Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of  begin 2018
Posts tonen met het label Nieuw Guinea. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nieuw Guinea. Alle posts tonen

1957- Witte Sinterklaas – Zwarte Sinterklaas en zoon Ted gaat uit huis

Het was een strenge winter met veel sneeuw die ook op de kwekerij van Anton was gevallen. Er was dat jaar weinig geld voor Sinterklaas cadeautjes. De kinderen kregen wanten en wollen mutsen en dikke wintertruien. Alhoewel Anton een auto had waar veel kinderen in zouden passen werd de auto hoofdzakelijk gebruikt voor boodschappen en het wegbrengen van bestellingen. Ook in latere jaren zouden Anton en Julie met hooguit twee tot drie kinderen op vakantie gaan. 

In Indonesië werd dat jaar onder de aldaar wonende Nederlanders een uiterst somber Sinterklaas feest gevierd. Vanwege grote onvrede over de Nieuw Guinea kwestie had de Indonesische regering op 5 december 1957 besloten alle nog in Indonesië woonachtige Nederlanders als ‘staatsgevaarlijk’ te gaan beschouwen. Zij moesten vertrekken en de Nederlandse bedrijven werden genationaliseerd. Minister Luns hield zich strak aan de opdracht om de Papoea’s op Nieuw Guinea te helpen en zodoende Nieuw Guinea voor Nederland te behouden. Ook de in Indonesië achtergebleven broer van Julie moest met zijn gezin uit Bandoeng vertrekken. Hij zou na veel strubbelingen pas in 1959 met zijn gezin in Nederland aankomen.  

De kinderen van Julie en Anton wisten zeker dat Laika ook in november 1957 over Alkmaar was gevlogen. Het was een Russisch hondje wat op 3 november 1957 door de Russen met een Spoetnik raket de ruimte in was geschoten. De schoolkinderen op het nog niet verbouwde Alkmaarse Canadaplein tuurden tijdens de ochtendpauze de hemel af terwijl de lucht bezwangerd was van de geur van de ‘Dik In Orde Pudding’ van de nabijgelegen Victrix puddingfabriek. 

De Russen deden toen toch wel rare dingen. Eerst veel problemen veroorzaken in Hongarije 1956 waardoor er ook in Alkmaar opeens Hongaarse vluchteling kinderen rond liepen en nu weer een hond de ruimte in schieten. Uit solidariteit met de Hongaren werd het 8ste kind Ilona genoemd. Anton en Julie hadden het te druk om het allemaal uit te leggen wat er zoal gaande was in de wereld en de kinderen voelden zich steeds meer met elkaar verbonden en speelden stilletjes in het huis om de sombere buien van Anton uit de weg te gaan. Terwijl de eerste zoon van Julie wat volgzamer was kwam de tweede zoon van Julie, inmiddels  bijna 16 jaar oud steeds meer in opstand tegen het bewind van Anton. 

Ted had steeds meer moeite om zich te handhaven in de jaarlijks groeiende familie die voor zijn gevoel niet zijn familie was. De conflicten tussen Anton en Ted namen toe, met name vanwege zijn weigering om na schooltijd in de kwekerij onder Anton's leiding mee te moeten werken. Er was echter meer aan de hand. In 1957 was het Dorus liedje ‘er zitten twee motten’ immens populair. Ted zal het ook meegezongen hebben en zal zich een paar regels uit de tekst persoonlijk aangetrokken hebben “Ik ben een geboren eenzaam mens. Maar dat was m’n eigen wens. Een echtverbond heb ‘k steeds kunnen verhinderen .... ". 

Ted  zou jaren later zeer vaak aangesproken worden op zijn Dorus snor en zou dan antwoorden ‘maar zo voel ik mij ook’ (een thuisloze vagebond)! Ted was een hooggevoelig kind met een grote fantasie en een scherpe blik voor wat in zijn ogen recht en onrecht zou zijn. Tijdens de Japanse bezetting en de daarop volgende opstand door de Indonesische nationalisten had Julie niet voor hem kunnen zorgen. Zij was na zware verhoren en een korte maar hevige gevangenisperiode op de vlucht geslagen om de Bandoengse Kempeitai politie te vermijden. Kleine Ted was in 1943 door oma Charlotte uit handen gegeven aan een oud PTT collega van Julie. Pas drie jaar later in juni 1946 kon Julie de inmiddels bijna 5 jarige Ted weer in Bandoeng opzoeken. 

Zijn pleegmoeder Ukkie Sombeek zou zich hevig tegen zijn vertrek verzetten ook omdat Ted zijn moeder nauwelijks herkende. Zij beschuldigde Julie daarnaast van nalatigheid en collaboratie met de Japanners. Het was de tweede keer dat Julie in verband werd gebracht met samenwerking met de Japanse bezetter. In 1942 was zij verraden nadat zij enige maanden illegaal voedsel en geld aan zeer verarmde KNIL gezinnen in de Bandoengse armenwijk Tjiateul had uitgedeeld. 

Julie heeft er nooit een ‘lintje’ voor gekregen, die gingen meestal naar de mannen. Sinds de capitulatie in maart 1942 hadden deze gezinnen geen inkomen meer en was het merendeel van de mannen die als militair bij het KNIL hadden gediend geïnterneerd. Nadat zij door de Japanse politie was gearresteerd en verhoord en vervolgens enige tijd in een Bandoengse gevangenis had doorgebracht waarbij zij ook een groot aantal onthoofdingen van medegevangenen heeft moeten aanzien werd zij voorwaardelijk vrijgelaten. 

Boze tongen zouden later roddelen dat Julie het op een akkoordje met de Japanners gegooid zou hebben en zelfs als troostmeisje voor hen gewerkt zou hebben. Dit gevoel zou in 1944 versterkt worden omdat Julie vanuit haar onderduik adres in Batavia kans had gezien om met een geleend Japans bedrijfsuniform enige malen naar Bandoeng te reizen om haar twee kinderen op te zoeken. Pas na interventie door de kinderbescherming uit Batavia en Bandoeng  (Pro Juventute) en het verhoren van personen die konden getuigen dat Julie niet had gecollaboreerd of prostituee was geweest kreeg zij Ted uit handen van de zwaar teleurgestelde Ukkie Sombeek die in latere jaren in Nederland alsnog aan Ted zou vertellen dat Julie wel degelijk prostituee was geweest en zelfs een kind zou hebben gebaard wat in Osaka zou wonen. Ukkie had kennelijk nog steeds contacten met de Japanners?

Toen kleine Ted opgroeide bleek het een innerlijk verscheurd kind te zijn geworden. In de belangrijke eerste levensjaren niet opgegroeid bij zijn eigen moeder maar opgegroeid in een stad die door honger, roddel, verraad en angst werd beheerst. Bewoont door Indonesiërs die aangemoedigd door de Japanners veelal weinig op hadden met Indo-Europeanen. In juni 1946 werd de bijna vijfjarige jongen opgehaald door een jonge vrouw die zijn moeder zou moeten zijn. Enige maanden later was hij met zijn voor hem nieuwe moeder, zijn oudere broer en grootmoeder op weg naar Nederland. 

Julie wilde weg uit het kapotte land waar het geklaag, de roddel, het verraad en de beschuldigingen onder Indo-Europeanen soms groteske vormen had aangenomen. Want hoe had je de oorlog door kunnen komen als je niet in een kamp had gezeten? Wat had je als ‘buiten-kamper’ gedaan om te kunnen overleven? Had je met de nationalisten en de Japanners geheuld om te kunnen overleven?  Kleine Ted reisde aan de hand van zijn, voor hem onbekende moeder naar Nederland om pas in de loop van de jaren te gaan begrijpen dat zijn vader in de oorlogsjaren was omgekomen. 

Ted was innerlijk een ontheemd kind, een half-wees met een voor hem onbekende moeder die bijna elk jaar een nieuwe baby baarde van een andere man die nooit zijn vader zou worden. Julie zal moeite gehad hebben met de prangende vragen van Ted over de voor hen beide nog zo kort geleden traumatische periode. Anton en Julie hadden een doel, een groot en gelukkig gezin op de wereld zetten als bijdrage aan de wederopbouw van Nederland en hen zelf. Het ontbrak Anton en Julie echter aan een pedagogisch plan en aan voldoende pedagogisch inzicht om de boel bij elkaar te houden. De eerste grote tegenslag voor het snel groeiende gezin was het vertrek van Ted, Julie’s tweede kind naar een inrichting. En hoe ging het eigenlijk met de vier andere kinderen van Anton uit zijn vorige huwelijk?


Er zullen veel ontheemde kinderen uit Indië zoals Ted zijn. Dat blijkt ook uit de soms aangrijpende reacties op dit blog. Het zijn brieven en verhalen van ‘buitenkampers’ die nog steeds geplaagd worden door de grote en kleine gebeurtenissen uit hun jeugd in Indië. Of het zijn berichten van hun kinderen of kleinkinderen die geraakt zijn door bepaalde overeenkomsten en schrijven dan verhalen over die lieve oom of tante of brieven over vaders die maar zwegen en over moeders die zeiden; ach het was zo'n mooi land maar het is voorbij. De feestjes waar het oude Indië werd verheerlijkt maar waar de verschrikkelijke oorlogsjaren en de verliezen onder het kleed werden weggeveegd. Want daar over vertellen deed te veel pijn. 

Verhalen van mensen die net zoals Ted als Indo in Indië zijn geboren en in Nederland opgegroeid of als nakomeling in Nederland zijn geboren met een Indisch uiterlijk waardoor zij op straat bijvoorbeeld ‘pinda chinees’ werden genoemd maar thuis zelden te horen kregen wáárom zij zo genoemd werden. Er zijn ook reacties van kinderen die nu volwassen zijn die zijn achtergebleven (of achter gelaten) in Indonesië. Waar zij van jongs af aan als Indo-Europeaantjes grote moeite hebben gehad om te kunnen overleven. De kleine groep waar Ted bij hoort zal geboren zijn tussen pakweg 1940 en 1945. Hun kindertijd wordt gekleurd door enkele indringende (traumatische) vroege herinneringen. Het zijn kinderen die als klein kind een oorlogssituatie hebben meegemaakt in of buiten een kamp en vaak in een omgeving die niet het veilige thuis van hun ouders was. In een omgeving met problemen, met veel vrouwen en andere kleine kinderen allen zonder een vader of soms geen van beide ouders. 

Het bleek achteraf een grote en vooral emotionele wond te veroorzaken die tijdens de naoorlogse opbouw jaren over het hoofd werd gezien of domweg niet werd herkend of beter gezegd werd erkend. Deze ‘onbehandelde wonden’ zouden later grote invloed hebben op de ontwikkeling van hun gedrag en met name op het vermogen om relaties aan te gaan en deze inhoud en diepgang te geven. Maar ook op het vermogen om met ‘verlies’ om te gaan. 

De band die Ted met zijn pleegmoeder Ukkie gehad zal hebben mag niet onderschat worden. Zij heeft hem in de moeilijke en bange dagen in het onrustige en door voedseltekorten geplaagde Bandoeng zo goed als mogelijk verzorgd waardoor er tussen Ted en Ukkie toch een bepaalde gehechtheid is ontstaan. Julie wist intuïtief dat zij de periode die Ted bij Ukkie heeft doorgebracht niet kon goed maken en ook de pedagogische kwaliteiten van Anton schoten tekort om de innerlijk verscheurde Ted voldoende op te vangen. 


Ted zou na veel moeilijkheden in en buiten het gezin opgenomen worden in het ‘open’ behandelingscentrum Stichting De Dreef te Wapenveld, in de omgeving van Zwolle. Hij zou nog maar weinig naar 'huis' komen en vervreemde van zijn broers en zusjes. Eenmaal in De Dreef zou hij tot zijn 21ste onder toezicht van Justitie en zijn begeleiders staan en zijn resterende schooljaren door gaan brengen. Het was weliswaar een ‘open inrichting’ maar het was duidelijk dat het ouderlijk gezag niet meer bij Julie en Anton lag. De getormenteerde jeugd van Ted heeft in zijn beroeps carrière grote gevolgen gehad. Ted bleek een groot gevoel te hebben voor kunst en later voor fotografie. 

Al rond zijn 22ste werd zijn schilderwerk tentoongesteld in kleine galerieën. Pas in latere jaren ontdekte Ted de fotografie. Hij plaatste de camera tussen zijn persoonlijkheid en de grote wereld en er ontstond acceptatie van de wijze waarop hij de wereld door een lens zag en deze op zijn wijze vastlegde. Ted werd een veelgevraagd fotograaf. Hij verdiende goed en was in kleine kring beroemd. Een groeiend gedeelte van zijn inkomsten ging echter op aan drank en andere experimenten. 

Vanaf het midden van de jaren ’80 kreeg hij steeds minder opdrachten en hij zou verschillende malen in een existentiële crisis geraken die hem steeds verder uit de realiteit van het heden en verleden zou brengen. Ted leefde tussen ontkenning en verdringing. Hij vertrok met zijn toenmalige echtgenote naar Nicaragua en zal aldaar relatief eenzaam in Juli 1998 overlijden. Het is het enige kind van Julie wat het tot zover niet gered heeft. 

Maar heeft Ted Dobson wel geleefd? Of balanceerde hij al die jaren tussen gevoelens van verlies en de harde werkelijkheid. Of leefde hij tussen droom en daad en op zoek naar de man en vader die hoog in de lucht in juni 1944 explodeerde. 



1957 - Winter op Kwekerij Bloemenland Alkmaar. 
De schrijver van dit blog staat geheel rechts op de foto

1957 Na 'Zwarte Sinterklaas' in Indonesië verlieten veel Nederlanders 
en Indo-Europeanen Indonesië.

1957 In het blad Tong Tong verschenen de soms wat sarcastisch 
bedoelde foto's uit Nieuw Guinea

1957 Soekarno flirt niet alleen met de Amerikanen maar ook met de 
Russische communisten waaronder Kliment Vorosjilov 
en maakt eveneens ruzie met Joseph Luns over Nieuw Guinea. 
Luns wil graag de Papoea's helpen.

1957 Het hondje Laika was door de Russen gelanceerd. 
Veel kinderen wisten toen niet dat het hondje al na enige uren was overleden.

1957 De Victrix pudding meisjes aan het werk in de Alkmaarse fabriek

1957 Anton had ook voor korte tijd een Renault Dauphine. 
Er pasten veel mensen in maar de kinderen van Anton zouden zelden mee rijden.

Opvoedingsgesticht De Dreef in Wapenveld

1939 De Dreef voor 'psychopaten uit den gegoeden stand'.


Landelijke bekendheid verwierf ze door haar specifieke onorthodoxe begeleiding van jonge delinquenten op het opvoedingscentrum De Dreef in Wapenveld. 

1964 Ted exposeerde zijn schilderijen in verschillende steden

1966 Julie met baby Niels Dobson de zoon van Ted. 
Niels zou zonder zijn vader goed te leren kennen opgroeien

Dorus in een dubbelrol - Ted werd vaak aangesproken op zijn 'Dorus snor' 

1968 circa - Ted Dobson

1973 - werk van Ted Dobson in de Spaarnestad collectie

1998 - Ted niet lang voor zijn overlijden

Links William C. Dobson (1915-1944) rechts zijn zoon Ted Dobson (1941-1998)










1958 – Titus Brandsma, de Belle Bambino wordt geboren en nog meer rampspoed

Terwijl er vanaf eind 1957 een nieuwe stroom repatrianten uit Indonesië gedwongen naar Nederland vertrok leek de kwekerij van Anton in de lente van 1958 wat succes te gaan krijgen. Ondanks de problemen met Indonesië leek het steeds beter te gaan met de economie in Nederland. Het aan de straatkant gelegen entree van de kwekerij was het visitekaartje van de ‘zaak’ geworden. Een mooi aangelegde bordes met een kleine vijver en veel fris ogende met vaste planten en kleine boompjes. Rechts de ingang voor een auto of kleine vrachtwagen en links van het hek het paadje naar de achterkant van het bovenhuis waar men via een soms glibberige lange houten trap op het balkon naast de keuken uit kwam. De voordeur aan de straatkant werd zelden door de kinderen gebruikt. Er waren een aantal lage en open bloemen- en planten bedden met een betonnen rand en er was de hoge en ruime glazen kas met vaste planten, pot planten en een veelheid aan bloemsoorten. 

Voor de kleine kinderen een paradijs maar voor de grotere kinderen die mee moesten helpen een kleine zoet/zuur ruikende hel met veel onkruid en brandnetels. De verkoop van bloemen en planten bracht echter veel te weinig op om het gezin te kunnen onderhouden. Julie moest blijven werken bij de drukkerij maar een gedeelte van haar inkomen ging op aan de onderhoudskosten van de kwekerij. Er moest iets bedacht worden waar wél geld mee verdiend kon worden. Julie had via de drukkerij contacten met de toen sterk expanderende Albert Heijn organisatie. Men had bedacht dat er op kleine schaal bloemen en planten verkocht zouden worden in de grotere AH supermarkten. Om logistieke redenen koos men in eerste instantie niet voor bloemen maar voor kleine plantjes die voor een laag bedrag ‘meegnomen’ konden worden bij de dagelijkse boodschappen.

Julie bedacht een (verdien)concept. Een klein keramiek potje gevuld met mooie tuinaarde afgedekt met vers ruikend groen mos waarin een stuk boomschors van circa 20 cm lengte en circa 8 cm breed rechtop geplaatst zou worden. Vervolgens werd er een kleine Hedera Helix ofwel klimopplant van circa 15 centimeter hoog in het potje geplant die zich aan het boomschorsje zou hechten om na verloop van tijd overgeplant te kunnen worden in een grotere pot. Het door de toen zeer bekende Meindert Zaalberg ontworpen potje zou dan als sierkeramiek een tweede bestaan krijgen. Julie en Anton hadden eerst voor een andere plant gekozen de Alocasia Bambino. Maar die bleek te lange wortels te hebben voor het kleine potje. Het werd toen de kleine sierklimop en de naam van het setje werd Belle Bambino gedoopt. Het geheel werd verpakt in een cellofaan zak die met goudkleurige inkt bedrukt zou worden. Een plastic zakje bedrukken was een nieuwe techniek in Nederland en daardoor nog zeer duur. Julie is verschillende keren naar het AH hoofdkantoor in Zaandam af gereisd voor overleg. En eindelijk was er groen licht voor een eerste partij beeldschone “Belle Bambino’s”.

Het is een ramp geworden. Albert Heijn had als echte kruidenier het financiële risico bij de producent gelegd. Het boomschors en het mos moesten illegaal in het nabijgelegen Bergense bos door de oudste zoon per fiets opgehaald worden. Hij nam vaak een van de kleinere kinderen mee want die konden met hun kleinere vingers het mos makkelijker in grote stukken loswerken. In weer en wind werd er op en neer naar het bos gereden om de fietstassen tot aan de rand te vullen. Dan volgde het vullen van de potjes, het plantje werd geplaatst het schorsje ernaast en toen de veel te duur uitgevallen goudbedrukte zak. Samen met Anton vormden de kinderen die mee konden helpen een productielijntje. Nadat de eerste 500 Belle Bambino’s waren afgeleverd kwam er slecht nieuws. Albert Heijn had moeite om de te duur uitgevallen Belle Bambino’s te verkopen aan de toen nog zuinige klant. Er volgde nog een contractuele bestelling en toen was het afgelopen. De dozen met bedrukte plastic zakken hebben nog lang onder een tafel gestaan. De resterende sierklimopjes werden in vierkante hout gevlochten bakjes gepoot en door Anton op markten en aan bloemisterijen in de regio verkocht. Het zou niet de enige ramp in 1958 blijven.

Anton maakte lange dagen en de oudere kinderen moesten veel meewerken na schooltijd. Terwijl Julie aan het werk was werden de twee kleine meisjes met een tuigje en circa 2 meter koord onder de bloemenkar vastgebonden terwijl Anton met zijn klanten onderhandelde. Het kwam voor dat Anton zo druk was dat hij de kleine meisjes wel eens vergat die dan uitgedroogd in hun tuigjes hangend door de andere kinderen na schooltijd werden gevonden. In het voorjaar werden de twee jongste dochters van Anton en Julie opgenomen in het St. Elisabeth Gasthuis Ziekenhuis van Alkmaar, beiden met een zware longontsteking. Julie moest onbetaald verlof nemen om de meisjes te kunnen verzorgen. Terwijl de kwekerij juist beter begon te draaien. Na enige weken kwamen de meisjes weer thuis en leek het voorjaar nieuwe klanten naar de kwekerij te trekken. Anton had steeds minder tijd om te wieden en experimenteerde met zelfbedachte onkruidverdelger.

Het was een mengsel van restanten vloeibare onkruidverdelger die Anton liet gisten in verschillende flesjes en op zou bergen in de gereedschapkast op het grote balkon naast de keukendeur. De schrijver van dit blog is zeven jaar oud en komt in het warme voorjaar om 12.00 uur uit school om vervolgens de keukendeur op slot te vinden. Oma Charlotte was kennelijk weg voor boodschappen of aan het wandelen met de kleine kinderen en Anton was elders op de kwekerij. De kleine jongen opent de gereedschapkast om de sleutel van de keuken te zoeken en ziet een bijna vol flesje met chocolademelk staan. Dwz door de bruine kleur van het flesje ziet hij niet dat er geen chocolademelk in zit. Hij pakt het flesje en neemt een ferme slok, en dan nog een grote slok. Nee, het smaakt niet lekker.

Na enige tijd doet oma Charlotte de keukendeur open, zij is weer terug en de kleine jongen zegt dat hij zich niet lekker voelt. Vlak voor de middagboterham krijgt hij een zware stuip terwijl hij op schoot van de in paniek geraakte Charlotte wordt gehouden. Er komen kinderen en de snel gehaalde Anton om heen staan. De kleine jongen verliest na verloop het bewustzijn en zal per ambulance opgehaald worden terwijl niemand weet wat de reden van zijn plotselinge ziekte is. Als Julie in het ziekenhuis aankomt verteld de dokter haar dat het zeer ernstig is en dat haar zoon in een zware coma ligt. De artsen hebben echter geen idee wat de oorzaak kan zijn en Julie moet voor zijn leven vrezen. Het wordt Julie te veel zij is weer terug in het oude Bandoeng. Het oude katholieke ziekenhuis doet haar denken aan de meisjes MULO aan de Heetjansweg in Bandoeng. Het gebouw werd tijdens de Japanse bezetting in gebruik genomen door de gevreesde Japanse militaire politie de  Kempeitai. Julie is daar langdurig verhoord en heeft in de lange schoolgang door de half openstaande deuren veel andere slachtoffers gehoord en gezien die zwaar waren toegetakeld. 

Urenlang blijft Julie naast het bed van haar zoon en weet zich geen raad. Anton komt haar ophalen want de andere kinderen hebben haar ook nodig. Julie komt kort naar huis en bespreekt de situatie met haar moeder. Julie vertrekt weer naar het ziekenhuis want de artsen hebben gezegd dat het een aflopende zaak is. De pastoor van de katholieke Sint Dominicuskerk wordt gewaarschuwd. Hij kende Julie en Anton goed. Grote katholieke gezinnen waren immers populair binnen de katholieke kerk. De pastoor  belooft langs te komen en ook hij wordt somber van het verslag van de artsen. Hij adviseert Julie om te bidden. Iedereen moet bidden. Thuis en ook op de inmiddels op de hoogte gestelde katholieke school van het jongetje wordt hevig gebeden. Het jongetje ligt aan een infuus maar ademt rustig. Julie blijft in het spaarzaam verlichte ziekenhuis en slaapt in de badkuip van de kamer waar haar zoon ligt. Om de zoveel tijd komt er een zuster kijken en fluistert Julie bemoedigende woorden toe. Julie heeft een bidprentje gekregen van de pastoor. Het is een dubbel gevouwen kaftje met een afbeelding van de in Dachau omgekomen Karmeliet en hoogleraar Titus Brandsma. Aan de binnenzijde van het kaft is een gebed afgedrukt en onder een uitgesneden venstertje is een stukje witte katoen stof aangebracht. Het zou een stuk van de witte pij van Titus Brandsma zijn en was zelfs gezegend door het Vaticaan.

De in februari 2012 overleden Frits Staal werd in 1967 bekend door zijn artikel in De Gids ‘Zinvolle en zinloze filosofie”. Hij verrichte lokale studies naar rituele handelingen en In 1975 deed hij met collega’s een wetenschappelijk onderzoek rond het twaalf dagen durend Vedische vuuroffer ritueel in Kerala (India). In zijn boek Drie bergen en zeven rivieren komt hij nog eens terug op zijn wetenschappelijk onderzoek naar rituelen. Hij stelt dat rituelen geen enkele magische of geheime kracht hebben maar eigenlijk wel ‘leuk’ zijn of troost kunnen bieden. Julie had in 1942 de katholieke kerk vaarwel gezegd. De pastoor in Bandoeng had haar gezegd dat het huwelijk met de ongelovige William een huwelijk in zonde zou zijn. Julie was razend geweest. In 1945/46 keerde haar geloof weer terug. Maandenlang zong Julie ’s avonds mee met de christelijke liederen die werden gezongen in de Boei Lama gevangenis van Cheribon waar zij met vele anderen was opgesloten tijdens de roerige Bersiap periode. 

Nadat Julie eind april 1946 was vrijgekomen en naar was Batavia vervoerd heeft zij herhaaldelijk de Theresiakerk in Jakarta bezocht om te bidden voor het terug zien van haar in Bandoeng verblijvende kinderen en voor een goede afloop. De Heilige Theresia had haar gebeden kennelijk verhoord uiteindelijk kon Julie veilig met haar kinderen naar Nederland vertrekken. Titus Brandsma was een overtuigd Karemeliet en bestudeerde niet alleen de Heilige Theresia maar waarschuwde al vroeg voor de gevolgen van het nationaalsocialisme, rassenhaat en ophitsing (populisme). Na zijn arrestatie door de Duitse bezetters werd hij met veel andere geestelijken naar concentratiekamp Dachau vervoerd en is op 26 juli 1942 door een kamparts met een dodelijke injectie vermoord. Het bidprentje van Titus Brandsma en een kleine biografie over de Heilige Theresia gaven Julie tijdens de vele uren in de ziekenkamer veel steun. 

De gebeden van Julie zouden opnieuw verhoord worden. De kleine jongen had weliswaar reeds de ‘Laatse Heilige Sacrementen’ toegediend gekregen en op zijn school was al verteld dat hij niet meer terug zou komen maar er geschiede na circa tien dagen een klein wonder uit onverwachte hoek. Anton had lang nagedacht en had het half lege Fosco flesje gevonden. Nadat hij dit bekend had gemaakt werd de maag van het jongetje volgestopt met Norit en andere ontgiftende middelen. Al nu enige uren kwam hij langzaam bij uit zijn dagenlange coma. ‘Dag Mam ik ben er weer’ zou hij gezegd hebben. Frits Staal kreeg gelijk, rituelen kunnen verlossing betekenen maar rationeel denken biedt eerder een échte oplossing. Pas vele jaren later zou Julie de ‘Kerk’ loslaten. In haar grote wandkleden werden de kerken als statische gebouwen ‘die niets deden voor de wereldvrede’ in somber grijs en zwart afgebeeld. Julie voelde zich in die periode zeer verbonden met de Argentijnse Dwaze Moeders.

Het was niet makkelijk voor de familie en het jongetje om de draad weer op te pakken. Het jongetje leek geen zichtbare schade opgelopen te hebben maar heeft meer dan twee jaar last gehad van zware soms misselijk makende migraine’s die in de loop der jaren zouden veranderen in korte perioden van niet door zijn omgeving herkende manische depressiviteit. Julie wist dat zij speciaal dit jongetje in de gaten moest houden maar werd na enige weken alweer opnieuw naar het ziekenhuis geroepen omdat de anderhalf jaar oudere broer van het jongetje met een zware hersenschudding in het ziekenhuis was opgenomen. Hij was van de hoge achtertrap gegleden en meer dan vier meter naar beneden gevallen met zijn hoofd boven op het stalen voetenveeg matje. Na enige tijd kwam hij met veel hoofdverband uit het ziekenhuis. Ja, zei hij; de dokter heeft gezegd dat ik een kop als een tartaartje had. In het najaar van 1958 kwamen er Deurwaarders. 

Er waren veel onbetaalde rekeningen en het bleek dat Anton al meer dan twee jaar de pacht van de kwekerij niet had betaald. Julie had hier niets van geweten. Er werd een regeling getroffen en Julie had ergens gelezen dat er in Aalsmeer nieuwe huizen op afbetaling en met subsidie gebouwd zouden worden. In maart 1959 is het gehele gezin naar Aalsmeer verhuisd en in april is het 9de kind van Anton en Julie geboren. Een mooie dochter met een Indische uitstraling. 

1958 Ook in Budel waren de repatrianten welkom

1958 Zeeland en het Tropenmuseum

1958 In Den Haag hadden Indo jongeren ruzie met Hollandse jongeren

1958 Een Zaalberg tentoonstelling in Amsterdam. 
Julie was een groot bewonderaar van Meindert Zaalberg

Boomschors met een Sterklimop

Het St. Elisabeth Gasthuis Ziekenhuis in Alkmaar



1958 Het door Anton achteraf vermalijde Fosco flesje





1938 De Theresia kerk in Batavia

2011 De zelfde Theresia kerk in Jakarta

2007 Er is een verklaring zoek
Frits Staal ook voor Indo's 



1958 Koningin Juliana bezoekt het woonoord Vaassen voor Ambonezen in de 
gemeente Epe, waarbij ze bloemen krijgt van de 13-jarige Juliaantje Sinay. 
Samen met Marga Klompé, minister van Maatschappelijk Werk, bekijkt ze 
oa de kantine en in de schoolbarak worden ze toegezongen door kleuters.


Een ontroerend verhaal uit Nieuw Guinea waar de katholieke 
Minister Joseph Luns waarschijnlijk niet blij mee was 


1959 - Twee gedwongen verhuizingen, de Kerk en een emotioneel weerzien

Er kwamen emotionele berichten en brieven uit Indonesië. Na langdurige procedures was de broer van Julie in staat gesteld om naar Nederland te mogen vertrekken. Hij zou nog in 1959 naar Nederland komen. In de zelfde periode stuurde de Nederlandse regering militairen naar Nieuw Guinea. In december 1957 had de Indonesische regering alle Nederlandse bedrijven genationaliseerd als reactie op de onwil om Nieuw Guinea aan Indonesië over te dragen. De broer van Julie had echter niet bij een Nederlands bedrijf gewerkt maar voor een gemeentelijk nutsbedrijf in Bandung waar hem het werken als Indo-Europeaan bijna onmogelijk werd gemaakt. De nationalisering van de Nederlandse bedrijven was in 1957 een populistische afleidingsmanoeuvre geweest om de enorme economische problemen waar geheel Indonesië onder gebukt ging toe te kunnen dekken. Indonesië zou vanaf 1959 een grote stap terug doen in democratisch opzicht.   

Op 5 juli 1959 werden alle democratiseringsprocessen een halt toegeroepen en werd de in 1945 opgestelde constitutie weer tevoorschijn gehaald. Soekarno werd weer alleenheerser. De PKI ofwel de Indonesische communistische partij werd uitgesloten van enige inspraak in de nieuwe regering die vanaf dat moment hoofdzakelijk door legerfiguren werd beheerst. De Amerikaanse regering steunde deze gang van zaken ten zeerste. De werkeloosheid in geheel Indonesië was inmiddels gestegen naar circa 25% en juist de achtergebleven Indo’s hadden te maken met grote jalouzie en roddelcampagnes waardoor hun vaak betere posities vanwege hun gedegen Hollandse opleiding alsnog onhoudbaar zou worden. 

Ondanks de door de broer van Julie in 1946 zeer bewust genomen beslissing om in Indonesië te blijven om het land te helpen opbouwen werd zijn initiatief niet gewaardeerd. Ook zijn status als Romusha (dwangarbeider onder de Japanners) kon op weinig nationale sympathie rekenen. Het zal vooral zijn zo Hollands klinkende achternaam zijn geweest evenals de achternaam van zijn echtgenote die zouden zorgen voor de toenemende discriminatie van de achtergebleven Indo’s. 

Lees meer over 'Spijtoptanten en Achterblijvers' in de uitgave van Boudie Rijkschroeff en Georgine Kwa. Het echtpaar Van der Steur-LeDoux kwam met vijf jonge kinderen in het najaar van 1959 in Nederland aan. Voor Julie en haar broer was het weerzien na veertien lange jaren zéér emotioneel. Want met haar broer kwamen ook de oude verhalen mee die de verdrongen trauma’s weer zouden aanwakkeren. Berichten over de verblijfplaats van Julie’s vader ontbraken toen nog. Onderwijl was Julie opnieuw zwanger van haar twaalfde kindje wat in de zomer van 1960 geboren zou worden.

De gedwongen verhuizing in maart 1959 naar Aalsmeer was voor Anton minder ingrijpend dan voor Julie en de reeds wat oudere kinderen. Anton had als jongen tussen 1928 en 1930 de Aalsmeerse Tuinbouw School doorlopen en kon via oude schoolvrienden in Aalsmeer aan de slag als vertegenwoordiger in planten en snijbloemen. Julie was zwanger geweest van kindje nr. 11 en had tijdens de zoektocht naar een nieuw onderkomen contact weten te legen met een aannemer die nieuwbouwhuizen verkocht met  een overheidssubsidie. 

Via de Sociale Verzekeringsbank in Amsterdam kon Julie haar Indische pensioen afkopen en met een geleend bedrag van Anton’s oudste broer was de koop rond gekomen. Het waren nieuwe relatief ruime woningen met grote vensters die toen populair werden als ‘doorzon woningen’. Het vloeroppervlak was circa 110 m2 exclusief een inpandige bijkeuken en er was een aparte garage. Op de boven etage 4 slaapkamers en een kleine douche ruimte. 

Een voor Anton en Julie. Een kamer voor oma Charlotte een aparte jongenskamer waar oude stapelbedden uit het leger werden geplaatst en ten leste de meisjeskamer. De woonkamer was een zogenaamde doorzonkamer vanwege de grote vensters aan beide uiteinden. In het midden van de woonkamer stond een kolen gestookte kachel die het gehele huis zou moeten verwarmen. Het huis had een kleine voor en achtertuin. De achtertuin sloot aan op een 30 meter brede groenstrook met een heg waarachter de grote weg van Haarlem naar Uithoorn was aangelegd. Het was toen al een drukke weg. De straat met nieuwbouwhuizen was doodlopend en verderop werden volop nieuwe woningen gebouwd. Indrukwekkend was het bulderende geweld van de laag overvliegende Boeing 707 straalvliegtuigen op weg naar de Aalsmeer landingsbaan. De ramen trilden heftig en de kopjes rinkelden in de kast. Het was vooruitgang en men vond het toen prachtig.

Voor de grotere kinderen was de verandering zeer groot. Het kille en religieus aandoende Aalsmeer was onvergelijkbaar met de oude sfeervolle straatjes in de eeuwenoude binnenstad van Alkmaar. De Alkmaarse kwekerij van Anton sloot aan de achterkant aan op het Clarissenbolwerk. Een park wat zich vanaf de Bergerbrug tot aan de Molen van Piet uitstrekte en in die periode een prachtig en geheimzinnig speelterrein voor de kinderen was geweest. Aalsmeer was aangelegd als een zakelijk dambord met langgerekte werk en woon vlakken. Lange lege straten, voortuintjes, schone stoepen, een trottoir en dan een weg. Alles was recht toen en recht aan. Een voor de kinderen saai aandoend straatpatroon waar weinig aan viel te ontdekken. Het bloeiende verenigingsleven in Aalsmeer was nog onbereikbaar voor de nieuw aangekomen kinderen en de katholieke St. Josephschool achter de Karmelkerk was veel strenger dan de moderne lagere school in Alkmaar. In de kerk zelf bevonden zich een groot aantal angstaanjagende muurschilderingen die grote indruk maakten op de schoolgaande kinderen van Anton en Julie. 

De treurnis en de gewelddadigheid op de muurschilderingen kwamen dichtbij de realiteit van de krantenfoto’s en TV journaals over oorlogen en andere rampen. De oorlogsverhalen van Anton en het zwijgen van Julie over Indië terwijl de kinderen via andere kanalen steeds meer te weten kwamen over hetgeen aldaar was gebeurd strookten niet met de opdracht van Julie aan de kinderen om in God te geloven en vooral naar de tien geboden te leven. Ook de school benadrukte deze streng katholieke (na)leefregels die voortdurend omstandig werden aangehaald. 

De tien geboden zijn nogal uit de mode geraakt vanaf midden jaren’60 maar hieronder de ‘normen en waarden’ waarmee Julie in navolging van de katholieke kerk en de lagere school van haar kinderen probeerde de kinderen te beïnvloeden. Gecombineerd met de angstaanjagende bijbelse verhalen en de realistische muurschilderingen van G. Van Geffen in de Onze Lieve Vrouw van de Berg Carmel zat de schrik er goed in. Als de kinderen naar de kerk gingen dan werden zij op iets boven ooghoogte omringd door de muurschilderingen. Als je de tien geboden niet goed kende werd je flink gestraft.



1. Gij zult geen afgoden vereren, maar Mij alleen aanbidden en boven alles beminnen.
2. Gij zult de naam van de Heer, uw God, niet zonder eerbied gebruiken.
3. Wees gedachtig dat gij de dag des Heren heiligt.
4. Eer uw vader en uw moeder.
5. Gij zult niet doden.
6. Gij zult geen onkuisheid doen.
7. Gij zult niet stelen.
8. Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen.
9. Gij zult geen onkuisheid begeren.
10.Gij zult niet onrechtvaardig begeren wat uw naaste toebehoort.

In het voor Julie en Anton rampzalige jaar 1958 met de vele zieke kinderen, het verlies van de kwekerij en de grote schuldenlast had Julie bijzonder ontmoedigd. Zoals in de oorlogsjaren vond zij ook deze periode veel morele en mentale steun binnen de kerk. Er werd bij Anton en Julie thuis én op school flink gebeden met een gemiddelde van een uur per dag. De kinderen hebben dat nooit als een bijzonder last ervaren. Zij wisten gewoonweg niet beter dan dat het bij de ‘lifestyle’ van Anton en Julie hoorde. In de komende jaren zou een Pastoor of een Kapelaan van de Karmelparochie veelal op zondagen rond het middageten langskomen. 

Een groot katholiek gezin met veel jongens was voor de kerk een ideaal wervingsterrein om te peilen of er niet een of meerdere jongens misdienaar wilden worden en eventueel later in het klooster zouden toetreden. Natuurlijk konden de meisjes ook voorbereid worden op een carrière als Non. En als vanzelfsprekend met toestemming van de ouders want ook zij zouden dan in het hiernamaals door HEM bedankt worden voor hun bijdrage. Het streng katholieke gezinsbeleid van Julie zal zeker ingegeven zijn door de grote economische moeilijkheden waarin Anton en Julie verkeerden. De schulden veroorzaakt in Alkmaar moesten immers afgelost worden en Julie had na aankomst in  Aalsmeer geen werkkring gevonden die voor aanvulling zou kunnen zorgen. 

De sfeer in huis was tot ver in jaar 1961 zeer sober en veranderde toen Julie weer wat kon bijverdienen met reclame ontwerpen. De kinderen hadden in hun nieuwe woonomgeving veel minder bewegingsruimte. In Alkmaar was er veel meer speelruimte geweest. Hierdoor bleven de kinderen ook door gebrek aan vriendjes veel meer in huis dan vroeger. Het enige vermaak was de TV die Anton op afbetaling in Amsterdam had weten te bemachtigen. Nederland had toen nog 1 TV kanaal wat pas later op de avond met uitzendingen begon. 

Het gebeurde echter regelmatig dat Anton nog onderweg was en dat de stroom in huis werd onderbroken doordat het geld in de ‘muntmeter’ was opgebruikt. Niet altijd had Julie een reserve gulden om de meter mee te kunnen vullen. Die werd dan snel bij de buurvrouw geleend of er moest in het donker gewacht worden tot Anton thuis zou komen. Als Julie wat meer geld over had dan spaarde zij via de muntmeter voor kleine extra's. Die dan met een brede glimlach door de muntgeld-ophaler van de PUEM aan Julie werd overgedragen. 

Een muntmeter. Met een gulden had men voor een groot aantal uren stroom. Als je geen geld had dan had je ook geen stroom.

1959 Aalsmeer december Anton en Julie met 9 kinderen. 
De twee oudste kinderen zijn afwezig. De auteur van dit blog zit vooraan 
in het midden en droomt weer eens weg.

Kolen, een kolenkit en de kolenkachel verwarmde het gehele huis niet echt goed, 
elke ochtend opstoken en tussendoor bijvullen was een noodzakelijk ritueel.



1959  Aankomst 30 december te Amsterdam. De broer van Julie met zijn gezin. 
De broer van Julie staat geheel links zijn echtgenote rechts achter Julie. 
Zij vertrokken naar contractpension St.Lambertus te Vlierden




1959 Amsterdam - demonstratie tegen uitzending van 
dienstplichtigen naar Nieuw Guinea

Papua's Nieuw Guinea

1959 - President Sukarno leest op het balkon van het voormalige 
Gouvernementele Paleis het 4 juli decreet voor waarin 
de 'geleide democratie' wordt aangekondigd.

1945 - 17 augustus Soekarno verklaart de onafhankelijkheid 

2009 -2010 Beyond the Dutch een bijzondere tentoonstelling waar men de cultuurverschillen tussen de Indonesische en Nederlandse kunstenaars kon beleven.
Rechts een schilderij van Ries Mulder 1958 - Kerk in Bandung

Harijadi Sumadidjaja was in 1952 al een geheel andere weg opgeslagen.
In Magelang het OHD museum

De oude schilderijen die aan het koloniale verleden van Indonesië zouden herinneren werden ook uit de zalen van het presidentiële onderkomen te Jakarta verwijderd. 

1925 Batavia - Het paleis van de Gouverneur-Generaal in de wijk Noordwijk


1931 circa - gebouwd te Aalsmeer - De R.K. Kerk O.L. Vrouwe van de Berg Carmel. 
Onder de toren het poortje naar de St. Josephschool voor lager onderwijs

Aalsmeer R.K. Kerk - aan de Stommeerweg.
Muurschilderingen van G. van Geffen - De lijdensweg van Jezus