Op 11 augustus 2017
verschenen er twee persberichten in kranten en op het internet.
Staatssecretaris Martin Van Rijn zou een fantastische ‘final deal’ gesloten
hebben. Met de gehele Indische gemeenschap.
Dwz met vertegenwoordigers van de Indisch gemeenschap. Wel slim gepland
die 11de augustus. Op 15 augustus was het nationale Indië Herdenking
dag. De persberichten suggereren dat de Indische Kwestie opgelost zou zijn.
O.a. met de komst van een Indische Gemeenschapshuis aan de Sophialaan 10 in Den
Haag.
In de volksmond wordt dit
statige pand ook wel Rumah Setan (huis van Satan) genoemd. Heel enge, ‘stille
krachten’ zouden zich nog immer in dit pand bevinden. Ook de geesten van het
vroegere Indisch Huis, wat in 2006 door wanbeheer ten onder ging, maken zich
klaar om naar de Sophialaan 10 te verhuizen.
Na mijn verbazing over deze
persberichten wist ik meteen dat dit ‘gebaar’ van Van Rijn een Haags en weinig slim
onderonsje is met de niet zo officiële ‘vertegenwoordigers’ van de Indische
Gemeenschap die in geen enkel opzicht míjn vertegenwoordigers zijn en zeker
niet van de 100.000den andere landgenoten met Indisch bloed.
Boze en
teleurgestelde mensen die vinden dat de Indische Kwestie absoluut niet is opgelost
door staatssecretaris van Rijn en Silfraire Delhaye kunnen vanaf 15 augustus
2017 terecht op een nieuwe website en bij een nieuwe organisatie in Amsterdam.
www.deindischekwestie.nl
Voorzitter Silfraire
Delhaye van het Indisch Platform ligt al langere tijd zwaar onder vuur omdat
hij het Indisch Platform als een eenmanszaak bestuurd. Toen ik hem onlangs verzocht de bestuur
verslagen vanaf 2013 tot juli 2017 van het Indisch Platform openbaar te maken (o.a.
via Facebook) ben ik meteen ontvriend? Toch blijf ik nieuwsgierig naar de wijze
waarop Delhaye kennelijk in zijn eentje de gehele Indische Kwestie heeft
opgelost. Ja, in zijn eentje want de andere bestuursleden zijn onbekend of zijn
er voortijdig uitgegooid. Welnu, zijn werk is nu afgerond en het wordt dus de
hoogste tijd dat hij langdurig rust gaat nemen. Of heeft hij alsnog een mooie
bestuurskamer gereserveerd in Rumah Setan? Wat gaat hij daar doen? Werken aan
zijn boek ‘Silfraire’s List’?
Toch zie ik liever dat de
huidige gebruiker van Sophialaan 10 ‘The Institute For Global Justice juist
uitgebreid word met een afdeling koloniale juridische kwesties, met een apart
loket voor Hollandse advocaten die compensatie rechtszaken tegen de overheid
voorbereiden namens Nederlandse en bijvoorbeeld Indonesische slachtoffers.
Yvonne van Genugten van het
Bronbeekse Indisch Herinneringscentrum is ook reuze ingenomen met de verhuizing
naar Den Haag en Stichting Pelita is ook blij. Want er komt meer geld voor
aandacht aan de eerste generatie van naar Nederland gevluchte Indo’s. Dat
zullen er echter nog bijzonder weinig zijn. Dat bleek verleden jaar nog toen er
nog net 550 nog overlevenden een BackPay uitkering via de Sociale Verzekering
Bank.
Er was eind 2015 opnieuw
weer eens wat geld voor rond 1000 slachtoffers maar door het getreuzel van Van
Rijn, Silfraire Delhaye en de SVB enerzijds en door het harde werken van de
door Silfraire Delhaye uit het Indisch Platform verwijderde Peggy Stein, Ton te
Meij en hun medewerkers en vrienden kon de SVB alsnog circa 550 uitkeringen uitvoeren.
Zonder de inzet van Peggy Stein en haar
in Amsterdam gevestigde bedrijf was de SVB niet verder dan 350 uitkeringen
gekomen. Het Indisch Platform van Delhaye was immers voor slachtoffers en hun
familieleden onbereikbaar. Geen werkende website, geen emailadres, geen
telefoonnummer.
Ben dus benieuwd hoe het de
nieuwe Haagse gebruikers van Rumah Setan aan
de Sophialaan 10 zal vergaan. Staatssecretaris Martin van Rijn heeft naar mijn idee de
Indische Kwestie op geen enkele manier opgelost maar eerder vergroot door
Silfraire Delhaye en de andere eerder genoemde stichtingen slim mee te laten
zeilen op de bootjes van de zo op doofpotten gestelde overheid. Geef ze een
clubhuisje en wat maandgeld en zij zijn weer voor jaren rustig dacht de staatssecretaris.
Onlangs hebben voormalige
leden en vrienden van o.a. het Indisch Platform een nieuwe website geopend. www.deindischekwestie.nl. De strijd
voor erkenning is immers nog lang niet gestreden.

Het is dit jaar
vijfenzeventig jaar gelden dat mijn moeder Julie Dobson-van der Steur uit haar
woning aan de Niasstraat 82 in Soerabaya werd gezet. Haar toenmalige echtgenoot
W. C. Dobson had als officier en marine vlieger in februari 1942 de opdracht
gekregen belangrijke regeringsfunctionarissen naar Australië te vliegen en was niet terug
gekeerd. Op 29 april 1942 werd er hard op de voordeur van Julie geklopt. Een
hoge Japanse officier vergezeld van een Indonesische politieman gaven Julie de
opdracht om binnen één uur te vertrekken met haar twee kinderen, 20 en 5
maanden oud. Julie mocht alleen handbagage meenemen. De huissleutels,
autosleutels en de volledige inrichting waren gevorderd zonder enig officieel
document.
De Nederlands - Indische
Kwestie is qua juridische problematiek te vergelijken met bijvoorbeeld de
100.000den door de Nazi’s geroofde kunstvoorwerpen die nog steeds niet bij de
oorspronkelijke eigenaren of hun erfgenamen terug zijn. De eigenaren zijn
vermoord of omgekomen in concentratiekampen. De vele naoorlogse rechtszaken die
door de overlevenden en de nakomelingen van de slachtoffers zijn gevoerd om hun
rechtmatige bezittingen terug te vorderen of op zijn minst compensatie te
verkrijgen werden en worden tot op vandaag tegengewerkt door EU overheden
en de nieuwe ‘bezitters’ van de geroofde
eigendommen.
Ook Nederland vraagt bij
compensatievragen bewijzen. Bewijzen die soms diep begraven in de nationale
archieven achter slot en grendel worden bewaard met een openbaarheidsbeperking
van vijfenzeventig jaar. De archieven in Indonesië en Nederland zijn nog lang
niet op orde en iedereen weet dat de Japanse bezetters nog voor hun capitulatie
zoveel mogelijk bewijzen hebben verbrand. De weg vinden in al deze archieven is
sowieso uiterst moeizaam en compensatie wordt veelal aan nog levende
slachtoffers na jarenlange strijd uitgekeerd. In 2016 kregen aldus circa 550
nog levende slachtoffers een eenmalige uitkering van 25.000 Euro via de SVB.
Als de overheid bijvoorbeeld in 1995 had uitgekeerd dan waren minsten 75.000 slachtoffers
uiteindelijk gecompenseerd.
De Indische en Joodse slachtoffers
en hun nakomelingen strijden ook heden nog voor erkenning, gerechtigheid en in
de laatste plaats om financiële compensatie zoals uitbetaling van achterstallig
salaris of compensatie van hun verloren bezittingen. Joodse slachtoffers kregen
na hun terugkeer zelfs belastingaanslagen opgelegd omdat zei tijdens hun soms
langjarige verblijf in een concentratiekamp geen onroerendgoedbelasting hadden
betaald over een huis wat inclusief meubels door de Duitsers was gevorderd en
door de nieuwe Nederlandse bewoners ook na de oorlog niet terug gegeven wilde
worden. Mijn moeder kreeg eind 1946 een overheidsfactuur van bijna 4000 gulden
zijnde de kosten van haar noodgedwongen vlucht, met haar twee kinderen en moeder, naar Nederland.
Meer dan 80 Indo-Europese leden
van mijn familie zijn tijdens de Japanse bezetting in Nederlands-Indië in
kampen of buiten de kampen omgekomen door ziekte, honger of na de capitulatie
van Japan, vermoord door Indonesiërs die hun onafhankelijkheid bevochten nadat
de Nederlandse regering in 1945 naar Nederlands-Indië terugkeerde en een
rampzalig verlopen oorlog begon tegen het door Japan uitgeputte Indonesië.
Zelden
wordt in de geschiedschrijving het aantal inlandse doden genoemd tijdens de
periode maart 1942 – december 1949. De grote hongersnood op Java 1944 eiste
meer dan 2 miljoen slachtoffers. Een schatting van meer dan 5 miljoen doden
gedurende de onrustige jaren in “Ons Indië” is vermoedelijk een te lage
schatting.
Circa 30 familieleden die
de Japanse bezetting en de Bersiap hadden overleefd moesten op eigen kosten
naar Nederland vluchten. Hun bezittingen
zoals huizen, interieurs, bedrijven, landerijen waren van Japanse handen in
Indonesische handen overgegaan. Zonder enige compensatie achteraf. Mijn
familieleden kwamen volledig berooid in Nederland aan. Sommigen hebben soms tot
meer dan twintig jaar na aankomst hun ‘schuld’ aan de staat af moeten betalen. Gedwongen
achterblijvende familieleden vonden nauwelijks werk in het nieuwe Indonesië en
zijn door ondervoeding, ziekte en discriminatie vanwege hun Indo afkomst na
veel problemen in stilte en anoniem gestorven.
Inmiddels weet ik dat al
mijn familieleden die naar Nederland konden vluchten, een enorme bijdrage hebben geleverd aan de
wederopbouw van Nederland. Evenals de tweede generatie. Een tweede generatie
die hun kinderen ook weinig vertellen van het geen hún ouders hebben door
gemaakt. De in Indië opgelopen trauma werden echter vaak door de grootouders
van de kleinkinderen met name door zwijgen en ‘soedah laat maar’ gedrag
overgedragen aan hun kinderen.
In menig tussen 1945 en
1967 naar Nederland gevlucht gezin speelden zich eenmaal in Holland in huis
kleine en grote psychosociale drama’s af die onder geen beding naar buiten
mochten komen. Een Indo klaagt immers niet. Dat hadden zij al in eeuwen terug
in Nederlands-Indië geleerd. Want om bij de blanken te mogen behoren, moest je wel
hun spel meespelen.
Meer dan 500.000 Nederlanders
hebben tijdens de tweede wereldoorlog met de Duitsers samengespannen. De groep
échte verzetshelden was vele malen kleiner in aantal. Een groot aantal Nederlandse volwassenen die
met de Duitsers hadden gecollaboreerd konden kiezen. Of gevangenisstraf óf als
militair naar Indië. Om als
‘ervaringsdeskundigen’ mede leiding te geven aan duizenden jongeren van17 tot
21 die na de moeilijke oorlogsjaren niet wisten wat hen in Indië te wachten
stond. Eenmaal terug in Nederland werden deze jongeren niet als helden
ontvangen. Zij hadden immers een oorlog verloren.
Naast de meer dan 240.000
Indo-Europese vluchtelingen en meer dan 80.000 blanke vluchtelingen die tot
1967 naar Nederland kwamen. Dient de geschiedenis van deze grote groep van meer
dan 100.000 soldaten ook een plaats te krijgen in het collectief geheugen van
Nederland. Ook zij maken deel uit van
het Afscheid van Indië. Rumah Setan aan de Sophialaan 10 in Den Haag is
daarvoor veel te klein en er wonen ook nieuwe enge geesten.
Er is naar mijn idee maar
één gebouw met voldoende ruimte op het grote terrein en wat internationale allure heeft en daardoor uiterst geschikt zou zijn als Indisch Koloniaal Archief, Bibliotheek,
Herinneringscentrum, Conferentiecentrum, Museum, Centrum voor Indisch
Wetenschappelijk Onderzoek (ja er is plaats voor de Indische afdeling van het
NIOD en hun collega’s uit Indonesië) en uiteraard ook met ruimte voor met name de
Ambonese, Surinaamse en Antilliaanse koloniale geschiedenis. En natuurlijk met
een hotel, restaurants, bioscoopzaal en waarom ook niet, een Indisch/Surinaamse/Antilliaanse
Kokschool. De VOC geschiedenis kan op 15 minuten lopen van het Tropenmuseum
bestudeerd worden. Bijvoorbeeld in het Scheepvaartmuseum.
Het Tropenmuseum dus. Ooit in
gebruik genomen als Koloniaalmuseum en indertijd betaald met in
Nederlands-Indië verdiend geld. Geld verdiend door noeste onderbetaalde arbeid
door o.a. tienduizenden koelies. Die betrokken waren bij de aanleg van wegen,
spoorwegen, havens, het kappen van bossen, de bouw van koloniale gebouwen, de
aanleg van plantages, het openleggen van boorvelden voor de Bataafse Petroleum Maatschappij.
De omstandigheden waaronder
de koelies hun werk moesten doen is te vergelijken met de verschrikkelijk interneringskamp-ontberingen
die de 100 namen die zijn vermeld op het pannetje van Oliemans hebben
doorgemaakt. Inderdaad het pannetje waar staatssecretaris Van Wijk en anderen
zo vrolijk bij staan te lachen op de foto.
Veel Indo-Europeanen vonden
pas vanaf 1900 werk binnen de snel groeiende Nederlands-Indische economie.
Voorheen leefden zij in de kampongs of kazernes en hadden soms een
onderbetaalde baan bij het Indisch Gouvernement of op een plantage. Blanke onervaren
collega’s uit Holland of Europa kregen voor het zelfde werk vaak 10x hogere
salarissen. Op het pannetje van Oliemans
staan twee mij bekende namen. Een van een Hollandse oom die tot aan zijn dood
bijna elke nacht hevige kampperiode dromen had.
De tweede naam is van de vader
van een goede vriend. Een vriend die jarenlang heeft geleden onder de
zwaarmoedigheid en de daarmee gepaard gaande dagelijkse blinde woede aanvallen van zijn vader. Eric (Medan 1938) en zijn broertje hebben
nooit vaderlijke liefde gekend. Eric zocht
al jong liefde en erkenning in de armen van andere, toen, oudere mannen. Overleed
aan aids in 1992. Vierenvijftig jaar jong.
Het zal zeker vijf jaar
duren om het in 1923 geopende Tropenmuseum om te bouwen en te reorganiseren tot
een internationaal Dutch Colonial Memorial Centre – kortweg DCMC. De
herinrichting van het gebouwen terrein zal misschien wel 100 miljoen Euro
kosten. Het initiatie zal mogelijk 400 banen opleveren, die uit de exploitatie
en rijksbijdragen betaald moeten worden. Eigenlijk een relatief laag
prijskaartje voor collectieve erkenning.
Als Nederland echter doorgaat met haar
ontkenning en doofpot beleid zal er mogelijk nog wel een miljard aan claims te
verwachten zijn. Openheid van zaken geven in DCMC kan stukken goedkoper voor onze
overheid zijn. Want veel mensen willen geld zien als zij geen antwoord op hun
vragen krijgen. Dan worden zij boos. Met een beetje verstandig doorwerken kan het
DCMC in 2023 heropend worden.
Het DCMC zal ook door grote
groepen Indonesische ouderen en jongeren bezocht gaan worden. Jongeren die een
groeiende aandacht hebben voor het koloniale verleden van hun geboorteland. En
antwoorden willen vinden op hun vragen waarom de corruptie en islamitische
radicalisering in hun land zo is verbonden met het koloniale verleden. Onder deze jongeren bevinden zich ook Indonesische
meisjes en jongens die verzwegen Hollands bloed hebben. Hun overgrootouders
kozen na 1945 uit zelfbescherming 100% Indonesische namen.
Het DCMC kan zich als een
(inter)nationaal educatief centrum ontwikkelen waar het historisch besef en het
collectieve geheugen gevoed kunnen worden. De politieke angst voor nationale reputatieschade
zal de grootste tegenstander worden van het DCMC project. Het initiële
draagvlak voor het DCMC zal door actieve voorlichting en een businessplan
gezocht moeten worden bij de
nakomelingen uit het koloniale verleden. En bij de vele kleine en grote
stichtingen en instellingen die zich bezig houden met het koloniale verleden.
--> De koloniale geschiedenis kan immers pas herschreven en begrepen worden als de archieven, doofpotten, collecties, bibliotheken vanuit een fysiek openbaar centraal en ook digitaal eenvoudig te bereiken voorlichtingscentrum bezocht kunnen worden.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten