Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of  begin 2018
Posts tonen met het label Amsterdam. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Amsterdam. Alle posts tonen

1945 – 2012 : Bersiap-Merdeka-Revolusi Sosial: de Tante van Julie overleefde het niet


Een van de grootste inschattingsfouten van de elkaar opvolgende naoorlogse regeringen in Nederland was het weigeren van de uitdrukkelijke wens van de Indonesiërs om na de Japanse bezetting van Indië, onafhankelijk van Nederland te mogen zijn. Onbegrijpelijk. Na een bezetting van vijf jaar door de Duitsers en de internationaal steeds luider klinkende roep om het koloniale bezit terug te geven aan de respectievelijke volken. Heeft het uiterst verzwakte Nederland in 1945 de hulp nodig van de Engelsen om Indië zo snel mogelijk weer in te kunnen nemen. 

Er was immers veel geld nodig om Nederland weer op te kunnen bouwen. En daar had Indië vroeger ook al zou goed aan meegeholpen. In Nederland was de stemming verdeeld. Wel of niet de onafhankelijkheid accepteren, en tegelijk was er de bezorgdheid over de grote groep in kampen geïnterneerde Nederlanders. 


Over de veel grotere groep Indo-Europeanen die buiten de kampen hadden weten te overleven maakt men zich aanmerkelijk minder zorgen. De Nederlandse regering had grotere zorgen, de schatkist was immers leeg. Om de schatkist weer aan te vullen werd de propaganda machine opgestart met berichten over het zware lot van de gevangen Nederlanders en negatieve berichtgeving over Soekarno die met de Jappen gecollaboreerd zou hebben en nu een communistische staat van Indië wilde maken. De onderliggende doelstelling (geld) werd zo goed mogelijk uit de publiciteit gehouden. Dat gebeurde al eerder. 


O.a. in 1902 toen het Rhemrev-rapport vakkundig in een onvindbare ‘openbare lade’ van een ministerie werd opgeborgen. Het Rhemrev-rapport werd omstreeks 1985 ‘herontdekt’ door de Amsterdamse hoogleraar Jan Breman. Het gaf hem aanleiding tot het schrijven van zijn boek ‘Koelies, planters en koloniale politiek’. Het Rhemrev-rapport en het protest pamflet  van Mr. J. van den Brand 'De miljoenen van Deli’ zijn integraal in Bremans boek opgenomen en geven een verschrikkelijk beeld van de arbeidstoestanden op de plantages van Sumatra's Oostkust.

Onlangs verklaarde demissionair minister Rosenthal dat zijn regering geen geld (3 miljoen) beschikbaar zou stellen voor een nieuw Indië-onderzoek. Het NIOD, het NIHM en het KITLV hadden vlot uitgerekend dat zij met dat bedrag onderzoek konden doen naar het door Nederland gebruikte geweld tijdens de dekolonisatie periode. Hiermee werd bedoeld onderzoek naar de gevolgen van de aanwezigheid van Nederlandse militairen die pas vanaf maart 1946 op o.a. Java de positie van de Engelsen over mochten nemen. Het gezamenlijke onderzoek betreft de periode vanaf maart 1946 tot aan de laatste coup poging door ex-kapitein Raymond Westerling in januari 1950. Die met zijn eigen legermacht(je) de APRA dood en verderf zou zaaien. In hoeverre het door Nederland gebruikte geweld tot aan de overdracht van Nieuw-Guinea in 1962 onderzocht zou worden is nog niet duidelijk. 

Er was echter nóg een periode waarin veel geweld werd gebruikt en vooral veel mensen zijn vermoord. Door de arrogante en onverzoenlijke houding van de Nederlandse regering veranderde de feestelijke stemming in Indië over de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945  in geweld acties en moordpartijen  op de nog in Indië aanwezige Nederlanders, Indo-Europeanen en Indonesiërs die er van verdacht werden met de Nederlanders te heulen. De Indonesiërs wilden een duidelijk signaal afgeven aan de geallieerden én aan de Nederlandse regering dat zij onder geen beding terug wilden naar de jaren van weleer. De onlusten in de verschillende steden op Java begonnen in september 1945. 


Die drie miljoen Euro die nodig zijn voor het onderzoek zijn vermoedelijk te weinig als je het dan toch samen met de Indonesiërs gaat doen. Als al die onderzoeksbeperkingen bij het niet zo heel openbare Nationaal Archief worden opgeheven komt er genoeg nieuw geld binnen voor een veel groter onderzoek. Het onderzoek kan dan  na een korte voorgeschiedenis beginnen vanaf 18 augustus 1945. Dus ruim voor de terugkeer van het Nederlands gezag en ruim voor dat de politionele acties opgestart werden.

De periode na 18 augustus 1945 was de door de Nederlanders genoemde Bersiap-periode een term die nauwelijks bekend is onder de Indonesiërs. De Indonesiërs beschouwen deze periode en de aanwezigheid van de Nederlandse militairen vanaf maart 1946 als de Merdeka of de Revolusi Sosial. De twee belangrijkste nationalistische leiders Soekarno en Hatta proclameren op 17 augustus de onafhankelijkheid van Indonesië terwijl de hoofdbewoner van de villa, de Japanse Admiraal Maeda Tadashi op de bovenetage lag te slapen. Alhoewel de nationalisten al in 1944 waren begonnen met voorbereidingen was er in augustus 1945 nog geen sprake van goed georganiseerde nationale eenheid. De door de Japanners getrainde jongeren tussen 14 en 30 jaar waren geen betrouwbare en goed bewapende legereenheid die de nieuwe rechtsorde zou kunnen implementeren. Voor de nationale communicatie werd het voormalige Japanse radiostation gebruikt maar deze zender bereikte niet iedereen. 

