest. In 1950 werd Kim overgeplaatst naar de Sugamo gevangenis in Tokio. Op 12 september 1950 werd hij vrij gelaten. Al snel daarna werd hem zijn Japanse status afgenomen en was hij weer Koreaan zonder enig recht op uitkering. Korea was toch weer onafhankelijk! Het heeft Kanemura c.q. Kim Seok-gi 10 jaar gekost om weer naar Korea terug te kunnen keren. Oorlogsmisdadigers die kans zagen om terug te keren naar Korea besloten bijna allen om geen enkele informatie over hun verleden te geven. Jeong, Kim’s 15 jaar jongere vrouw heeft pas onlangs vernomen dat haar echtgenoot een veroordeeld oorlogsmisdadiger was omdat Kim opeens een vergoeding kreeg uit Japan vanwege geleden materiele en immateriële schade tijdens de oorlogsjaren en daarna. Het had Jeong en haar kinderen altijd verbaasd dat Kim altijd met zijn ogen open sliep. Kim had altijd gezegd dat men ‘waakzaam’ moest zijn. Jeong had nooit echt geluisterd naar het geklaag over zijn lijden in het Japan van tijdens en na de oorlog. Daar had ze nu wel spijt van omdat zij hierdoor zijn woede en angst aanvallen beter begreep.

In 1986 ontmoette Julie via een spontaan bezoek door een van haar kleinzoons een jonge 17 jarige Koreaan. Een geadopteerde vriendelijke en stille jongen met een zeer Koreaans uiterlijk. Samen met de vader van de kleinzoon en zijn zoon stond deze jonge Koreaan opeens en als verrassing in de woonkamer van Julie. Julie trok geheel bleek weg, begon te beven en holde verschrikt en snikkend naar haar slaapkamer om niet meer terug te keren. Toen haar zoon enige tijd later ging vragen wat er aan de hand was vertelde Julie ontdaan dat S. zo op een Japans/Koreaanse bewaker had geleken, die ook Julie zo had geslagen. Dat was meer dan 40 jaar eerder geweest. 

Cililitan Besar het landhuis van Kapitein Tanaka commandant van Kampong Makassar 


















Kampong Makassar





Japans/Koreaanse bewakers aan de ingang van Kampong Makassar augustus 1945 werden ingezet om de Europeanen tegen de Indonesiërs te beschermen.
Tjipinang gevangenis Meester Cornelis waar in 1945 de Japanse oorlogsmisdadigers werden opgesloten. 


Bewaker Kim Seok-gi alias Kim Kanemura en zijn vrouw Jeong in 2010




1945 - Bersiap, Beriberi en Boei Lama gevangenis toen naar het Kramat kamp

Voor veel Nederlanders lijkt de bezetting van Java door de Japanners een einde gekregen te hebben nadat de bommen op Nagasaki en Hiroshima in augustus 1945 waren gevallen. In de Nederlandse dagbladen werd opgeroepen om de achter gebleven Nederlanders uit hun benarde positie te bevrijden en ook de toenmalige regering maakte plannen om hulptroepen en goederen naar Nederlands-Indië te sturen. 

Dat de Indonesiërs op 18 augustus 1945 de Indonesische onafhankelijk hadden geclaimd werd in Nederland nauwelijks serieus genomen het was immers 'Ons Indië'. Er zou een buitengewoon onrustige periode aanbreken die aan minstens 20.000 Nederlandse vrouwen en kinderen het leven zou kosten. En mogelijk nog meer levens onder de Indo's en Indonesiërs. 

Deze periode zou later de Nederlandse geschiedenis ingaan als de Bersiap. De Indonesiërs zijn nauwelijks bekend met deze benaming. Zij noemen het de Merdeka periode, de onafhankelijkheidsstrijd. De hierop volgende 'politionele acties' werden zo genoemd omdat de Nederlandse regering onder geen beding het toen impopulaire woord 'oorlog' wilden gebruiken. Bang als zij waren om de ruime Amerikaanse financiële opbouwhulp ofwel Marshallhulp kwijt te raken. 

Julie had zich in september 1945 na het vertrek uit haar onderduikplek in het landhuis van Kapitein Tanaka als een schim door het vernielde en verarmde Batavia bewogen op zoek naar een onderkomen om aan te sterken. Er waren leuzen op muren en trams geschilderd waarin de nationalisten schreven dat zij onafhankelijk waren en dat zij de Nederlanders niet meer terug wilden zien. 

In 1941 was Julie na het krijgen van de twee kinderen wat voller geweest en had circa 55 kilo gewogen. Zij was gezond, zelfbewust en vooral gelukkig geweest met haar kinderen, haar echtgenoot en haar fijne huis in Soerabaya. 

Vier jaar later was zij alles kwijt en had alleen een zak met kleding. Bij haar moeder in Bandoeng lagen wat foto’s, brieven en haar trouwring verstopt. 

Julie woog in 1945 nauwelijks 40 kilo en kon ondanks de capitulatie van Japan nog niet naar Bandoeng afreizen om haar kinderen te zien. Het land zou in in rep en roer raken en leefde in een overwinningsroes. Straatbendes met bamboe speren en kapmessen beroofden de verslagen Japanners van hun wapens en goederen. 

In Batavia werden de Japanners uit de huizen gezet van de voormalige Nederlandse bewoners en ook deze huizen werden geplunderd. Er hadden zich straatbendes gevormd die het soms ook met elkaar aan de stok kregen of er waren wraakacties op gang gekomen tegen Indonesiërs en Indo's waarvan vermoed werd dat zij met de Japanners hadden geheuld.

De nieuwe nationale leiders waren druk met het formeren van een nieuw leger en waren zich zeer bewust van het feit dat de Nederlanders  terug zouden komen om de oude orde te herstellen. Het werd daarnaast duidelijk dat de geïnterneerde Nederlanders maar ook de Indo’s groot gevaar liepen en om uitgemoord te worden door met name de opgewonden en ongeorganiseerde jeugdige Pemoeda’s. 

Soekarno en zijn collega’s wisten dat de Nederlanders snel in bescherming genomen moesten worden want anders zou hij met zijn nieuwe regering internationaal niet serieus genomen worden. De Engelsen en Australiërs waren weliswaar in kleine legereenheden o.a. in Batavia gearriveerd maar hadden niet het mandaat om het land over te nemen.

In sommige steden hadden de Japanners hun strijd nog niet opgegeven en werd er hevig gevochten.Ook hierdoor was het ook voor Julie onmogelijk om naar Bandoeng te komen. Opnieuw was Julie aangewezen op haar oude contacten in Batavia waar zij relatief veilig zou wachten op het afnemen van de spanningen in het land. Via de radio die nu in nationalistische handen was kon de bevolking vernemen welke nieuwe maatregelen werden genomen en er werd ook melding gemaakt van de situatie in Europa en in Japan. 

De Nazi’s waren in mei 1945 verslagen en er werd melding gemaakt van internationale herstelprogramma’s  en de oproep om nooit meer oorlog te voeren werd afgewisseld met nieuws over de consequenties van de atoombom en de vondsten van de vernietigingskampen in Duitsland en de massamoorden in Rusland en China.

De bewoners in de kampen van Bandoeng maar ook elders hadden te horen gekregen dat zij voor hun eigen veiligheid langer in de kampen moesten blijven. Voor hen was de oorlog dus zeker niet voorbij. In veel gevallen was het zelfs gevaarlijker geworden dan voorheen en moesten de Japanners hen nu beschermen tegen de onverhoedse aanvallen van de Indonesiërs. De spanningen liepen steeds hoger op en de situatie dreigde steeds meer uit de hand te lopen. 

Er werd door de Indonesiërs met moord en doodslag op de Europeanen gedreigd als er niet heel snel internationale erkenning zou komen van hun onafhankelijkheid. Men liet doorschemeren dat behalve de kampbewoners ook de Indo’s groot gevaar liepen en vermoord zouden worden als er niet naar de nieuwe machthebbers werd geluisterd.

Voor 18 oktober 1945 leek de rust in Batavia enigszins hersteld. Er werd echter ook een nationaal decreet uitgevaardigd waarin werd verteld dat alle Nederlanders in verzekerde bewaring genomen moesten worden voor hun eigen veiligheid. Dit bericht moet Julie kennelijk zijn ontgaan. Was haar verlangen naar haar kinderen sterker geweest? Of had zij gedacht dat als Indo niet tot de Nederlanders gerekend zou worden?  

Julie werd die zelfde 18de oktober op weg naar het treinstation aangehouden door een Indonesische politieagent en in een gereedstaande vrachtwagen vol met eveneens gearresteerde Europeanen en Indo's naar een verzamelpunt vlak bij het station gebracht. Aldaar werd zij ingedeeld voor transport naar Cirebon. Julie was opnieuw haar vrijheid kwijt en zou tot 25 april 1946 in de Oude Boei gevangenis verblijven.

De daarop volgende zeven maanden zou Julie met een groep van circa 20 andere vrouwen in een cel verblijven en volledig van de buitenwereld afgesloten de moeilijkste tijd van haar leven doormaken. Het moet deze periode geweest van honger en ellende geweest zijn die alle gebeurtenissen uit de voorgaande jaren in de schaduw zouden stellen. In Boei Lama heeft Julie noodgedwongen geleerd om te gaan met pijn, honger, eenzaamheid en is soms bijna krankzinnig geworden. 

Pas vele jaren later zou zij vertellen dat zij  heeft geassisteerd bij het afleggen en mee had gebeden tijdens het begraven van medegevangenen. Pas in 1998 en voor het eerst beschrijft Julie met weinig woorden haar verblijf in de oude gevangenis. Zij houdt tijdens het schrijven aan haar broer Boy rekening met zijn extreem moeilijk jaren als dwangarbeider aan de Birma spoorweg en relativeert haar eigen verschrikkelijke ervaringen.  

Na de voorgaande oorlogsjaren met spanningen en overlevingsstress zijn tijdens deze zeven gevangenis maanden een aantal emotionele uitlaatkleppen dicht gegaan die in het verdere leven van Julie zelden geopend zouden worden. Eenmaal in Nederland zou Julie zakelijk, doelbewust en flegmatisch over gaan komen. Pas in de laatste vijtien jaar van haar leven kwamen haar diepste gevoelens terug in haar soms zeer sombere schetsen en wandtapijten waar veel kerken in zwart, grijs en bruin werden afgebeeld. Gesloten, nutteloze kerken die niets deden voor de mensheid.

De omstandigheden in Boei Lama waren verschrikkelijk. Gebrek aan water, medicijnen, sanitaire voorzieningen en minder dan 800 gram rijst met een waterig groentesausje per dag zorgden ook bij Julie voor een ernstige beriberi. Het woord zegt het al en betekent ‘ernstige zwakte’ en is het gevolg van vitamine B1 tekort. Het was dat dagelijkse kommetje gepelde en gebroken rijst waar nauwelijks voedingstoffen in zaten en de ‘groentesaus’ waar Julie over schreef aan haar broer. 

Het waren de bladeren die langs de gevangenis muren groeiden of aan de randen van het afvoerkanaal van de toiletten die als basis voor de saus werden gebruikt. Met het weinige geld wat Julie bezat heeft zij af en toe kans gezien om kleine porties lombok rawit te kopen. Deze bijzonder hete kleine chilipepertjes bevatten veel vitamine C.

De kinderen van Julie zijn vele jaren later vaak getuige geweest van een snikkende Julie die met tranen in haar ogen kleine potjes met lombok rawit in het zuur geheel leeg zou eten. Pas vele jaren later begrepen haar kinderen dat Julie dit deed tijdens periodes van groot innerlijk verdriet en eenzaamheid. Julie leerde haar verdriet enigermate uiten toen zij rond haar vijftigste levensjaar in een volgens haar therapeut ernstige existentiële crisis raakte. De therapie duurde echter niet lang. 

De begripvolle dokter maakte aan Julie duidelijk dat hij nog nooit eerder een vrouw in behandeling had gehad die zoveel had meegemaakt in een land waarvan de cultuur nauwelijks bekend was en er vervolgens nog 12 kinderen bij had gekregen met daarnaast een drukke baan en een hypochondrische echtgenoot. Julie stond er opnieuw alleen voor en werd als moederfiguur steeds minder zichtbaar voor haar kinderen.

Op 25 april 1945 was er opeens veel rumoer in de verschillende afdelingen van Boei Lama. De bewakers hadden opdracht gegeven om te verzamelen op de oprit naar de gevangenis poort. Niemand was eerder op de hoogte geweest en enige uren later kregen de gevangen opdracht om in looppas naar een gereedstaande geblindeerde trein te lopen en in deze trein plaats te nemen. 

Bestemming onbekend. Pas de volgende ochtend en na veel oponthoud op donkere stations gingen de deuren open op station Batavia Manggarai. Buiten de trein stonden groepjes Nederlandse dames van het Nederlandse Rode Kruis te wachten met warme chocolademelk en kleine etenswaren. Julie leek vanuit de hel in het paradijs gekomen en woog minder dan 35 kilo. 


Julie begreep later dat haar verblijf in Boei Lama haar mogelijk beschermd zou hebben tegen de haat en het geweld tegen de Nederlanders door de Indonesiërs tijdens de Bersiap periode.



Luister hieronder naar een gesprek met Mary van Delden: 


Een gesprek met antropologe Mary van Delden over haar proefschrift. ‘De republikeinse kampen in Nederlands-Indië, oktober 1945 – mei 1947. Orde in de chaos?’- Mary van Delden, uitg. eigen beheer, mail: vandeldenmary@gmail.com ( €41,50 inclusief verzendkosten)





1946 Pemoeda jeugd - Pemuda

    Julie schrijft haar broer Boy in 1999


 Een foto van de Boei Lama gevangenis in Cheribon uit 1927

In de bijna 7 maanden dat Julie daar verbleef werd het 
een 'beschermingskamp' genoemd. 
Julie heeft later pas begrepen waarom zij daar met vele anderen was opgesloten. 
Het was er extreem smerig en had een groot gebrek aan werkend sanitair.






Plattegrond van Boei Lama waar circa 850 personen werden opgesloten 
tijdens de Bersiap periode


René Louis Persijn (1938) schrijft in zijn blog over Boei Lama. 


De gebouwen die als kamp werden gebruikt waren vaak niet op die grote aantallen berekend. Veel kampen waren veel te vol. Dus te weinig toiletten, te weinig water, te weinig voeding. Ik kan me ook nog herinneren dat in de regentijd het hele kamp blank lag omdat de riolering het vele regenwater niet kon verwerken. 

De WC’s (gewoon een gat in de grond) liepen over en de menselijke uitwerpselen dreven rond en langs je (betonnen) bed. Om eten te halen ( één maal per dag en meestal wat rijst met gekookte waterplanten) moest je dan als kleine jongen tot aan je borst door dat water waden en je etenskommetje boven je hoofd zien droog te houden.


Oude Gevangenis Boei Lama te Cheribon op een luchtfoto 2011



 








Op 26 april 1946 kwam de trein waarin ook Julie een plaats had gekregen uit 
Cheribon  in Batavia aan. Op station Mr. Cornelis. 

Door stonden Nederlandse dames van het Rode Kruis met koekjes en warme chocolade maar ook de fotograaf van de Nederlandse propaganda dienst.






Na de ontvangst op het treinstation was er een transport naar het Kramat kamp 
waar Julie circa 4 weken zou verblijven

Kramat kamp Batavia


Vervolging en berechting van Japanners


Van mei 1946 tot november 1948 werden de 28 voornaamste Japanse oorlogsleiders, met uitzondering van de keizer, berecht door het Tribunaal van Tokio, officieel het International Military Tribunal for the Far Eastgeheten. Het ging hier om zogeheten A war criminals die werden aangeklaagd voor misdaden tegen de vrede. Daarnaast werden in de diverse geallieerde gebieden nog plaatselijke processen gevoerd tegen circa 4.000 Japanse oorlogsmisdadigers van de categorieën B en C: plegers van conventionele oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid.