Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of  begin 2018
Posts tonen met het label Kartini. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kartini. Alle posts tonen

DNA deel 2 - Casper Frederik Deuning -1842 - 1870 en Djeminem/Johanna 1852 -1898


In 1870 werd Casper Deuning achtentwintig jaar oud. Zijn een jaar oudere broer Frans en tien jaar jongere broer Ferdinandus hadden evenals Casper een werkkring weten te vinden binnen de suiker en koffie culturen in de omgeving van Soerakarta. Frans leverde incasso hand en spandiensten voor landverhuurders zoals Dorrepaal, Dezentjé en van der Linde. Casper was opgeklommen naar de rang van assistent-administrateur binnen het familiebedrijf van zijn vriend John van der Linde die o.a. de suikerfabriek van Tjokrotoeloeng bestierde en tevens handelden in onderdelen voor machines die in de suiker en koffie industrie werden gebruikt. De Deuning broers hadden gezamenlijk geïnvesteerd in een dessa op het huurland Kaliwingko op een paar kilometer van Soerakarta waar zij meer rijst konden verbouwen dan nodig was om de familie te voeden. 
De aanleg van de spoorlijn vanaf 1862 had de economie maar ook de westerse invloeden een grote impuls gegeven. Het inwoneraantal van Soerakarta was in tien jaar tijd verdubbeld en er waren kampongs afgebroken om plaats te maken voor nieuwe kantoren, winkels en vrijstaande woonhuizen voor Europeanen en Chinezen die goed geld hadden verdiend. Binnen de muren van de grote kraton zorgde de ruime toelagen vanuit het gouvernement voor een ongekende bloei van de Javaanse cultuur die steeds meer de belangstelling begon te wekken van de westerse vreemdelingen. De Keizers en de prinsen van de beide vorstenlanden mochten immers geen oorlogen meer voeren. 

Binnen de kraton werden studies verricht die terug gingen naar de oude Mataramse cultuur uit de negende en tiende eeuw. De oude sagen en legenden werden aangevuld met nieuwe verhalen en artistieke uitingen zoals het bewerken van  zilver en andere kostbare materialen, weven, stofdrukken met oude motieven en het houtsnijwerk  uit de kustplaats en regentschap Japara waar de Engelsen, Hollanders, Portugezen en zelfs de Denen vanaf 1600 al zaken deden. Maar ook het islamitische gedachtegoed kreeg steeds meer invloed op het denken en doen van de kraton bewoners.
Japara is de geboorteplaats van de Javaanse schrijfster Raden Adjeng Kartini die zich opgesloten en vaak diep ongelukkig voelde. Zij schreef als twintig jarige in 1899 als volgt: 
- En als de wetten van mijn land zulks zouden toelaten, zou ik niets liever willen en doen, dan me geheel te geven aan het werken en streven van de nieuwe Vrouw in Europa. Eeuwenoude tradities echter, die niet zoo maar af te breken zijn, houden ons in haar stevige armen gekluisterd. Eens ja, zullen die armen ons loslaten, maar die tijd ligt nog verre van ons—zoo eindeloos ver! Hij zàl komen, dat weet ik, doch eerst drie, vier geslachten na ons. O! U weet niet wat 't is den jongen, den nieuwen tijd, úw tijd, lief te hebben met hart en ziel, terwijl je nog aan handen en voeten gebonden, vastgeketend bent aan de wetten, gebruiken en gewoonten van je land, waaraan 't niet mogelijk is te ontkomen. En de gebruiken en gewoonten van ons land staan lijnrecht tegenover het nieuwe, dat ik graag in onze Maatschappij zou ingevoerd zien. 
- Dag en nacht peins en zin ik op middelen om tòch aan de strenge zeden en gewoonten van mijn land te kunnen ontsnappen, doch ... de oude Oostersche tradities zijn wel hecht en sterk, maar ik zou ze toch van mij kunnen afschudden, verbreken,—ware het niet, dat een andere hechtere en sterkere band dan eenige eeuwenoude traditie mij aan mijne wereld bond: de liefde, die ik heb voor hen, die mij het aanzien schonken, aan wie ik àlles, àlles te danken heb. 

- Mag ik, heb ik het recht wel, om hen, die mij mijn leven lang niets dan liefde en goedheid betoonen en mij omringen met de trouwste zorgen, het hart te breken? Hunne harten zou ik breken, wanneer ik aan mijn verlangen toegaf en deed waar heel mijn wezen naar smacht, bij iederen polsslag, bij elke ademhaling. -
De innerlijke worsteling die de Javaanse Kartini doormaakt zal niet veel hebben verschild van de Indo-Europeaan zoekend naar een eigen identiteit en tegelijkertijd niet wetend wat zijn positie is vanwege wetten en sociale regels die geen ruimte bieden aan de ontwikkeling van halfbloedigen. Pas na de inval en bezetting door Japan kregen de Javanen de kans om hun positie opnieuw te bepalen. De Indo’s werden na het vertrek van de Japanners opnieuw voor de keuze gezet. Volledig integreren in Indonesië of anders in Nederland.  

De politieke discussies in Nederland vanaf 1848 over de veranderingen die nodig waren binnen het cultuurstelsel hadden ook Soerakarta in 1870 bereikt.  Voor Casper en zijn broers betekende dat niets meer en minder dan zich aanpassen aan een nieuwe wijze van zaken doen. Als Indo’s die bijzonder goed op de hoogte waren van de lokale talen en culturen waren Casper en zijn broers zeer waardevol als bron van kennis voor de particuliere investeerders en gelukzoekers uit Nederland die door de invoering van Agrarische en de Suiker wetten onontgonnen gronden in erfpacht mochten nemen. Hierdoor werd het grondbezit van de inlandse bevolking weliswaar gewaarborgd maar dat maakte nog geen einde aan de uitbuiting. 

Casper zou als zoveel Indo’s zich behoedzaam hebben bewogen tussen de inlandse en Europese culturen en zal zich voordturend hebben afgevraagd waar hij zich het beste bij ‘thuis’ zou voelen. Van huis uit katholiek en naast de inlandse talen ook Nederlands sprekend en lezend. Luisterend naar de gesprekken van zijn Hollandse bazen, Indische kranten lezend en voorzien van een zeer hoog percentage inlands bloed zal hij net als Raden Adjeng Kartini gezocht hebben naar een ‘eigen identiteit’ die het oude zou behouden en het nieuwe zou toelaten om alsnog te kunnen slagen binnen de moderne en op het kapitalisme gebaseerde cultuur van de Hollanders. 

Casper wilde onder geen voorwaarde ‘dat bastaard kind van soldaat Deuning’ blijven. Op het werk zal hij zich zo aangepast mogelijk gedragen hebben. Maar ’s avonds keerde hij toch weer terug naar huis waar in de dapoer de heerlijkste Javaanse hapjes waren bereid. 

Als koloniale soldaat of particuliere gelukszoeker verloor je niet alleen je stemrecht door de verhuizing maar ook vaak je maagdelijkheid als je eenmaal in Indië was aangekomen. Door de heersende armoede in de Indo-Europese en inlandse kampongs was het vinden van een meisje of jonge vrouw geen enkel probleem. Als zij beviel dan werd zij een bediende of in het gunstigste geval een Njai. Een meisje wat eenmaal ontmaagd was door een Europeaan zal gemeend hebben dat zij en haar familie in minder armoedige omstandigheden zouden komen. 

Toen al, zullen er veel halfbloed kinderen verlaten zijn door hun weer naar hun vaderland terugkerende Europese vaders die nooit meer naar hen om zouden kijken. Deze kinderen tellen niet mee in de ‘Indo statistieken’ en zullen zijn verdwenen in de inlandse gemeenschappen waar af en toe een jongen rond zal hebben gelopen die Henk of Johan genoemd zonder dat de generaties daarna wisten waarom hij zo genoemd werd.

De kort durende zoete omhelzingen met de inlandse meisjes brachten niet alleen kinderen voort maar ook geslachtsziekten. Behandeling met penicilline was toen nog niet mogelijk. Er werden zalfjes en smeersels gemaakt van sandelhout maar dat was een kostbare aangelegenheid waar de Javaanse vrouwen geen geld voor hadden. Gewezen inlandse vrouwen met halfbloedkinderen hadden niet makkelijk bij terugkeer in de kampong zij werden gediscrimineerd en hun kinderen werden soms afgenomen omdat een christenkind het nooit goed zou kunnen doen in een islamitische omgeving. Er werden door het gouvernement of kerkelijke instellingen weeshuizen gebouwd (Soerabaja 1854) waar de Indo jongens en meisjes opgeleid zouden kunnen worden tot werkman of dienstmeisjes. 

Een taak die de broeders en zusters uit verschillende christelijke stromingen op zich namen met als ander doel een tegenwicht te kunnen vormen tegen de oprukkende islamisering van de Javaanse gemeenschap. Het waren uiteraard niet alleen maar halfbloedjes van Nederlandse vaders. De Europese gemeenschap bestond in die periode uit ‘vreemde snoezen’ zoals Fransen, Duitsers, Portugezen, Italianen, Hongaren uit Arabische landen of met een Chinese achtergrond.  De bijna een miljoen Indo nakomelingen in Nederland zullen er daarom rekening mee moeten houden dat een flink gedeelte onder hen meer dan een flinke scheut exclusief Hollands DNA in zich zullen herbergen. Het is mij niet bekend of Casper nog andere kinderen heeft geproduceerd voordat hij met zijn geliefde Djeminem gaat samen wonen. Hun eerste kindje Dolly is in 1877 geboren.

Toch zal ook Casper voor dat hij met Djeminem ging samenleven wel eens uit andere suikerpotjes gesnoept hebben. De losse zeden en moraal uit die periode werden pas door de komst van de kerken in nieuwe in strakkere banen geleid. Biseksualiteit en homoseksualiteit werden pas veel later dan in Nederland in het Indisch Strafrecht opgenomen. Het werd ook oogluikend toegestaan omdat er tenminste geen kinderen van kwamen. Op Sumatra verzuchtte een planter dat hij ondanks wettelijke bezwaren toch maar een bordeel toe zou laten op zijn plantage omdat hij horensdol werd van het ’gesodomiseer’ onder de Chinese en Javaanse koelies die ’s avonds vochten om het verlies van hun vriendjes aan andere collega’s. In de haven van Batavia waren vele ontmoeting plaatsen voor buitenlandse matrozen die een knappe inlandse jongen zochten of een travestiet. 

In beginsel golden de nieuwe regels omtrent zedelijk gedrag  alleen voor de hogere blanke regionen en zouden pas in een later stadium door Indo-europese bevolkingsgroepen overgenomen worden om op die wijze alsnog een carriere te kunnen maken en om ‘geïntegreerd’ over te kunnen komen. Hieraan kan nog toegevoegd worden dat de zo bekende ‘Indische zwijgzaamheid’ ook gerelateerd kan worden aan de Javaanse tradities binnen de adellijke Javaanse families, waarin zwijgzaamheid en zacht (beleefd) spreken een teken van (innerlijke) verfijning zou zijn.

Het was niet ongewoon en naderhand in veel gevallen verplicht om als hogergeplaatste medewerker op het terrein van een plantage of fabriekscomplex woonruimte toebehorend aan de eigenaren te huren. De werkdagen waren lang en begonnen heel vroeg met een verplichte pauze van enige uren als de zon z’n hoogste stand had. Daarna ging het werk weer door op kantoor of op het land. Er werd zeven dagen per week gewerkt behalve op de vele feestdagen die vanuit Holland waren overgekomen maar er werd rekening gehouden met de Javaanse en islamitische of Chinese feestdagen. Dat waren de verplicht vrije dagen die men naar eigen inzicht kon doorbrengen. 

Tijdens de drukke oogstdagen werd er kort gefeest maar na de oogsten en als de voorraden verwerkt waren en op transport zal men iets meer vrije tijd hebben gehad. Casper zal in de voorgaande jaren veel werkervaring op hebben gedaan en had ook aanzien bij de Javaanse medewerkers en vormde zo een belangrijke en soms onmisbare schakel tussen de directie en leiding van de cultuurmaatschappij. Hij werd beloond met een nieuw contract wat ruim voldoende op zou brengen om een gezin te kunnen stichten. 

Casper was inmiddels 32 jaar oud. Er zijn de bekende Indo verhalen dat bijna alle inlandse grootmoeders uit de paleistuinen van de kratons zouden zijn gekaapt. Maar dat percentage zal buitengewoon laag zijn geweest. Casper zal rond 1875 verliefd zijn geworden op de nog zeer jonge en vanzelfsprekend bevallige inlandse schone Bok Djeminem. De inlandse dochter uit een goed bekend staande familie die in de buurt van S.F. Tjokrotoeloeng gewoond zullen hebben. In het uitgestrekte en glooiende gebied van Bojolali aan de voet van vulkaan Merbabu. Een gebied waar de temperaturen op kunnen lopen tot boven de 35 graden Celsius. Waar het ’s avonds snel donker wordt en de nachtelijke geluiden zich allerzachtst vermengd zullen hebben met de zuchten van Casper en Djeminem die samen meer dan veertien kinderen kregen en negenentwintig jaar samen zouden zijn.

Door de twee nieuwe wetten die onder druk van de Nederlandse liberalen tot stand waren gekomen liepen vanaf 1873 de staatsinkomsten in Nederland zorgwekkend terug. Op Java daarin tegen werden jaarlijks nieuwe gebieden ontsloten en nieuwe plantages in cultuur gebracht. Niet alleen suiker en koffie maar ook tabak en rubber bleken succesvolle producten. Door wijzigingen in het belastingstelsel trachtte Nederland weer winsten te genereren met als gevolg dat juist de zo verfoeide uitbuiting van de inlanders tijdens het cultuurstelsel en de vorm van koelieordinanties weer terugkeerde. Het waren maatregelen die Casper voortdurend met de landarbeiders moest doornemen terwijl zijn baas mijnheer van der Linde plannen maakte voor een flinke uitbreiding van de fabriek. 

De protesten van Multatuli en  Sicco Roorda tussen 1860 en 1870 hadden in Nederland weinig indruk op de politiek en publieke opinie gemaakt. De suikerindustrie groeide als nooit te voren en er moest winst gemaakt worden. Indië was er voor Nederland en nergens anders voor werd er gezegd. Er werd weinig tot niets gedaan aan de ‘verheffing’ van de inlander en ook de positie van de Indo-Europeanen zou pas na de introductie van de ‘ethische politiek’ enigszins verbeteren. 

Vanaf 1870 had de vrijmetselarij zich over heel Java weten te verspreiden en er werden bibliotheken ingericht, scholen gestart, pandjeshuizen, weeshuizen en zelfs voedsel en kledingfondsen voor arme leerlingen waar allicht een flink aantal Indo-europese kinderen mee bereikt werden. De sociale positie van de Indo-Europeaan bleef kwetsbaar maar Petit a Petit ontstond er een hogere Indo klasse, een bredere Indo middenklasse met hun winkeltjes en kleine handelsbedrijfjes en kleiner worden lagere klasse met als variant de Indo die als halve of als geheel verweesd kind in opvoedinggestichten werden opgevoed tot Nederlands sprekende christenkinderen die aan de onderdrukking van het onder de Javanen groeiende nationalisme.

De Indo-Europeanen hadden met elkaar gemeen dat zij beslist geen werk aannamen wat door inlanders werd gedaan. Casper had zich boven zijn beide broers uit weten werken en zou in 1890 de algehele leiding over S.F. Tjokrotoeloeng krijgen tot grote tevredenheid van de vele aandeelhouders. In 1882 zal Casper zeer geschrokken zijn toen zijn jongste broer Ferdinandus gevangen werd genomen op verdenking van moor op een pas geboren baby. De arrestatie van Ferdinandus wordt breed uitgemeten in bijna alle landelijke kranten en er volgt een bizar proces waarin ook de gang van zaken rond landverhuur werden betrokken en allerhande kwesties die niets maar dan ook niets met de ‘moord’ op de (dood geboren) baby te maken hadden. 

Het leek meer om een showproces te gaan waarbij de rechterlijke macht wilde aantonen dat zij wel degelijk competent waren. Na meer dan ander half jaar werd Ferdinandus vrijgesproken bij gebrek aan bewijs. Ferdinandus was weliswaar aanwezig geweest bij de geboorte maar er kon niet bewezen worden dat hij daadwerkelijk zijn eigen kindje om het leven gebracht zou hebben. Uit de vele kranten artikelen komt vooral naar voren dat Indo-Europeanen zich kennelijk nog op een laag en louche niveau zouden bewegen en dat bepaalde lieden zoals de hoger staande en zeer bekende landhuurders van der Linde en van der Heijde zich (teveel) met hen in zouden laten. 

Via het Historische Kranten archief kunnen de vele artikelen over deze kwestie gevolgd worden. Frederik zou vlak voor de eeuwwisseling onder achterlating van schulden in het verre Batavia komen te overlijden. Nog in 1881 verschijnt er in het Semarangse dagblad ‘De Locomotief’ een artikel waarin het karakter van de ‘Indo’ door een blanke journalist wordt ontleed en waarin ook de Javanen nog een ferme veeg krijgen. In 1883 zouden de suikerprijzen een zo ernstige daling doormaken vanwege de concurrentie met de bietensuiker waarop er een ‘suikercrisis’ ontstond die achteraf bezien een nieuwe en aangepaste kijk op de financieringen van fabrieken en oogsten zou opleveren die opnieuw grote winsten voor Nederland zou genereren. 

Casper heeft de uitbreiding en nieuwbouw van Tjokrotoeloeng tot eind 1899 kunnen begeleiden en de zaken succesvol over kunnen dragen aan een nieuwe administrateur. De veertien kinderen zijn allen geboren en opgegroeid in het grote huis op het Tjokro woonterrein en gingen naar de lagere school in het nabij gelegen stadje Bojolali. Zij zullen een fijne jeugd gehad hebben die zeker niet voor alle Indo kinderen was weggelegd.

De Nederlands Indische suikerindustrie ontwikkelde zich tot 1930 tot het grootste agrarische conglomeraat in de wereld waar meer dan anderhalf miljoen mensen werkzaam waren. Tijdens het onderzoek naar de omstandigheden waarin Casper opgroeide en uiteindelijk met Djeminem ging samenleven en met haar veertien kinderen kreeg. Heb ik een groeiende bewondering en warme sympathie voor Casper en Djeminem gekregen. Ondanks de discriminatie door de blanke bevolking en de vaak erbarmelijke omstandigheden waarin de Indo-Europeanen leefden heeft Casper met zijn intelligentie en zijn binnen de ‘suikerindustrie’ gerespecteerd doorzettingsvermogen zich kunnen ontworstelen aan het anoniem verdwijnen in de geschiedenis van de industriële revolutie die zich op Java en daarbuiten voltrok. 

De kinderen van Casper en Djeminem waaronder mijn grootmoeder Charlotte hebben allen een prettige jeugd gehad. Door het overlijden van Casper en Djeminem kwam hier abrupt een einde aan. Djeminem is niet ouder dan achtenveertig jaar geworden en Casper overleed op zijn drieënzestigste verjaardag aan de vooravond van de ‘ethische politiek’ die opnieuw grote veranderingen op Java en met name in de suikerindustrie met zich mee zou brengen. Het merendeel van de kinderen was nog zeer jong toen beide ouders overleden. Charles, Georgius, Reinier en Henri. Vier zonen die allen in de suikerindustrie werk zouden vinden die bijna geheel opnieuw onderuit zou gaan tijdens de grote economische wereld crisis van 1930. Tien dochters waarvan de jongste een week na het overlijden van Djeminem overleed. Negen dochters waarvan er zes in het huwelijk traden met een echtgenoot die in ‘Suiker’ werkzaam was. 

Op foto 10 van de hieronder opgenomen beelden het grote huis te Tjokro. De woning waar het merendeel van de kinderen van Casper en Djeminem zijn geboren en opgegroeid. Ergens in de achtertuin zijn de kleine kruikjes met hun navelstrengen begraven.

1852 Een suikerfabriek in Tegal





Onderaan links van het midden S.F. Tjokro Toeloeng



Personeel van een suikerfabriek

1870 Koffieplantage in de buurt van Bojolali

Uitbetaling van de huurgelden

De rietsuiker op Tjokro Toeloeng

De administrateurs woning op het terrein van S.F. Tjokro Toeloeng

Uitzicht op de Merbabu

Kartini met twee zussen

1875 Het onderkomen van de Gouverneur Generaal in Batavia

1880 Soerakarta kraton - De Pendopo ofwel voorhuis van Prins Mankoenegoro die ook suikerfabrieken bezat

Jong Javaans meisje - Soldatenvrouw met Indo kinderen

Weeshuis voor jongens Soerabaja

Gesticht Oranje Nassau van Pa van der Steur in Magelang waar voor het merendeel kinderen woonden met een blanke vader die uit het zicht was verdwenen.

1965 - Julie en Kartini - Welke is toch de taal, al is men die ook nog zoo machtig, waarin men goed de emoties van de ziel uit kan drukken?

De woning in Aalsmeer was met de komst van het 13de kind in augustus 1964 te klein geworden. Er werd gezocht naar een huis met veel ruimte voor de kinderen en liefst met een kantoor waarin Julie en Anton zich van het rumoer van de kinderen konden afzonderen. Zoals een dokter met een praktijk aan huis had Anton gezegd. De kleine grijze Ford 12M kwam vanaf najaar 1964 bijna wekelijks naar het huis van Julie en Anton. Het was een makelaar die zou helpen met het vinden van een nieuw huis. Op zondagen mochten enige kinderen met de auto mee om grote huizen te bekijken in Heemstede of Bloemendaal. 

Voor het eerst zagen de kinderen enorme huizen met grote tuinen en knerpende opritten waar kennelijk nooit meer dan vier of vijf mensen hadden gewoond. De huizen roken soms zwaarmoedig, en naar oud geld. Uiteindelijk bleek er een huis in een villawijk  in Bussum geschikt bevonden. De eigenaar was een oudere weduwnaar geweest die nogal eenzaam in het totaal uitgeleefde huis zijn laatste jaren had doorgebracht. In een donker hoek van de kelder waren met zwarte kool felle anti-oorlog teksten geklad. 

Er was dus kennelijk ook oorlog geweest in deze zo rustig aandoende villawijk. Er lag ook een grote oude wit met lichtblauw gestreepte badjas die een oudere broer nog jaren gedragen heeft. Was de oude weduwjaar daar niet in gestorven? Juist omdat het huis zo uitgeleefd was en een grote open zolder had was het geschikt. De vraagprijs was hierdoor aantrekkelijk en er konden vier kleine kamers met aparte douche op de zolder gecreëerd worden. In de diepe achtertuin werd een groot houten blokhutkantoor gepland. En was Bussum ook niet de stad van de Gooi & Eemlander en van Willem Brandt die zijn machteloosheid over de periode in de Japanse interneringskampen in verschillende boeken waaronder 'De Gele Terreur*' en gedichten vastlegde. * Met gele terreur worden de Japanners bedoeld die achteraf bezien natuurlijk géén gele huidskleur hadden. 

Anton en Julie konden trots zijn op hetgeen zij bereikt hadden. In de voorgaande jaren hadden zij net zoals vele Nederlanders hard gewerkt en de economische en sociale ontwikkelingen hadden Nederland bevrijd van de grijsheid van de jaren vijftig. Nederlanders hadden weer geld voor bloemen en tuintjes en in één op de tien tuinen leek wel een verpakking van de turfstrooisel te zien die Julie had ontworpen. Julie had in 1964 al ontslag genomen bij het bouwmaterialen bedrijf in Aalsmeer waar zij parttime had gewerkt om de verplichte ziekenfondskosten voor alle gezinsleden te kunnen verdienen. De kinderbijslag bleek meer dan voldoende als basisinkomen. 

Maandelijks kwam het verdiende percentage van de omzet in verkochte turfstrooisel per check met de post mee. En terwijl Anton gemiddeld vijf dagen per week door Nederland reed om voorlichting te geven over het gebruik van turfstrooisel, begon het werk van Julie voor grote reclamebureaus steeds meer op te leveren. Julie corrigeerde en redigeerde teksten en gaf ook ontwerp aanwijzingen waar de marketing en verkoop afdelingen van grote bedrijven blij van werden, want de vrouwen in Nederland moesten bereikt worden met reclameboodschappen die een eigen ‘toon’ hadden. Nederland was immers sterk aan het veranderen. 

Het percentage werkende en zelfstandige vrouwen nam jaarlijks toe en Nederland werd met hulp van de socialisten steeds liberaler en de vrouwen begonnen zich te bevrijden uit de strakke keurslijven die mannen bedacht hadden om hen onder controle te kunnen houden. Het in 1964 verschenen boek van Jan Cremer ‘Ik, Jan Cremer’ werd ook door oudere kinderen van Julie met rode oortjes gelezen. Het boek werd als zeer verderfelijk en smerig afgedaan en was aldus een ongekend succes en in vele huizen werd besmuikt gehuiverd van afschuw en plezier over zoveel (ik)durf en zonder remmingen beschreven persoonlijk genot. Anton was tégen het boek en Julie glimlachte ondeugend. “Ach in Indië was het vroeger ook al een beetje zo met al die bijvrouwen en bijkinderen”. 

In die periode leek Julie zich ook te bevrijden van haar soms streng katholieke opvattingen. Anton en Julie hadden al eerder de pastoor van de Aalsmeerse kloosterorde verboden om nog langer ongevraagd op zondagen langs te komen. Hij bleef maar zeuren over het mooie kloosterleven en dat Anton en Julie toch meer dan voldoende jongens hadden die zo geschikt zouden zijn als missionaris terwijl hij het voor Anton bestemde grote stuk kip op at. Anton koos voor meer kip en wilde dat zijn jongens hém zouden opvolgen en niet de Heer. Julie vond dat de jongens zélf moesten kunnen kiezen als zij oud genoeg waren. En omdat Charlotte, de moeder van Julie was opgevoed door nonnen en Julie op een strenge middelbare nonnenschool in Indië haar HBS diploma had gehaald was Non mogen worden helemaal niet bespreekbaar. 

Tijdens en na de grote wereldoorlog had Julie het katholicisme als een soort grote reddingsband om haar aangeslagen persoonlijkheid heen gedrapeerd en kon daardoor overleven op de woelige zee van veranderingen die haar naar Holland had gebracht. Ja, Holland want zo noemde Julie het hoofdkantoor van het voormalig Koloniale Nederland. In de pacifistisch ingestelde Julie ontwaakte de sluimerende vrije geest van het libertinisme. Behalve dat Julie enorm had genoten van de charmant brutale Shirley MacLaine in de film Irma la Douce was er ook Tante Tilly, een vriendin van Anton uit de oorlogsjaren. 

Hij had grote bewondering voor haar omdat zij ondanks alle oorlogsellende toch haar universitaire studie cum laude had afgesloten en les gaf in vreemde talen op een gymnasium in Amsterdam. Tante Tilly woonde samen met een vriendin in Amsterdam en Julie vond het geen probleem om aan de oudere kinderen uit te leggen dat Tilly lesbisch was. Lesbisch in 1965? Het klonk een beetje als een Frans gerecht en zou dus wel niet zo erg zijn als het was. En wat moest je je in die jaren als puber voorstellen bij lesbisch? Er waren toen geen pornoboekjes of internet porno. 

Door Tante Tilly leerden wij ook dat o.a. cabaretier Wim Sonneveld homofiel was. Dat woord klonk al wat viezer. En er werd uitgelegd dat er dus manlijke mannen waren en vrouwelijke mannen. Mannelijke mannen speelden dus een beetje de baas over vrouwelijke mannen. Die vrouwelijke mannen verzetten zich daar dan weer tegen door nukkig en tegelijk verleidelijk te doen. Daar werd dan weer enorm om gelachen door mensen die naar dat soort TV programma’s keken. 

Niet omdat er veel erotiek te zien zou zijn, en zeker niet omdat lesbiennes en homo’s toen openlijk werden geaccepteerd maar het accepteren van mensen die ‘anders zijn’ was doen alsof je ‘modern’ was en met je tijd mee ging. Maar als je buurman of buurvrouw hét was of een collega op het werk of je kind, dan werd er wel verwacht dat men het ‘anders zijn’ zo min mogelijk zou uiten. Want puriteins en libertijns waren toen nog geen vrienden in het Nederland van 1965.

Het was Tante Tilly die Julie een boek van de schrijfster Andreas Burnier cadeau had gegeven. Het was een roman over een jonge vrouw die zich vrij maakte uit de geaccepteerde normen en waarden met als hoofdthema de polariteit tussen man en vrouw. Een thema wat Julie aansprak omdat ook in de reclamewereld ‘de vrouw’ als zelfstandig ‘wezen’ was ontdekt. Het boek sloot aan op de innerlijke ontwikkeling die Julie door maakte en had een andere toon dan het boek van Simone de Beauvoir ‘de tweede sekse’ wat Julie al in de jaren vijftig had gelezen. Waarin de Beauvoir economische onafhankelijkheid van vrouwen had bepleit. 

Een ander favoriet van Julie was een andere franse schrijfster Marguerite Yourcenar en haar boek over de Romeinse keizer Hadrianus Hadrianus' Gedenkschriften. Een door Yourcenar gedroomde biografie die ondanks een grote populariteit veel kritiek kreeg te verduren. Het zou onvoldoende waarheidsgetrouw zijn. Maar daar ging het Yourcenar niet om. Het ging haar om het idee je als vrouw te kunnen verplaatsen in de man om zodoende een beter zicht te kunnen krijgen op je manlijke kanten als vrouw. Kenmerk van de drie boeken is de zoektocht naar (eigen) identiteit als vrouw in een door mannen bepaalde maatschappij. 

Het jezelf vrij maken als vrouw was een onafhankelijkheids- thema waar Julie in die periode nog op mild filosofische wijze mee worstelde maar wat enige jaren later zou leiden tot een existentiële crisis waarin het gemis van haar vader en hetgeen haar was overkomen in haar jeugd, tijdens de oorlog en in haar relatie met Anton en haar kinderen haar psychisch te veel zou worden. 

In het vroege voorjaar van 1965 werd de koop van het nieuwe huis in Bussum gesloten. Het huis moest echter flink verbouwd worden en het resterende budget was krap. Er werden twee klusjesmannen gevonden die de gehele zolder verbouwde en vele kleine en grote aanpassingen in het huis zouden verzorgen. Julie was regelmatig aanwezig en besloot om zelf het gehele huis te schuren en te schilderen. Anton was immers druk met zijn lezingen door het land en het was altijd Julie geweest die met hamer, zaag en verfkwast de verbouwingsklussen in huis ter hand had genomen. In de twee maanden vóór de verhuizing werd ik vaak door Julie meegenomen om te helpen. 

Tijdens het klussen bespraken wij voorvallen uit het verleden van Julie in Indië en ook de wijze waarop Julie tegen politiek en religie aan keek. Het waren eigenlijk geen uitgebreide gesprekken tijdens het schuren maar eerder metaforische momenten waarin ik uitspraken uitlokte bij Julie en zij korte antwoorden gaf. Toch werd duidelijk dat Julie zich innerlijk veel meer met identiteit, verleden en toekomst bezig hield. Waardoor ik toen al steeds meer begrip voor haar vaak afwezig lijkende houding kreeg. Voor de andere kinderen moet het vaak lastig en soms zelfs een gevoel van afwijzing hebben betekend als Julie weer eens zo’n periode van geslotenheid door maakte. Anton bemoeide zich weinig met lopende zaken rond het huishouden en Julie gaf ons opdrachten en aanwijzingen vanuit haar kantoortje waardoor wij als kinderen eigenlijk het gehele huishouden deden en voor elkaar zorgden.

Op mijn latere reizen door Indonesië herkende ik opnieuw dit schijnbaar afwezige gedrag bij veel intellectuele Javanen of bij Indo's met een Indisch verleden. Met dat stille en innerlijk genieten van een verzonken onuitgesproken gedachtewereld met toch dat nieuwsgierige en spiedende vuur in de ogen, luisterend en kijkend naar de realiteit van de dag. Soms vergezeld van een vage weemoedige ook wel op verdriet lijkende glimlach waarin beschouwing en oud begrip over het gezicht zweemde. Het zou de indruk kunnen wekken van licht arrogant afstand houden en onbereikbaar willen zijn. Maar het was eerder het vermogen om met de ogen open weg te dromen en op reis te zijn in een dichtbij en soms eeuwenoud verleden. 

Veel Indo's die jong of ouder uit Indië waren gekomen hebben hebben dit reflecterende vermogen door jarenlang  hard werken en aanpassing ongebruikt gelaten. In bepaalde gevallen heeft dit tot (Indische) zwijgzaamheid, melancholie en teruggetrokkenheid geleid als voorbode van flinke depressies waarin ontkenning en erkenning het met elkaar aan de stok kregen. Pas als men van zichzelf weer terug mag kijken en praat met lotgenoten of leest en schrijft over onverwerkt verleden kan dit vaak heilzame reflecterende vermogen weer terugkomen en het innerlijk bevrijden uit het onderbewuste rouwproces wat altijd meereist in de koffer waarin onder de schaarse foto's en brieven het donkere mapje met afscheid en verlies ligt.   

Julie vertelde tijdens het schilderen over de Javaanse schrijfster Kartini die in briefvorm en met hulp van een Nederlander al vroeg in de vorige eeuw een boek had geschreven: Door duisternis naar het licht. Gedachten over en  voor het Javaansche volk door Raden Adjeng Kartini met een voorwoord door J.H. Abendanon. Julie was het boek nooit vergeten. Hieronder een citaat in een taal zoals die vroeger werd gebezigd maar inhoudelijk zou het een rake karakterisering van de gedachtewereld  kunnen zijn waar veel Indo’s zich bij tij en ontij in bevinden. Hieronder een citaat

Welke is toch de taal, al is men die ook nog zoo machtig, waarin men goed de emoties van de ziel uit kan drukken? Deze bestaat niet."
Ik geloof met u, zij bestaat niet, althans niet in die, welke gesproken en geschreven wordt; maar er is een stille, geheimzinnige taal, die in woorden noch in letterteekens zich uitdrukt, en die toch verstaan en begrepen wordt door ieder, die voelt, en waarop men ten volle kan vertrouwen, omdat in haar gansenen woordenschat 't woordje "leugen" is onbekend!


't Is de reine, kuische taal der oogen, de klare spiegels van de ziel! En als u dien middag me kon zien, vijf zacht geurende velletjes trilden in mijne bevende handen, warme tranen drupten me langs de wangen, zoudt u zonder één enkelen klank van mijnen mond te vernemen, alles verstaan, begrijpen, wat er in mij omging! 

Wat de mond noch de pen vermocht te uiten, hadden u de oogen, die drijvend in een floers van tranen opblikten ten hoogen, als om daar te zoeken, te vinden te midden van andere engelen Gods, die eene, die met zachten vleugelslag tot ons was neergedaald om onze bedroefde harten, die bitter weenden om veel treurigs op deze aarde, te troosten en te vervullen met eene hemelsche vreugde! 

Dank! dank! dank! riep elke hartslag, elke polsslag, en iedere ademhaling was een dankgebed!
Wij zijn maar heel, heel gewone menschenkinderen, een mengsel van kwaad en goed, zooals millioenen anderen,

't Kan zijn, dat er op 't oogenblik in ons van 't goed meer aanwezig is, dan van 't kwaad, maar de oorzaak hiervan zou dan niet ver zijn te zoeken. Waar men leeft in eene eenvoudige omgeving, is 't geen moeite, om goed te zijn; men wordt 't als van zelf. En 't is volstrekt géén kunst, géén verdienste, om geen kwaad te doen, waar ons geen gelegenheid daartoe geboden wordt. 

Later, als wij 't warme, veilige ouderlijke nest zijn uitgevlogen ; staan in 't volle menschenleven, waar geen trouwe oudersarmen om ons heen worden geslagen; als om ons 's levens stormen woeden en razen; geen liefdevolle hand ons steunt; vasthoudt,, als onze voeten wankelen. . . dan eerst zal 't blijken, wat we zijn! O! ik bid zoo vurig, dat wij niet nog verhoogen mogen den berg van teleurstellingen, dien het leven u reeds heeft ge- ......



Het nieuwe huis van Anton en Julie in Bussum

Voor de kinderen maar ook voor Anton en Julie was Bussum een bijna 
revolutionaire verandering na de magere en soms grijze jaren doorgemaakt 
in de toen relatief gesloten Aalsmeerse gemeenschap.
Studio Concordia in Bussum onderdeel van de "Gooise matras" 
en bevond zich in de wijk van het nieuwe huis van Julie en Anton

Willem Duys spreekt met Bart Huges in Studio Concordia 
Huges had een gaatje in zijn voorhoofd geboord om 
zijn geest te bevrijden

Presentatie over Willem Brandt - Bamboe en Bussum 

Uit de Gele Terreur van Willem Brandt




1964 - Shirley MacLaine in Irma la Douce - een film en later ook musical die veel vrouwen in Nederland 'ondeugender' zouden maken

Julie met kleinkind 

Raden Adjeng Kartini

Marguerite Yourcenar

Jean Paul Sartre en Simone de Beauvoir

Andreas Burnier

Wim Sonneveld met Mies Bouman

Een jonge Albert Mol

Ronnie Tober zat nog 'in de kast'






Het wapen van Indonesië


De vlag van Indonesië - vroeger zat het blauw van Nederland onder het wit


In het Indonesië van 1965 gaat het minder goed. 
De droom van Soekarno en zijn toenmalige collega's in 1945 wordt een nachtmerrie.
De politieke onrust zal uiteindelijk het leven kosten aan meer dan 1 miljoen burgers.
In Nederland is de berichtgeving over dit drama zeer schaars.

Sukarno en Hatta tijdens de 'Proklamasi' 17 augustus 1945

1947 - Het voormalige gebouw van 'De Volksraad' in Batavia. 
Het gebouw heet nu 'Gedung Pancasila' en staat in Jakarta.



 Oktober 1965 - Sukarno bij het graf van boezemvriend Generaal A.Yani

1965 - Generaal Suharto tijdens de begrafenis van vijf vermoorde generaals

Een onderzoek naar de genocide uit die periode

Het Krokodillengat is gebaseerd op Saskia Wieringa’s eigen onderzoek 
naar het verhaal achter de Indonesische genocide.

Vanwege dit onderzoek was ze jarenlang persona non grata in Indonesië.