Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of  begin 2018
Posts tonen met het label Hirohito. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hirohito. Alle posts tonen

Spekkoek - Het leven van Julie, een Indisch meisje

Eindelijk mocht ik in augustus 2015 na veel brieven en vragen uit Den Haag de supergeheime dossiers in het Nationaal Archief zien. Een zaal met veel witte formica tafels. Met zwijgende lezers die dikke dossiers uit genummerde kartonnen dozen doornemen. De vriendelijk maar afstandelijk ogende en zwijgzame bewaker zat kalm op mijn vingers kijkend op twee meter afstand. 

Er mag niets gekopieerd worden. Je mag alleen een potlood en een notitieblok bij je hebben. Overschrijven mag wel. Toen ik tijdens het lezen van de voor mij volledig onbekende informatie rood aanliep keek ik even verloren de bewaker aan. Zijn toch wel begrijpende blik ging de andere kant op. Hij zal het vaker meegemaakt hebben dat bezoekers van slag raken. Ik vroeg mij af of ik wel verder wilde lezen. De inhoud is intiem en huiveringwekkend. Het betreft immers mijn moeder. Deze dag begreep ik waarom Julie nooit heeft kunnen spreken over haar oorlogsjaren. 

Ik voelde mij duizelig, misselijk en aangeslagen. En later boos worden tijdens het lezen van de zogenaamde getuigenverklaringen uit Bandoeng die bol stonden van 'horen zeggen' en een goed beeld gaven van het geroddel, de achterklap en het verraad binnen de Indo gemeenschap die niet in de kampen had verbleven.

Julie had vanaf juni 1942 tot april 1943 deelgenomen aan verzetsactiviteiten in Bandoeng. In april 1943 werd Julie verraden en verschillende malen gevangen gezet. Dan weer een korte periode huisarrest met verhoren in haar kamer en vervolgens weer een korte detentie. Na het gedwongen bijwonen van onthoofdingen en martelingen van met name Ambonese medegevangenen werd Julie voor de keuze gesteld. Onthoofding van haar moeder en andere familie en het weghalen van haar twee kinderen of deelnemen aan spionage voor de Kempeitai en de inlandse Politieke Inlichtingen Dienst. 

Uit de dossiers in het Nationaal Archief blijkt dat Julie niet de enige Indo-Europese vrouw was die in werd gezet voor spionage of andere vormen van informatieverstrekking aan de Japanners. Of anderzijds aan de Indische politie de P.I.D. Die zeer nauw samenwerkte met de uitstekend georganiseerde Japanners. Er zullen duizenden Indo-Europeanen geweest zijn die niet in de interneringskampen verbleven en bewust of onbewust informatie verstrekt hebben aan vriendelijke inlandse buren of kennissen. Die de verkregen informatie vervolgens discreet door gaven aan de P.I.D. en de Kempeitai. 

Julie heeft op 7 augustus 1946 op acht getypte A4tjes gedetailleerd verslag gedaan over de periode mei 1943 tot augustus 1945. Na een korte detentie, verhoren, verkrachtingen en mishandelingen en poging tot zelfmoord dwong de Kempeitai haar inlichtingen te verzamelen. Met name officieren van de Duitse U-Bootdienst die de Sakura bar's in Batavia bezochten, moesten afgeluisterd en bewerkt worden. 

Julie vertrok eind juli 1943 na een zelfmoord poging onder dwang met een groepje geronselde vrouwen naar Batavia. Het groepje stond onder leiding van een Nederlandse mevrouw die speciaal vanuit Batavia naar Bandoeng was gekomen om blanke en Indo vrouwen te werven. Julie zou te werk gesteld worden in de Tsugara Bar niet ver van de Sluisbrug. En aldaar als animeermeisje onder de schuilnaam Conchita werken. Julie bleek na een aantal verhoren en verkrachtingen in juni in Bandoeng zwanger te zijn. Haar dikker wordende buik maakte haar ongeschikt om in de bar te blijven werken.

December 1943 werd Julie 'overgeplaatst' naar Cheribon waar zij als secretaresse en 'persoonlijk assistente' van directeur Dr. Okuda op de "Mestfabriek Java" kantoorwerk moest doen. De nachten en weekeinden was Julie verplicht om in het huis van Okuda aan de Kedjaksaan 18 te verblijven. In maart 1944 werd de baby dood geboren. In hoeverre de twee bij de bevalling aanwezige Indo vrouwen mee hebben geholpen bij het overlijden van de baby is onduidelijk. 

Pas toen de bommen op Hiroshima en Nagasaki in augustus 1945 waren gevallen begreep ook Dr. Okuda dat Japan de oorlog had verloren. Julie mocht weg en belande met een vrijbrief van Okuda in het uiterst onrustige Batavia waar zij opnieuw moest onderduiken.

Het flinke dossier zal de opzet van het boek ingrijpend veranderen. Vele pagina's zullen herschreven moeten worden. De tot zover ontbrekende periode van mei 1943 tot augustus 1945 heeft Julie op 7 augustus 1946 nauwgezet beschreven in het langdurig verhoor door de toenmalige geheime dienst. De NEFIS ofwel de Netherlands Forces Intelligence Service.

Toen Julie in 2001 overleed had zij een dunne kartonnen dossiermap voor mij achter gelaten. Met daarop mijn naam in zwierig handschrift en de tekst 'Alle belangrijke bewijsstukken'. Meer dan tien jaar lag de map onaangeroerd in mijn bureaula. Als zoon moest ik mij eerst trachten te bevrijden uit de soms beklemmende en somber makende herinneringen die het opgroeien bij Julie en mijn in 1995 overleden vader Anton hadden veroorzaakt.

En is dat gelukt, ben ik 'vrij'? Immers, die rotoorlogen in Nederland en Indië hebben een grote rol gespeeld in het steeds maar groeiende gezin van Anton en Julie. Ik ben geboren aan het begin van de 'grijze' jaren vijftig. In een gezin wat gedomineerd werd door twee culturen. In de periode toen het Nederland van mijn vader zich herstelde van de gevolgen van de 1940-1945 oorlog en het Indonesië van mijn gevluchte moeder zich na een bittere strijd en onder grote internationale druk in 1949 los had weten te maken van Nederland. 

Het verhaal over Julie laat zich lezen zoals het recept voor een te bereiden Indische spekkoek. Het verhaal is opgebouwd uit vele laagjes met historische ingrediënten uit Nederlands-Indië, Nederland en vele andere landen. Julie is geboren op Java. Onderdeel van een voormalige kolonie waar de Nederlanders meer dan 350 jaar aanwezig zijn geweest. En waar onze Duits-Nederlandse stamvader rond 1728 in de haven van Batavia wat nu Jakarta heet, aan zou meren en in Semarang een gezin zou  stichten.

Vanaf 1945 vertrokken er meer dan 350.000 Nederlanders of 'gemengdbloedigen' naar een vaderland waar het merendeel nooit eerder was geweest. Een land wat zij alleen maar kenden uit verhalen. Naar een land wat niet écht zat te wachten op deze grote toevloed van voor het merendeel bruin getinte immigranten.  


Dit blog zijn schrijfsels of eigenlijk aantekeningen die ik maak tijdens tijdens mijn soms zeer aangrijpende onderzoeksreis naar het verleden van Julie van der Steur, mijn moeder. Het onderzoek is begin 2011 gestart en levert telkens weer nieuwe feiten en wetenswaardigheden op die de voorgenomen publicatie van het boek over Julie vertragen.

De boekpublicatie zal een andere structuur hebben dan deze blog berichten. De in dit blog opgenomen artikelen zijn het resultaat van nog niet afgesloten onderzoek of eigenlijk een zoektocht en zullen wat dit blog betreft ingaan op de geschiedenis van Julie in Nederlands-Indië en later in Nederland. Anders dan het boek biedt dit blog de gelegenheid foto's te bekijken en door te 'linken' naar andere website's die als bron hebben gediend of nadere toelichting geven. 

In dit blog ligt het accent niet op de bekende Indische Tempo Doeloe sfeer waarin gedroomd wordt over het oude Indië en het vaak geromantiseerde verleden. Het accent ligt op verdringing, ontkenning en relativering van een soms bitter en zwaarmoedig stemmend verleden en de invloed die dit heeft gehad op Julie's leven en daardoor ook op haar kinderen en verdere nakomelingen. 

De in dit blog verkorte impressies uit het leven van Julie  worden afgewisseld met feiten die soms een geheel nieuw licht werpen op de reeds bekende verhalen uit Nederlands-Indië die door mythe vorming, ontkenning maar ook relativering achteraf kleuren kregen die in die periode nooit werden gebruikt. 

Pas vanaf de jaren '60 kreeg Nederland weer kleur. De welvaart nam toe. De opbouw van het land als gemeenschap met dezelfde regels en wetten werd minder belangrijk. Het individu mocht zich laten zien. Het werd 'ik ben' of 'ik wil'. Er kwamen nieuw immigranten vanaf de jaren '60. Immigranten die zich zeker niet zo makkelijk en stilzwijgend zouden vestigen als de Indo's. Zij worden allochtonen genoemd. 

En bij ons thuis? Was het wel een thuis, bij moeder Julie en vader Anton? Daar heersten twee culturen. De dominante Hollandse cultuur van Anton en de bescheiden verfijnd aandoende maar onderliggend eigenzinnige en trotse Indo-Europeese cultuur van Julie. Met aanvullingen en kleine verwijzingen van haar moeder Charlotte die regelmatig een paar maanden in  huis woonde en dan, na woorden met Anton weer voor een paar maanden verdween om pas later vanaf het midden van de jaren zestig volledig in te trekken. 

Er was door de aanwezigheid van oma Charlotte altijd, die bijna ongrijpbare Indische zweem in huis. De warme geur van een Indische kruiden die wat onverschillig in potjes en zakjes in de buurt van de grote pannen met Hollandse pot stonden. Oma, vertel toch eens over vroeger? Ach, dat is al zo lang geleden en zo ver van Holland vandaan. Ik ging op vijftien jarige leeftijd het huis uit. Het was mij thuis te benauwd geworden. Ik was opstandig geworden en had afstand nodig. Om te kunnen ontdekken wie ik zélf was. Ik kon mij onvoldoende identificeren met Pa. Hij was geen vaderfiguur voor mij. En Ma vond ik geen moederfiguur. Het was geen moeder die na schooltijd met een kopje thee op de kinderen wachtte. Pa en Ma waren altijd aan het werk. 's Avonds was er vermoeidheid en ver weg was er onuitspreekbaar verdriet, weemoed en onverwerkt verlies. 

Mijn ouders waren niet zoals de ouders van mijn vrienden. In hun huizen zag ik een soort warmte en geborgenheid die mij vaak in verwarring bracht. Waarom kon het bij mij thuis niet zó zijn vroeg ik mij dan af? Welke plaats nam ik in tussen de zeven zusters en zes broers? Ik was vijftien "heb ik dan niets meer over je te zeggen" vroeg Julie toen ik aankondigde uit huis te vertrekken. Jaren later zou ik vanuit de verte wat dichterbij te komen. Om te luisteren, te vragen en te begrijpen. Ma vertel eens, wat is er vroeger toch gebeurd? Met Pa, en met jou? Met jouw vader en wat voor mensen waren jou grootvaders en grootmoeders? 

Vader Anton sprak veel maar vertelde eigenlijk weinig. Hij sprak over de 'grote economische crisis' in de jaren dertig en de tweede wereldoorlog in de vorige eeuw. Over zijn jarenlange verzet tegen de Duitsers in Amsterdam, tijdens de oorlog. Julie was zwijgzaam en gesloten. Maar áls Julie vertelde dan waren het vaak korte en indrukwekkende en veelal zeer gedetailleerde flarden van kindergeluk op de suikerplantage waar zij met haar haar ouders en broertje woonden. En later heftige maar summiere mededelingen over de zware beproevingen tijdens de bezetting van Java door de Japanners. 

Door de jaren heen verzamelde ik de korte verhalen als puzzelstukjes die zich pas later zouden voegen tot het onvolmaakte beeld wat ik nu heb. En beeld wat bijna dagelijks wordt aangevuld door nieuwe informatie uit correspondentie, onderzoek en terugkerende herinneringen. 

Er bevonden zich wat foto's in de kartonnen map die ik in 2001 ongelezen in mijn bureaula had gelegd. Tussen de stapel papieren bevond zich een schrift met een kartonnen kaft 'Thailand 1996'. Julie was toen op weg naar Indonesië maar durfde uiteindelijk niet door te reizen. In dit schrift las ik het begin van een door Julie begonnen autobiografie waarin de hoofdpersonen waaronder haar overgrootouders, haar grootouders en ouders gefingeerde namen kregen. In  de verkleurde map bevinden zich circa veertig brieven en 'doorslagen' van getypte brieven en wat handgeschreven brieven die Julie 'bewijstukken' noemden. Brieven van en aan Anton, aan of over de kinderen en getypte brieven aan haar broer en haar halfzusters en broers die Julie enige jaren voor haar overlijden zou leren kennen.

Pas in 2011 was er voldoende emotionele afstand om de weinige brieven en documenten door te nemen. Het zeer beperkte aantal foto's en de korte alinea's uit haar brieven schetsen een beeld van haar onrustige jeugd en de verschrikkingen tijdens de Japanse bezetting van 1942 tot 1945 met daarna de Bersiap-periode toen de Indonesische Nationalisten het roer in Indonesië over wilden nemen. In het najaar van 1946 vertrok Julie met haar twee jonge kinderen en haar moeder naar Nederland. Naar een onbekend en geruïneerd land waar Julie als 26jarige oorlogsweduwe bepaald niet met open armen werd ontvangen. 

Dit blog is de gedeeltelijke weergave van een tocht door het verleden van Julie aangevuld met de toenmalige actualiteiten en bevat als voorpublicatie verkorte schetsen uit een nog samen te stellen boekpublicatie waarin met name de geschiedenis van Julie en de mensen om haar heen vanuit een psychoanalytisch perspectief wordt beschreven. Met specifieke aandacht voor 'verdringing' en 'ontkenning' en de gevolgen hiervan. 

Een andere rol speelt ook het 'relativeren' van hetgeen gebeurd was. De drie genoemde afweermechanismen spelen een grote rol bij de behoefte om te willen 'vergeten' maar vragen ook veel energie die tot geestelijke uitputting en depressies kunnen leiden. Vanaf het begin van de jaren '70 in de vorige eeuw had Julie steeds vaker terugkerende korte en langere perioden met depressies en had grote moeite haar verdriet maar ook boosheid over hetgeen haar in het verleden was overkomen onder woorden te brengen. 

Juist door het alsmaar relativeren en het ontkennen (ach, het viel wel mee, anderen hebben het zwaarder gehad) zorgde verdringing voor emotionele onbereikbaarheid en steeds langer durende  'verdriet perioden' bij Julie. Waarbij Julie zich afsloot voor haar directe omgeving en zich verstopte in haar atelier.

Het tekortschieten van de taal om te kunnen overbrengen wat was doorgemaakt is een terugkerend thema in het werk van Dr. Hans Keilson. Het is een thema wat ook op gaat voor de in Indonesië geboren Indo's die volgens de Nederlandse overheid zo 'succesvol en geruisloos' zijn geïntegreerd in de naoorlogse Nederlandse samenleving. Julie en de auteur van dit blog hebben Hans Keilson als therapeut gekend. Dit blog is geschreven in de geest van de uitspraken die Hans Keilson in een interview* deed. 

Het wezen van de psychoanalyse is dat je op de bank ligt en vrijuit associeert zonder ook maar iets te verzwijgen. 

Je moet precies de dingen die je niet graag hoort over jezelf kunnen zeggen, zodat je weet wat er in je leeft. 

Je moet eerlijk zijn tegenover jezelf, ook al schaam je je dood voor je gedachten. 


De uitspraken van Dr. Keilson zijn de basis voor de aanstaande blogberichten. Wie was Julie? Wat is haar overkomen? Het is een onderzoek naar achtergronden en een zoektocht naar het begrijpen van een intelligente en artistieke vrouw met een multiculturele achtergrond die in een door economische crisissen en oorlogen geplaagde wereld naar eenvoudig 'geluk' zocht.

Alinea's uit de brieven van Julie zijn aangevuld met teksten uit krantartikelen waarin Julie over zichzelf verteld. In het blog worden telkens momentopnames opgenomen die zich later tot een geheel zullen vormen. De traumatische gebeurtenissen tussen 1941 en 1946 gaan vooraf aan een onrustige periode waarin Julie opgroeit en volwassen wordt. In 1940 en in 1941 krijgt Julie twee kinderen. Na aankomst 1946 zal  Julie enige jaren later voor de tweede keer trouwen en nog eens 12 kinderen krijgen. In 1992 besluit Julie van Anton te scheiden en vertrekt naar Italië. 

Ondanks de ook bij Julie zo bekende Indische zwijgzaamheid heeft Julie tijdens de laatste 20 jaar van haar leven momenten gehad waarin zij iets meer los liet dan voorheen. Het geheugen is niet altijd even betrouwbaar maar foto's, agenda's, boeken, kranten, archieven, filmmateriaal en de gesprekken met kinderen, vrienden en kennissen van Julie brengen weer veel geschiedenissen tot leven. Langzaam bouwen zich de laagjes op, net zoals bij het maken van een spekkoek ofwel Lapis Legit


De omgeving waar Julie is opgeroeid heeft een uitzonderlijk rijke culturele geschiedenis die vele jaren ouder is dan Nederland. Miljoenen jaren oude vulkanen die op gezette tijden actief werden zorgden voor een uiterst vruchtbare bodem. Er bevinden zich eeuwen oude tempelcomplexen met verborgen mythische verhalen waar Julie al heel jong veel over hoorde en ook vaak op bezoek is geweest. Paleizen waar de Sultanaten zich hadden gevestigd met landerijen die plantage's werden waar Julie's voorouders zijn geboren. Java was het eerste eiland in Indië waar Nederlanders en andere Europeanen veel geld verdienden en zich daarnaast vermengden met de lokale bevolking. 

Al bij aankomst van de VOC schepen rond 1600 begon de vermenging met de lokale bevolking. De eerste Indo-Europeanen waren al geboren uit de Portugezen in de jaren daarvoor. Er werd handel gedreven, er kwamen havens, verharde wegen en spoorlijnen. Er werden plantages aangelegd en fabrieken gebouwd. Er ontstonden Europese en Chinese wijken tussen de kampongs in de almaar groter groeiende steden. De rond 1900 geïntroduceerde Ethische Politiek zou de samenleving in Nederlands-Indië van meer gelijkheid en welvaart moeten voorzien.

Het verhaal van Julie begint op Java rond 1840 in de omgeving van Soeracarta. Het was de periode van het landrentestelsel daarna volgen het cultuurstelsel en de ethische politiek. Meer dan 1000 jaar geleden werden er grote en kleine boeddhistische tempels gebouwd. Met de komst van de Islam op Java en de omringende eilanden werden er vele grote en kleine moskeeën gebouwd. Later kwamen er de kerken en kloosters en er werden verharde wegen aangelegd en steden met flinke Hollandse gebouwen en grote en kleine huizen in Hollandse stijl. 

Hollandse invloeden in een land met een bevolking die al duizenden jaren op de vele eilanden woonden en die hun eigen animistische tradities zouden vermengen met  nieuwe religies en door buitenlanders opgelegde wetten. Julie groeide op in een Nederlands-Indisch gezin. Een Indo-Europeese familie. 

Als Julie, eenmaal in Nederland aangekomen en opnieuw een gezin sticht worden deze 'roots' opnieuw doorgegeven. Er wonen heden circa 1 miljoen mensen in Nederland met gedeeltelijk Indisch DNA. In het huidige Indonesië wonen volgens schattingen meer dan 7 miljoen personen met Hollandse roots. In 1920 het geboortejaar van Julie, was het oude Indië al meer dan 300 jaar de belangrijkste externe inkomstenbron van Nederland. Een zeer gering aantal witte Europeanen had de leiding over meer dan 70 miljoen 'onderdanen'. 

De gemengdbloedigen zoals de familie van de moeder van Julie bevonden zich op een lager (wettelijk) niveau. Bij gebrek aan een heldere cultuurpolitiek vanuit Nederland lag de nadruk op geld verdienen en onderdrukking van de lokale bevolkingen en zeker niet op het in stand houden van het culturele erfgoed. 

Hoe donkerder de huid des te minder kansen op een 'goede functie' tussen de blanke overheersers. Er waren wetten en regels om de blanke Europeanen te bevoordelen t.o.v de Indo's of inheemse bewoners. De verontwaardiging was groot in Nederland toen de Japanners steeds dichterbij kwamen. Dwz Nederland was al bezet door de Duitsers maar de vlot naar Engeland 'uitgeweken' Nederlandse regering vond toch nog tijd en de wijsheid om in 1941 de oorlog aan Japan te verklaren. 


In 1942 werd Nederlands-Indië binnen een paar maanden door de Japanners bezet. De Japanners wisten eigenijk niet zo goed wat zij aan moesten met de gevangen genomen Nederlanders. De Nederlanders waren immers hun 'Vaderland' al kwijt aan de Duitsers. De Nederlanders die in kampen werden opgesloten weigerden zich als 'verslagen' volk aan te passen aan de regels van de Japanse bezetters. De Indonesiërs waren in eerste instantie blij dat zij van de Hollanders af waren. De gemengdbloedige 'Indo's' werden niet in kampen opgesloten maar hadden als 'buitenkamper' een buitengewoon onzeker bestaan en werden door de Japanners, Indonesiërs en Nederlanders gewantrouwd want waren zij Europeanen of Indonesiërs?  

Er kwam een nieuwe vlag in 1942. De Nederlandse scholen gingen dicht en het Nederlands werd afgeschaft men moest een nieuwe taal leren en de zeden en gewoontes van de Japanners leren accepteren. De blanke Nederlanders werden in afgeschermde wijken of kampen opgesloten en de meer dan 200.000 'gemengdbloedigen' moesten kiezen. Indonesiër worden of ook het kamp in. Dat werden de 'buitenkampers'Omdat Julie er zo Indisch uitzag en over de juiste papieren kon beschikken werd zij niet geïnterneerd. 

Julie bleef buiten de voor de Europeanen ingerichte kampen. Er volgde voor Julie alsnog vier jaar van verraad, vluchten, vernederingen, gevangenneming en vele ontberingen voordat zij haar kinderen weer bij zich zou hebben. Julie was vanwege het uitdelen van voedsel (de Japanners beschouwden dat als een verzetsdaad) in 1943 mogelijk verraden door een nichtje. Na het einde van de Japanse bezetting werd Julie door verschillende Indo's die wél in de kampen hadden verbleven voor Jappenhoer uitgemaakt omdat zij buiten de kampen had weten te overleven?  

Vanaf 1945 probeerde Nederland weer het 'gezag' in Nederlands-Indië te herstellen maar de Indonesiërs wilden niet opnieuw 'bezet' worden. Zeker niet door de Hollanders die immers van de Japanners hadden verloren toen het er op aan kwam. Opnieuw volgde een periode van vervolging, opsluiting, honger, ziekte en grote onzekerheid voor de Nederlanders de Indo's maar ook voor de Indonesiërs. In Julie's bescheiden dossiermap bevinden zich ook brieven omtrent haar scheiding in 1992 van Anton, haar tweede echtgenoot. 

Uit de brieven in het mapje valt op te maken hoe bijzonder goed het geheugen van Julie was. Details uit haar leven na aankomst in Nederland werden moeiteloos opgeschreven tot eind jaren '90. Dit in tegenstelling tot haar geslotenheid over de periode's van haar leven van vóór 1947. De brieven die Julie in 1999 aan haar broer Boy schreef lichten de sluiers van het verleden opnieuw enigermate op. 


De kinderen van Julie en Anton groeiden op met ouders die beiden een zeer verschillende culturele achtergrond hadden. Julie en Anton hebben beiden een andere oorlog meegemaakt. Zij hebben een onvergelijkbare jeugd gehad die ook binnen hun relatie een grote rol zou spelen. Samen kregen zij twaalf kinderen. Julie had al twee kinderen en Anton had reeds vijf kinderen uit eerder relaties. Er zijn heden meer dan vijftig kleinkinderen. In hoeverre de gebeurtenissen en trauma's uit het verleden van Anton en Julie effekt op hun kinderen en kleinkinderen hebben is een ander verhaal. 

In dit blog wordt de geheimzinnigheid en terughouding rond de achtergrond van Julie afgewisseld met de soms heftige verhalen die Anton over 'zijn' oorlog en de grote vooroorlogse crisis vertelde. Over zijn leven van vóór en tijdens de oorlog was net zoals over het leven van Julie niet veel bekend. Hun beider jeugd, hun oorlogservaringen en het Nederland van ná de oorlog hebben echter een groot individueel effekt op hun opgroeiende kinderen gehad. De magere inhoud van de bruine dossiermap van Julie is een lange en bijzondere reis geworden door het verleden van Julie en vele anderen. Een verleden wat met zekerheid ook in het DNA van hun kinderen en hun kleinkinderen te vinden zal zijn.


Julie hield o.a. van de gedichten van Leo Vroman hieronder twee citaten:


Ach, laten wij het leed dat men ons deed, vergeten,
God zal het allemaal wel weten

De laatste regels uit het gedicht Vrede uit ‘Slaapwandelen' 1957 passen meer bij haar echtgenoot Anton die tijdens de oorlog in Amsterdam verbleef.

Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen, 

en herhaal ze honderd malen: 

alle malen zal ik wenen.



We gaan op reis naar Tropisch Nederland






Het handschrift van Julie 1999 met de tekst die op de dossiermap staat













Pas op hoge leeftijd liet Julie iets méér los. 
Bijvoorbeeld in de binnenzijde van een boek


Hieronder een 'kladje' gevonden in een schrift. Circa 20 pagina's van een script wat een aanzet zou moeten worden tot een biografie in boekvorm. 

Julie is er in 1996 in Thailand aan begonnen. Zij schreef het in de Engelse taal. Vermoedelijk om 'emotioneel afstand' te kunnen houden van de 
pijnlijke ervaringen maar ook vanwege het grote gemis van haar 
geboorteland waar zij zo dichtbij was maar niet naar toe durfde te gaan. 


1996 - Het boek over Julie zal met deze pagina beginnen.

San Remo 8 december 2000 

Julie en haar vriend Carlo Maglitto in Bangkok 1996

1988 Amsterdam, Anton en Julie

1969 December - Julie met Marco de laatst geboren baby

Julie midden jaren '60 in haar kleine thuis-reclamebureau

Eind december 1959 komt na jaren van moeilijkheden het gezin van 
Gerard van der Steur vanuit Java in Amsterdam aan met de ss Zuiderkruis. 
Gerard is de broer van Julie en werd Boy genoemd. 
Het gezin was nooit eerder in Nederland geweest.  


1959 Aankomst in Amsterdam. Links Boy van der Steur en naast hem Julie. 
Boy en Julie hadden elkaar voor het laatst in Jakarta oktober 1946 gezien. 
Boy heeft van 1943 tot 1945 als Romusha - dwangarbeider onder 
de Japanse bezetters moeten werken. 

1959 December - Julie met negen kinderen. 
De oudste twee kinderen staan niet op deze foto en er zouden 
nog drie kinderen geboren worden in 1960, 1964 en 1969

Amsterdam 1952 Anton en Julie

Soerabaja - April 1940 William en Julie

1937 Julie aan de Merdikaweg - Bandoeng


Julie circa 1927 - In de buurt van Solo ofwel Soerakarta




het zal het enige recept in dit blog zijn!


1942 Oorlog

Ons DNA is een puinhoop




Behalve de suikerindustrie op Java waar veel familieleden in Indië werkzaam waren is er ook de vermenging met inlands bloed en het koloniaal racisme wat  van grote invloed is geweest op de levens van de nakomelingen van Casper Frederik Deuning die als vierde generatie Deuning in Indië in 1842 in Soerakarta is geboren. Zijn jongste dochter was Charlotte de moeder van Julie. Charlotte werd geboren in het toen nog zeer landelijk gelegen Bojolali niet ver van Soerakarta (Solo). De dochter van Charlote heet Julie en is in 1920 geboren in de kraamkamer van het kleine ziekenhuis op het bedrijfsterrein van suikerfabriek Poerworedjo. 

Daar begon mijn denkbeeldige reis door verleden van Julie. De fabriek zou later een stationnetje krijgen. Jenar, genoemd naar de fabriek. Stasion Jenar heet het nu. Het stationnetje bevindt zich op minder dan twaalf kilometer van het stadje Poerworedjo wat nu Purworejo heet. Als ik mij omdraai zie ik in de verte de oude fabriek aan het einde van de brede weg. 




De Nederlandse taal is met het vertrek van de Nederlanders uit Indië vanaf 1949 langzaam verdwenen. Er moest een nieuwe nationale taal komen. Het Maleis wat mijn moeder naast de Hollandse taal leerde was maar  één van de vele talen en dialecten die er Indië werd gesproken. Julie groeide op in een wereld waar de verschillende talen in haar oren als één taal geklonken zullen hebben. 

Julie heeft maar kort op de suikerfabriek gewoond. Lang ben ik daar niet gebleven toen ik mijn reis in 2011 begon. Het werd een lange reis over Java langs veel suikerfabrieken en andere bijzonder plekken. Een reis die, hoe kan het ook anders ook terug ging in de tijd van vóór Julie's geboorte. 


In oktober 1946 vertrok Julie naar Nederland en verliet noodgedwongen maar opgelucht de haven van Tandjong Priok. "pour prendre congé" zou Julie voor haar vertrek in de krant laten zetten. Congé? Zou ze dan terug gaan keren? Was het afscheid van Indië maar voor korte tijd? Julie werd Jill genoemd in Indië. Zij had enige maanden voor haar vertrek te horen gekregen dat zij weduwe was geworden van William Dobson. Einde verhaal, uithuilen en opnieuw beginnen? Zo eenvoudig bleek haar verhaal niet te zijn. 


Het Ochtenblad (Batavia 24-10-1946)

Een Hollander heb ik mijzelf nooit gevoeld en ook geen Indo of Duitser. Maar wat ben ik dan wel? Wat zit er voor erfelijks in mijn bloed? Die tobberigheid zal mijn Duitse DNA wel zijn wat verweven blijkt te zijn met Perzisch bloed van lang geleden. Bloed wat na honderden jaren van rondtrekken door Russische landen via Polen naar Duitsland kwam en in Wesuwe, Xanten, Haren en Meppen voor een paar generaties tot rust zou komen. Uit die streek komt de grootvader van mijn vader's kant. Of zit die tobberige melancholie juist in mijn Javaanse bloeddeeltjes. En wat wordt je eigenlijk voor mens als die Javaanse deeltjes gemengd worden met Europees bloed. Een Euro-Indo of Euroindo? Die laatste klinkt eigenlijk al weer lekkerder.


Er waren al eeuwen eerder Deymann’s naar Nederland gekomen met familiebanden in Duitsland en nog verder in handelssteden aan de zijderoute. De duidelijkste sporen van de familie van mijn vaders kant beginnen via de oude kerkregisters in Meppen. 
De wijnhandel in Meppen van de twee broers Deymann draaide goed en er werd veel handel vervoerd via 'de turfroute' over het water dus. Het werd tijd voor een tweede filiaal in Groningen. Andere neven gingen in België wonen om daar likeur te gaan maken. Rond 1870 nam mijn Duitse overgrootvader Heinrich een koets vanuit het Duitse Meppen-Haren en dan de grens over om via Ter Apel vervolgens per trekschuit naar Groningen te reizen en daar het tweede filiaal te openen. 

Er kwam Hollands bloed in door het huwelijk van Heinrich met een meisje Koets. Een kwart eeuw later trouwde hun zoon en aldus mijn half Duitse grootvader met een meisje uit Den Helder. Mijn vader geboren in 1912 is dus een kwart Duitser. Een jaar of veertig eerder was mijn Hollandse andere overgrootvader (van mijn moeders kant) Francois Heijligers die in het Brabantse Grave is geboren, in Antwerpen getrouwd met een mooie Duitse vrouw, Julie Chün. Haar ouders woonden al jaren in Nederlands-Indië. En Francois had broers in het Indische leger.

Na verloop van tijd vertrok de familie Heijligers-Chün vanuit hun woonplaats Antwerpen via Amsterdam naar Batavia om zich aldaar te vestigen. Met zes kinderen, waarvan baby Jeanne Heijligers de jongste was. Francois had een baan gekregen als Officieel Translateur. Jeanne Heijligers trouwde achttien jaar later met zeeman Adriaan Hendrik van der Steur. Hun enige kind is een zoon en zou mijn grootvader Ferdinand Pieter van der Steur worden. 

Ferdinand werd verliefd op de Indisch ogende Charlotte Deuning die nog maar heel weinig Duits bloed over had omdat haar indertijd ongehuwde Duitse voorvader Michiel Dohning, vier generaties eerder in Indië was aangekomen (VOC schip 1728) en zou zoals het merendeel der Europeanen een relatie aan gaan met een inlandse vrouw. Zijn kinderen en kleinkinderen leefden in de daarop volgende generaties overwegend in concubinaat met Javaanse vrouwen. Er mocht immers niet getrouwd worden met inlanders. In veel gevallen zijn alleen de voornamen van de moeders bekend. Zoals bijvoorbeeld de naam Djeminem de moeder van Charlotte.

Charlotte en Ferdinand trouwden in 1921 en kregen samen twee kinderen. Eerst een meisje wat Julie werd genoemd en zij is mijn moeder. Toen een jongetje en dat is mijn oom. Er zit dus veel meer Duits-Javaans bloed in mijn lichaam dan ik thuis te horen had gekregen. Het werd een hele uitzoekerij want mijn vader wist niet meer dan dat zijn vader uit Groningen kwam. En mijn moeder vertelde dat zij een Hollandse vader had en haar moeder zou ‘een beetje’ inlands bloed hebben.
  
In het Nederlandse volkslied wat tot 1933 gezongen werd wordt mijn familie toch wel een beetje vreemd weg gezet. De Rotterdamse verffabrikant en dichter Hendrik Tollens dichtte in 1816 verhit door vaderlandsliefde:

Wien Neerlandsch bloed door d'aderen vloeit,
    
Van vreemde smetten vrij,

Wiens hart voor land en koning gloeit,
    
Verheff' den zang als wij:
Hij stell' met ons, vereend van zin,
    
Met onbeklemde borst,

Het godgevallig feestlied in
    
Voor vaderland en vorst.

Gelukkig blijkt uit het nieuwe nationale volkslied, het ‘Wilhelmus’ van 1932 dat mijn families toch meer verbonden zijn met de Duitsche en Javaansche Vorstenhuizen dan de zo van ‘vreemde smetten vrij’ houdende Hendrik Tollens had verondersteld.

ben ik, van Duitsen bloed,

den Vaderland getrouwe

blijf ik tot in den dood.

Een prinse van Oranje
ben ik,
vrij onverveerd,

heb ik altijd geëerd.

In dit liedje wordt er rond mijn familie een hoop recht gezet. Mijn Deutsche gründlichkeit heb ik dus niet zomaar meegekregen. Dat met die Koning van Hispanje is een soort fremdkörper (vreemd lichaam) in dat liedje. Maar ik kan echter wel een goed bereide Spaanse paella waarderen als er maar een pot sambal badjak in de buurt is. Het valt te raden of die sambal vookeur niet genetisch bedingt is. In één van mijn chromosoom ventrikels moet toch ergens het ‘ik wil nú sambal’ opgeslagen zijn. Sambal of Lombok wordt echter van ‘Spaanse pepers’ gemaakt en nu begrijp ik de link weer met het koningshuis van Spanje in het volkslied. Voor de tweede wereldoorlog behoorden de 70 miljoen Javanen ook tot het Nederlandse rijk. En dan leg je in zo’n volksliedje natuurlijk wél even uit waar de link met sambal/Spaanse peper vandaan komt.

Stel dat het waar is dat in ons DNA ook erfelijk materiaal is te vinden wat in nauw verband staat met ons denkvermogen, karaktereigenschappen, temperamenten, talenten, eetgewoontes, verslavingen wat maakt mij dan wie ik nu ben? Johann Wolfgang von Goethe de Duitse dichter en filosoof schreef al eind 1700 dat wat de mens ‘waarneemt’ opeengestapelde cellen zijn die door onze huid bijeen gehouden worden. Mensen, dieren en planten zijn zo verschillende omdat zij allen een zeer verschillende cellenopbouw hebben. Dat heet dan de metamorfosen leer. Goethe keek ook graag naar planten en bedacht toen ook nog even de fenomenologie. Daar bedoelde hij een manier mee om goed naar objecten zoals kunstwerken te kijken maar dan wel zonder énig vooroordeel

Dus als je dan heel erg goed naar bijvoorbeeld een Indo kijkt, dan zullen er per Indo maar heel weinig werkelijke en overeenkomende gelijkenissen zijn. Er kan door zo te ‘kijken’ dus nooit sprake zijn van‘Dé Hollander’ of ‘Dé Javaan’ en als die samen sex met elkaar hebben dat er dan weer een unieke Indo is geproduceerd. Waarom deze kinderen in Indië uit de mestiezencultuur en later het ‘vertrapte ras’ werden genoemd heeft meer een politieke betekenis die nauw verbonden is met het toenmalig koloniaal racisme uit Nederland.

Als je ongewild of niet, met politiek racistische motieven naar een bevolkingsgroep kijkt en daar etiketten opplakt dan ben je écht niet goed bezig. Waar je wel mee bezig bent is het aanzetten tot vooroordelen en met name met 'oordelen' en in het ergste geval haat. Als je dat aan oordelen doet dan ga je in de schoenen van de Rechter staan en dan lijkt het helemaal alsof je gelijk hebt. Goethe bedacht ook nog een kleurenleer en daar is de conclusie uitgekomen dat er door de werking van het licht eigenlijk altijd sprake is van een unieke kleur op een uniek moment. Dus negers zijn daardoor nooit ‘zwart’ en ‘bruinen’ zijn niet altijd met Javaan of Indo aan te duiden. Opvallend is trouwens dat de meeste witte mensen eigenlijk in veel tinten wit/roze voorkomen en blauw worden als zij het heel koud hebben en geel/groen worden bij ziekte of sterven. Bijzonder.

Goed kijken en onbevooroordeeld waarnemen vraagt dus niet alleen een ruime kennis van wat je zoal ‘te zien’ krijgt maar vergt ook een hoge tolerantiegraad en vooral eerlijkheid. Want als je te opgewonden raakt van wat je (niet goed) ziet of niet wil zien dan verval je al snel in vooroordelen. Als je eigenlijk wél beter weet maar het om allerlei redenen (domheid, macht, geld) niet wíl zien dan onderdruk je dus je eigen eerlijkheid en geweten en wordt je van observator een op macht of geld (of beide) beluste ‘onderdrukker’. De kennis van Goethe was na het faillissement van de VOC in1796  en ook nog niet toen Koning Willem I en II en III op de troon plaatsnamen doorgedrongen tot de lieden die Nederlands-Indië gingen besturen. 

Zelfs de slavernij werd pas in 1860 met veel moeite in Ned. Indië afgeschaft. Want Indië was er voor Nederland, en niet omgekeerd werd er gezegd. Tijdens mijn uitpluizerij en zoektochten kwam ik tot de achteraf weinig verrassende conclusie dat bijna alle familieleden uit de vorige generatie dus ook veel Deijmann’s via de marine, het leger of via de handel nauwe banden met Indië hebben gehad en zelfs in Japanse kampen geïnterneerd zijn geweest. Indië was veel meer aanwezig in Nederland dan men zich heden realiseert.

Rond 1899 had Conrad Theodor van Deventer uitgerekend dat Nederland eigenlijk een bedrag van 640 miljoen gulden aan Indië terug zou moeten betalen. Een ereschuld die besteed had moeten worden aan de noden van de Javaanse bevolking. Al vanaf Max Havelaar rond 1860 waren er geluiden en pas veel later protesten tegen de exploitatie van de inlanders. Toch zou het tot begin van 1900 duren voordat de ‘Ethische politiek’ werd ingevoerd. Meer basisvoorzieningen zoals medische zorg en onderwijs stap voor stap geïmplementeerd. Toch zou in 1940 nog geen 8% van de totale bevolking in Nederlands-Indië kunnen lezen en schrijven. En net zoals Goethe al voorstelde; als je de ontwikkeling van Nederlands Indië vanaf 1830 tot 1942 zonder oordelen en op eerlijke wijze zou observeren. Dan heeft Nederland zeer weinig ‘goeds’ gedaan vergeleken met hetgeen er is ‘weg’ gehaald. 

De oude Tempo Doeloe foto’s laten voor meer dan 90% de toenmalige lifestyle van de Hollanders en sommige geslaagde Indo’s zien. Er zijn echter buitengewoon weinig foto’s van inlanders of minder succesvolle Indo’s te vinden. In alle steden op Java werden er prachtige nieuwbouw wijken, pleinen, schoolgebouwen, kantoorgebouwen onder Nederlandse architectuur gebouwd. Er zijn Chinese of Arabische buurten die al minder mooi waren en buiten het zicht woonden de verpauperde Indo-Europeanen nooit ver weg van de kampongs waar de vele zeer arme inlanders woonden.

Natuurlijk zullen er mensen zijn die graag beweren dat Nederland een prachtige infrastructuur heeft achter gelaten en een westerse denkwijze met een wettensysteem die met aanpassingen door de eerste president Soekarno overgenomen kon worden. Maar velen vergeten hierbij dat de lokale bevolking het door hun harde werken en ondanks hun moeilijke omstandigheden mede mogelijk hebben gemaakt. Met de introductie van de ethische politiek rond 1901 steeg ook het aantal inlandse studenten en met hén het nationaal bewustzijn. Nederland heeft toen veel geld en mankracht moeten investeren in het beleidsmatig onderdrukken en in banen leiden van dit nieuw bewustzijn en dat onderdrukkingsbeleid is vaak op zeer hardhandige wijze uitgevoerd. Het is daarnaast een goede Nederlandse traditie geworden om wel onder voorwaarden ‘herdenkingen’ toe te staan maar niet de rekening te betalen.

Mijn in Indië wonende familieleden hadden allen gemengd bloed met als uitzonderingen Jeanne Heijligers, haar echtgenoot Adriaan H. Van der Steur en hun zoon (mijn opa) Ferdinand van der Steur. Omdat Jeanne en Adriaan al snel na hun huwelijk zijn gescheiden had Jeanne onvoldoende middelen om Ferdinand naar Nederland te sturen om hem aldaar te laten studeren. Mogelijk heeft de sterke moeder-kind binding ook een rol gespeeld. Indo’s hadden minder kansen dan Ferdinand, dat was zelfs in de wet geregeld. Slimme en beter opgevoede Indo’s hadden weer iets meer kansen dan de ongelukkige Indo’s die dichter tegen de kansarme inlandse groeperingen aan woonden. Mijn grootvader Ferdinand ging tot ongenoegen van zijn Hollandse moeder de fout in door een meisje te trouwen met een zeer hoog percentage inlands bloed. Jeanne kon zich zeer ergeren aan het indolente gedrag van haar schoondochter die ook nog eens twee zeer ongezeglijke  ‘bruine’ kinderen baarde. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan mopperde Jeanne.

Het heeft mij en vele anderen indertijd zeer verbaasd dat ik als bloedjonge student binnen enige maanden bijna vloeiend Duits sprak. In Stuttgart waar ik terecht was gekomen dacht men dat ik uit Ostfriesland of Hamburg kwam vanwege mijn lichte accent. Zelf voelde ik mij geweldig thuis in Duitsland. Nooit eerder had ik zo serieus gestudeerd. Geweldige leraren die met groot enthousiasme vanuit hun fachbereich altijd zeer goed voorbereide lessen gaven. Na circa acht maanden werd ik op het Polizeirevier ontboden. Er lag bij de ‘Drogendienst’ een pakje uit Nederland op tafel waar ik een verklaring over moest aflegen. Het bleek een verrassing van mijn moeder te zijn. Een pakketje met Indische gedroogde kruiden. Omstandig wist ik uit te leggen hoe er allerhande Indische gerechten mee gemaakt konden worden. Toen ik na een uur verhoor weer buiten stond dacht ik; Mein Gott, ich bin ein Indo. 

Nooit eerder was ik zo heftig met mijn afkomst geconfronteerd geweest. Ach so, ihre Mutter stammt aus Indonesien. Er was bij mij een nieuw bewustzijn geboren. Ik was op het politiebureau uitgenodigd omdat ik anders was. Weer terug in Nederland vroeg ik mijn ouders naar onze afkomst. Maar ik kreeg nauwelijks antwoorden. Het was pas vijfentwintig jaar na de grote oorlog van 1940-1945. Beide ouders hadden ieder een ‘eigen’ oorlog meegemaakt. Pa in Nederland en Ma in Indië. Daar spraken zij niet over. Dat was ‘not done’. Voor mij betekende het dat mijn interesse naar drie andere fenomenen (denk aan Goethe) was gewekt – verdringing - ontkenning en relativering.

In die periode kreeg ik twee studieboeken die grote indruk op mij maakten. Het eerste was ‘Het onvermogen om te rouwen’ van het psychoanalisten echtpaar Margarethe en Alexander Mitscherlich. Waarin zij beschreven dat bevolkingsgroepen het vaak buitengewoon moeilijk vinden om te erkennen dat er sprake kan zijn van ‘collectieve schuld’. Waarbij je als volk leert toe te geven dat men zich collectief schuldig heeft gemaakt aan beslissingen en acties die rampzalig waren geweest voor een andere bevolkingsgroep. Door dit boek ging Duitsland zich afvragen waarom zij de ideologische kruistocht van Adolf Hitler en zijn trawanten massaal hebben omarmd. De Mitscherlich’s schreven een pleidooi om tot dieper zelfinzicht te komen in plaats van juridische processen te voeren naar ‘schuld of onschuld’. 

In Nederland is dit proces van zelfanalyse ruim na de tweede wereldoorlog en het afscheid van Indië in 1949 met horten en stoten op gang gekomen. En opnieuw wordt er gekozen voor ontkenning door juridische processen waarin het accent wordt verlegd naar compensatie bedragen. Denk hierbij aan de commotie rond het bloedbad van Rawagde.

Het tweede boek was Op weg naar een vaderloze maatschappij. Waarin Mitscherlich schreef dat de traditionele vaderrol na de eerste en tweede wereldoorlogen sterk was veranderd. Mijn moeder Julie kreeg veertien kinderen en haar Javaanse grootmoeder kreeg eveneens veertien kinderen. Maar de rollen die beide vaders innamen waren buitengewoon verschillend. Mijn Indische overgrootvader heeft al het mogelijke gedaan was om zijn kinderen een plezierige jeugd, opvoeding en studie te geven. Mijn vader zei bij gelegenheid tegen mijn moeder ‘het zijn jouw kinderen’ en liet vooral zijn zoons (ook de zoons uit eerder huwelijken) volledig aan hun lot over. 

Wat waren dit voor vaders? Mijn beide Hollandse opa’s zijn gescheiden van mijn oma’s en lieten hun kinderen min of meer in de steek. Wat  waren dit voor moeders die er zo vaak alleen voorstonden? En zo zijn er meerdere en steeds terugkerende patronen die kennelijk ‘meegeboren gedrag zijn’. Er zijn heden meer dan vijftig kleinkinderen van Julie die allen op een bepaald moment zich af zullen vragen wie ben ik en waar kom ik vandaan. Ieder mens wil uiteindelijk een eigen ‘verhaal’ hebben om de eigen identiteit te kunnen bepalen.

Natuurlijk ben ik tijdens het snuffelen aan de oude verhalen geconfronteerd met karaktertrekken van mijn ouders, grootouders en overgrootouders. En omdat ik zo van eerlijk en onbevooroordeeld schrijven houd moest ik verschillende keren diep ademhalen en uithuilen want die confrontaties met het gedrag en de ‘lifestyle’ van mijn ouders en hun ouders enz. vertelden ook aan mij waarom het in mijn leven soms geheel verkeerd ging en dan weer beter. Had ik maar eerder en méér geweten over mijn ouders en voorouders, daar had ik van kunnen leren. Dat mijn voorouders en ouders niet zo goed konden rouwen gaf ook weer problemen met troosten. Of anders wel met affectiviteit. Assertief waren zij zeker, dat hoort immers bij overlevers. Want dat waren zij. Dat zit ook in mijn DNA.

De dossiermap van Julie die zij na haar overlijden in 2001 ben ik pas eind 2010 gaan openen en lezen. Er zat veel boosheid in. En onverwerkt verdriet. Maar ook relativering van levensbedreigende situaties, martelingen, seksueel misbruik, racistische onderdrukking, gemanipuleerd worden, worstelingen met religie en ongeloof. Maar ook collectieve schaamte over hetgeen mensen elkaar aan kunnen doen. De opdracht was duidelijk. Ik ben gaan lezen, puzzelen, op onderzoek gegaan, gesprekken gaan voeren, verdrietig geweest om zoveel onverwerkt en nodeloos verdriet. 

Onderwijl ben ik behalve mijn moeder maar ook mijn opa’s, oma’s en voorouders dankbaar dat ik deze reis door hun verleden heb kunnen maken. Zij allen zijn geboren en opgeroeid in een maatschappij die met name vanaf de renaissance voortdurend aan dramatische en snelle veranderingen onderhevig was. Dat alle mensen weer afstammen van de eerste ‘bron-apen’ uit zuidelijk Afrika doet mij weer extra goed omdat ik alweer jaren met veel plezier in Afrika woon. Back to the roots heet dat toch? Soedah tóch dat mijn DNA een puinhoop is. 

Het landgoed met tuinen van Jan Deyman 
rond 1609 in de buurt van Amsterdam

1656 De anatomische les van Dr. Joan Deymann Amsterdam

Mathias Deymann Meppen 1799

1880 circa - Deymann likeur

1881 Jeanne Heijligers - We gaan naar Nederlands-Indië met de 
SS Prins Alexander vanuit de haven in Amsterdam


In 1890 en 1901 werden er twee jongetjes geboren
Adolf Hitler in Oostenrijk en Hirohito in Japan.

Beiden hebben met hun volgelingen grote invloed gehad 
op het leven van mijn ouders en vele andere vaders en moeders 
met name tijdens de periode 1939 - 1945

1945 Wachtende mensen bij een gaarkeuken in het 
Amsterdam waar ook Anton woonde


1945 Julie woonde nog In Indië - Borobudur met zicht op een vulkaan 

Een kampong op Java

Bandoeng rond 1915

1928 Suikerfabriek Delanggoe
Charlotte Deuning (links achter) omhelst haar broer Reinier. 
Naast Charlotte zit Ferdinand van der Steur

Vanaf 19 oktober 1945 tot eind april 1946 verbleef Julie tijdens de 
Bersiap periode in een gevangenis te Cheribon. 

Tussen 1943 en 1945 was zij in Indië op de vlucht en leefde als 
'Buitenkamper' op vele plaatsen op Java. 
Op de foto vrouwen in een gevangenis in Indië 1945.

1951 Julie in het midden en haar echtgenoot Anton links achter 
in Amsterdam

1996 Julie heeft zich in 1992 laten scheiden van Anton en woont vanaf 1993 
samen met haar vriend Carlo. De foto is gemaakt tijdens hun verblijf in Thailand. 
Julie durfde niet verder te reizen naar Indonesië. 


1996 In Thailand begon Julie te aan het schrijven van haar memoires. 

Het in 2011 opgestarte familieonderzoek bracht verrassende feiten 
aan het licht en is nog niet geheel volledig