Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of  begin 2018
Posts tonen met het label collaboratie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label collaboratie. Alle posts tonen

1943 deel 4 - de witte vlag met de rode bal

De witte vlag met de rode bal had het rood, wit en blauw in het straatbeeld vervangen. Nederlands spreken was streng verboden en omdat de Japanners zich bewust waren van het feit  de bevolking nog Japans moest leren lezen en schrijven was Maleis als tweede taal toegelaten. Toespraken en teksten stonden echter onder streng toezicht van de Japanse censuur.

10 jaar eerder fietste de bijna 13 jarige Julie vanuit haar pleeggezin nog door een schoon en lommerrijk Bandoeng naar haar school of de katholieke kerk. Haar vader was inmiddels naar de Filipijnen vertrokken. Haar moeder had een scheidingsverzoek ingediend en het broertje van Julie was ondergebracht bij het weeshuis van Pa van der Steur. Julie was vervreemd van haar moeder en zocht troost in vlijtig werken op school en het devoot bidden in de kerk. Nog in 1940 had haar toenmalige pastoor tegen Julie gezegd dat haar huwelijk met William die immers niet gelovig was, niet door de Kerk erkend zou worden. Zij zou met een heiden samenleven en Julie was hierdoor een afvallige geworden.

Innerlijk woedend had zij de kerk verlaten en zichzelf beloofd nooit meer terug te keren. Nu in 1943 moest zij een nieuwe taal leren (Japans) en mocht Julie geen Nederlands meer spreken maar moest bevelen opvolgen van Japanners en Indonesiërs.  Julie beschouwde het als een schrale troost dat haar voorkomen zo ‘Indisch’ was waardoor zij minder op viel. Innerlijk voelde zij zich net zoals als in 1933. Julie voelde zich eenzaam, verlaten, opgejaagd zonder enig perspectief en vooral zonder een maatschappelijke maar vooral uitzichtloze positie in het nieuwe Indonesië. Zoals zovelen had ook Julie geen enkel idee hoe lang de ontstane situatie zou gaan duren. 

De Japanners wilden zo snel mogelijk de Indonesiërs omvormen tot een weerbare troepenmacht tegen het oprukkende westen maar hen ook inzetten als werkend onderdeel voor de voedsel, brandstof en oorlogsmateriaal productie. Het hongerige Japanse leger moest dagelijks bevoorraad worden. Ook Java werd  naar Japans model gereorganiseerd. Het kan gezien worden als een soort piramide systeem met in de top de Japanse militaire leiding met daaronder telkens organisatie niveaus waarin steeds meer Indonesiërs vrijwillig of niet werden betrokken.

Het Japanse Tonari Gumi (burenhulp) systeem werd gekoppeld aan de vergelijkbare traditionele Javaanse gotong royong ofwel wederzijdse hulp. De Japanse militaire scholingsprogramma’s waaronder vechtsporten, gesimuleerde gevechten met houten geweren en correct marcheren kwamen tegemoet aan de behoeftes van de Indonesiërs. Dergelijke exercities waren tijdens het Hollandse bewind immers verboden geweest uit angst voor opstanden.

De Fujinkai was de belangrijkste vrouwenbeweging op Java.  Het was ook de enige en in hoofdzaak bedoeld om de inlandse mannenorganisaties te steunen bij de verdedigingsactiviteiten tegen buitenlandse vijanden. Als vrouw moest je wel een heel goed excuus hebben als je niet mee wilde doen aan deze ‘vrijwillige’ beweging.

De vrouwenbeweging stond net zoals bij de Heiho, Romusha, Seinandan en Keibodan bewegingen onder streng toezicht van de Japanse bezetters. Jongere vrouwen konden zich aansluiten bij de Srikandi Brigade. Daar krijgen zij eerste hulp lessen, zelfverdediging en het bereiden van maaltijden voor het vrijwillig leger.

Achter het Kawat ofwel in de kampen waar  inmiddels meer dan 100.000 Nederlanders gevangen zaten had men geen idee wat zich buiten de bamboewanden en het prikkeldraad afspeelde. De geruchtenmachines draaiden weliswaar op volle toeren en werden aangevuld met nieuws meegebracht door nieuwe bewoners die zich vrijwillig of niet hadden gemeld bij de kampleiding. Honger in de kampen werd mede veroorzaakt door grote voedselschaarste buiten de kampen.

De ‘vrijheid’ van de Indo-Europeanen die buiten de kampen leefden was aan zeer grote beperkingen onderhevig. Zij moesten voortdurend vrezen voor verraad, valse beschuldigingen en ontrouw aan het Indonesische vrijheidsideaal of voor het grillige gedrag van de Japanners. Het aantal overleden ‘binnen-kampers’ inclusief doodsoorzaak is goed onderzocht (1 op 8). Het merendeel is overleden door ondervoeding en ziekte. De Japanners hadden echter geen uitroeiingsplan (Endlösung) zoals de Duitsers dat hadden. Er is weinig bekend omtrent de aantallen Indo-Europeanen (volwassenen en kinderen) die door verraad, marteling en uithongering buiten de kampen zijn omgekomen. Dit aantal zou wel eens vele malen groter kunnen zijn dan de dodentallen binnen de kampen. Het aantal slachtoffers buiten de kampen vanwege de grote hongersnood op Java wordt geschat op meer dan 4 miljoen personen.

Deze grote hongersnood is geheel en al te wijten aan de onmacht van de Nederlandse regering en haar leger en vervolgens aan het militaire Japanse regime. De desastreuse hongersnood vanaf 1943 tot 1945 wordt zelden of nooit vermeld in de verhalen uit de interneringskampen of tijdens herdenkingen. Volwassenen en kinderen die binnen de interneringskampen hebben geleefd hebben  collectieve en individuele ervaringen die soms overeenkomen, soms zeer verschillend zijn terwijl het over het zelfde kamp gaat (lees de boeken over Kamp Tjideng).  De vele kampverhalen die laten ‘los kwamen’ kunnen een grote hulp geweest zijn bij de verwerking.  Voor buitenkampers gaat dit in veel mindere mate op. Er zijn immers veel minder getuigen die kunnen bevestigen dat het voor buitenkampers vaak net zo moeilijk was om aan voedsel en onderdak te komen. Ook de omstandigheden waaronder de buitenkampers de bezetting zijn doorgekomen kan in hoge mate verschillend zijn. Zij verbleven in de steden of anders verscholen op landerijen en dorpen. Maar de Jap was overal.

Langdurige periodes van honger en angst zijn grote stressfactoren en de voedingsbodem voor daden waar men jaren later geen weet meer van heeft. Als er nog herinneringen zijn wil men daar liever niet aan terug denken (ontkenning). De oude pijn die dan opwelt roept vaak andere herinneringen op omtrent het eigen gedrag of het gedrag van anderen (individuele schaamte & collectieve schaamte). De momenten dat je niet wilde delen of dat je voedsel van een ander pikte. Of dat jou eten ruw werd afgenomen door anderen die sterker waren (onrechtvaardigheid en boosheid). Je wilt vergeten en zo mogelijk vergeven. Als deze gevoelens jaren later terug komen dan werden die vaak weggewuifd met opmerkingen zoals: Ach iedereen had het toch moeilijk en slecht. Of: er waren mensen die het wel erger hebben gehad. Zoals zo veel Nederlanders die de aankomende ‘repatrianten’ meteen voorhielden dat zij (in Nederland) het hoe dan ook véél slechter hadden gehad dan de binnen en buitenkampers uit Nederlands-Indië.

                                                       Japanse soldaat met vlag



Julie schrijft in 1999 aan haar broer Boy (Gerard Eduard van der Steur) Uit de brieven kan opgemaakt worden dat zij voorheen nooit diepgaand over hun oorlogservaringen hebben gesproken. Hun ervaringen zijn dan ook zeer verschillend. Na ontvangst van de brieven schreef Boy niet terug maar werd er door hen getelefoneerd.


De Keizerlijk vlag wordt gehesen waar eens het KNIL trots paradeerde


Julie heeft meer dan 15 onthoofdingen verplicht moeten aanzien. De Japanners beschouwden onthoofdingen als een 'pedagogische maatregel' waar de achterblijvers van konden leren



Nog steeds verkrijgbaar 'De Japanse overheersing' DVD samengesteld door het NIOD


Heiho werving poster


Oproep in het blad "Pandji Poestaka" om tegen de Amerikanen en Engelsen te strijden


straatbeeld vanaf 1943 in Nederlands-Indië



Funjinkai de vrouwenbeweging als steuntroepen voor de mannen


De Japanners hadden het openbaar vervoer op Java snel op orde


Japanse propaganda 1944




In Nederland deden de kameraden ook hun best 



1943 deel 5 - van Bandoeng naar Cirebon

Begin juni 1943 verliet Julie zo onopvallend mogelijk de wasserij van haar moeder in Bandoeng. Het verblijf in de gevangenis van Bandoeng hadden haar angstig en onzeker gemaakt. Haar moeder en jongste zoon hadden haar regelmatig bezocht en zij had de briefjes of het gevouwen papiergeld uit zijn kinderknuistje altijd snel in haar bloes verstopt om deze later te kunnen lezen. Door bemiddeling van Indonesische vrienden kwam Julie vrij maar het was duidelijk dat zij beter uit het zicht van de Japanners moest blijven. Zij nam de bus naar Cirebon om onder te duiken bij een Indonesische vriendin. Julie had haar haren in een strak Javaans knotje gestoken en viel met haar kleine gestalte nauwelijks op tussen de Indonesische bevolking. In het blog van de Java Post beschrijft Frits J. Suyderhoud op informatieve wijze over de situatie in Bandoeng buiten de kampen. Net zoals Julie zou hij na afloop van de oorlog beticht worden van collaboratie. Voortkomend uit de toenmalige sfeer van frustratie, jaloezie, onderling verraad, geroddel en gebrek aan feitelijke informatie.

Julie zou op de vlucht blijven voor de Kempei Tai tot oktober 1945. Om in leven te blijven handelde zij in sieraden en andere kostbare voorwerpen van mensen die zich niet op straat konden of durfde te begeven. Zij verkocht de sieraden veelal aan Chinese handelaren in de marktwijk van Cirebon. Cirebon leek veilig voor Julie. Het was altijd al een echte stad voor Indonesiërs geweest en had weinig koloniale gebouwen. Er stond wel een relatief nieuwe gevangenis die Boei Lama werd genoemd. Een gedeelte van de verkoopopbrengsten was voor Julie en hiermee kon zij zich zelf in leven houden terwijl zij bij een Indonesische vriendin onderdak had. Toen het na enige maanden te gevaarlijk werd in Cirebon is Julie schielijk naar Batavia getrokken en heeft zich gemeld bij de Indische familie waar zij in de jaren 1938/1939 een kamer huurde toen zij als beambte bij de PTT van Batavia werkte.

Julie woonde in de wijk Meester Cornelis. Alwaar zij na enige maanden oud schoolvriendin Marie ontmoette die samen met haar Indonesische echtgenoot in een Japanse Sakurai-kantoor ofwel Japanse Toko, als bedienden werkten. In deze groothandel werden behalve voedsel ook Indonesische en Japanse luxe producten verkocht. De winkel werd druk bezocht door Japanse militairen en burgers en Julie verrichte hand en spandiensten waardoor het leek dat zij als medewerkster legitiem voor de Japanners werkte. Tijdens deze periode wisselde Julie herhaaldelijk van slaapplaats waardoor de kans op verraad verminderd werd. Op gezette tijden leende Julie het reispasje van Marie waarop een foto was aangebracht die sterk leek op Julie. In combinatie met het kaki kleurige bedrijfsjurkje van Marie voorzien van een geborduurde kersenbloesem durfde Julie het verschillende keren aan om naar Bandoeng te reizen om haar kinderen te bezoeken. Moeder Charlotte had inmiddels jongste zoon Ted afgestaan aan Ukkie Sombeek een kinderloze oud collega van de PTT Bandoeng. Zoontje Billy was bij moeder Charlotte in het grote huis naast de wasserij aan de Merdikaweg achtergebleven.

Terwijl Koningin Wilhelmina op circa 75 kilometer van Londen verbleef op het landgoed Stubbings House en samen met Prins Bernard kantoor hield op Chester square 77, maakte zij zich grote zorgen over o.a. Indië. Wilhelmina had meer dan ooit te brokkelen in de regeringsmelk omdat er geen parlement was wat haar controleerde. Ondertussen werd de echtgenoot van Julie,  William opgeleid op de luchtmachtbasis van Jackson  in Amerika. Julie had via de gecensureerde post vernomen dat William via Australië naar Amerika was vertrokken. Meer wist zij niet, pas na aankomst in Nederland december 1946 zou Julie vernemen hoe het haar echtgenoot was vergaan.

Midden 1943 was Nederland al weer drie jaar bezet door de Duitsers. Anton Deijmann was al maanden niet meer bij zijn echtgenote en kinderen aan de Marco Polostraat geweest. Zijn moeder woonde een straatblok verder eveneens in de Marco Polostraat. Zijn angst voor razzia’s was zeer gegrond en bracht hem er toe om veel onderduik adressen te hebben. Daar durfde Anton die inmiddels een ‘Ausweis’ had op naam van Ton van Dijk ’s avonds nog wel naar toe om ’s morgens heel vroeg weer te vertrekken. Veelal bracht hij illegaal verkregen etenswaren mee voor zijn moeder en vrouw en kinderen. Als Anton weer weg was dan werd het eten opgehaald door zijn vrouw. Anton leidde een zwervend bestaan tot mei 1945. Julie en Anton zouden elkaar in maart 1947 in een lunchroom aan het Leidseplein ontmoeten. Beiden hadden indertijd een geschiedenis van vluchten, onderduiken, honger, verlies, eenzaamheid, verraad, geweld, verdriet, achter zich. De overeenkomsten zijn de woorden niet de geografische achtergronden. Links Nederland verzette zich hevig tegen de aanstaande Politionele acties in Indië. Julie was in november 1946 in Rotterdam aangekomen met een troepenschip wat op de heenweg Nederlandse militairen naar Java had vervoerd. De oorlog was nog niet afgelopen voor Nederland.

Julie werd na aankomst in Nederland dagelijks geconfronteerd met haar afkomst. Haar kleine knappe Indische gestalte en haar donker gekleurde huidskleur met het prachtig golvende zwarte haar gaven de Nederlanders het idee dat zij jarenlang onder de tropische zon heeft kunnen genieten van klappermelk en heerlijke rijst. Julie had volgens de toen geldende opinie geen enkel recht op klagen en verdriet moest zij maar voor zich houden. Ook Anton was nog vol geweest van ‘zijn oorlog’. Hij was een charmante grote man. Hij werd vaak vergeleken met de indertijd zeer geliefde Engelse acteur Gary Grant. Anton was de Gary Grant van Restaurant Formosa de indertijd bekende Tearoom aan de Kalverstraat waar nog jaren na de tweede wereldoorlog veel oud verzetsstrijders zich op zaterdagen zouden verzamelen.

Julie zocht bescherming na de bange jaren in Indië in het haar volstrekt onbekende Nederland waar zij sinds enige maanden woonde. Julie was net 26 jaar oud geworden en weduwe. Anton had in januari 1947 zijn vijfendertigtigste verjaardag gevierd bij zijn moeder en een echtscheiding aangevraagd. De oorlog had voor Anton en Julie alle bekende normen en waarden in een ander daglicht gebracht. Familie leden waren omgekomen. Families’ waren uit elkaar gerukt. Of hadden zich eventueel voor en tijdens de oorlog misdragen of waren door honger en ellende volledig van persoonlijkheid veranderd. Anton wilde Julie graag beschermen en wegwijs maken op zijn Amsterdamse grondgebied. Anton zocht iemand die hem uit de oude familiebanden en uit zijn verleden van armoede en gebrek aan kansen kon bevrijden. Beiden wilden hun trauma’s geen kans geven om over hen te heersen in een land wat zich uiterst moeizaam herstelde van vijf jaren overheersing door een vreemde mogendheid. Zij hadden elkaar.

Anton heeft nooit gevangen gezeten en is op wonderbaarlijke wijze voortdurend uit handen van Duitse bezetters gebleven. Julie heeft pas jaren later verteld dat zij tijdens de Bersiap-periode (oktober 1945-begin 1946) meer dan 7 maanden onder zeer erbarmelijke toestanden in oude smerige gevangenis te Cirebon heeft doorgebracht. Als het over de oorlog ging dan liet zij Anton het woord wel voeren. Haar oorlog telde immers niet echt mee! Hiermee mag niet verondersteld worden dat Anton geen oor voor Julie’s verleden had. Hij bemerkte vaak genoeg dat Julie volkomen dichtklapte als het over Indië ging. Zij trilde dan en keek met afgewend hoofd veelal betraand naar een lege hoek in de ruimte.  Julie zweeg tot 1971. Julie zwierf in Batavia 1944 tot voorjaar 1945 van slaapplaats naar slaapplaats. Julie was handig in het regelen van voedsel voor de mensen die haar onderdak boden. Zij werd geholpen door Marie en haar man die haar op de fiets boodschappen lieten doen voor de klanten van de Sakura toko. Waaronder het wegbrengen van boodschappen naar de bordelen waar met name Europese, Chinese en Indonesische meisjes onder dwang of vrijwillig hun diensten verleenden aan de Japanners. Indo-Europese meisjes en vrouwen werden over het algemeen niet geronseld voor deze bordelen omdat er bij de Japanners groot wantrouwen was ten opzichte van Indo meisjes (Bart van Poelgeest 1994).

                                                            Chinese Toko 



















                         Japanse winkel in Jogyakarta met filiaal in Batavia 

Uit een Japans fotoboek 




Het onderkomen van Koningin Wilhelmina in 1943 - Stubbing House
Wilhelmina's rede voor Radio Oranje op 2 september 1943 baarde verbazing en kritiek:

'Ik wil u thans enkele mededelingen doen omtrent hetgeen er hier wordt voorbereid voor het tijdstip uwer bevrijding. Een aanzienlijk aantal landgenoten is opgeleid voor de uitvoering van de reeds eerder door mij genoemde staat van beleg. Zij zullen onder leiding van een militair belast worden met de uitoefening van het militair gezag. Dit militair gezag zal op het uur der bevrijding aanwezig zijn'.

Wilhelmina had schoon genoeg van het parlementaire gedoe van voor de oorlog.  De door Wilhelmina aangekondigde veranderingen bleken in 1945 geheel anders uit te pakken wat Nederlands-Indië betreft. 


Een reactie van J.H. Doorn in de illegale Oranje krant op deze toespraak liet een ander geluid horen;

Wilhelmina in gesprek met Engelandvaarders 1943


Amsterdam 1943 - een zeldzame foto van een razzia

Een winkel etalage in Amsterdam 1943

Een winkeletalage in Amsterdam met SS propaganda - 1943

Het Hinomaru Hotel in Solo met een bekende naam voor Japanse bordeelbezoekers
De Japanse vlag wordt ook Hinomaru genoemd 



1949 deel 5 - 31 december 1949 – geen oorlog maar vrede

Vroeger in Bandoeng en Soerabaya liep Julie de straat op en daar waren altijd wel straatventers (Wandelende Warong) met lekker hapjes of marskramers met huishoudelijke artikelen te vinden. Het was gezellig geweest om met vriendinnen de Europese winkels te bezoeken op de Bragaweg in Bandoeng en dan op de terugweg naar de Pasar markten langs te gaan. Waar altijd een grote verscheidenheid aan etenswaren was te vinden. Soms al kant en klaar aangemaakt waardoor je eenmaal thuis tijd bespaarde. Thuis kon Julie zich heerlijk afkoelen in de mandiekamer. De mandibak was altijd gevuld geweest met heerlijk fris water wat zij over zich heen gooide. Eenmaal in het contractpension in het Overijsselse Markelo aangekomen had de begeleidend maatschappelijk werkster gezegd dat éénmaal per week onder de douche toch écht wel voldoende was. 

Julie wist eigenlijk niet veel over Anton. Zij woonde nu bijna 2,5 jaar met hem samen. De zwangerschappen en het dagelijks ‘regelen’ van huishoudelijke zaken in het Amsterdam wat economisch langzaam opkrabbelde viel haar niet altijd even gemakkelijk. Nog elke dag waren de gevolgen van de oorlog voelbaar en zichtbaar geweest. Uiterst traag verdween de grauwheid uit de straten en wijken. De tijdens de oorlog verlaten en vaak leeggeroofde huizen van de door de Duitsers afgevoerde Joodse Amsterdammers werden opgeknapt door niet Joodse bewoners die vaak niet wisten wie er vroeger hadden gewoond.

Amsterdam was aan het vergeten, Nederland was aan het vergeten. Alles wat aan de bittere oorlogsjaren deed denken moest geschiedenis worden. En in boeken en filmdozen bewaard gaan worden. Zelfs Lou de Jong dacht in 1948 dat het RIOD wat nu het NIOD heet niet al te lang zou bestaan. De Jong dacht toen nog dat het een kwestie van ordenen en archiveren zou worden en dan het boek dicht. In februari 1950 zou Burgemeester d’Ailly een monument onthullen dat de dank van de Joodse gemeenschap zou moeten onthullen voor de tijdens de oorlog ontvangen hulp. Van de ruim 140.000 weggevoerde Joden hadden circa 30.000 Joden de oorlog overleefd. Zou deze overgebleven groep nou echt zo dankbaar geweest zijn voor de indertijd geboden ‘liefdevolle en belangeloze hulp’ door de Amsterdammers?  Overlevende Hans Krieg schreef in 1947 een lied “waar bleven de Joden van ons Amsterdam”.

Het Monument Indië-Nederland heette vroeger het Van Heutsz monument en bevindt zich op ongeveer 40 minuten lopen van het Joodse Erkentelijkheid monument aan de kop van het Olympiaplein en de Apollolaan. Julie was er wel eens gaan kijken en had het een belachelijk architectonisch gewrocht gevonden. De Amsterdammers hebben altijd wat moeite gehad met hun Van Heutsz monument. Het monument had er anders uitgezien dan het Van Heutsz monument wat Julie zo vaak in Batavia had gezien. Zij was er vaak langs gefietst op weg naar haar werk op grote postkantoor. Van Heutsz werd in Indië bepaald niet geëerd door de Indonesiërs. Die wisten onderhand ook wel dat Van Heutsz met zijn oorlogen rond 1900 in het Sumatraanse Atjeh een blauwdruk had geleverd voor succesvolle onderdrukkings methoden van onwillige koloniale gebieden. Amsterdam was dus niet alleen aan het vergeten. Het was ook aan het ontkennen en verdringen

Julie was geschokt geweest over de ontmoeting met, toen nog Antonia (Tonia) Deijmann-Jeurissen. De zomer van 1948 was net begonnen en Julie woonde als mevrouw Deijmann met de drie kinderen op Keizersgracht 505. Haar eerste dochtertje samen met Anton was enige maanden oud. Beneden in de huiskamer van mevrouw Velzeboer was er een emotionele confrontatie. Tonia vertelde dat Anton haar had verteld dat hij in de Limburgse mijnen zou werken en dat hij daardoor alleen maar in de weekeinden van zaterdagavond tot maandagochtend vroeg naar zijn gezin aan de Marco Polostraat kon komen. Anton had tegen Julie gezegd dat hij van zaterdagavond tot maandagochtend zijn invalide moeder die dus eveneens in de Marco Polostraat woonde moest verzorgen omdat zij in de weekeinden geen hulp zou hebben. Dat klopte ook wel. Anton was niet bij de geboorte van hun eerste kindje geweest. Zij werd geboren op een zondag.

Het kwam aldus uit dat Anton een dubbelleven had geleid. En Julie had nog veel meer vragen aan Anton. Zij had zich het proces rond Joden verraadster Ans van Dijk herinnerd. Het had in alle kranten gestaan. Ans van Dijk was op 13 januari 1948 geëxecuteerd. Had die ook niet in de Marco Polostraat gewoond als onderduikster. En had de bovenbuurman van Tonia en Anton ook niet Van Dijk geheten. Volgens Anton was het iemand geweest die ook Joden had verraden voor f 2.50. Tonia zou goed bevriend zijn geweest met de lesbische en Joodse bovenbuurvrouw en het was voor Anton toen te gevaarlijk geweest om nog langer aan huis te komen. Maar waarom had juist Anton een illegaal persoonsbewijs met de naam Ton van Dijk?

Julie had zich bedrogen en vooral naïef gevoeld. Zij had zich zelf beklaagd en had gevonden dat zij te weinig over de ‘goede manieren’ in dit koude land zou weten. Als keurig Indisch meisje had zij van jongs af aan gehoord wat goede manieren waren. De omgangsvormen in Indië waren zo anders geweest. De sociale controle was groter geweest en iedereen had altijd bijna alles over elkaar geweten. Amsterdam die grote stad met al die grote wijken en anonieme bovenwoningen. De Nederlandse politieagenten in voormalig Nederlands-Indië waren net zoals de Amsterdamse politie tijdens de tweede wereld oorlog gewillig volgende dienstkloppers geweest. Als je niet Joods was geweest had je relatief veilig in Amsterdam kunnen wonen. Behalve als je ‘illegale zaken’ deed zoals bezig zijn met zwarthandel, dan moest je op letten.

De verklaring van Anton dat hij in ‘het verzet’ had gezeten en daarom niet bij zijn vrouw en kinderen kon zijn zag Julie nu in een ander daglicht. De politie had immers zijn handel in gestolen schrijfmachines opgerold. Zij waren helemaal naar boven gekomen en hadden de schrijfmachines uit de woonkamer en slaapkamer meegenomen. Anton was woedend geweest en had hen Sicherheitsdienst vrienden genoemd. Wie had eigenlijk het toenmalige politie telefoonnummer 5x 8 gedraaid? Anton was gewoonweg niet opgehouden met zijn handelsgedrag wat hem door de oorlog heen had gesleept. Hij was echter nooit ‘opgepakt’ geweest.

Julie had zelf tijdens de bezetting in Bandoeng voedsel en geld uitgedeeld aan arme mensen en was toen door de Japanners gearresteerd en daarna jarenlang op de vlucht geweest. Zij wist wat het betekende om als verzetsmedewerker opgepakt te worden. Nog voor de oorlog hadden de politiemannen onder leiding van het toenmalig Indisch Gouvernement de jacht geopend op homoseksuele ambtenaren. Een leraar die Julie goed had gekend had toen zelfmoord gepleegd. Ans van Dijk was joods en lesbisch geweest. Julie had zelfs enige solidariteit met haar gevoeld. Als je joods en lesbisch was dan werd je bij wijze van spreken dubbel getroffen door het lot. Onderhuids voelde Julie dat Indo’s weliswaar nooit volgens een ‘uitroeiplan’ zoals de joden zijn vervolgd. Maar zij had zich tijdens de oorlog in Indië en later in Nederland wel vaak een ongewenste vreemdeling gevoeld.

Julie heeft Anton voor de keus gezet. Of terug naar Tonia of scheiden en uiteindelijk met haar trouwen. Het zou de derde keer zijn dat Anton noodgedwongen zou trouwen. Eerst met Trijntje Bos daarna met Tonia en toen met Julie. Was het zijn zucht naar vrijheid of was het mogelijk een narcistisch ideaal om zich als beschikbaar voor te doen voor andere vrouwen wat Anton er toe aan heeft gezet om ook in zijn verdere levensloop nooit echt verantwoordelijkheid te nemen voor zijn rol als vader én gezinshoofd? Of was het angst en onzekerheid?

Ook in de aanstaande jaren vijftig van de vorige eeuw zou Julie met veel onzekerheden te maken krijgen. Onzekerheden die haar als persoonlijkheid sterker zouden maken maar die voor veel vraagtekens over haar rol als moeder van uiteindelijk veertien kinderen zouden zorgen.  Zaterdag 31 december 1949 hebben Anton en Julie samen met de vier kinderen oudejaarsavond gevierd. De volgende dag heeft Anton zijn moeder bezocht en was ’s avonds al weer terug. Julie had geslapen zij was wat moe geweest en weer zwanger. Het zou hun derde kindje worden.

Julie schrijft op 15 januari 1998 als volgt:


Het Amsterdamse Weesperplein rond 1900

Javaanse postboden met post bestellersfietsen begin 1900

Het Van Heutsz monument te Batavia 1932


Het Van Heutsz monument te Amsterdam 1935

Het grote hoofdpostkantoor in Batavia waar Julie werkte in 1939

1947 Een de andere kant van het kanaal slaapt een klein ventje. Wat verder twee straatventer manden met koopwaar (Wandelende Warong) - De foto is van Hugo Wilmar


1948 Een Amsterdamse politiewagen. Draai 5x8 en zij kwamen.


1949 De achterkant van het Amsterdamse Centraal Station


1950 - Het Joodse Erkentelijkheid monument Weesperplein te Amsterdam


Marieke Bloembergen publicatie's

Bandoeng wordt in 1949 Bandung






Er valt meer te gedenken. Bijvoorbeeld Maarten Koman, die werd door de Sicherheitsdienst gearresteerd.


Het lied van Hans Krieg wordt gezongen door Mirjam Krieg met beelden van Amsterdam


Eind 1949 - Batavia / Jakarta



Aankomst ooievaarsschip uit Indonesië in Nederland