Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of  begin 2018
Posts tonen met het label Alkmaar. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Alkmaar. Alle posts tonen

1954 - Julie en Anton hebben verschillende binnenkamers

Terwijl de broer van Julie nog in Bandoeng verbleef waar het bewind van President Sukarno de achtergebleven Indo’s naar een lagere positie op de maatschappelijke ladder manoeuvreerde trok de grijze mist over het naoorlogse Amsterdam langzaam op. Het inkomen van Anton was niet echt voldoende en Julie moest vaak bijspringen met extra werkzaamheden zoals het maken van advertenties en het doen van correctiewerk voor verschillende kleine stadskranten. 

De voorspoedige groei van haar gezin en de nabijheid van haar moeder Charlotte wakkerde het gemis aan informatie over haar vader aan. Julie had reeds verschillende pogingen ondernomen om uit te zoeken waar haar vader zich zou bevinden maar de verschillende Haagse Ministeries en ook het Internationale Rode Kruis konden geen enkel uitsluitsel geven. Sinds 1940 had Julie niets meer van hem vernomen. Hij zou in India hebben gewerkt als manager van een suikerfabriek en hij was hertrouwd met een jonge vrouw die Julie in 1938 bij het laatste bezoek van haar vader in Bandoeng had leren kennen. 

Het was ook de laatste keer geweest dat zij hem levend had gezien. Julie wist van de grote politieke onrust in India en de brieven van haar vader deden er soms maanden over om Indië te bereiken. 

Julie en Anton hadden na hun trouwdag in december 1951 hard gewerkt aan de vormgeving van hun gezin en de daaropvolgende jaren waren zonder grote gebeurtenissen voorbij gegleden. In de voorzomer van 1953 had Julie bemerkt dat zij weer zwanger was. Kindje nr. 7 werd begin januari 1954 geboren. Tot grote vreugde van Anton was het weer een dochter. Het was de tweede dochter die Anton en Julie samen hadden. Het gezinnetje bestond nu uit twee meisjes en vijf jongens. De gezellige bovenwoning aan de Blauwburgwal werd zo langzamerhand te klein.

Nederland werd in februari 1953 weer even het ouderwetse Holland toen door de watersnoodramp in Zeeland de nationale gevoelens van saamhorigheid door radiopresentator Johan Bodegraven met het radioprogramma ‘Beurzen open, dijken dicht’ naar een hoogtepunt werden gebracht. Voor het eerst na de oorlog was er een nationale gebeurtenis die niet over de tweede wereldoorlog, de koude oorlog of over het verlies van Indië ging. De dijken in Zeeland en omgeving hadden het begeven. Er was onvoldoende geïnvesteerd in de waterwering een probleem dat al gesignaleerd was in de vooroorlogse jaren. 

De economen in Den Haag hadden in 1949 berekend dat als Indonesië dan zo graag onafhankelijk wil zijn er door hen nog wel een factuur betaald moest worden van 385 miljoen ouderwetse guldens. Zijnde de investeringen in Nederlands-Indië van vóór 1942. Men zal met weemoed terug gedacht hebben aan de hoge inkomsten uit de eeuw daarvoor. Toen het Nederlandse wegennet en de spoorwegen opgebouwd werden met de vele miljoenen uit Indië. Verdiend door een half miljoen inlanders onder leiding van circa 30.000 blanken.

Op 14 oktober 1947 was de grote stoel van Koningin Wilhelmina in de Haagse Ridderzaal onbezet gebleven. Zij zou oververmoeid zijn geweest. Links in een andere stoel Prinses Juliana en rechts van de lege grotere stoel zit Prins Bernhard. Toen werd hij nog niet schavuit van Oranje genoemd. Zij zien er samen goed in hun nieuwe kleren. In Nederland was alles nog op de bon dus vermoedelijk is er elders inkopen gedaan. Koningin Wilhelmina is dus oververmoeid en er in goed overleg is besloten dat Prinses Juliana in afwachting van de troonsafstand de toko overneemt. 

Na enige formaliteiten besluit Juliana haar toespraakje met een gedragen uitgesproken ‘Zo Waarlijk Helpe Mij God’. De eigenlijk achtergrond van de Koninklijke Vermoeidheid was ruzie. Onenigheid heet dat op z’n Haags, met haar Ministers over o.a. de Indië kwestie. Tegelijkertijd werden in Den Haag de doofpotten gevuld met de vele kleine en grote schandalen uit het koloniale verleden. Hoeveel van die doofpotten er nog in achterkamertjes staan die nog op slot zitten maakt een rondgang door het sinds 2002 genoemde Nationaal Archief wel duidelijk. 

De vader van Julie heet F.P van der Steur en zijn dossier mag pas in 2020 open en zo zijn er honderden dossiers niet toegankelijk voor nabestaanden uit o.a. Indië. De vraag is waarom. Ferdinand is in 1900 in Soerabaja geboren en in 1973 in Bogotá overleden en is naar mijn weten nooit in Nederland geweest. Wat heeft hij in godsnaam gedaan wat zijn kleinkinderen uit naam van de Koningin niet mogen weten? Of moet men naar Thorbecke schrijven? Die had in 1848 tijdens de Grondwetsherziening toch geschreven ‘Openbaarheid, dat is de eenige school van de politieke opvoeding’. Hiermee wordt ook geïmpliceerd dat regeringen en parlementariërs verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor hun beslissingen en dat het Koninklijk Theater niet als dekmantel en afleider van excessen gebruikt zou mogen worden. 

In tegenstelling tot de meer pacifistisch aangelegde Juliana wilde haar moeder Wilhelmina juist meer macht omdat zij zich door politiek onbenul omgeven wist. Zij voelde zich op dat punt wél gesteund door Bernhard die dankbaar gebruik maakte van zijn populariteit en buiten het zicht van de regering graag wat bijverdiende of op z’n minst onrust stookte.

Tijdens een zelfde oktoberweek maar dan een jaar eerder in 1946 wacht Julie in Batavia ongeduldig op het vertrek van het schip wat haar naar Nederland zal brengen. Julie had in de maanden daarvoor grote moeite gehad om haar moeder met haar oudste zoon en haar tweede kind bij zijn pleegmoeder Ukkie Sombeek uit het door de Bersiap onlusten getroffen en daardoor buitengewoon onrustige Bandoeng weg te kunnen halen. 

De maatschappelijk werker van Pro Juventute Batavia ging heel modern voor 1946, van ‘de grotere belangen van het kind uit’. en geloofde in eerste instantie Ukkie Sombeek de pleegmoeder van Julie’s tweede zoon die bijna 2,5 jaar bij Ukkie had gewoond terwijl Julie op de vlucht was voor de Japanse Kempeitai. Als bewijsvoering had Ukkie zich gesteund geweten door de jongere broer van William, Julie’s vermiste echtgenoot. Jim Dobson en Ukkie Sombeek hadden naar voren gebracht dat Julie een Jappenhoer was geweest. Julie was in de voorgaande jaren enige keren in Bandoeng gesignaleerd in een typisch (geleend) Japans mantelpakje. Kakikleurig met een mooie donkerroze geborduurde kersenbloesem op de linkerkant. Dat zou het magere bewijs zijn geweest. 

Onbewust zal Julie in die periode een antipathie hebben ontwikkeld tegen een bepaald soort Indo mensen die zich bedienden van leugens en achterklap om zichzelf te redden uit benarde of frustrerende situaties. Eenmaal in Nederland zou Julie nauwelijks contacten aangaan met Indo's als onderdeel van haar behoefte om te vergeten.

In de moeilijke jaren tussen 1942 en 1946 hebben veel ‘buitenkampers’ door hun benarde positie als praktisch vogelvrije bewoners van Indië zich op vele manieren moeten redden met aanpassen en buigen voor de Japanners én voor de Indonesiërs om zodoende te kunnen overleven. Hun positie stond onder druk omdat zij als gedeeltelijke blanken op z’n minst verdacht werden van een te blanke mentaliteit en die was juist ongewenst verklaard door de Indonesiërs in hun streven naar een republiek zonder blanke inmenging. Indo’s moesten hierdoor hun verworvenheden inperken en vooral voor Indonesiër spelen. 

Er ontstonden na 1945 twee Indo groeperingen die op punten zelfs lijnrecht tegen over elkaar stonden. Indo’s die zich Nederlander voelden en Indo’s die zich Indonesiër voelden. Zoals bijvoorbeeld de broer van Julie. Die voelde zich in de steek gelaten door zijn Europese vader en later door de Nederlandse regering die hem jarenlang had laten creperen in Japanse werkkampen tijdens de bouw van de Birma spoorweg ook wel de dodenlijn genoemd. Hier hadden niet alleen duizenden krijgsgevangen aan gewerkt maar ook duizenden burgers uit o.a. Java die als ‘vrijwillige’ Romusha’s ofwel dwangarbeiders vaak onder nog erbarmelijker omstandigheden trachten te overleven dan de ‘werknemers’ op de voormalige Sumatraanse plantages van de Nederlandse planters uit de 19e eeuw.

Julie had in 1946 bewust gekozen voor vertrek naar Nederland. Zij wilde weg uit haar geboorteland omdat zij wist dat het nooit meer zou worden zoals het ooit geweest was. Zij had haar sterk vermagerde broer in 1946 in Batavia teruggezien en hij had haar met vurige ogen getracht ervan te overtuigen dat zij geen toekomst als Indo in Nederland zou hebben. Hij zou zelf wél blijven en mee gaan helpen om de republiek op te bouwen. Zijn jarenlange verblijf in het instituut van Pa van der Steur, zijn Indonesische vriendenkring en zijn ervaringen als dwangarbeider hadden hem het gevoel gegeven dat hij vooral Indonesiër was. 

In 1952 was zijn eerste kind geboren uit zijn huwelijk met een Indo meisje die een Europese achternaam had gehad. In zijn brieven aan Julie had hij zich lichtelijk beklaagd over het gevoel van achterstelling door de minder goed opgeleide Indonesiërs die zijn leidinggevenden waren geworden. Julie had zich ongerust gemaakt over zijn welzijn en eveneens over het welzijn van haar vader. Ondanks haar streven naar een volledige integratie in de Nederlandse maatschappij had zij een gevoel van incompleetheid door de afwezigheid van haar vader en broer. Heimwee gevoelens wist Julie goed te onderdrukken door de beelden van de doorgemaakte verschrikkingen in Indië weg te werken door zwangerschappen, zorg voor de kinderen en het aannemen van extra werk. 

Die weggedrukte beelden zouden pas veel later in haar leven in versterkte mate terugkeren toen haar laatste kindje werd geboren en weer opnieuw toen zij zich los had gemaakt van Anton en in Italië ging wonen. De Italianen vonden dat zij geen Nederlandse kon zijn. Zij had immers duidelijk een exotische en Aziatische uitstraling  en zij gaven Julie en zo anders als de Nederlanders veel charmante complimenten.

Anton was in 1954 inmiddels twee en veertig jaar oud geworden. Het leven als vertegenwoordiger in schrijfwaren begon hem steeds meer tegen te staan. Hij had immers een tuinbouwkundige opleiding en door de toenemende welvaart in Nederland werden er ook weer bloemen en planten door het grote publiek gekocht. Anton had een tweede schrijfwaren depot bij zijn oudere broer Jo aan de Ceramstraat in Den Helder ondergebracht. Hierdoor waren zijn regelmatige reizen naar zijn moeder en andere familie in Den Helder gerechtvaardigd. 

Onderweg deed hij ook vaak Alkmaar aan. Een stad die hij goed kende omdat hij daar voor de tweede wereldoorlog gewoond en gewerkt had als tuinman bij de familie Doggenaar die een kwekerij hadden aan Geest 18 en een bloemenzaak aan de Langestraat. Hij had in het nabijgelegen Bergen ook de toenmalige kunstenaarsgemeenschap leren kennen en had vaak boeketten geleverd die als stilleven zouden dienen voor hun schilderijen. In Bergen bevindt zich ook het bekende café-restaurant Het Huis met de Pilaren. Alhier had Anton voor de wereldoorlog vaak zijn koffie gedronken en zijn vrienden uit de kunstenaarswereld ontmoet. 

Hier werd ook het idee geboren om voorjaar 1937 naar Zuid Frankrijk te vertrekken om aldaar de lokale kwekers er van te overtuigen een Nederlandse uitvinding voor het verwarmen van planten en bloemenkassen aan te schaffen. Het huwelijk tussen Anton en Trijntje Bosma was op de klippen gelopen. Trijntje zou met hun zoon naar Den Helder vertrekken en Anton toog met een vriend naar Grasse. Het zou niet meer dan een avontuur worden. De Franse kwekers wilden geen Nederlandse kasverwarming en Anton en zijn vriend spraken geen woord Frans. In augustus 1937 werden beiden als ongewenste vreemden het land uit gezet en Anton kwam weer voor enige maanden in Den Helder te wonen en vertrok in februari 1938 weer naar Alkmaar. In oktober van dat jaar verhuisd Anton met zijn vriendin Albertina Antonia Jörissen naar Bergen. 

Er wordt ook een kind geboren, Karel Antonius. Waarom het kind Jörissen en dan weer Verblauw heet is nog een raadsel. In oktober 1940 zouden Anton en Tonia in Amsterdam trouwen. Ook de oorlog zou de onrust in Anton niet wegnemen. In de voorgaande jaren was hij meer dan 20 keer verhuisd twee keer getrouwd en had veel werkwisselingen ondergaan. 

Tijdens en na de oorlogsjaren zou hij opnieuw op vele adressen wonen. Pas door de samenleving met Julie kwam hij tot rust. Beiden zochten naar stabiliteit na langdurige zwerftochten opgelegd door omstandigheden en factoren waar zij beiden geen greep op hadden. Julie was echter meer naar binnen gericht en wilde haar omgeving zo klein en overzichtelijk mogelijk houden, huis, kinderen en werk. 

Anton was de man van het grote gebaar en de vaak onzakelijke maar eerder emotionele beslissingen. Veel van hun kinderen hebben die wisselwerking tussen rust en onrust  geërfd. Net zoals Julie en Anton die hadden geërfd van hun vaders en grootvaders. Zeemannen en planters en van moeders en grootmoeders die thuis bleven met de kinderen en hun mannen zagen vertrekken en soms weer terug zagen. In 1955 verhuizen Julie en Anton naar Alkmaar.



1952 - Anton en Julie op een feest in Amsterdam


1954 De eerste dochter van Anton en Julie is inmiddels zes jaar oud 
en gaat naar school op de Herengracht (Burghtschool)

Amsterdam 1952 - Al eerder was de auto van Anton volledig in de gracht verdwenen. Deze auto had meer 'mazzel'


Amsterdamse Kalverstraat in 1952

Juliana bezocht in 1953 het rampgebied in Zeeland

In 1953 werd Prins Bernhard Inspecteur-Generaal van de Marine

In 1954 werd er een sneltype wedstrijd 'machine schrijven' 
georganiseerd in Hotel Krasnapolsky Amsterdam

1954 - Goedkoop bellen naar Indonesië

Amsterdam 1954 - De dagzaal van de internationale telefoonkamer  
aan de Spuistraat

1954 - MP Minister Drees is trots op het Statuut voor het Koninkrijk 
met de West (Suriname en de Antillen). 
Minder trots is men later met zijn besluit om één van de 
doofpotten te vullen rond de Politionele acties in voormalig Indië. 

Even terug naar 1948 ten tijde van de Politionele Acties in voormalig Indië

Omdat koningin Wilhelmina oververmoeid is zal prinses Juliana tijdelijk het koninklijk gezag waarnemen. In een speciale verenigde vergadering van de Eerste en Tweede Kamer legt Juliana in de Ridderzaal te Den Haag, in aanwezigheid van prins Bernhard, de eed af.


De Vorstin vraagt steun van het Volk voor de formering van een moordcommando. 
"Voor kutpraatjes gaan ze maar ergens anders naar toe." 
Uit: Borát, VPRO radioprogramma, te beluisteren tot 1989. 
(met Herman Koch als Vorstin).



Een tweede springvloed werd het genoemd: de hulp die zuid-west Nederland kreeg na de watersnoodramp van 1 februari 1953. Tonnen aan goederen en miljoenen aan guldens kwamen er binnen, van over de hele wereld. Het Rode Kruis en het Rampenfonds hadden de handen vol aan het in goede banen leiden van alle blijken van medeleven.



Julie en haar broer zullen de propaganda films van de Japanse bezetter ook gezien hebben. Julie's broer werd als Romusha 'geworven' en zou onder geheel andere omstandigheden als in het filmpje te werk gesteld worden.



1956 – Regen, Joseph Luns als Pietje Bell en de Russen komen eraan

Anton was eind januari 1956 vierenveertig jaar oud geworden. Er zal iemand gebeld hebben. Het ging niet goed met zijn moeder. Die was inmiddels bijna tachtig jaar oud en bedlegerig. In haar schemerige kamer brandde een zwak bovenlicht zonder kapje. Het bed was een hoog ledikant met ijzeren spijlen. Het bed was kennelijk iets tekort want de voeten van oma Helena staken bijna door de spijlen heen. Anton had een van zijn jongere kinderen meegenomen (de auteur van dit blog) en die moest achter het bed vlak bij die blauw dooraderde en vooral witte voeten wachten. Hij had de voeten goed kunnen bestuderen, de teennagels waren donker bijna bruin/blauw gekleurd. Door de spijlen van het bed kon hij vader zien. Het was voor het eerst dat de vijfjarige zoon zijn vader had zien huilen. Vader maakte geen geluid. Zijn winterjas was open en zijn sjaal hing los om zijn hals. Af en toe streek hij door zijn haren. De moeder van de zoon fluisterde zachtjes en had schuin omhoog naar haar jongste zoon gekeken. Licht verwijtend had haar stem geklonken. Haar ogen waren wijd open geweest en hadden soms doordringend opgekeken. 

Vader was ingehouden maar zichtbaar verdrietig. Helena van Wolferen is op vijf februari 1956 ingeslapen. Anton had altijd een bijzondere band met zijn moeder gehad. Zij was ook vaak een goed excuus geweest om vanuit Amsterdam en later vanuit Alkmaar bij haar op bezoek te gaan. Na haar overlijden was de enige vrouw in zijn leven Julie. En juist Julie begon zich na bijna tien jaar in Nederland mentaal los te maken van Anton. Zij was door haar werk buiten de deur kostwinster voor het gehele gezin geworden. Anton was doende met de opbouw van de kwekerij die in die periode nauwelijks iets opleverde. Uitstapjes maken zoals vroeger naar zijn moeder waren er niet meer bij. Hij was nu gebonden aan de kwekerij in opbouw en dat deed zijn humeur geen goed.

Julie had in 1953 al voor huwelijkse voorwaarden gekozen waardoor zij o.a. gerechtigd was om het Indische weduwepensioen voor haar twee kinderen uit haar eerste huwelijk veilig te stellen. Anderzijds kon Anton zijn eigen zaken behartigen zonder dat het op Julie verhaald kon worden. Een verandering in de wet maakte het voor Julie vanaf juni 1956 nog makkelijker om zelfstandig en zonder overleg met Anton aankopen te doen. Dat wilde toen nog niet zeggen dat Julie volgens de wet aan Anton geen ‘gehoorzaamheid was verschuldigd. Dát wetsartikel zou pas in 1971 uit het wetboek verdwijnen. Door haar werk op de drukkerij in Alkmaar en haar financiële onafhankelijkheid werd Julie ook zakelijker en veranderde ook haar kleding smaak. Voorheen had zij zich graag in Christian Dior achtige kleding gehuld. Voor Julie betekende goed gekleed gaan ook een wapen tegen opmerkingen en vooroordelen. Door haar kleine postuur en Indische uitstraling kreeg zij voortdurend opmerkingen vanwege haar licht exotische uitstraling te horen. Men kon aan Julie niet zien dat zij in 1956 al aan zeven kinderen het leven had geschonken en zwanger was van het achtste kind. Het waren vaak ook seksueel getinte opmerking die vermoedelijk te maken hadden met de hete verhalen over de gewillige Indische meisjes die de uit Indonesië teruggekeerde soldaten en mariniers aan hun in Nederland achtergebleven vrienden hadden verteld. Coco Chanel heeft Julie aan een nieuwe ‘power look’ geholpen. De strak afkledende mantel pakjes leken haar een zakelijke en onafhankelijke uitstraling te geven. Na de geboorte van haar negende kind kwam Julie tijdens de middagpauze op haar oude damesfiets nog wel eens snel naar huis om de baby te voeden maar al snel werd het kolfapparaat weer in gebruik genomen waardoor er altijd een serie kleine flesjes met moedermelk op voorraad was.

Julie is rond 1950 sigaretten gaan roken en ook de voeding voor de baby’s werd vanaf 1950 wat magerder of zat minder groeimiddel in? De kinderen die vanaf 1951 zijn geboren werden steeds minder fors dan de kinderen die tussen 1948 en 1950 zijn geboren. Vanaf 1954 duikt de gemiddelde lengte van de kinderen die zijn geboren na nr. 6 uit 1951 met meer dan 10 centimeter naar beneden. In hoeverre de sigaretten en andere melk hier debet aan zijn is een wetenschappelijke kwestie. Julie rookte tijdens de zwangerschappen hooguit wat minder. Als Julie de patronen voor haar kleding op de eettafel knipte was er altijd wel een asbak met een rokende Silky sigaret in de buurt. Haar laatste sigaretten zou Julie één dag voor haar overlijden in 2001 roken. Zij merkte toen nog op dat zij er eigenlijk met roken wilde stoppen. Ook Anton rookte maar in veel mindere mate dan Julie. Anton snoepte vaker. Tijdens zijn werkzaamheden in de tuin stond er vaak een blik met Alkmaarse Jodenkoeken in de buurt. Anton gebruikte ook beendermeel als meststof voor de grote bloembakken en in de vaste plantenkas. Vanaf 1956 werden er weer dochters geboren. Er waren er pas twee naast de zes jongens. De in 1956 geboren dochter werd prompt naar de overleden Helena genoemd. In de herfst van 1956 trokken zich donkere wolken boven het politieke klimaat in Europa samen. In oktober 1956 lieten de Hongaren merken dat zij genoeg hadden van de invloed van Rusland en trokken de straten op om te protesteren. Opnieuw kregen de communisten in Nederland veel kritiek te verduren omdat zij nu toch echt ongelijk leken te krijgen. De groot afgedrukte foto’s in de Nederlandse kranten lieten veel beelden zien van een door tanks kapot geschoten Boedapest en Anton zat dagelijks uren aan de radio gekluisterd. In Anton was de oorlogswinter van 1944 nog steeds aanwezig. 

Een factor waar Anton zeer aan moest wennen was het groeiende bewustzijn van de oudere kinderen. Zij begonnen vragen te stellen en hun geheugen maakten combinatie gedachten. Vragen zoals: Papa zit er beendermeel in de Jodenkoeken? Papa je hebt toch gezegd dat er zoveel Joden zijn verdwenen, zitten die nu in de Jodenkoeken en zijn het hun beenderen die in het meel zit? Als je met veel jonge kinderen aan tafel zit dan roept elke vraag of antwoord een nieuwe vraag op. Mama waarom komen jij en oma uit Indië? Waarom zijn jullie hier? Door al deze schijnbaar gewone vragen leerden de kinderen ook de stemmingen van Anton en Julie kennen. Als Anton een goed humeur had dan wilde hij wel antwoord geven maar als hij een slecht humeur had was het ‘koppen dicht’. Julie bleef altijd kalm en antwoordde meestal vriendelijk maar kortaf waardoor je nog niets wist. De kinderen begonnen ook te lezen en ondeugend te worden. Dat wil zeggen ‘plaatsvervangend ondeugend’ want de streken die Kruimeltje en Pietje Bel  uithaalden die durfde je als kind in die jaren niet echt zelf uit te halen. In het najaar van 1956 was de stemming van Anton niet best. De kwekerij wilde niet goed lopen en het was kouder en er viel veel meer regen dan normaal. De berichtgeving rond Prins Bernhard, die zijn positie weer wilde verstevigen op Paleis Soestdijk speelde hij nu door  via het Duitse magazine Der Spiegel. En de ruzie's tussen Minister Luns en President Soekarno werden verdrongen door de nieuwsberichten over de oprukkende Russen in Hongarije. Anton dacht en zei vaak dat het niet lang meer zou duren voordat de 3de wereldoorlog zou uitbreken. Onbewust zal hij deze stemming invloed gehad hebben op de algemene stemming in huis. Er waren daarnaast voortdurend huislijke problemen op economisch vlak. Het huis werd daarom spaarzaam belicht en er werd op de stookkosten bespaard waardoor het ook vaak zeer koud was in de slaapkamers. Soms zo koud dat de ’s morgens vroeg de vriesbloemen op de binnenkant van de ramen stonden en de waterkranen in huis bevroren waren. Anton had het moeilijk met deze problemen en hij leek de schuld te geven aan de communisten en de wereldpolitiek. De spanningen tussen Julie en Anton konden flink oplopen en het was toen al opvallend dat Julie zich innerlijk terugtrok en in een hoek van de kamer iets begon te naaien of te verstellen en stil bleef. Het is een patroon wat zich tot begin jaren ’90 voort zou zetten. Anton domineerde met zijn stemmingen de sfeer in huis en Julie bleef zoals gewoonlijk op de achtergrond en zorgde voor inkomsten en maaltijden.

De moeder van Julie, Charlotte was inmiddels zestig jaar oud geworden en kwam om de zoveel maanden voor enig tijd uit Den Haag over om in huis te wonen en om mee te helpen met het huishouden. Slechts zelden spraken Julie en Charlotte Maleis of Javaans met elkaar maar voor de kinderen was het duidelijk dat die twee een ‘geheimtaal’ met elkaar spraken als het met name over Anton of de twee oudste kinderen van Julie ging. Oma was streng en niet altijd rechtvaardig. Zij had de neiging om de blonde kinderen liever te vinden dan de donkere kinderen. Julie had dat best wel in de gaten en maakte dan opmerkingen dat iedereen gelijk was. Pas veel later zou blijken dat Charlotte haar voorkeuren voor wit en blond liet bepalen door een rassenvooroordeel wat reeds lang geleden in het oude Indië aan haar was opgedrongen. Wit, blank en accentloos Nederlands praten was de enige goede weg naar maatschappelijk succes had zij in het nonnenklooster geleerd waar zij als jong kind na het overlijden van haar moeder was ondergebracht. De harde opvoedingstechniek van Charlotte was voor Julie soms reden van felle kritiek op haar. Er ontstond dan ruzie en Charlotte vertrok weer voor enige maanden naar haar zussen in Den Haag. Wat Charlotte precies voor werk deed in Den Haag was onduidelijk. Zij hielp mee in verschillende huishoudens, meestal bij Indische families maar echt stabiel werk leek dat niet te zijn. Haar melancholische en dan weer soms iets te vrolijke stemmingen maakte het voor de kinderen moeilijk om haar echt te leren kennen. En waar was Opa? Dat was toch de vader van Julie? 


Helena (Deijmann) van Wolferen en haar jongste zoon Anton

1956 Alkmaar Jodenkoeken, Beendermeel en Kruimeltje


1956 De kinderen van Julie en Anton beginnen te lezen

1956 - Julie is schilderlessen gaan volgen - 
een 'oefen portretje' van Julie met de schrijver 
als 'zit toch eens stil' beweeglijk object

1956 - Julie maakte in een serie stillevens - 
de flits van de camera zorgt voor te veel weerkaatsing

1956 - Bij Julie en Anton thuis was de sfeer gespannen. 
Zou er weer oorlog komen?

1956 Prins Bernhard speelde het via Der Spiegel en Soekarno en Hirohito ontmoeten elkaar weer eens terwijl Minister Luns zich voor de Papoea's in Nieuw Guinea in blijft zetten. Nederland wilde ondanks felle weerstand uit Indonesië en andere landen Nieuw Guinea als koloniale achtertuin voor Nederland behouden.  

1956 Julie rookte Silky
 1956 Julie liet zich inspireren door Coco Chanel

1956 Coco en Julie hadden steeds meer met elkaar gemeen. Zelfstandigheid en roken

Coco Chanel met kunstenaar Salvador Dali 

1956 Ook in Jakarta kleden de dames zich minder conservatief dan voorheen 

1956 De Gadjah Mada Universiteit in Yogyakarta 
wordt verbouwd

1956 Een Duitse oorlogsgevangene keert uit Rusland terug 
en zijn dochter ontmoet voor de eerste keer haar vader

1956 Een kapot geschoten straat in Boedapest

1956 Er komt een vluchtelingenstroom uit Hongarije op gang. 
Ook Nederland neemt vluchtelingen op.

1956 In Budapest wordt heftig tegen de Russen geprotesteerd. 
Het zou echter niet altijd goed aflopen met de opstandelingen 
die niet zouden vluchten

1956 Hongaarse vluchteling


1956 De kinderen van Anton en Julie zagen ook deze foto uit Boedapest. 
Een triest kijkende jonge Hongaar met een geweer. 

De winterse zomer van 1956


1956 De Ajam-affaire


1956 Terwijl Boedapest brandt dansen de communisten

1959 - Twee gedwongen verhuizingen, de Kerk en een emotioneel weerzien

Er kwamen emotionele berichten en brieven uit Indonesië. Na langdurige procedures was de broer van Julie in staat gesteld om naar Nederland te mogen vertrekken. Hij zou nog in 1959 naar Nederland komen. In de zelfde periode stuurde de Nederlandse regering militairen naar Nieuw Guinea. In december 1957 had de Indonesische regering alle Nederlandse bedrijven genationaliseerd als reactie op de onwil om Nieuw Guinea aan Indonesië over te dragen. De broer van Julie had echter niet bij een Nederlands bedrijf gewerkt maar voor een gemeentelijk nutsbedrijf in Bandung waar hem het werken als Indo-Europeaan bijna onmogelijk werd gemaakt. De nationalisering van de Nederlandse bedrijven was in 1957 een populistische afleidingsmanoeuvre geweest om de enorme economische problemen waar geheel Indonesië onder gebukt ging toe te kunnen dekken. Indonesië zou vanaf 1959 een grote stap terug doen in democratisch opzicht.   

Op 5 juli 1959 werden alle democratiseringsprocessen een halt toegeroepen en werd de in 1945 opgestelde constitutie weer tevoorschijn gehaald. Soekarno werd weer alleenheerser. De PKI ofwel de Indonesische communistische partij werd uitgesloten van enige inspraak in de nieuwe regering die vanaf dat moment hoofdzakelijk door legerfiguren werd beheerst. De Amerikaanse regering steunde deze gang van zaken ten zeerste. De werkeloosheid in geheel Indonesië was inmiddels gestegen naar circa 25% en juist de achtergebleven Indo’s hadden te maken met grote jalouzie en roddelcampagnes waardoor hun vaak betere posities vanwege hun gedegen Hollandse opleiding alsnog onhoudbaar zou worden. 

Ondanks de door de broer van Julie in 1946 zeer bewust genomen beslissing om in Indonesië te blijven om het land te helpen opbouwen werd zijn initiatief niet gewaardeerd. Ook zijn status als Romusha (dwangarbeider onder de Japanners) kon op weinig nationale sympathie rekenen. Het zal vooral zijn zo Hollands klinkende achternaam zijn geweest evenals de achternaam van zijn echtgenote die zouden zorgen voor de toenemende discriminatie van de achtergebleven Indo’s. 

Lees meer over 'Spijtoptanten en Achterblijvers' in de uitgave van Boudie Rijkschroeff en Georgine Kwa. Het echtpaar Van der Steur-LeDoux kwam met vijf jonge kinderen in het najaar van 1959 in Nederland aan. Voor Julie en haar broer was het weerzien na veertien lange jaren zéér emotioneel. Want met haar broer kwamen ook de oude verhalen mee die de verdrongen trauma’s weer zouden aanwakkeren. Berichten over de verblijfplaats van Julie’s vader ontbraken toen nog. Onderwijl was Julie opnieuw zwanger van haar twaalfde kindje wat in de zomer van 1960 geboren zou worden.

De gedwongen verhuizing in maart 1959 naar Aalsmeer was voor Anton minder ingrijpend dan voor Julie en de reeds wat oudere kinderen. Anton had als jongen tussen 1928 en 1930 de Aalsmeerse Tuinbouw School doorlopen en kon via oude schoolvrienden in Aalsmeer aan de slag als vertegenwoordiger in planten en snijbloemen. Julie was zwanger geweest van kindje nr. 11 en had tijdens de zoektocht naar een nieuw onderkomen contact weten te legen met een aannemer die nieuwbouwhuizen verkocht met  een overheidssubsidie. 

Via de Sociale Verzekeringsbank in Amsterdam kon Julie haar Indische pensioen afkopen en met een geleend bedrag van Anton’s oudste broer was de koop rond gekomen. Het waren nieuwe relatief ruime woningen met grote vensters die toen populair werden als ‘doorzon woningen’. Het vloeroppervlak was circa 110 m2 exclusief een inpandige bijkeuken en er was een aparte garage. Op de boven etage 4 slaapkamers en een kleine douche ruimte. 

Een voor Anton en Julie. Een kamer voor oma Charlotte een aparte jongenskamer waar oude stapelbedden uit het leger werden geplaatst en ten leste de meisjeskamer. De woonkamer was een zogenaamde doorzonkamer vanwege de grote vensters aan beide uiteinden. In het midden van de woonkamer stond een kolen gestookte kachel die het gehele huis zou moeten verwarmen. Het huis had een kleine voor en achtertuin. De achtertuin sloot aan op een 30 meter brede groenstrook met een heg waarachter de grote weg van Haarlem naar Uithoorn was aangelegd. Het was toen al een drukke weg. De straat met nieuwbouwhuizen was doodlopend en verderop werden volop nieuwe woningen gebouwd. Indrukwekkend was het bulderende geweld van de laag overvliegende Boeing 707 straalvliegtuigen op weg naar de Aalsmeer landingsbaan. De ramen trilden heftig en de kopjes rinkelden in de kast. Het was vooruitgang en men vond het toen prachtig.

Voor de grotere kinderen was de verandering zeer groot. Het kille en religieus aandoende Aalsmeer was onvergelijkbaar met de oude sfeervolle straatjes in de eeuwenoude binnenstad van Alkmaar. De Alkmaarse kwekerij van Anton sloot aan de achterkant aan op het Clarissenbolwerk. Een park wat zich vanaf de Bergerbrug tot aan de Molen van Piet uitstrekte en in die periode een prachtig en geheimzinnig speelterrein voor de kinderen was geweest. Aalsmeer was aangelegd als een zakelijk dambord met langgerekte werk en woon vlakken. Lange lege straten, voortuintjes, schone stoepen, een trottoir en dan een weg. Alles was recht toen en recht aan. Een voor de kinderen saai aandoend straatpatroon waar weinig aan viel te ontdekken. Het bloeiende verenigingsleven in Aalsmeer was nog onbereikbaar voor de nieuw aangekomen kinderen en de katholieke St. Josephschool achter de Karmelkerk was veel strenger dan de moderne lagere school in Alkmaar. In de kerk zelf bevonden zich een groot aantal angstaanjagende muurschilderingen die grote indruk maakten op de schoolgaande kinderen van Anton en Julie. 

De treurnis en de gewelddadigheid op de muurschilderingen kwamen dichtbij de realiteit van de krantenfoto’s en TV journaals over oorlogen en andere rampen. De oorlogsverhalen van Anton en het zwijgen van Julie over Indië terwijl de kinderen via andere kanalen steeds meer te weten kwamen over hetgeen aldaar was gebeurd strookten niet met de opdracht van Julie aan de kinderen om in God te geloven en vooral naar de tien geboden te leven. Ook de school benadrukte deze streng katholieke (na)leefregels die voortdurend omstandig werden aangehaald. 

De tien geboden zijn nogal uit de mode geraakt vanaf midden jaren’60 maar hieronder de ‘normen en waarden’ waarmee Julie in navolging van de katholieke kerk en de lagere school van haar kinderen probeerde de kinderen te beïnvloeden. Gecombineerd met de angstaanjagende bijbelse verhalen en de realistische muurschilderingen van G. Van Geffen in de Onze Lieve Vrouw van de Berg Carmel zat de schrik er goed in. Als de kinderen naar de kerk gingen dan werden zij op iets boven ooghoogte omringd door de muurschilderingen. Als je de tien geboden niet goed kende werd je flink gestraft.



1. Gij zult geen afgoden vereren, maar Mij alleen aanbidden en boven alles beminnen.
2. Gij zult de naam van de Heer, uw God, niet zonder eerbied gebruiken.
3. Wees gedachtig dat gij de dag des Heren heiligt.
4. Eer uw vader en uw moeder.
5. Gij zult niet doden.
6. Gij zult geen onkuisheid doen.
7. Gij zult niet stelen.
8. Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen.
9. Gij zult geen onkuisheid begeren.
10.Gij zult niet onrechtvaardig begeren wat uw naaste toebehoort.

In het voor Julie en Anton rampzalige jaar 1958 met de vele zieke kinderen, het verlies van de kwekerij en de grote schuldenlast had Julie bijzonder ontmoedigd. Zoals in de oorlogsjaren vond zij ook deze periode veel morele en mentale steun binnen de kerk. Er werd bij Anton en Julie thuis én op school flink gebeden met een gemiddelde van een uur per dag. De kinderen hebben dat nooit als een bijzonder last ervaren. Zij wisten gewoonweg niet beter dan dat het bij de ‘lifestyle’ van Anton en Julie hoorde. In de komende jaren zou een Pastoor of een Kapelaan van de Karmelparochie veelal op zondagen rond het middageten langskomen. 

Een groot katholiek gezin met veel jongens was voor de kerk een ideaal wervingsterrein om te peilen of er niet een of meerdere jongens misdienaar wilden worden en eventueel later in het klooster zouden toetreden. Natuurlijk konden de meisjes ook voorbereid worden op een carrière als Non. En als vanzelfsprekend met toestemming van de ouders want ook zij zouden dan in het hiernamaals door HEM bedankt worden voor hun bijdrage. Het streng katholieke gezinsbeleid van Julie zal zeker ingegeven zijn door de grote economische moeilijkheden waarin Anton en Julie verkeerden. De schulden veroorzaakt in Alkmaar moesten immers afgelost worden en Julie had na aankomst in  Aalsmeer geen werkkring gevonden die voor aanvulling zou kunnen zorgen. 

De sfeer in huis was tot ver in jaar 1961 zeer sober en veranderde toen Julie weer wat kon bijverdienen met reclame ontwerpen. De kinderen hadden in hun nieuwe woonomgeving veel minder bewegingsruimte. In Alkmaar was er veel meer speelruimte geweest. Hierdoor bleven de kinderen ook door gebrek aan vriendjes veel meer in huis dan vroeger. Het enige vermaak was de TV die Anton op afbetaling in Amsterdam had weten te bemachtigen. Nederland had toen nog 1 TV kanaal wat pas later op de avond met uitzendingen begon. 

Het gebeurde echter regelmatig dat Anton nog onderweg was en dat de stroom in huis werd onderbroken doordat het geld in de ‘muntmeter’ was opgebruikt. Niet altijd had Julie een reserve gulden om de meter mee te kunnen vullen. Die werd dan snel bij de buurvrouw geleend of er moest in het donker gewacht worden tot Anton thuis zou komen. Als Julie wat meer geld over had dan spaarde zij via de muntmeter voor kleine extra's. Die dan met een brede glimlach door de muntgeld-ophaler van de PUEM aan Julie werd overgedragen. 

Een muntmeter. Met een gulden had men voor een groot aantal uren stroom. Als je geen geld had dan had je ook geen stroom.

1959 Aalsmeer december Anton en Julie met 9 kinderen. 
De twee oudste kinderen zijn afwezig. De auteur van dit blog zit vooraan 
in het midden en droomt weer eens weg.

Kolen, een kolenkit en de kolenkachel verwarmde het gehele huis niet echt goed, 
elke ochtend opstoken en tussendoor bijvullen was een noodzakelijk ritueel.



1959  Aankomst 30 december te Amsterdam. De broer van Julie met zijn gezin. 
De broer van Julie staat geheel links zijn echtgenote rechts achter Julie. 
Zij vertrokken naar contractpension St.Lambertus te Vlierden




1959 Amsterdam - demonstratie tegen uitzending van 
dienstplichtigen naar Nieuw Guinea

Papua's Nieuw Guinea

1959 - President Sukarno leest op het balkon van het voormalige 
Gouvernementele Paleis het 4 juli decreet voor waarin 
de 'geleide democratie' wordt aangekondigd.

1945 - 17 augustus Soekarno verklaart de onafhankelijkheid 

2009 -2010 Beyond the Dutch een bijzondere tentoonstelling waar men de cultuurverschillen tussen de Indonesische en Nederlandse kunstenaars kon beleven.
Rechts een schilderij van Ries Mulder 1958 - Kerk in Bandung

Harijadi Sumadidjaja was in 1952 al een geheel andere weg opgeslagen.
In Magelang het OHD museum

De oude schilderijen die aan het koloniale verleden van Indonesië zouden herinneren werden ook uit de zalen van het presidentiële onderkomen te Jakarta verwijderd. 

1925 Batavia - Het paleis van de Gouverneur-Generaal in de wijk Noordwijk


1931 circa - gebouwd te Aalsmeer - De R.K. Kerk O.L. Vrouwe van de Berg Carmel. 
Onder de toren het poortje naar de St. Josephschool voor lager onderwijs

Aalsmeer R.K. Kerk - aan de Stommeerweg.
Muurschilderingen van G. van Geffen - De lijdensweg van Jezus