Er was nationale verwarring en er ontstonden lokale interpretaties over de wijze waarop de onafhankelijkheid bereikt moest worden. Islamitische fundamentalisten en communistische groeperingen die radicaler waren dan de vaak wat oudere nationalisten die de weg van de dialoog voor stonden, werden geïntimideerd en tot onlusten en rooftochten aangezet. Veelal onder aanvoering van de lokale onderwereldfiguren die als kleine ‘warlords’ ook tijdens de Japanse bezetting en in de vele jaren daarvoor de onderkant van het sociale leven op geheel Java hadden bepaald. Het waren juist deze kleine bendeleiders die een grote invloed hadden op de bevolking van de vele kampongs en daarmee ook van grote invloed waren op de moorddadige gebeurtenissen die zich tijdens de Bersiap-periode zouden afspelen. Soekarno en zijn regering hadden nauwelijks invloed op hen en de invloed van de bendeleiders zou pas in de jaren ’80 van de vorige eeuw afnemen. 

De bevolking van het door de Japanners uitgemolken en verzwakte land hadden echter één gezamenlijk doel. De grote hongersnood op Java in 1944 zou meer dan 3 miljoen mensen het leven kosten en lag nog fris in het geheugen van de overlevenden die allen wel een of meerdere familieleden waren verloren. De doelstelling van de nationalisten was duidelijk. Géén terugkeer naar de dagen toen de Hollanders de dienst uitmaakten. Het is uiteraard een theoretische vraagstelling, maar hoe zou de geschiedenis verlopen zijn als de Nederlandse regering terstond en onvoorwaardelijk de onafhankelijkheid van Indonesië op 18 augustus 1945 had erkend? Vanwege de slechte radioverbinding in die periode had dat natuurlijk ook 19 augustus mogen zijn. 

Maar stel dat! Zouden dan die 5000 Nederlandse soldaten niet zijn gevallen tussen 1946 en 1949. Zouden dan die mogelijk meer dan 200.000 Indo-Europeanen die niet in de kampen zaten het overleefd hebben? Zouden de in de kampen geïnterneerden dan werkelijk weer vrij zijn geweest na 18 augustus 1945 waardoor zij eerder geholpen hadden kunnen worden met voeding en medicijnen. En zou de exodus van meer dan 350.000 personen naar Nederland en andere landen dan anders zijn verlopen? Deze vragen zouden eveneens afgewogen kunnen worden in het onderzoek wat (voorlopig) door de huidige regering is afgewezen. Mogelijk komt uit het onderzoekresultaat naar voren dat een van de belangrijkste oorzaken van de geweldsexplosie vanaf oktober 1945 juist door de starre houding van de toenmalige Nederlandse regering is veroorzaakt.

Op 18 oktober 1945 nam Julie van der Steur een ‘Andong’ (rijtuig) vanuit de wijk Mr. Cornelis in Batavia. Zij was op weg naar het treinstation om naar Bandoeng te kunnen reizen. In de jaren ervoor had Julie zich op de vlucht voor de Japanse militaire politie schuilgehouden in Batavia. En weten te overleven door zich in het hol van de leeuw te bewegen. 

Haar vroegere schoolvriendin Marie was met een op Java geboren en tot Nederlander genationaliseerde Japanner getrouwd en samen met haar echtgenoot werkte Marie in een Sakurai Kantoor. Een handelsonderneming waar de Japanse militairen en ambtenaren hun uit Japan afkomstige boodschappen konden halen of laten bezorgen. Het kantoor was gevestigd in de zeer bevolkte handelswijk Mr. Cornelis. De bevolking bestond als vanouds uit veel Chinezen, gemengdbloedigen (Euro-Aziaten) en een laag percentage Nederlanders. Julie had zich goed schuil kunnen houden in de nauwe straatjes achter de grote markt. 

Julie had haar Indische uiterlijk mee. Zij had haar verschijning weten te benadrukken door haar diep zwarte haar strak naar achteren te kammen en een haar staart tot een knotje te vormen. Zij droeg kleding zoals bij de inlandse vrouwen gebruikelijk was en liet niet merken dat zij uitstekend Nederlands sprak. Door haar kleine en magere gestalte onderscheidde zich nauwelijks van de inlandse vrouwen. Toch was het in het voorjaar van 1945 bijna mis gegaan. Waren het haar ogen die gemiddeld groter waren dan de ogen van de Javaanse vrouwen? Of was het haar angstige oogopslag die een dienstdoende Indonesische politie agent alarmeerde? Julie werd staande gehouden terwijl zij voor een boodschap op de bedrijfsfiets van Marie onderweg was. De politieagent vertrouwde haar antwoorden niet en boeide haar met een hand aan haar fiets. 


Onderweg naar het politiebureau waarschuwde Julie omstanders zo vaak als mogelijk om Marie op de hoogte te stellen van haar arrestatie. Julie werd opgesloten in een vochtige donkere cel in afwachting van verhoor door de leidinggevende Japanse politie. Julie heeft er twee dagen en nachten door gebracht. Het angstzweet had plaats gemaakt voor koud zweet en een longontsteking. Toen de celdeur werd geopend kreeg Julie het bevel om mee te komen. Zij werd in een auto geplaatst en tot haar grote verbazing naar de achterkant van een groot landhuis gereden. 


Het was niet ver van Kampong Makassar. Achteraf zou blijken dat Marie een goed woordje voor Julie had gedaan bij de hoofdbewoner van het grote oude koloniale landhuis. De hoofdbewoner was Kapitein Tanaka Kentaro een goede klant van het Sakura Kantoor. Marie had verteld dat Julie tuberculose had en Kentaro wilde haar om die redenen niet opsluiten in het nabij gelegen burgerkamp Bunsho I Kamp 9. Julie zou tot eind augustus 1945 in de kleine bijkeuken van het grote landhuis verblijven. Zij hielp de inlandse Kokkie met hand en span diensten in de keuken en kroop weg als de Japanse medewerkers van Kentaro zich op de terrassen ophielden. Pas eind augustus durfde Julie de bijkeuken en het terrein te verlaten. De geruchten over de Japanse overgave bleken waar te zijn. 


Julie wandelde angstig en onzeker naar Mr. Cornelis terug, de wijk waar haar vrienden zich zouden bevinden.  De huizen, wegen en zijstraten waren de voorgaande jaren slecht onderhouden en veel tuinen en perken waren als groentetuin in gebruik genomen. Er was veel volk op straat. Opgewonden strijdkreten roepend. De volwassenen en jongeren zagen er mager en onverzorgd uit en de vele straatkinderen trachten met bedelen hun kostje bij elkaar te scharellen. Nog geen zeven weken later werd Julie opnieuw vastgenomen en per vrachtwagen en trein naar de Oude Boei gevangenis in Cheribon vervoerd. Julie zou daar zeven maanden en onder zeer zware omstandigheden verblijven.

Een tante van Julie zou de Bersiap-periode niet overleven. Onlangs werden er twee uitzendingen uitgezonden door Omroep Max. Het betreft een tweedelige documentaire-serie die op zondag 12 en 19 augustus werden uitgezonden. De documentaire begint met een historisch overzicht van de periode vóór de Bersiap-periode die vanaf de tweede week van augustus 1945 die het gehele eiland van diverse brandhaarden zou voorzien. De documentaire is gemaakt door Pia Media. Op hun verzorgde website www.archiefvantranen.nl kan men het uitgebreide dossier lezen wat de aanleiding zou zijn naar nog meer research en uiteindelijke de tweedelige documentaire. 

Op de website word vermeld (ik citeer) dat er naar schatting 20.000 Nederlandse mannen, vrouwen en kinderen werden vermoord door Indonesische extremistische strijdgroepen, de pemoeda’s, die zich gevormd hadden na het uitroepen van de onafhankelijkheid op 17 augustus 1945 – Het is aldus een schatting, gemaakt op basis van diverse tellingen en bronnen. Er zouden echter veel meer slachtoffers genoemd kunnen worden. Er werden immers ook veel Indonesiërs vermoord omdat men hen er van verdacht bevriend te zijn met Nederlanders.

In deel twee van de sobere en soms zeer aangrijpende documentaire wordt o.a. de moord op Oma Deuning besproken en er word op locatie gefilmd in de afgelegen Desa Ngadireso. Victorine Deuning woonde in de buurt van de bijna volledig uitgemoorde familie Engelenburg. Hans Vervoort heeft hier eerder al eens over geschreven. En er moet wat rechtgezet worden. In de documentaire word gesteld dat Oma Deuning géén eigen kinderen zou hebben. Victorine was de weduwe van Georgius Gerardus Deuning. Georgius was enige jaren eerder overleden. Georgius was een oudere broer van de moeder van Julie van der Steur, Charlotte Deuning. Victorine Deuning was eerder getrouwd geweest met Albert Karel Frederik Le Febre. Een huwelijk waarin zij vier kinderen zouden krijgen waarvan er twee reeds op jonge leeftijd overleden. 

Het huwelijk hield geen stand en in 1907 is de scheiding uitgesproken. In 1909 trouwde Victorine met Georgius, zover bekend hebben zij samen geen kinderen gekregen. Dochter Pauline uit het eerste huwelijk van Victorine trouwde met Lodewijk L. Leenderts. De eerst geboren dochter van Lodewijk en Pauline werd Sonja genoemd. In de documentaire komt Sonja van der Hoff-Leenderts aan het woord en doet levendig verslag van haar contacten met haar eigen grootmoeder die in de documentaire haar kinderloze stiefmoeder wordt genoemd. 


Deze kleine details doen verder niets af aan wijze waarop de dramatische ontwikkelingen in beeld worden gebracht. Het bewijst echter ook hoe moeilijk het is om gedetailleerd onderzoek te doen naar de gebeurtenissen op Java tussen 1942 – 1949. In een land waar de gemeente en kerk registers en veel andere documenten en foto/filmmateriaal door de opgewonden Indonesiërs in brand zijn gestoken.

Julie en haar moeder Charlotte hadden na hun aankomst in Nederland geen fotoboeken of brieven van ‘vroeger’ in hun schamele bagage, zij hadden niets meer. Hun huizen en andere bezittingen waren geconfisqueerd of in brand gestoken. Van enige compensatie is nooit sprake geweest. De nieuwe Nederlandse regering liet beleefd weten dat het gebeurde in Indië onder een volstrekt andere regering had plaats gevonden. Het Nederlandse volk liet weten dat zij toch wel zo veel meer hadden geleden dan de repatrianten. Ja, daar wordt je wel stil van. 

Charlotte kwam uit een gezin van 15 kinderen en is opgeroeid in het landelijke Boyolali in de omgeving van Solo. Door trouwerijen ontstond een familie die in 1942 bijna honderd personen telde. Meer dan zeventig familieleden hebben de bezetting en de Bersiap niet overleefd. Hun stoffelijk overschotten liggen over Java, Sumatra, Thailand, Japan, Singapore en veel andere buitenplaatsen verspreid. 


Niet allen zijn (her)begraven op de vele oorlogskerkhoven en erevelden. Victorine is op 27 oktober 1945 vermoord omdat zij een Nederlandse achtergrond zou hebben. Als ik naar de prachtige sawa beelden van Michiel Praal kijk dan hoop ik dat de geest van Victorine in de buurt van haar huisje en bij de verstilde sawa’s alsnog rust heeft gevonden. In 1948 groef de Nederlandse Opsporingsdienst Overledenen 39 slachtoffers op die in de omgeving van het huisjes van Oma Deuning werden vermoord. 

De slachtoffers zijn herbegraven op Ereveld Kembang Kuning. Toen ik de beelden in de documentaire zag en de mensen hun soms zeer emotionele verhaal hoorde vertellen hoorde ik in de verte het ingehouden verdriet van mijn moeder Julie. Dan weer stil en dan soms wat luider. Het was diep weggestopt verdriet over ‘vroeger’. Verdriet waar zij niet over kon praten. Maar waarom leeft dat verdriet en verlies ‘van vroeger’ ook zo in mij? 


Tijdens de Atjeh periode 1874- 1918 werd door de 
Nederlandse militairen veel geweld gebruikt. 




Het blauwe deel van de Nederlandse vlag werd verwijderd







De villa waar de proclamatie werd voorgelezen is heden een museum


K. Wilhelmina laat ondertussen blijken dat zij er geen snars van begrepen heeft. 








Victorine Deuning-Anthonio voor haar huisje

1948 Ereveld Kembang Kuning Soerabaja


roosjeroos.nl

1947 - ’s Morgens Kaiserbrotchen of baguettes bij het ontbijt?

Julie liet begin 1947 haar moeder Charlotte en de twee kinderen achter in het contractpension te Markelo en nam de trein naar Amsterdam. Zij had een kamer in de Helmholzstraat in Amsterdam Oost gehuurd en begon met solliciteren. Zij vond in korte tijd een betrekking bij een advocatenkantoor als secretaresse aan de Vossiusstraat naast het Vondelpark. Julie kocht een oude fiets en bezocht in de weekenden haar kinderen. 

Een van de klanten van het advocatenkantoor was een lange knappe Hollandse man die de rekeningen van zijn aanvraag tot echtscheiding betaalde met de levering en onderhoud van gebruikte en de indertijd zeer schaarse schrijfmachines. Het merendeel van de Nederlandse schrijfmachines was immers door de Nazi's naar Duitsland afgevoerd en waren o.a. ingezet voor de administraties van de werkkampen en vernietigingskampen. 

Hoe zou Amsterdam er vandaag uit zien als men nooit aan de kolonialisering van Indië, Suriname of de Antillen was begonnen?  Vermoedelijk zou Nederland dan het meest op Duitsland hebben geleken. Of liever nog op Zwitserland. Daar worden immigranten pas na vele jaren en met grote moeite staatsburger. De Zwitsers hadden onlangs nog verkiezingsposters waarop een wit schaap een zwart schaap het land uit schopt. Zou het anders geweest zijn als Nederland een provincie van Frankrijk was geworden? Nederland was van 1795 – 1813 door Napoleon geannexeerd. Pas in het voorjaar van 1814 vertrokken de laatste Fransen uit Delfzijl. De VOC was al in 1798 op de fles gegaan door oorlogjes en mismanagement.

Nederland zou er beslist geheel anders hebben uitgezien zonder al dat koloniale geld. Geen uitgebreide grachtengordel met prachtige panden en geen paleis op de Dam. Nederland zou er tuttig maar schoon en van vreemde smetten vrij bij hebben gelegen. En vooral zonder die 6 miljoen immigranten die al sinds 1500 Nederland zijn binnengekomen. Na de tweede wereld oorlog telde Nederland circa 9 miljoen inwoners. Heden telt Nederland bijna 17.000.000 inwoners waarvan circa 3.500.000 met een allochtone achtergrond. Het (dalend) aantal moslims in Nederland is circa 1.000.000. Voor 1942 was Nederlands-Indië overwegend Islamitisch. Meer dan 50 miljoen moslims vielen onder het Nederlandse gezag. 


De meer dan 200.000 Indo-Europeanen die tot het begin van de zestiger jaren in Nederland aankwamen zijn ondertussen bijna 3 generaties verder en mogen geschat worden op circa 1 miljoen. Die zijn net als de allochtonen ook niet van vreemde smetten vrij. Maar Indo's behoren volgens de normen niet bij de allochtonen want hun integratie zou zo mooi en geruisloos verlopen volgens de trotse overheid.
De aardrijkskunde en geschiedenislessen die Julie op haar katholieke lagere en middelbare scholen in Bandoeng had mogen volgen waren van hoog Nederlands niveau geweest. Julie wist exact waar Hoogezand en Sappemeer zouden liggen. Julie had 'Wien Neerlandsch bloed' op school met veel andere Indo kinderen leren zingen.


1. Wien Neerlandsch bloed in de aders vloeit,

    Van vreemde smetten vrij,


Wiens hart voor land en koning gloeit,

    Verheff' den zang als wij:


Hij stell' met ons, vereend van zin,

    Met onbeklemde borst,


Het godgevallig feestlied in

    Voor vaderland en vorst.

Over het protestantse Markelo hoorde zij echter pas toen zij direct na aankomst in Rotterdam (nov. 1946) in een bus werden gezet om in een contractpension ondergebracht te worden niet zo ver van het terrein van AZC Klompjan. Een in 1991 gevestigd asielzoekerscentrum.

Spreekt u Nederlands? - Of opmerkingen zoals ‘gut u schrijft werkelijk prachtig Nederlands’ heeft Julie in de eerste jaren van haar aanwezigheid op Nederlands grondgebied vaak mogen aanhoren. Haar beleefd wegkijken en glimlachend maar met ingehouden boosheid gegeven antwoorden in uitstekend ABN ofwel Algemeen Beschaafd Nederlands was eigenlijk het minst Hollands aan Julie. Het was een kwaliteit die Indo’s en bijvoorbeeld Javanen met elkaar had verbonden. 

Eind jaren vijftig schrijft volksschrijver Gerard Reve aan vriendin Josine Meyer "Een Nederlander is een soort Duitser die denkt dat hij geen Duitser is omdat hij melk drinkt." Is er ook een Indische variant op de woorden van Reve? "Een Indo is een soort Nederlander die denkt dat hij geen Hollander is omdat hij graag Indisch eet"? Lizzy van Leeuwen heeft een boek geschreven en het is geen kookboek maar op sommige punten is het wel heel pedis (scherp). Alfred Birney die ook lekker schrijft een referentie...


In het Nederland waar Julie eind 1946 aankwam was de oorlog nog geen twee jaar voorbij. Er werden gezonde Hollandse jongens geworven die als militair naar de Oost gezonden zouden worden. De Nederlandse regering wilde ondanks internationale protesten het koloniale gezag herstellen. Er werden zelfs razzia’s gehouden om dienstplichtige weigeraars alsnog uit hun door de oorlog aangeslagen gezinnen op te halen. Veel militairen wilden wel in dienst maar niet tegen de Indonesiërs vechten. Nederland zou nog vele jaren ruziën met Indonesië over de datum waarop de Indonesische Republiek nou echt was geboren. Volgens Indonesië 17 augustus 1945 en volgens de Nederlandse regering 27 december 1949. 

De door de Indonesiërs gevoerde guerrilla oorlog die eerst de Bersiap periode heette en daarna opnieuw de onafhankelijkheidsstrijd. Was politiek gesproken op 27 december 1949 dan weliswaar voorbij maar het zou nog tot eind december 1957 duren voordat de Nederlanders economisch Indonesië gedwongen moesten verlaten vanwege de nationalisatie van alle Nederlandse bedrijven door de Indonesische regering. Hierbij stond het conflict over Nieuw Guinea centraal.

Op de Indische Nederlanders die niet bij de repatrianten hoorden maar in Indonesië waren gebleven werd grote druk uitgeoefend om Indonesiër te worden. Hiervan hebben velen later spijt gekregen vanwege de discriminatie en onderdrukking door de Indonesiërs en werden spijtoptanten genoemd. Nederland deed er in vele gevallen heel lang over om deze groepering alsnog de mogelijkheid te geven om naar Nederland te komen. Het niet los kunnen laten van het Indonesië van 17 augustus 1945 heeft door politieke beslommeringen ook na 17 augustus '45 veel leed en verlies onder de achterblijvers met Indo-Europees bloed veroorzaakt. 

De politieke truc die werd bedacht om de Nederlanders en Indo-Europeanen die vanaf het begin van de oorlog met Japan in maart 1942 geen salaris meer hadden gehad omdat zij een functie hadden gehad onder de Nederlands-Indische regering en daarnaast al hun bezittingen kwijt raakten is tot op heden nog steeds een discussie. De Nederlands-Indische regering was in 1942 naar Ceylon en Australië ‘uitgeweken’. 

Op Gouverneur-Generaal Tjarda van Starkenborgh Stachouwer na. Die was op zijn post gebleven en is via de gevangenis van Bandoeng eerst in een kamp op Taiwan en daarna in Mantsjoerije gevangen gehouden. Economisch viel Nederlands-Indië uiteraard wel onder de Nederlandse regering want die deed er alles aan om het gezag over het Indië van 17 augustus '45 zo spoedig mogelijk te herstellen. Nederland had immers veel (inkomen) te verliezen.

De emotionele en materiele verliezen van de ‘binnenkampers en buitenkampers’ wogen kennelijk niet op tegen de winsten die Nederland voorheen al had behaald en opnieuw binnen wilden halen. De roep om compensatie werd door de regering vertaald naar het oprichten van ‘werk en adviesgroepen’ en uitbesteed aan Stichtingen die zelden tot een eensluidende conclusie kwamen. Waardoor de regering opnieuw met de armen over elkaar kon blijven zitten. De spreekwoordelijke Indische Zwijgzaamheid van de Indo’s heeft er kennelijk ook toe geleid dat de binnenkampers zich benadeeld voelden ten opzichte van de buitenkampers. 

Binnenkampers waren merendeels blank en hadden immers veel meer gepubliceerd over de door hun beleefde verschrikkingen in de kampen. Buitenkampers (veelal Indo’s) en een veel grotere groep hebben naar verhouding nauwelijks over hun ervaringen gesproken of geschreven. Julie heeft zich vanaf haar aankomst in 1946 tot aan haar overlijden in 2001 bijna altijd afzijdig gehouden van elke discussie over Japanners, back-pay, troostmeisjes, Japanse kampervaringen, buitenkamp ervaringen en is nooit lid geweest van Tempo Doeloe Indo clubjes. 

Op vragen van haar kinderen gaf zij korte antwoorden. Aan haar gezicht kon je echter vaak aflezen dat de dramatische gebeurtenissen nog steeds een diepe innerlijke pijn veroorzaakte. Door kranten, radio en later de TV en haar vragende kinderen zou Julie echter nooit de kans krijgen haar Indische verleden en afkomst te kunnen vergeten. 

Julie had in Bandoeng en Batavia altijd graag tentoonstellingen met oude en nieuwe kunst bezocht. Toen zij zich begin 1947 in Amsterdam vestigde bezocht zij de diverse musea en kon eindelijk de vele schilderijen zien die zij alleen van foto's in Indië had leren kennen. Met genoegen kon zij soms vertellen over hoe de  Hollanders zich hadden laten 'bedotten' door kunstvervalser Han van Meegeren


Na hun aankomst in november 1946 werden Julie, oma Charlotte 
en de twee jongens in een contractpension te Markelo ondergebracht





1947 - Han van Meegeren voor de rechtbank

Nog tot 1951 zouden er vanwege grote tekorten veel goederen en voedsel 
alleen via 'de bon' verkrijgbaar zijn.

Rijwielen mét banden en zonder bon Amsterdam 1947  

Schillen werden hergebruikt om veevoeder van te maken. Amsterdam 1947

kunstschilders op de brug in Amsterdam 1947

Een straat in Amsterdam rond mei 1947

Ans van Dijk is de enige vrouw Nederlandse vrouw die na de oorlog ter dood 
werd veroordeeld wegens haar verraad van joden. 

Amsterdam, Haarlemmerstraat 1947

Amsterdam, hoek Paleisstraat de Dam 1947

1947 Luilak een volksfeest ook in Amsterdam de laatste zaterdag voor Pinksteren

Amsterdam 1947. Zomerstrand aan de Prins Hendrikkade

Protest vanwege de naar Indië vertrekkende militairen. Amsterdam 1947

Amsterdam 1947. 
Kiosk waar je tijdschriften in kon leveren voor de militairen in Indië

Amsterdam 1947. Walvisvlees was zonder bon te verkrijgen.

1947 Dienstplichtigen in afwachting van hun vertrek naar Indië

1947 Troepentransport naar Indië

1947 – Alles is beter dan niets. Want ‘Niets’ is dood.

Julie had zich in begin 1947 verbaasd over het Nederland wat er zo anders had uitgezien als in de fotoboeken uit haar jeugd. Ook het gedrag van de Nederlanders was zo verschillend en niet zoals Julie hen in Indië had meegemaakt. Julie was op haar fiets verschillende keren door Amsterdam Zuid gereden. Daar waren meer ruimere rijtjeshuizen gebouwd dan vrijstaande villa’s. Grote huizen met kleine tuinen, veelal twee onder een kap die niet te vergelijken waren met de zwoele villa's in de uitgestrekte wijken in Bandoeng of Batavia zoals Julie en Hella Haasse die gekend hadden. 

Wijken zoals de nabijgelegen Pijp en Rivierenbuurt waren dichter bevolkt en de hoge etagewoningen waren zeer veel kleiner en maakten een vermoeide indruk. De stoepen en trottoirs waren wel mooi schoon. De grachtengordel had indrukwekkende gevels. De binnenstad en de Jordaan waren herkenbaar ouder en hadden veel vaak zeer kleine woningen waar de verpaupering en de vele armoedig geklede kinderen haar deden denken aan de crisisjaren van begin jaren dertig in de  arme Hollandse buurten van Bandoeng. De zon en de warmte, de exotische planten en bomen en het gezellige leven op straat hadden Bandoeng met z'n prachtige Hollandse buurten maar ook veel kampongwijken nog extra glans en sfeer gegeven. Het winterse Amsterdam was koud, grauw en ongezellig geweest. De Amsterdammers leken altijd onderweg te zijn en wandelden, fietsten of klommen zwijgzaam in de overvolle trams in met vaak verstelde kleding gehuld. De kleding was nog op de 'bon'.

Julie had aangevoeld dat de anonimiteit in de grote stad meer bij haar zou haar passen dan het leven op het Hollandse platteland zoals zij dat had leren kennen in het kleinstedelijke Markelo waar haar moeder zorgde  voor haar twee kinderen. Inmiddels had moeder Charlotte contact met twee van haar zussen die als weduwe uit Indië in Den Haag waren ondergebracht in contractpensions. In Voorburg woonde een aangetrouwde nicht van Julie. Het was familie van haar in juni 1944 omgekomen echtgenoot William.  De details omtrent zijn overlijden had zij begin december 1946 in Doorn vernomen.

Julie was door de Marine met meerdere officiersvrouwen opgeroepen om naar Doorn te komen en had aldaar in de ontvangstzaal van Huis Doorn een officiële akte gekregen en vernomen dat zij weduwe was geworden en dat zij recht had op een pensioen. Toen was er surrogaatkoffie ingehouden gesnik en het zetten van handtekeningen. Pas vele jaren later zou Julie ontdekken dat het merendeel van de uit Indië teruggekeerde Nederlanders en de meer dan 200.000 naar Nederland verscheepte Indo-Europeanen geen enkele aanspraak op achterstallig salaris of vergoeding van geleden schade hadden. In tegendeel zij moesten hun overtocht zelf betalen en ook hun verblijfskosten in de contractpensions werden in rekening gebracht of ingehouden op het salaris als men er in was geslaagd een baan te vinden. Het Nederlands-Indische gouvernement was immers zelfstandig geweest en de repatrianten moesten maar bij hen verhaal gaan halen.

De Nederlandse regering was armlastig en er werd in maart 1947 na vele maanden onderhandelen met de Indonesische Republikeinen een overeenkomst gesloten in Linggadjati, een bergdorp op Java. Een overeenkomst die Nederland op 20 juli 1947 weer op zou zeggen en die het begin van de eerste politionele actie in Indië in zou luiden. Het begin van een buitengewoon dure actie waar Nederland eigenlijk het geld niet voor had. Nederland was al in 1946 zeer verdeeld geweest over het uitzenden van dienstplichtige militairen. De voor en tegenstanders hadden elkaar echter in evenwicht gehouden en er was uiteindelijk minder bezwaar tegen militair ingrijpen vanwege de economische belangen die op het spel stonden. Uiteindelijk zouden deze regeringsbesluiten Nederland meer verlies dan winst opleveren en er zouden weer veel nieuwe Indo kinderen bijkomen omdat opnieuw de waarschuwing van Dr.Kohlbrugge uit de jaren ’30 in de wind werd geslagen.

Op hulp en opvang van deze nieuw geboren Indo kinderen door bijvoorbeeld Pa van der Steur kon men echter niet meer rekenen. Pa van der Steur was op 16 september 1945 door verzwakking en hongeroedeem gestorven nadat hij meer dan 7000 kinderen van met name Hollandse soldaten had opgevangen en opgevoed. Julie wist precies hoe zij zich onopvallend en bijna onzichtbaar door Amsterdam moest bewegen. Die oefening had zij in het oude Batavia wat nu Jakarta heet met glans doorstaan. Toch was het in Nederland anders. Op Java had Julie zich zeer Nederlands en 'blank' gevoeld. Eenmaal in  Nederland aangekomen let men Julie dagelijks merken dat zij toch echt wel bij de 'zwarten' hoorde. Zij werkte hard en zwijgzaam op het advocatenkantoor aan de Vossiusstraat en fietste ’s avonds snel naar haar kamer op de Helmholzstraat in Amsterdam Oost. Van haar salaris en pensioentje kocht Julie van de voddenkarren oude kleding die zij omnaaide tot kleding voor haar zelf en tot kinderkleding voor haar twee jongens die zij in de weekeinden bezocht. Tegen haar moeder die voor de jongens zorgde had zij niet veel te zeggen. Hun relatie werd overschaduwd door gebeurtenissen die al ver voor het begin hadden plaatsgevonden.

Julie wist zich ook niet zo goed raad met haar twee kinderen. De oudste was zes jaar oud en de tweede net 5 geworden. Julie had de kinderen door de oorlogsomstandigheden in Indië nauwelijks zien opgroeien en sinds de aankomst in Nederland was zij innerlijk zeer aangeslagen geweest door het bericht over haar omgekomen echtgenoot en de praktische problemen in het zich nog steeds herstellende Nederland. Veel goederen en voedselproducten waren nog op ‘de bon’. En er was een zeer groot gebrek aan woonruimte. Julie had de stad en haar werk nodig om tot zich zelf te komen. Overdag achter de schrijfmachine. ’s Avonds handwerken op haar kamer in het kosthuis. Haar hospita was een oorlogsweduwe die Hollands eten kookte en Julie soms uitnodigde bij de kolenkachel in de huiskamer waar beiden in rust en onder het licht van de schemerlamp hun stil verdriet investeerden in het verstellen van kleding of borduursels.

Julie heeft over haar ervaringen in de oorlog weinig willen vertellen. De schrik en afschuw zat er goed in.Anderen, zoals Bep Vuijk die niet ver bij Julie vandaan in een kamp verbleef schreef in 1945 aan haar vader W.H. Vuijk;

Deze afgelopen 3,5 jaar zijn ontzettend zwaar geweest, maar nu ze achter ons liggen ben ik tevreden dat ik ze heb meegemaakt. Ik heb fel en intens geleefd in de onmiddellijke nabijheid van de dood. Velen van ons zijn weggevlucht in mystiek, ik ben steeds nuchterder en reëler geworden".

Nadat ze de eerder beschreven marteling door de Kempeitai heeft verteld vervolgt ze: "En nu dit achter mij ligt voel ik een wilde triomf dat ik naar lichaam en geest ongedeerd en met de winst van een grotere zelfkennis door deze gruwelijke periode ben heen gekomen, bewuster ben geworden en leven en mensen beter kan verstaan".

Meer dan 25 jaar later, zal schrijfster Bep Vuijk het effect beschrijven die de marteling door de Japanse militaire politie, de Kempetai op haar heeft gehad:

Doodgaan is de laatste taak die we moeten volbrengen. Dat had ik gedacht, die weken als gevangene van de Kempeitai, toen de Japanse officier met de hagedissenogen, onbeweeglijk donkere ogen die aan je voorbij keken, mij had verteld, dat ik onthoofd zou worden. Nu na al die jaren, na vijfentwintig jaar, herken ik in dat indenken van de dood een element van magisch afweer. De gruwelijkheid symbolisch ondergaan om haar daarom niet te hoeven ondergaan. Het naakte leven er afbrengen, daar alleen kon je op hopen. Ich habe mein Leben auf  Nichts gestellt.

Het zijn teksten die zeer dicht bij Julie en haar naoorlogse levenshouding staan en gelden voor vele andere vrouwen uit voormalig Nederlands-Indië. De angsten die Julie heeft gehad tijdens haar vluchtjaren voor de Kempeitai hebben tijdens haar 7 maanden verblijf in de stinkende Boei Lama gevangenis plaats gemaakt voor een innerlijke rust en overgave aan de wijze waarop zich het leven van dag tot dag zou gaan aandienen. Alles was beter dan ‘niets’, want ‘niets’ was de dood.

Bep Vuijk uit zich sarcastisch met het zinnetje Ich habe mein Leben auf Nichts gestellt. Zij verwijst hierbij naar een visionair lied van Johann Wolfgang Goethe uit 1806 :


1947 zou een jaar met 4 hittegolven worden. Ongekend voor Nederland en hart en huid verwarmend voor Julie. De knappe lange man van de schrijfmachines op Julie’s werk stond vanaf begin april tijdens de lunch pauze steeds vaker bij het hek van het Vondelpark op Julie te wachten. Hij nodigde haar dan uit voor de een middagbroodje in een lunchroom in de Leidsestraat.  Julie voelde zich wel gecharmeerd door die goed geklede man. Anton vertelde haar dat hij bioloog was maar door de vooroorlogse crisis en daarna de oorlog niet had kunnen studeren. Hij handelde in schrijfmachines en andere zaken om aan een inkomen te geraken. Het liefst had hij echter al vóór de oorlog in Indië willen studeren en werken. Dan had hij verschrikkingen van de oorlogsjaren in Amsterdam kunnen ontlopen. Het was daar naar zijn idee en volgens vele andere Nederlanders nooit zo verschrikkelijk geweest als in Europa. Julie glimlachte beschaafd toen hij toevoegde dat Indische meisjes zo anders en zo bescheiden waren.

De zomer begon in 1947 al op 8 mei de temperatuur en aan het eind van de maand was het in Amsterdam al hoger dan 30 graden geweest. Het bracht de stad en haar bewoners in een warme roes. Anton had voor Julie een kleine bovenetage aan de Amsteldijk gevonden. Hij hielp die dag met de verhuizing en is meteen blijven slapen en daarna niet meer weggegaan. Julie wist nauwelijks iets over hem. Hij had wel verteld dat er meer dan 50.000 bomen in Amsterdam waren gekapt om als brandstof tijdens de lange hongerwinter van 1944 te dienen. 

Julie maakt ook via de Libelle kennis met de 
Hollandse zeden en gewoonte's


Het eerste monument op de Dam in - Amsterdam 1947 

Er waren vanwege schaarste nog veel goederen en 
consumptie artikelen op 'de bon'

Een 'het Indië beleid' propaganda poster bedekt door een Velpon reclame 
- Amsterdam 1947

In juni 1947 verschijnt de eerste uitgave van 'Het Achterhuis' een boek over het leven van Anne Frank en haar familie in Amsterdam tijdens de oorlogsjaren.

Indië 1947 pro Soekarno en Hatta teksten tegen de voorstellen en aanwezigheid van Nederland in Indië. Van Mook en v.d. Pals zaten in Linggadjati met hen aan de onderhandelingstafel.

Tijdens 1 van de 4 hittegolven in Nederland 1947


Christian Dior introduceert in 1947 zijn baanbrekende 'New Look' 
die ook Julie zou inspireren.

Christian Dior in 1947 met modellen die zijn nieuwe collectie dragen


Tijdens de hittegolf in Amsterdam bakken twee mannen een eitje op de hete stoep.

Op het strand werd tijdens de hittegolf van 1947 gedanst 
met op de achtergrond een oorlogsbunker

Damesblad 'Eva' wenst de Nederlanders prettige feestdagen in 1947