Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

1950 deel 2 - 'Dank je wel 1950'.

In juni 1950 werd het derde kindje van Julie en Anton geboren. Een wolk van een baby met hoog blond haar en een witte huid. Het gezinnetje bestond nu uit zeven personen. Anton en Julie, de twee kinderen uit het eerste huwelijk van Julie van 9 en 8 jaar oud en de drie kinderen die zij samen hadden gekregen.  De taak die Julie zich zelf had opgelegd begon vorm te krijgen. Het nieuwe leven wat zij schonk zou de oude beelden van dood en verderf uit de oorlogsjaren in Indië moeten vervagen. Eigenlijk het liefst vervangen. De honger, de dorst, het vluchten, het verschuilen, de eenzaamheid, het slaan, de martelingen, de onthoofdingen. Het waren schrikbeelden in het hoofd van Julie die op de meest onverwachte momenten opdoken. Dat konden geluiden zijn van zware deuren, van stoelen die om vielen, van boze stemmen of waterkranen die druppelden in een stille ruimte die rook naar bitter zweet. Het geheugen van Julie haakte dan in op de vele stressmomenten uit het nog jonge verleden en maakte haar angstig en onzeker. Julie had zichzelf aangeleerd om deze herinneringen uit het verleden geen kans meer te geven door zichzelf veel en verschillende werkzaamheden op te leggen en deze dan doelgericht en uiterts geconcentreerd uit te voeren. 

Hoeveel moeders zoals Julie waren er niet in het Amsterdam of Bandoeng van begin jaren vijftig van de vorige eeuw? Moeders die wilden vergeten. Moeders hadden immers andere zorgen dan de vaders. In de jaren veertig waren veel vaders en zonen van huis gegaan of opgehaald. Om te dienen in een leger of om te werken in gevangenschap voor de vijand. Er waren ook vaders en zonen die machteloos achter hekwerken en tralies hun tijd uit hadden gezeten. Als zij het al hadden overleefd dan waren het niet meer de vaders en zonen van vroeger. Gevangen genomen vrouwen waren in de minderheid en vertelden veel minder over hun ervaringen. Zij hadden het overleefd en namen genoegen met het oppakken van de draad uit vorige levens. Vier en twintig uur per dag zorgen en beschermen tegen invloeden van buitenaf vraagt meer energie dan het huis of land verdedigen tegen aanvallen, dat is mannenwerk. Julie weefde een onzichtbaar cocon om haar groeiende gezin. Zij was zich bewust van de traumatische ervaringen die haar twee jongste kinderen in Indië hadden opgedaan. Zij wilde haar oudere kinderen laten vergeten door hen broertjes en zusjes te schenken en een veilig huis te bieden. Met een nieuwe vader, die ook hen zou beschermen.

Julie zorgde er voor dat er weinig ruimte was voor sentimenten in haar gedachtewereld. De zelfdwang van Julie kwam voort uit het opgelegde patroon van aanpassing en inpassing in een land waar zij niet was geboren en niet was opgeroeid. Net zoals het Zeeuws botermeisje uit Zeeland nooit zou kunnen aarden in Amsterdam voelden veel Indo-europese immigranten zich ontheemd in het land waar zij niet waren geboren en opgeroeid. In Nederland werd er na 1945 gesproken over Indische repatrianten maar dat geldt uiteraard niet voor personen die nooit eerder in Nederland waren geweest. De burgerlijke samenleving in Indië zoals Julie die had leren kennen was onvergelijkbaar met de levenswijze in het naoorlogse Nederland. Er waren weliswaar grote  overeenkomsten in taal en wetten. Maar de Nederlandse taal in Indië was er voor een zeer kleine minderheid van circa 350.000 personen die rond 1940 het Nederlands beheersten in een land met 70 miljoen inwoners. Het Indisch wetboek vertoonde grote verschillen met het Nederlands wetboek. Er golden voor de in Indië wonende oorspronkelijke inwoners andere wetten dan voor de door de overheid erkende Indo-europeanen en weer andere wetten voor de Nederlanders  die naar Indië waren verhuisd als ambtenaar, soldaat, ondernemer of als gelukzoeker.

Indo-europese kinderen met Nederlands bloed werden in Indonesië al vanaf 1600 geboren dus vanaf de eerste jaren dat de Nederlanders zich in Indië nestelden. De vader van Julie’s moeder werd op 30 april 1841 in het toenmalige Soeracarta geboren. Vandaag de dag heet deze stad Solo. Haar grootvader kreeg de naam Casper Frederik Deuning en hij was de zoon van een immigrant en een inlandse vrouw. Tien jaar later zou zijn jongste broer Ferdinandus Deuning geboren worden. Ferdinadus zou in het najaar van 1883 ter dood worden veroordeeld omdat hij een baby zou hebben vermoord. De civilisatie van Indië was noch niet afgerond en de ijverige ambtenaren uit de regio Semarang werkten nauw samen om aan te tonen dat zij de rechtsgang zeer serieus namen. De rechtsgang rond Ferdinandus wordt nauwkeurig beschreven door L.J. van Raalte in een uitgave uit 1884 omtrent de beginselen van ‘De Nederlandsch-indische Strafvordering’. Het recht op privacy bestond toen kennelijk nog niet, in deze uitgave worden alle partijen rond de rechtzaak met naam, toenaam en verblijf locatie genoemd. Hieruit komt ondermeer naar voren dat er nog een derde broer was. Frans Frederik Deuning die met zijn Njai Oerip samenleefde. In de stukken m.b.t. de rechtzaak word zij Oerip Deuning genoemd. Het a.s. boek over Julie zal als vertrekpunt de opzet van een boek zijn waar Julie aan begon te schrijven in 1996 tijdens een vakantie in Thailand. Onderaan het blog een gescande weergave in het handschrift van Julie met de hoofdpersonen uit haar beoogde publicatie. Het bleek niet al te moeilijk te zijn om de werkelijke personen achter de door Julie beschreven pseudoniemen te vinden.

De rechtzaak en het verlies van zijn broer moet vooral voor de degelijke Casper Frederik een zware slag zijn geweest.  Het was een landelijk schandaal en de naam Deuning was nu overbekend in de koloniale en Indo-europese kringen. Casper leefde sinds circa 1875 samen met zijn Njai Djeminem in het lieflijke Bojolali. Trouwen mochten zij pas na in 1893 een wetswijziging. Later zou Djeminem zich ook Raden Ajoe Sinem Istri Kamidjojo laten noemen. Vrij vertaald uit het oud Javaans ‘jonge vrouw uit Yogyakarta’. Samen zouden zij 14 kinderen krijgen. Tengevolge van de kraamvrouwenkoorts overleed Raden Ajoe ofwel Djeminem op 29 mei 1898. Hun vijftiende en jongste kindje zou enige dagen later overlijden. Charlotte, de moeder van Julie was toen net twee jaar oud.

Het zou toen nog drie jaar duren voordat de Ethische politiek rond 1901 Nederlands-Indië zou bereiken. Het zou voor een nieuw elan onder de koloniale ambtenaren zorgen want de nieuwe strategie was gericht op welvaart vergroting voor iedereen. Dus ook voor de inlanders en ook voor de niet door de regering erkende Indo-europeanen die in veel gevallen wel een sterk Hollands getinte opvoeding kregen. Alhoewel de investeringen in de Indische welvaart onvoldoende waren steeg het zelfbewustzijn onder de inlanders en Indo-europeanen die nu wél een kansen zagen om goed onderwijs te volgen. Ook Pa van der Steur rook nieuwe kansen voor zijn honderden vaak verweesde Indo-europese pleegkinderen. Het door hem in 1893 opgerichte ‘gesticht’ bevond zich in de kazernestad Magelang en het merendeel van de door hem opgenomen kinderen waren kinderen uit de soldaten wereld. De uit Nederland afkomstig soldaten mochten volgens de toenmalige wetten ook in Nederland niet getrouwd zijn en ook niet met inlandse vrouwen trouwen. De overheid wilde hiermee met name op pensioen verplichtingen besparen indien de militair om zou komen. De soldaten onderhielden veelal kort durende relaties met de inlandse vrouwen en de kinderen die hieruit werden geboren werden groeiden op in de kampongs in de nabijheid van een kazerne. De gouvernementele overheden lieten deze relaties oogluikend toe om de aanwas van bordelen en homoseksualiteit geen kans te geven.

Julie werd geboren uit ouders die weliswaar een gedeeltelijk Nederlandse achtergrond hadden maar volledig geïntegreerd waren in het Indië van vóór 1920. Na 1920 was door de sterk gegroeide vraag naar Indische producten, zoals suiker en olieproducten het aantal Nederlanders in Indië zeer toegenomen. Ondanks de Ethische politiek was de ongelijkheid in salariëring bepaald nog niet veranderd. De uit Nederland afkomstige kolonialen verdienden door achtergrond en opleiding veel meer dan de Indo-europeanen. De inlanders met een vergelijkbare opleiding verdienden wéér minder en hadden nog minder kans op promotie. Waardoor ook de welvaart verschillen in de gezinnen soms buiten proportioneel waren. De vader van Julie had weliswaar een aardig salaris als 2e machinist op een suikeronderneming maar had onvoldoende kunnen sparen om een eigen huis of een stuk land te kunnen kopen waardoor hij noodgedwongen door ontslag uit hun huurhuis op de onderneming moest vertrekken. Het was op het hoogtepunt van de grote economische wereldcrisis in 1931 toen hij zijn gezin in een veel kleiner huis in de buurt van de armenwijk in Bandoeng moest onderbrengen. Het was in die jaren dat Julie als jong meisje geconfronteerd werd met de zeer grote sociaal-culturele verschillen in de Indische samenleving. Het was als een piramide die uit veel steeds breder worden lagen bestond. In de punt de rijke planters en landeigenaren en de gouvernementele regeerders die samenspanden met de lokale sultanaten. Daaronder de koloniale hoofdambtenaren en hofambtenaren van de sultanaten. En weer een trede lager de ambtenaren met lagere rangen en de hoger opgeleide werknemers in de verschillende productie sectoren. Het laagst op de ladder stonden de inlandse dagloners, huisbedienden en de kampong bewoners

De zeden en gewoontes in Indië waren aldus als een Indische spekkoek in vele lagen in te delen waarbij racisme en afkomst eveneens een grote rol speelde. Het waren geen vastgelegde afspraken of regels maar men merkte snel genoeg hoe  men zich op basis van afkomst en welvaartsniveau diende te gedragen. Deze zelf opgelegde gedragscodes werden door de overheid voortdurend gewogen op de balansschaal van het profijtbeginsel. Als je geen persoonlijke bijdrage aan de (staats)winst bij droeg en je van de gebaande paden afweek was je aldus verliesgevend. Onder de Indo-europeanen was het hoogste streven een baan bij de overheid. Hierbij lonkte men stevig naar het gedrag van de uit Nederland afkomstige kolonialen en trachtte men relatief kritiekloos hun gedrag te imiteren. Hierdoor namen veel Indo-europeanen veelal ongewild afstand van hun inlandse afkomst. Eenmaal aangekomen in het kille en minder op hiërarchie ingestelde naoorlogse Nederland werden de oude gewoontes en gebruiken uit het oude Indië door veel Indo’s weer van stal gehaald worden om het ‘anders zijn’ te cultiveren door gebrek aan eigen identiteit. Met name de schrijver Tjalie Robinson kon zich zeer opwinden over de ‘overgave’ van de Indo’s aan de Nederlandse burgerlijkheid.

Julie had in november 1946 bij aankomst in Nederland een tegengestelde overlevingsstrategie uitgezet. Voor haar was Indië een afgesloten hoofdstuk. Zij besloot innerlijk en uiterlijk om zo Nederlands mogelijk te worden. Haar hoogblonde wolk van een baby die in juni 1950 werd geboren zou net als de eerder geboren twee kinderen haar eigen achternaam dragen. Haar vriend Anton erkende weliswaar de drie kinderen maar omdat hij nog in ‘scheiding lag’ werden de kinderen toch als Van Der Steur ingeschreven. Julie was al blij dat zij geen nieuwe rechteloze kinderen had zoals die bij duizenden bij haar oom Pa van der Steur waren ingeleverd. De draden van het cocon wat Julie spinde werden ook rond Anton gesponnen. Anton paste ook zo mooi in de strategie van Julie. Haar verleden wegwassen door zo Nederlands mogelijk te worden met een sterke Hollandse man die geen bindingen met Indië had. In het najaar van 1950 konden Julie en Anton verhuizen naar een bovenwoning aan de Blauwburgwal. Niet ver van de Herengracht en de Spuistraat. Het was hun eerste huis waar geen sociale controle door een inwonende huiseigenaar aanwezig was. Julie richtte zelf het huis in met hamer, zaag en hetgeen Anton via vrienden wist te regelen. Daarnaast dwong zij Anton in een nieuw gareel. Een baan in loondienst. Dwz het was een typisch Anton & Julie compromis wat zich in de komende jaren nog vele malen zou herhalen. Anton had een basissalaris met een omzetbonus. Hierdoor moest Julie ook een gedeelte van zijn werk doen. Anton ging zijn klanten af met kantoorartikelen en Julie beheerde het depot nam de bestellingen aan en verwerkte deze tot pakketten die vervolgens weer naar de klanten gebracht moesten worden. Eind februari 1951 merkt Julie dat zij opnieuw zwanger was. De polygoon journaals in de bioscopen sloten 1950 af met een veel zeggend ‘Dank je wel 1950’.

In 1995 maakt Julie een opzet voor een boek over haar familie in Indië. 
Na enige pagina's houd zij op.


In maart 1950 komt Prins Bernhard aan op Schiphol na een maandenlange 'zakenreis' 

1950 Schiphol - Diplomaten uit Indonesië arriveren om de kwestie Nieuw-Guinea te bespreken. In het kader van de grote wens van hun president 'Een volk, een land'

1950 - Amsterdam 29 april 
De Nederlandse vlag en de Indische urn, 
bevattende met bloed doordrenkte aarde van de slagvelden uit Indie, 
die wordt bijgezet in het Monument op het Damplantsoen

1950 Maart - President Sukarno met leden van het Worang Bataljon. 
Zij zouden later ingezet worden in Nieuw-Guinea

1950 - Bij DAF in Eindhoven worden nieuwe militaire voertuigen gebouwd

Kerstpakketten voor de in Indië verblijvende militairen. 
De laatste groepen militairen kwamen in 1951 terug. 
Velen reisden weer door naar Korea.  

1950 Ook de kinderen van Julie en Anton genieten van Sterovita melk

Veel naoorlogse baby's werden extra groot door de Trinose babyvoeding

Babies als beren! 
Vanaf 1953 kregen de kinderen van Julie kennelijk andere 
melk zij zijn aanmerkelijk minder lang dan de eerste vier kinderen

1950 als de gewone boter te duur was

In Amerika gingen ook baby's aan de Cola 'how soon is too soon'?

Polygoon, december 1950

Veel uit Indië teruggekeerde militairen vertrekken opnieuw.
Naar Korea 1950.


Wat deed Prins Bernard in 1950 in Indonesië?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten