Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of  begin 2018
Posts tonen met het label politionele acties. Alle posts tonen
Posts tonen met het label politionele acties. Alle posts tonen

1949 Deel 4 - Mama wat doen we hier had het jongste kind gevraagd

28 december 1949 – Julie was diep geraakt geweest door de 27 december toespraak van Koningin Juliana uit het paleis op de Dam. De radio had haar woorden ‘live’ uitgezonden. Julie zou zich de strekking van de toespraak nog tot ver na 2000 herinneren. De woorden van Juliana hadden zo anders geklonken dan de stoere taal van haar moeder Wilhelmina die op 9 december 1941 vanuit Engeland de oorlog aan Japan had verklaard. Ook toen was Julie thuis geweest. In de huiskamer aan de Niasstraat in Soerabaya had Julie met de pas geboren baby op schoot gezeten. William en Julie hadden elkaar verschrikt en zwijgend aangekeken. Julie wist nu zeker dat William door de vliegdienst opgeroepen zou worden. Indië was nu in oorlog met Japan. De mobilisatie in Nederlands-Indië in het voorgaande jaar had al veel stress veroorzaakt in het nog jonge gezin. De tweede baby was na een onrustige zwangerschap geboren en huilde veel.

Julie verbleef op 17 augustus 1945 in Jakarta en had de ‘Proklamasi’ uitgesproken door Soekarno ook gehoord. Daarna waren op de straten van Jakarta vreugdefeesten en onlusten uitgebroken.

Wij het volk van Indonesië proclameren hierbij de onafhankelijkheid van Indonesië. Aangelegenheden met betrekking tot het bestuur zullen op ordelijke wijze en zo snel mogelijk worden geregeld

De Proklamasi was mede ondertekend door Mohammed Hatta die naast Juliana had gezeten tijdens haar toespraak. President Soekarno was niet naar Amsterdam afgereisd omdat hij vond dat op 17 augustus 1945 de onafhankelijkheid al was uitgesproken. Nog in december 1927 was Mohammed Hatta als Rotterdamse student gearresteerd in opdracht van de toenmalige Minister van Justitie J. Donner (de huidige P.H.Donner is huisvriend van de Oranje’s). Hatta was beschuldigd van ‘communisme’ en was de bedenker van de leus ‘Indonesia Merdeka’. 


Vier jaar en enige maanden later had Juliana’s stem door de radio geklonken in de huiskamer van Anton en Julie.

“Niet langer staan wij gedeeltelijk tegenover elkander. Wij zijn nu naast elkaar gaan staan. Hoezeer ook geschonden en gescheurd en vol van lidtekens van wrok en spijt”.

Julie had de naoorlogse interventies in Indië door de Nederlandse regering vanaf haar aankomst in 1946 via de kranten en de radio-uitzendingen gevolgd. De politionele (lees militaire) acties in Indië hadden opnieuw veel mensenlevens gekost. Maar ook verdriet en verscheurdheid veroorzaakt in vele Indonesische en Nederlandse gezinnen die hun kinderen zouden verliezen vanwege de halsstarrige houding van het naoorlogse Nederlandse bewind. Opnieuw vielen er oorlogslachtoffers en opnieuw werden er Indobaby’s geboren. Pas in 2005 zal Nederland na een officieel bezoek door toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot de onafhankelijkheids datum 17 augustus 1945 in politieke zin accepteren. Kennelijk kon dat alleen maar gebeuren door iemand die zelf als jongen gevangen had gezeten in een Japans interneringskamp in Nederlands-Indië.

Julie had zich veel zorgen gemaakt over haar vele Molukse vrienden die zij had leren kennen tijdens haar verzetswerk en gevangenschap in Bandoeng 1942/1943 en later in de Boei Lama gevangenis in Cheribon. Zij wist dat de Molukkers zeer trouw waren aan hun belofte om de Nederlandse Staat te dienen. Julie vroeg zag af hoe het haar twee Molukse petekinderen was vergaan. (hier kom ik later op terug). 

Juliana sprak verder: “Onmerkbaar groot is de voldoening van een volk dat zijn vrijheid verwerkelijkt ziet”. 


Het was deze zinsnede die Julie tot haar overlijden in 2001 zou onthouden en waar zij opnieuw aan zou denken toen Juliana in 1971 op bezoek was in Indonesië. Wilhelmina was in haar regeerperiode nooit in Indië geweest; “ach wat moet zo’n volk met een dik en zweterig mens op bezoek” had zij zelf als motivatie voor het uitblijven van een bezoek geuit. Julie was ontroerd en zeer van slag geweest tijdens de TV uitzendingen over het bezoek van Juliana. In kleur zag Julie de ongelooflijk hartelijke begroeting door de ‘vrije’ Indonesische bevolking. Maar het was vooral het terugzien van het land en de herkenning van gebouwen, straten en het natuurschoon wat Julie zo van streek zou maken.

Tijdens de laatste dagen van 1949 had Julie ook andere zorgen gehad. De jongens van 9 en 8 jaar oud speelden veel aan de grachten en in de zijstraten van het zich nog steeds herstellend Amsterdam. De jongens hadden ondertussen kennis gemaakt met de andere kinderen van Anton uit zijn vorige huwelijk. Die woonden met hun moeder op nog geen vijf minuten lopen en de oudste zoon Karel kwam wekelijks de alimentatie ophalen. Zijn toenmalige echtgenote wilde beslist niet van scheiden weten als er geen stabiele alimentatie regeling was beklonken. De echtscheidingsprocedure verliep hierdoor uiterst traag. Anton had elke week grote moeite om de alimentatie bijeen te verdienen maar er zat ook betalingsonwil van zijn kant bij. Hij had immers een nieuw gezin en zijn a.s. ex werkte immers als schoonmaakster en had dus een eigen inkomen. De twee kleine kinderen bonden Julie aan huis en ook de nieuwe zwangerschap zou opnieuw voor gezinsuitbreiding in het veel te kleine onderkomen zorgen. De zaken van Anton liepen niet echt geweldig en brachten weinig op.

In Julie groeide de wens naar meer rust en stabiliteit in haar gezin. Julie uitte nu openlijk kritiek op Anton. Hij kon dan driftig worden en was zelfs een keer handtastelijk. Julie kocht knalrode naar bloed kleurende nagellak en een dure nagelvijl. Zij liet trots haar nieuwe puntig uitlopend nagels aan Anton zien. ‘Hiermee krab ik je gezicht helemaal open als jij mij nog eenmaal slaat’. Julie vertelde dit verhaal als een serieuze anekdote in 1998. En wat zien wij op de jeugdfoto van Julie toen zij als zangeres Mona Banister een glamourfoto liet maken. Een charmante jonge vrouw die een goed gelakte en mooi gevijlde wijsvinger wat zwoel naar haar kin laat wijzen. De duim onafhankelijk en  wilskrachtig naast haar andere vingers.

Julie had Indië eind 1946 verlaten vanwege het falende beleid van de Nederlandse regering en de sterke wil van de Indonesische bevolking. De wil om onafhankelijk te zijn. Julie had voor vertrek naar Nederland gekozen omdat zij de hoop had eenmaal in Nederland aangekomen om onafhankelijk te zijn. Zij wilde haar kinderen maar ook haar moeder en zichzelf in veiligheid stellen. Niet meer op de vlucht zijn en geen honger meer hebben. In de jaren ervoor was openlijk Nederlands spreken verboden geweest. De volkswoede (bersiap periode) ten opzichte van alles wat Nederlands was had haar meer dan zeven maanden in een door de Nederlanders gebouwde gevangenis laten verblijven waar vroeger alleen Indonesische bandieten werden opgesloten.

Julie besefte eenmaal vrij gekomen uit de gevangenis dat deze periode van ontberingen en ziekte haar ook hadden beschermd tegen de aanvallen en moordpartijen van de opstandige Indonesische bevolking. Haar beslissing om naar Nederland te vertrekken was wel overwogen geweest. Julie wist dat de Indonesisch bevolking zich niet opnieuw zou laten kolonialiseren. Haar jongere broer Boy had zij niet kunnen overtuigen. Die voelde zich verraden door zijn in Soerabaya geboren Nederlandse vader. Hij voelde zich in de steek gelaten door zijn Indische moeder Charlotte die hem in 1936 naar het kinderhuis van Pa van der Steur had gestuurd. Boy wilde blijven en meehelpen de nieuwe republiek op te bouwen. Want hadden de Nederlanders hém geholpen toen hij als slaaf onder de meest verschrikkelijk omstandigheden aan de Birma spoorweg had moeten werken?

Julie had niet meer bij zich dan haar twee jongen kinderen, haar moeder en wat tassen met bagage toen zij in november 1946 voor het eerst haar voeten in het schemerdonker op de kade van de Rotterdamse kade had geplaatst. ‘Mama wat doen we hier had het jongste kind gevraagd’. Tijdens de zeereis had Julie veel nagedacht over hetgeen zij achter had moeten laten. Haar huis, haar meubelen, haar spaargeld, de fotoalbums, haar vrienden en vriendinnen. Haar baboe en de tuinjongen uit Sragen die later in Cheribon zou wonen en haar had geholpen de sieraden van Julie en anderen te verkopen op de Chinese markten. Wat Julie niet afgenomen werd waren haar herinneringen aan het uitzicht op de vulkanen en de mooie tuin met het koele water van de kleine Kali in de buurt van suikerfabriek DeLanggoe tijdens de eerste gelukkig te noemen tien jaar van haar leven. Ondanks de trieste scheiding van haar ouders had Julie het gevoel dat zij veel had kunnen leren op de scholen en tijdens de opleiding en het werken bij de Indische Posterijen in Bandoeng en Batavia.

Na haar huwelijk in 1940 werd zij moeder en er was zelfs ruimte in haar huis geweest voor Jim, de jongere broer van echtgenoot William. Die werd door hen beiden in huis genomen omdat hij anders voor galg en rad zou opgroeien. Na de moeilijke oorlogsjaren onder de Japanse bezetters en haar verblijf in de gevangenis had Julie grote moeite moeten doen om haar kinderen terug te krijgen. Kleine Jim was groot geworden en had samen met Ukkie Sombeek getuigd dat Julie een Jappenhoer was geweest en om die redenen haar tweede kind Ted niet terug zou moeten krijgen. Haar moeder Charlotte had haar Bandoengse huis, goederen en haar in leren fauteuils ingenaaide geld en sieraden tijdens een door de opstandige jeugdige Pemoeda’s aangestoken brand in vlammen op zien gaan. Ook het uithangbord aan de gevel met daarop de tekst ‘Machinale en Chemische Wasscherij De Hollandse’ was in de vlammen opgegaan. De straatnaam van het gebouw ‘Merdikaweg’ werd niet lang daarna omgedoopt in Jalan Merdeka.

Julie’s vertrouwen in de mensheid had in de jaren ’40 een onwaarschijnlijk grote knauw gekregen. Tijdens die laatste dagen van 1949 had Julie de woorden van Koningin Juliana ook op haar zelf betrokken en had er een persoonlijk tintje aan gegeven. ‘Onmeetbaar groot kan een mens zijn die zijn vrijheid verwezenlijkt ziet’. Julie had de wens gevoeld om haar kinderen in vrijheid op te laten groeien met veel broers en zussen die de niet zoals haar medegevangen lotgenoten van hun vrijheid en hun hoofd beroofd zouden worden. Begin jaren ’90 had Julie een prachtig wandkleed met een boom van gestikt gouddraad gemaakt op een zwart zijden achtergrond. Aan de grote boom hingen 15 verschillende met Indiaas garen geborduurde bladeren. Elk blad zou een omgekomen (onthoofde) gevangene representeren en elk blad was een nieuw kind van Julie geweest. Ondanks de pracht van geborduurde kunstwerk vond een van de kinderen van Julie dat hij en ook zijn zussen en broers niet gezien moesten worden als vervangers van de doden. Het zou dan zijn dat Julie in haar kinderen haar vermoorde lotgenoten zou zien. Als zodanig wilden de kinderen van Julie niet afgebeeld worden. Zij wilden allen en onafhankelijk van elkaar gewoon een kind van hun moeder zijn.

Achteraf kan voorzichtig vastgesteld worden dat de door de oorlog ontstane diepe wonden in de ziel van Julie  niet geheeld  werden door de komst van haar kinderen. Het gevolg is geweest dat veel kinderen van Julie zich emotioneel verwaarloosd voelen. Was het vijftiende blad aan de boom soms niet de miskraam uit 1966 die in de achtertuin van het huis in Bussum werd begraven? Een zelfde ritueel zoals bij haar Indische grootouders Casper en Djeminem die vanaf 1875 elke nageboorte ofwel moederkoek zouden begraven in de met tropische bloemen en planten begroeide tuin achter het grote huis in Bojolali waar Djeminem haar veertien kinderen zou baren. Zo Indisch was Julie dus weer wel. Met haar zwijgzaamheid en diepe lidtekens die niemand had mogen zien maar die altijd door haar kinderen gevoeld zouden worden. Daar kon de Hollandse nuchterheid en warmte van Anton niet tegen op.

Julie heeft tot haar laatste dagen haar nagels prachtig verzorgd. Het was een bijna noodzakelijk ritueel om haar gedachten op een rijtje te zetten. Het bracht orde in haar dagplanning. Onder die uiterlijk charmante laag van kwetsbaarheid, flegmatiek en Indisch aandoende schoonheid huisde een temperament wat niet wakker geschud moest worden. Het is vergelijkbaar met het Indonesische temperament waar ook de Nederlandse overheid zich zo vaak in vergist heeft. Anton had er kennis meegemaakt en het vervulde hem soms met vrees als hij ’s avonds moest vertellen dat er weer geen geld was verdiend. Julie kon dan stil vallen. Nadenken en dan uiterst scherp maar met zachte stem een analyse geven van wat Anton juist wél had moeten doen.

De oplossingen en de nodige gedragsverandering die Julie voorstond maakte Anton afhankelijk van de gunsten en het oordeel van Julie. Zijn moeder was nooit zo geweest. Die had altijd met zachte stem gezegd. ‘Ach jongen, het is ook allemaal niet makkelijk voor je’. Zo hoorde een vrouw te zijn volgens Anton. Liefdevol en begrijpend. In de voorgaande jaren maar ook al voor de oorlog was het huis van de moeder van Anton het belangrijkste vluchtadres geweest waar hij altijd begrip, weinig kritiek en trotse bewondering had gevonden. Zijn eerdere vriendinnen en echtgenotes waren ook altijd vol bewondering voor Anton geweest tot het moment dat zij zich kritisch zouden uiten. Anton had dan de neiging de ruzies te beëindigen met vertrek naar zijn moeder. Julie dacht daar anders over. Hij kon kiezen óf voor zijn moeder óf voor haar. Het werd een emotionele ruilhandel van geven en nemen met Julie aan het roer van een onbestendig schip wat langzaam de nog komende jaren ’50 in zou varen.

1935 De Merapi en Merbaboe gezien vanuit Klaten - Java
niet ver van de plaats waar Julie opgroeide. 

De grootmoeders van Julie - Djeminem Deuning en Joanna van der Steur

de moeder van Anton - Helena Deijmann


Een polderlandschap. 
Anton hield van de polders en was lid van de NJN
de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie









1954 - Julie en Anton hebben verschillende binnenkamers

Terwijl de broer van Julie nog in Bandoeng verbleef waar het bewind van President Sukarno de achtergebleven Indo’s naar een lagere positie op de maatschappelijke ladder manoeuvreerde trok de grijze mist over het naoorlogse Amsterdam langzaam op. Het inkomen van Anton was niet echt voldoende en Julie moest vaak bijspringen met extra werkzaamheden zoals het maken van advertenties en het doen van correctiewerk voor verschillende kleine stadskranten. 

De voorspoedige groei van haar gezin en de nabijheid van haar moeder Charlotte wakkerde het gemis aan informatie over haar vader aan. Julie had reeds verschillende pogingen ondernomen om uit te zoeken waar haar vader zich zou bevinden maar de verschillende Haagse Ministeries en ook het Internationale Rode Kruis konden geen enkel uitsluitsel geven. Sinds 1940 had Julie niets meer van hem vernomen. Hij zou in India hebben gewerkt als manager van een suikerfabriek en hij was hertrouwd met een jonge vrouw die Julie in 1938 bij het laatste bezoek van haar vader in Bandoeng had leren kennen. 

Het was ook de laatste keer geweest dat zij hem levend had gezien. Julie wist van de grote politieke onrust in India en de brieven van haar vader deden er soms maanden over om Indië te bereiken. 

Julie en Anton hadden na hun trouwdag in december 1951 hard gewerkt aan de vormgeving van hun gezin en de daaropvolgende jaren waren zonder grote gebeurtenissen voorbij gegleden. In de voorzomer van 1953 had Julie bemerkt dat zij weer zwanger was. Kindje nr. 7 werd begin januari 1954 geboren. Tot grote vreugde van Anton was het weer een dochter. Het was de tweede dochter die Anton en Julie samen hadden. Het gezinnetje bestond nu uit twee meisjes en vijf jongens. De gezellige bovenwoning aan de Blauwburgwal werd zo langzamerhand te klein.

Nederland werd in februari 1953 weer even het ouderwetse Holland toen door de watersnoodramp in Zeeland de nationale gevoelens van saamhorigheid door radiopresentator Johan Bodegraven met het radioprogramma ‘Beurzen open, dijken dicht’ naar een hoogtepunt werden gebracht. Voor het eerst na de oorlog was er een nationale gebeurtenis die niet over de tweede wereldoorlog, de koude oorlog of over het verlies van Indië ging. De dijken in Zeeland en omgeving hadden het begeven. Er was onvoldoende geïnvesteerd in de waterwering een probleem dat al gesignaleerd was in de vooroorlogse jaren. 

De economen in Den Haag hadden in 1949 berekend dat als Indonesië dan zo graag onafhankelijk wil zijn er door hen nog wel een factuur betaald moest worden van 385 miljoen ouderwetse guldens. Zijnde de investeringen in Nederlands-Indië van vóór 1942. Men zal met weemoed terug gedacht hebben aan de hoge inkomsten uit de eeuw daarvoor. Toen het Nederlandse wegennet en de spoorwegen opgebouwd werden met de vele miljoenen uit Indië. Verdiend door een half miljoen inlanders onder leiding van circa 30.000 blanken.

Op 14 oktober 1947 was de grote stoel van Koningin Wilhelmina in de Haagse Ridderzaal onbezet gebleven. Zij zou oververmoeid zijn geweest. Links in een andere stoel Prinses Juliana en rechts van de lege grotere stoel zit Prins Bernhard. Toen werd hij nog niet schavuit van Oranje genoemd. Zij zien er samen goed in hun nieuwe kleren. In Nederland was alles nog op de bon dus vermoedelijk is er elders inkopen gedaan. Koningin Wilhelmina is dus oververmoeid en er in goed overleg is besloten dat Prinses Juliana in afwachting van de troonsafstand de toko overneemt. 

Na enige formaliteiten besluit Juliana haar toespraakje met een gedragen uitgesproken ‘Zo Waarlijk Helpe Mij God’. De eigenlijk achtergrond van de Koninklijke Vermoeidheid was ruzie. Onenigheid heet dat op z’n Haags, met haar Ministers over o.a. de Indië kwestie. Tegelijkertijd werden in Den Haag de doofpotten gevuld met de vele kleine en grote schandalen uit het koloniale verleden. Hoeveel van die doofpotten er nog in achterkamertjes staan die nog op slot zitten maakt een rondgang door het sinds 2002 genoemde Nationaal Archief wel duidelijk. 

De vader van Julie heet F.P van der Steur en zijn dossier mag pas in 2020 open en zo zijn er honderden dossiers niet toegankelijk voor nabestaanden uit o.a. Indië. De vraag is waarom. Ferdinand is in 1900 in Soerabaja geboren en in 1973 in Bogotá overleden en is naar mijn weten nooit in Nederland geweest. Wat heeft hij in godsnaam gedaan wat zijn kleinkinderen uit naam van de Koningin niet mogen weten? Of moet men naar Thorbecke schrijven? Die had in 1848 tijdens de Grondwetsherziening toch geschreven ‘Openbaarheid, dat is de eenige school van de politieke opvoeding’. Hiermee wordt ook geïmpliceerd dat regeringen en parlementariërs verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor hun beslissingen en dat het Koninklijk Theater niet als dekmantel en afleider van excessen gebruikt zou mogen worden. 

In tegenstelling tot de meer pacifistisch aangelegde Juliana wilde haar moeder Wilhelmina juist meer macht omdat zij zich door politiek onbenul omgeven wist. Zij voelde zich op dat punt wél gesteund door Bernhard die dankbaar gebruik maakte van zijn populariteit en buiten het zicht van de regering graag wat bijverdiende of op z’n minst onrust stookte.

Tijdens een zelfde oktoberweek maar dan een jaar eerder in 1946 wacht Julie in Batavia ongeduldig op het vertrek van het schip wat haar naar Nederland zal brengen. Julie had in de maanden daarvoor grote moeite gehad om haar moeder met haar oudste zoon en haar tweede kind bij zijn pleegmoeder Ukkie Sombeek uit het door de Bersiap onlusten getroffen en daardoor buitengewoon onrustige Bandoeng weg te kunnen halen. 

De maatschappelijk werker van Pro Juventute Batavia ging heel modern voor 1946, van ‘de grotere belangen van het kind uit’. en geloofde in eerste instantie Ukkie Sombeek de pleegmoeder van Julie’s tweede zoon die bijna 2,5 jaar bij Ukkie had gewoond terwijl Julie op de vlucht was voor de Japanse Kempeitai. Als bewijsvoering had Ukkie zich gesteund geweten door de jongere broer van William, Julie’s vermiste echtgenoot. Jim Dobson en Ukkie Sombeek hadden naar voren gebracht dat Julie een Jappenhoer was geweest. Julie was in de voorgaande jaren enige keren in Bandoeng gesignaleerd in een typisch (geleend) Japans mantelpakje. Kakikleurig met een mooie donkerroze geborduurde kersenbloesem op de linkerkant. Dat zou het magere bewijs zijn geweest. 

Onbewust zal Julie in die periode een antipathie hebben ontwikkeld tegen een bepaald soort Indo mensen die zich bedienden van leugens en achterklap om zichzelf te redden uit benarde of frustrerende situaties. Eenmaal in Nederland zou Julie nauwelijks contacten aangaan met Indo's als onderdeel van haar behoefte om te vergeten.

In de moeilijke jaren tussen 1942 en 1946 hebben veel ‘buitenkampers’ door hun benarde positie als praktisch vogelvrije bewoners van Indië zich op vele manieren moeten redden met aanpassen en buigen voor de Japanners én voor de Indonesiërs om zodoende te kunnen overleven. Hun positie stond onder druk omdat zij als gedeeltelijke blanken op z’n minst verdacht werden van een te blanke mentaliteit en die was juist ongewenst verklaard door de Indonesiërs in hun streven naar een republiek zonder blanke inmenging. Indo’s moesten hierdoor hun verworvenheden inperken en vooral voor Indonesiër spelen. 

Er ontstonden na 1945 twee Indo groeperingen die op punten zelfs lijnrecht tegen over elkaar stonden. Indo’s die zich Nederlander voelden en Indo’s die zich Indonesiër voelden. Zoals bijvoorbeeld de broer van Julie. Die voelde zich in de steek gelaten door zijn Europese vader en later door de Nederlandse regering die hem jarenlang had laten creperen in Japanse werkkampen tijdens de bouw van de Birma spoorweg ook wel de dodenlijn genoemd. Hier hadden niet alleen duizenden krijgsgevangen aan gewerkt maar ook duizenden burgers uit o.a. Java die als ‘vrijwillige’ Romusha’s ofwel dwangarbeiders vaak onder nog erbarmelijker omstandigheden trachten te overleven dan de ‘werknemers’ op de voormalige Sumatraanse plantages van de Nederlandse planters uit de 19e eeuw.

Julie had in 1946 bewust gekozen voor vertrek naar Nederland. Zij wilde weg uit haar geboorteland omdat zij wist dat het nooit meer zou worden zoals het ooit geweest was. Zij had haar sterk vermagerde broer in 1946 in Batavia teruggezien en hij had haar met vurige ogen getracht ervan te overtuigen dat zij geen toekomst als Indo in Nederland zou hebben. Hij zou zelf wél blijven en mee gaan helpen om de republiek op te bouwen. Zijn jarenlange verblijf in het instituut van Pa van der Steur, zijn Indonesische vriendenkring en zijn ervaringen als dwangarbeider hadden hem het gevoel gegeven dat hij vooral Indonesiër was. 

In 1952 was zijn eerste kind geboren uit zijn huwelijk met een Indo meisje die een Europese achternaam had gehad. In zijn brieven aan Julie had hij zich lichtelijk beklaagd over het gevoel van achterstelling door de minder goed opgeleide Indonesiërs die zijn leidinggevenden waren geworden. Julie had zich ongerust gemaakt over zijn welzijn en eveneens over het welzijn van haar vader. Ondanks haar streven naar een volledige integratie in de Nederlandse maatschappij had zij een gevoel van incompleetheid door de afwezigheid van haar vader en broer. Heimwee gevoelens wist Julie goed te onderdrukken door de beelden van de doorgemaakte verschrikkingen in Indië weg te werken door zwangerschappen, zorg voor de kinderen en het aannemen van extra werk. 

Die weggedrukte beelden zouden pas veel later in haar leven in versterkte mate terugkeren toen haar laatste kindje werd geboren en weer opnieuw toen zij zich los had gemaakt van Anton en in Italië ging wonen. De Italianen vonden dat zij geen Nederlandse kon zijn. Zij had immers duidelijk een exotische en Aziatische uitstraling  en zij gaven Julie en zo anders als de Nederlanders veel charmante complimenten.

Anton was in 1954 inmiddels twee en veertig jaar oud geworden. Het leven als vertegenwoordiger in schrijfwaren begon hem steeds meer tegen te staan. Hij had immers een tuinbouwkundige opleiding en door de toenemende welvaart in Nederland werden er ook weer bloemen en planten door het grote publiek gekocht. Anton had een tweede schrijfwaren depot bij zijn oudere broer Jo aan de Ceramstraat in Den Helder ondergebracht. Hierdoor waren zijn regelmatige reizen naar zijn moeder en andere familie in Den Helder gerechtvaardigd. 

Onderweg deed hij ook vaak Alkmaar aan. Een stad die hij goed kende omdat hij daar voor de tweede wereldoorlog gewoond en gewerkt had als tuinman bij de familie Doggenaar die een kwekerij hadden aan Geest 18 en een bloemenzaak aan de Langestraat. Hij had in het nabijgelegen Bergen ook de toenmalige kunstenaarsgemeenschap leren kennen en had vaak boeketten geleverd die als stilleven zouden dienen voor hun schilderijen. In Bergen bevindt zich ook het bekende café-restaurant Het Huis met de Pilaren. Alhier had Anton voor de wereldoorlog vaak zijn koffie gedronken en zijn vrienden uit de kunstenaarswereld ontmoet. 

Hier werd ook het idee geboren om voorjaar 1937 naar Zuid Frankrijk te vertrekken om aldaar de lokale kwekers er van te overtuigen een Nederlandse uitvinding voor het verwarmen van planten en bloemenkassen aan te schaffen. Het huwelijk tussen Anton en Trijntje Bosma was op de klippen gelopen. Trijntje zou met hun zoon naar Den Helder vertrekken en Anton toog met een vriend naar Grasse. Het zou niet meer dan een avontuur worden. De Franse kwekers wilden geen Nederlandse kasverwarming en Anton en zijn vriend spraken geen woord Frans. In augustus 1937 werden beiden als ongewenste vreemden het land uit gezet en Anton kwam weer voor enige maanden in Den Helder te wonen en vertrok in februari 1938 weer naar Alkmaar. In oktober van dat jaar verhuisd Anton met zijn vriendin Albertina Antonia Jörissen naar Bergen. 

Er wordt ook een kind geboren, Karel Antonius. Waarom het kind Jörissen en dan weer Verblauw heet is nog een raadsel. In oktober 1940 zouden Anton en Tonia in Amsterdam trouwen. Ook de oorlog zou de onrust in Anton niet wegnemen. In de voorgaande jaren was hij meer dan 20 keer verhuisd twee keer getrouwd en had veel werkwisselingen ondergaan. 

Tijdens en na de oorlogsjaren zou hij opnieuw op vele adressen wonen. Pas door de samenleving met Julie kwam hij tot rust. Beiden zochten naar stabiliteit na langdurige zwerftochten opgelegd door omstandigheden en factoren waar zij beiden geen greep op hadden. Julie was echter meer naar binnen gericht en wilde haar omgeving zo klein en overzichtelijk mogelijk houden, huis, kinderen en werk. 

Anton was de man van het grote gebaar en de vaak onzakelijke maar eerder emotionele beslissingen. Veel van hun kinderen hebben die wisselwerking tussen rust en onrust  geërfd. Net zoals Julie en Anton die hadden geërfd van hun vaders en grootvaders. Zeemannen en planters en van moeders en grootmoeders die thuis bleven met de kinderen en hun mannen zagen vertrekken en soms weer terug zagen. In 1955 verhuizen Julie en Anton naar Alkmaar.



1952 - Anton en Julie op een feest in Amsterdam


1954 De eerste dochter van Anton en Julie is inmiddels zes jaar oud 
en gaat naar school op de Herengracht (Burghtschool)

Amsterdam 1952 - Al eerder was de auto van Anton volledig in de gracht verdwenen. Deze auto had meer 'mazzel'


Amsterdamse Kalverstraat in 1952

Juliana bezocht in 1953 het rampgebied in Zeeland

In 1953 werd Prins Bernhard Inspecteur-Generaal van de Marine

In 1954 werd er een sneltype wedstrijd 'machine schrijven' 
georganiseerd in Hotel Krasnapolsky Amsterdam

1954 - Goedkoop bellen naar Indonesië

Amsterdam 1954 - De dagzaal van de internationale telefoonkamer  
aan de Spuistraat

1954 - MP Minister Drees is trots op het Statuut voor het Koninkrijk 
met de West (Suriname en de Antillen). 
Minder trots is men later met zijn besluit om één van de 
doofpotten te vullen rond de Politionele acties in voormalig Indië. 

Even terug naar 1948 ten tijde van de Politionele Acties in voormalig Indië

Omdat koningin Wilhelmina oververmoeid is zal prinses Juliana tijdelijk het koninklijk gezag waarnemen. In een speciale verenigde vergadering van de Eerste en Tweede Kamer legt Juliana in de Ridderzaal te Den Haag, in aanwezigheid van prins Bernhard, de eed af.


De Vorstin vraagt steun van het Volk voor de formering van een moordcommando. 
"Voor kutpraatjes gaan ze maar ergens anders naar toe." 
Uit: Borát, VPRO radioprogramma, te beluisteren tot 1989. 
(met Herman Koch als Vorstin).



Een tweede springvloed werd het genoemd: de hulp die zuid-west Nederland kreeg na de watersnoodramp van 1 februari 1953. Tonnen aan goederen en miljoenen aan guldens kwamen er binnen, van over de hele wereld. Het Rode Kruis en het Rampenfonds hadden de handen vol aan het in goede banen leiden van alle blijken van medeleven.



Julie en haar broer zullen de propaganda films van de Japanse bezetter ook gezien hebben. Julie's broer werd als Romusha 'geworven' en zou onder geheel andere omstandigheden als in het filmpje te werk gesteld worden.