Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of  begin 2018
Posts tonen met het label Dobson. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Dobson. Alle posts tonen

Over verdringing en ontkenning - Julie met Freud en Jung bij Villa Matuzia

Het thema van dit blog is ontkenning en verdringing. Twee bekende begrippen uit de psychologie. Hetgeen mensen verdringen of ontkennen heeft alles te maken met het instinct om te willen overleven en met keuzes maken zodat je schijnbaar 'veilig' verder kunt na traumatische gebeurtenissen. Voor veel mensen kan verdringing ook een verdedigingsmechanisme tegen ongewenste herinneringen zijn. 

In veel gevallen komen de herinneringen op hogere leeftijd en veel heftiger terug. Soms sluipend langzaam, soms op een harde en confronterende wijze. Het herbeleven van trauma kan een pijnlijk en soms ziekmakend proces zijn. Herbeleving in eenzaamheid wordt opnieuw geplaagd door de altijd sluimerende ontkenning en verdringing's mechanismen. 

'Erkenning' heeft een grote therapeutische waarde. Erkenning zal echter nooit tot volledige 'genezing' leiden. Het is hooguit een pleister op een wond die oppervlakkig lijkt maar onder de huid zoveel schade heeft veroorzaakt. Het is wel een belangrijke pleister. Een pleister die moed geeft. De moed om weer door te gaan. Schrijven helpt ook maar is een confrontatie met jezelf en moeilijker dan het praten 'over vroeger' met toehorende medemensen. Julie zou haar verhaal vast anders geschreven hebben. Zij had de moed niet. De wonden zaten te diep en toch zo dicht onder haar huid. Julie hield niet van wonden en pleisters plakken. Opkrabbelen, niet zeuren én door-gaan was haar devies. Zij was  immers Indisch.

Julie hield van Italië, omdat zij vond dat het klimaat zo overeenkwam met het warme klimaat uit de streek waar zij was opgegroeid in het oude Indië. Zij kende de geschiedenis van de Romeinen zeer goed. Op de Hogere Burger School in Bandoeng hadden bevlogen leerkrachten gewerkt die vooral de geschiedenis van Nederland en Europa er goed ‘in’ hadden gekregen. Voor de geschiedenis van Indonesië was altijd bijzonder weinig ruimte in het schoolprogramma.

Anton en Julie hadden rond 1977 in San Remo een eenvoudige vakantiewoning gevonden. Het was op sterk aandringen van Julie gekocht. Anton had eigenlijk niet zoveel op met de Italianen. Hij vond het maar fietsendieven en soms wat gladde onderkruipers. Ook met de vele Duitsers die  wat verder hun vakantiehuisjes hadden had Anton weinig op. Toen een Duitse buurman die in oud geel busje rondreed met een sticker ‘Grüsse aus Birkenau’ op een dag hulp zocht met de gastoevoer van zijn badgeiser wees Anton hem onverbiddelijk de deur. "Nein. Ich helfe nicht! Er habt ja früher auch kein problemen mit gas gehabt". Hierbij refererend aan de gaskamers in de Duitse concentratie kampen. 

Julie maakte wel eens schalkse opmerkingen dat zij een incarnatie zou zijn van Keizer Hadrianus die zo graag aan de Italiaanse Riviera had verbleven. Maar was het niet zo dat San Remo eigenlijk was vernoemd naar de heilige Sint Sanremo ofwel Sint Romulus van Genua. Een bisschop die leefde rond de 4de eeuw na Christus en die uiteindelijk overleed in de grotten van Villa Matuzia in de heuvels waar nu San Remo is gevestigd. Villa Matuzia was vernoemd naar de Godin Mater Matuta later werd zij door de Romeinen ook wel Aurora genoemd. Mater Matuta was oorspronkelijk de Godin (beschermheilige) die verantwoordelijk was over de geboorte van kinderen. 

Het leek wel of Julie een vervanging of bescherming had gezocht voor de Poenti Anak verhalen uit haar jeugd op Java die zo'n grote indruk op haar hadden gemaakt. Poenti Anak is de geest van een jonge vrouw die in het kraambed is gestorven en het daarna had voorzien op zwangere vrouwen. De heuvel waar Jullie vanuit haar huisje tegenaan keek was de Romulus heuvel. Het was Julie’s uitdrukkelijke wens om in het katholieke Italië alsnog gecremeerd te worden en een gedeelte van haar as zou in een altaartje ondergebracht moeten worden. Een altaartje wat uit zou kijken op de Romulus vanuit haar tuintje. 

Cremeren in het katholieke Italië is redelijk ongewoon. Het kon alleen in Genua de stad waar Sint Romulus (San Remo) bisschop was geweest. De nabijheid van de grillige Mater Matuta heuvel gaf haar veel voldoening en een ieder die Julie wilde bezoeken moest telkens de naast gelegen berg bestijgen waar Julie zich in 1992 volledig had gevestigd.

Enige weken na de crematie hebben Carlo en ik de bruin koperen urn van de algemene begraafplaats in San Remo ongezien en midden in de nacht opgehaald. Met een schroevendraaier hebben we de kleine afsluitdeksel losgewrikt. De zandkleurige circa 3,5 kilo asresten werden keurig verdeeld in potten. Was het toeval dat de as over enige Conimex potten werd verdeeld? Een gedeelte zou naar de geboortegrond van Julie in de buurt van de Borobudur gaan. Een ander gedeelte moest achter haar huisje in een klein altaarhuisje met uitzicht op de zee bijgezet worden. 

Dit as-verdeel-ritueel was een typische Julie beslissing. Hetgeen Julie besliste en ondernam in haar latere leven was bijna altijd een zéér bewuste keuze evenals haar vlucht in artistiek werk en haar zoeken naar afleiding om onlustgevoelens uit weg te kunnen gaan en zich te verliezen in vertalingen van dromen in textiel of op papier. Want zij wilde vooral niet 'ziek' zijn. Haar grote concentratie tijdens werk tilde haar vaak over die 'kleine ongemakken' heen zoals confrontaties met haar kinderen of de volwassenen met wie zij samen was of als zij geplaagd werd door de verwarrende beelden uit haar jeugd en de oorlogsjaren.

De bekende psychoanalyticus en later opponent van Sigmund Freud, Carl Gustav Jung zou de bovenstaande ‘toevalligheden’ in de keuze voor de woonomgeving van Julie in Italië synchroniciteit
genoemd hebben. Het gaat hierom een begrip uit de ‘hogere psychologie’. Jung en Freud waren in de eerste helft van de twintigste eeuw zeer beroemd vanwege hun moderniserende bijdragen aan de dieptepsychologie

Of de nieuwe inzichten een waardig opvolger waren van het in de 19de eeuw zo populaire spiritisme en occultisme of juist een gevolg was is een andere discussie. Stel (nu droomt de schrijver even) dat Jung en Freud gezellig op de borrel bij Julie en Carlo waren geweest dan had Julie vast en zeker naast de wat dromerige Jung gezeten en Carlo en Freud op het andere bankje. 

Freud was geen makkelijk mens. Pas toen zijn eigen moeder overleed werd hij wat meer ontspannen. Freud verklaarde veel uit het driftleven. Jung wees de mensheid erop dat verlichting mogelijk was als je op zoek ging naar de diepere betekenis van de keuzes die je maakt en daar bij onderscheid maakte tussen twee gebieden.

Citerend uit het werk van Jung*: 
Het collectief onbewuste is een begrip uit het werk van Carl Gustav Jung. Volgens deze (onbewezen) hypothese van Jung is het collectief onbewuste een soort opslagplaats van latente beelden die de mens als soort heeft geërfd uit zijn verleden, een verleden dat zowel dierlijke als menselijke voorouders omvat. 

Zo zou angst voor duisternis of voor slangen te verklaren zijn, niet uit persoonlijke ervaringen, maar doordat onze voorouders generaties lang deze angsten hebben gekend.

Volgens Jung is de droom een gedeeltelijk onwillekeurige werking van de psyche, die niet genoeg bewustzijn bezit om in het waakbestaan te worden gereproduceerd. Julie had meer binding met de ideeën van Carl Gustav Jung dan met de visie van Sigmund Freud. Haar vriend Carlo was een groot aanhanger van Freud en verklaarde minder graag zijn eigen handelingen, maar met name de handelingen van anderen als 'oerdriften en obsessies'. Nadat Julie de zeer geslaagde Freud biografie van Peter Gay volledig had doorgelezen en van veel aantekeningen had voorzien had zij droogjes tegen Carlo gezegd dat hij maar beter iets anders kon gaan doen. 

Bijvoorbeeld meer kunstwerken produceren en meer tentoonstellingen houden. Carlo meende in de lijn van Freud, dat goed luisteren en anderen een spiegel voorhouden door het beluisterde te analyseren en te interpreteren veel problemen bij zijn cliënten kon oplossen. Julie dacht meer in termen van zelfhulp door kwalitatief 'goed werk' af te leveren en je eigen niveau voortdurend te verhogen en zo mogelijk scheppend bezig zijn waardoor het 'innerlijk' zich zou bevrijden van verdriet en demonen (trauma).

De inhoud van het 'collectief onbewuste' van Jung is echter nooit in het bewustzijn aanwezig geweest en is dus nooit individueel verworven. Dat het kan bestaan dankt het uitsluitend en alleen aan evolutionaire overerving. De menselijke geest is door middel van de hersenen in die opvatting net als het lichaam gepredisponeerd door evolutie.

Immers, de hersenen zijn te beschouwen als de voornaamste organen van de geest, zodat het collectief onbewuste afhankelijk is van de evolutie van de hersenen. Volgens deze hypothese zouden herinneringen aan een vorig leven een herinnering uit het 'collectief onbewuste' kunnen zijn dat de hele mensheid deelt. - Het 'persoonlijk onbewuste' van Freud bestaat uit een wezenlijke inhoud van verdrongen herinneringen en ervaringen

Voor Julie waren verdrongen herinneringen en ervaringen niet alleen de  traumatische periodes uit haar oorlogsjaren. Ook de problemen in haar jeugd speelden een grote rol. In haar ogen was de grote oorlog een collectief drama geweest waar ook zij als mens maar een klein onderdeeltje van een veel groter en bijna onmenselijk drama was geweest. Zij relativeerde op die wijze de gebeurtenissen die diep in haar persoonlijke leven hadden ingegrepen naar de achtergrond van een groter geheel waar zij deel van uit zou maken. Behalve dat Julie zich een incarnatie van de Romeinse  Keizer Hadrianus vond gaf zij weinig prijs van haar dromen. Zij kon zich echter wel heel goed inleven in de dromen of impressionistische werkstukken van anderen.

Gelijkaardige droomsymboliek in verschillende culturen, waarvan ook sporen terug te vinden zijn in de kunst of in de alchemie, duiden volgen Jung ook op die gemeenschappelijke, onbewuste inhouden. Volgens Jung zien we in het 'collectief onbewuste' de 'oerervaring' van de mens en dus delen alle mensen, in meer of mindere mate, onbewust dezelfde 'oerervaring'.

Als de oerervaring de overwinning op de duisternis zou zijn (de schepping) dan zijn de vele kunstuitingen van Julie voor haar een motivatie geweest om zich daar zo intensief mee bezig te houden.

Jung gebruikt in zijn werken ook regelmatig de term 'archetype', een noodzakelijke aanvulling op het idee van het 'collectief onbewuste'. Het duidt de tegenwoordigheid van enkele psychische vormen aan, die altijd en overal aanwezig zijn. Het is een soort oorspronkelijk patroon waarnaar andere, soortgelijke zaken worden gemodelleerd. Volgens Jung bestaan er immers twee vormen van het psychische systeem, waarvan er één van persoonlijke- en één van niet-persoonlijke aard is.

De landschappen, bloemen. bomen en hoge huizen in het werk van Julie waren vaak van (droom) symbolische archetypische aard. Klassieke olieverf schilderijen met bloemen en andere voorwerpen heeft Julie gemaakt totdat zij zeker wist dat zij de techniek onder de knie had. Daarna begon zij aan een jarenlange reeks van textiele werkvormen waaronder een serie grote en kleine wandkleden. Het werken met wol, katoen en garens gaf haar kennelijk meer voldoening. Mogelijk ook omdat zij dan makkelijker kon corrigeren of het werk even terzijde kon leggen. Zij vond het ook wel prettig dat haar gehele werkkamer dusdanig volstond met materiaal dat er nauwelijks ruimte was voor bezoek.

C.G. Jung: "In tegenstelling tot het persoonlijke karakter van onze 'bewuste psyche', bestaat er een tweede 'niet-bewust' psychisch systeem van collectieve, 'niet-persoonlijke' aard naast ons normale bewustzijn, dat wij als het enige waarneembare ervaren, zelfs als we het 'persoonlijk onbewuste' er aan toevoegen. Het wordt verkregen door middel van overerving en ontwikkelt zich dus nooit individueel. Het bestaat uit preexistente vormen die pas secundair bewust kunnen worden en verleent daarbij vaste vorm aan de inhoud van het bewustzijn."

Deze stelling van Jung benaderd zeer sterk de wijze waarop Julie haar leven heeft vormgegeven. Julie liet zich niet beetnemen door traumatische ervaringen en de psychische gevolgen. Zij ging daar 'om heen'. De creatieve en artistieke talenten van Julie waren telkens opnieuw het ‘drijfhout’ waar zij zich aan optrok in goede en slechte tijden. Als Julie niet zoveel kinderen had gekregen was zij hoogst waarschijnlijk een bekend kunstenares geworden of anders een schrijfster. Als het krijgen van veertien kinderen ook een kunstvorm genoemd mag worden dan heeft Julie weinig tijd verloren laten gaan in haar leven. In hoeverre haar jeugd en de oorlogservaringen van Julie van invloed zijn geweest op haar  zienswijze en handelen zal mogelijk gaan blijken uit de reconstructie van haar leven en de beschrijvingen van de personen en omgevingen die van invloed op Julie zijn geweest. De geslotenheid van Julie had immers meerdere oorzaken.      

Julie trok zich steeds meer terug in zichzelf toen zij ouder werd. Zij genoot van de dagen dat zij alleen was en veel kon lezen of in haar atelier aan het werk kon zijn. Op zijn manier zorgde Carlo goed voor haar. Koken, boodschappen, praten over kunst en psychologie, galerie bezoek, veel vrienden bezoeken en uitnodigen. Het was warm en intiem tussen hen beiden en in grote tegenstelling met het leven wat zij met haar ex-man Anton had geleid. Carl Jung had vast wel plezier gehad aan de ‘toevalligheid’ dat Julie en Carlo eigenlijk naamgenoten waren. Julie heette immers voluit Juliette Caroline en was Caroline niet de ‘mannelijke versie’ van de naam Carlo.

In haar laatste jaren had Julie steeds minder moeite met het toelaten van oude herinneringen. Hierdoor droomde Julie ook veel meer. Dromen werden met herinneringen uit haar jeugd vermengd. Julie had een wekenlange reis door Thailand gemaakt met Carlo. De Aziatische sfeer, de kleurenpracht en warme gekruide geuren hadden haar geheugen opnieuw gevoed. Doorreizen naar Indonesië had haar te veel angst voor terugkeer van oude ervaringen ingeboezemd.

Toen haar broer Boy overleed vond Julie steeds vaker dat de ‘cirkel rond was’. Zij had immers in 1999 haar half zuster Wendy en half broers ontmoet die waren geboren uit de relaties die haar vader Ferdinand was aangegaan na zijn vertrek in 1933 naar de Filipijnen. Julie had voorheen wel onbevestigde verhalen gehoord dat hij in Argentinië zou wonen en ondanks haar vragen aan o.a. het Rode Kruis direct na de oorlog en in de jaren vijftig kwamen er tot 1998 geen concrete feiten op tafel. 

Stil, luisterend en soms zeer aangedaan had zij naar het relaas van haar halfzuster Wendy geluisterd. Al eerder was er veel informatie per fax bij Julie terecht gekomen maar tijdens de gespreken met  de zeventien jaar jongere Wendy kon zij een goed beeld krijgen over zijn leven en lotgevallen tot aan zijn overlijden in Bogota in 1973. 

Op de foto Julie's grootmoeder van de kant van haar moeder (Charlotte) tenminste... er is bij mij grote twijfel ontstaan of deze foto wel onze overgroot moeder is. In een later bericht zal ik hier op terug komen. 

Grootmoeder Deuning heet eigenlijk Raden Ajoe Sinem Istri Kamidjojo. Zij is geboren omstreeks 1855 en overleden op 29 Mei 1898 te Bojolali. Raden Ajoe werd ook Djeminem (later Joanna gedoopt) genoemd en zou pas  op 9 September 1893 wettelijk met 
Casper Frederik Deuning kunnen trouwen. 

Djeminem was dus jarenlang de 'Njai' van Casper Frederik Deuning. Hij werd geboren in 1842 te Soeracarta (Solo) en overleed 1905 te Klaten niet ver van Bojolali. 

De Deunings waren een familie van planters en komen vermoedelijk rond 1820 uit Zeeland of Zeeuws Vlaanderen. Er zijn ook aanwijzingen dat Deuning een opzettelijke verbastering is van de naam Dönig uit de buurt van het Duitse Hamburg. 



Javaanse batik met vertellende Wajang poppen
zoals de vroegste 'beelden' uit de jeugd van Julie 
verteld door haar Baboe haar altijd zijn bijgebleven




Julie leefde in San Remo 
niet ver van de 'schuil heuvel' waar de 
Romeinse Godin Mater Matuta 
een onderkomen zou hebben gevonden

Freud en Jung



C.G. Jung met een mandala


Mandala van Jung -
 Julie beschouwde schilderijen en wandtapijten als een 'andere' 
manier van mandala's maken





werkkamer van Freud die niet gelovig was maar wel 
veel religieuze beeldjes verzamelde

over Jung Engels gesproken 



over Freud 

Oost-Indisch doof en collectief geheugenverlies in Nederland

Met het geheugen van Julie is nooit iets mis geweest. Julie had ook geen last van dissociatieve amnesie zoals dat veel voorkomt bij mensen en met name bij jonge kinderen die betrokken zijn geweest bij een oorlog of een grote natuurramp. Het komt ook voor bij personen die een belangrijke functie hadden als bestuurder van Nederlands-Indië, of nog hoger in ‘s Gravenhage. 

In het eerste artikel van dit blog ‘Spekkoek werd het kleine dossiermapje van Julie geïntroduceerd. Een dun dossiermapje met circa 35 bruikbare velletjes papier die bijna 80 jaar van haar leven bevatten. Eind 2009 begon de speurtocht naar het Indisch verleden van Julie van der Steur. Duizenden foto’s uit Nederlands-Indië zijn bekeken. Tientallen boeken zijn gelezen en er liggen nog 10tallen boeken klaar om gelezen te worden. Daarnaast een grote hoeveelheid wetenschappelijke onderzoeken en kranten uit het voormalig Nederlands-Indië zijn als bronnen doorgenomen. Daarnaast een groot aantal kampverhalen uit boeken en kampbelevenissen die van het ‘net' zijn geplukt. Opvallend is het aantal uiteenlopende getuigenissen van de wijze waarop het verblijf in dezelfde kampen is ervaren.

Er zijn echter opvallend minder ‘buitenkamper’ verhalen en ook een zeer beperkt aantal boeken over of door ‘buitenkampers’ zelf geschreven publicaties te vinden. Zelfs veel minder foto’s uit die periode. Terwijl er toch bijna twee keer méér mensen buiten de kampen hebben geleefd tijdens de oorlog dan in de kampen. Waarom is dat zo? Omdat de ‘blanken’ door hun achtergrond en veronderstelde hogere opleidingsniveau zich beter kunnen verwoorden? Was het zoveel erger in de kampen dan er buiten? Of was er soms meer belangstelling voor de verschrikkelijke kampervaringen? Natuurlijk liepen de Indonesiërs en Japanners in Indië wel eens rond met een camera in de periode 1942 - 1946. Het vergt een apart onderzoek naar mogelijk bewaard gebleven foto's en boeken gemaakt door Indonesiërs of van Japanners tijdens hun verblijf in Indonesië. 

Een andere onderzoeksvraag is of er er eigenlijk voldoende bewijs bestaat voor de stelling dat de Indo's zo zwijgzaam waren over hun verleden en of de buitenkamp Indo’s ook zo'n last zouden hebben van de bijna legendarische ‘Indische Zwijgzaamheid’? Die vervolgens weer uitgelegd wordt als zo typisch bij de Indo’s passend. En waren de Indo’s en inlanders ook niet een beetje doof. Zoals de Oost-Indische doofheid zo treffend omschreven door P.J. Harrebomée: 


‘Die hebbelijkheid is wel het meest op de Oost-Indiërs toepasselijk, daar hun, door de heete luchtgesteldheid, eene natuurlijke traagheid eigen is.

Nog zo’n grappig spreekwoord uit het boekje van Harrebomée wat mogelijk van toepassing geweest kan zijn op de mensen die voor de VOC hebben gewerkt of zich als Koloniaal Planter hadden gevestigd en bewonderd werden door bijvoorbeeld oud Minister President Balkenende die zijn toehoorders in 2010 nog opriep terug te keren naar de VOC mentaliteit.

Wees horende doof en ziende blind:
die kan zien en verhelen, zal men alle deugd bevelen.

Behalve dat Nederland straatarm was na de oorlog o.a. vanwege het wegvallen van de inkomsten uit Nederlands-Indië sinds 1941 was Nederland ook het bestuur over meer dan 70 miljoen dwarsliggende Islamieten kwijt. Zou dit verlies die openlijke boosheid bij Indo Geert Wilders veroorzaakt hebben? Het enorme gebrek aan woonruimte in Nederland o.a. voor de repatrianten maar ook voor de  duizenden terugkerende oorlogsslachtoffers uit de vele Europese landen en de dynamiek van de wederopbouw vroeg veel aandacht. De Nederlanders wisten  daarnaast heel weinig over de soms zeer grote cultuurverschillen tussen Nederland en Indië maar hadden ook weinig weet van de grote onderlinge cultuurverschillen in Indië zelf. Opgroeien op bijvoorbeeld Celebes of Sumatra was aanmerkelijk anders geweest dan opgroeien in Bandoeng op Java. Indo's woonden en werkten in alle lagen van de bevolking maar het merendeel van de Indo's hadden dichter tegen de inlanders aan geleefd en waren over het algemeen lager opgeleid dan de veel kleinere groep Indo kinderen met ouders die het wel konden betalen om hun kinderen de blanke scholen in Indië te laten bezoeken of hen zelfs naar Nederland hadden gestuurd om de middelbare school of hoger te laten volgen.


Als gerepatrieerde Indo familie was het ook zeer raadzaam om zo geassimileerd mogelijk over te komen (dus je mond te houden) want dan had je een grotere kans op werk en zelfstandige woonruimte. Voor de psychologische opvang van oorlogsslachtoffers was nog weinig tijd, expertise en geld beschikbaar. Laat staan voor de buitenkampers want die hadden het immers toch niet zó slecht gehad. Pas veel later, vanaf de jaren ’70 toen de welvaart was toegenomen zou er aandacht (en budget) komen voor ‘verwerking’ bij de eerste generatie Indo's die na de oorlog uit Indië waren gekomen. In hoeverre de naoorlogse Haagse Pasar Malam met z'n Tempo Doeloe karakter en al vóór 1957 in kleinere vorm opnieuw geïntroduceerd door Mary Bruckel-Beiten. En later in 1959 organisatorisch werd overgenomen door Tjalie Robinson en zijn vriendenkring, een rol heeft gespeeld bij de voorlichting over het oude Indië is een apart verhaal waard. 


Naar mijn idee is het met name collectieve schaamte, heimelijk racisme en onbekendheid met de grote  cultuurverschillen tussen Indië en Nederland. Die veel Indo’s er toe bracht om minder open te zijn over hun ervaringen o.a. vanwege de hoge toon waarop de totoks (Nederlanders) over hun kampperiode  spraken of schreven. Als je niet in een kamp had gezeten dan had je het kennelijk ‘beter’ gehad. En tegelijkertijd was er de niet volmondig uitgesproken verdachtmaking richting de buitenkampers dat zij mogelijk gecollaboreerd zullen hebben met de Indonesiërs en de Japanners omdat zij niet in de kampen hadden gezeten. Hierdoor leek het alsof de geïnterneerden meer te lijden hadden gehad. Het was algemeen bekend dat veel inlanders de Japanners met open armen hadden ontvangen. Wat toen de positie van de Indo's zou worden vroeg men zich in Nederland niet af. En niet te vergeten de heimelijke en soms openlijke verwijten die gerepatrieerde Indo’s op straat kregen van de Nederlanders toen na de oorlog zoveel militairen (soms gedwongen) naar Indië werden gestuurd. Veel Indo's besloten toen om dan maar te zwijgen, ook Julie. In de a.s. Julie, een Indisch meisje  boek publicatie wordt er dieper op de eerder genoemde aspecten en feiten ingegaan. 

Julie’s geheugen was zeer op orde. Maar zij kon zich gewoonweg niet uitspreken over de soms extreme situaties waarin zij tijdens de oorlog in terecht was gekomen. Enerzijds zal een rol gespeeld hebben dat zij dacht dat de luisteraar zich onvoldoende in zou kunnen leven door gebrek aan kennis over de Indische cultuur. Anderzijds zal zij belangstellenden de verhalen hebben willen besparen vanwege de bijna ongeloofwaardige details of gebeurtenissen die gewoonweg te veel pijn deden om weer naar boven te halen. Als kind van een buitenkamper kreeg ik na verloop van tijd en na het stellen van vragen de indruk dat (toen ik nog veel jonger was) Julie mij de verhalen wilde besparen vanuit een goedbedoeld pedagogisch 'ach, je bent nog te jong' motief. Later maakte dat plaats voor 'ach, het is al zolang geleden'. Dit in tegenstelling tot mijn vader die juist zeer veel over 'zijn' oorlog in Nederland sprak. Vragen stellen had dus niet zoveel zin bij Julie. Op onverwachte momenten waren er echter spontane confrontaties met mensen uit het verleden die Julie niet zelf kon dirigeren of controleren. 

Een voorval uit 1981. Julie was bij ons op bezoek. Wij bewoonden toen een grote vrijstaande verbouwde boerderij in de buurt van Mijdrecht. Wij woonden daar samen met circa 11 kinderen. Eigen kinderen en pleegkinderen. Julie kwam niet vaak op bezoek zij vond het best wel druk met al die kinderen om haar heen. Wat verderop, boven aan de dijk woonde onze buurman in een oude molen Veel buren hadden wij niet en hij dus ook niet. Na verloop van tijd kwamen de kinderen thuis en vertelde de zij de buurman hadden ontmoet en die wilde wel eens kennis maken met ons. Prima! Na enige weken stond er ’s middags een aardig uitziende man voor de deur met grijs haar en opvallend lichte ogen. Het was een prettig aandoende man die duidelijk al rond de 70 was maar zeer jeugdig en vlot overkwam. Hij stelde zich voor als Dr. Schoonheyt. Er volgde in ons huis een bijzonder aangename kennismaking en hij had een plezierige belangstelling voor onze kinderen. Leuke buurman vonden wij. Enige maanden later was Julie bij ons visite en buurman Schoonheyt kwam toevallig ook langs.

Julie en Dr. Schoonheyt werden aan elkaar voorgesteld en hij vroeg onmiddellijk aan Julie. Komt jij uit Indonesië? Oh wat leuk antwoordde hij toen en daarmee was het onderwerp meteen mee afgesloten. Er volgde geen 'klik' tussen hen om over 'vroeger' te praten. Toen hij na enige tijd vertrokken was zei Julie 'Ik ken die naam' en ik weet dat hij arts is geweest in Boven-Digoel. Ja, zei Julie peinzend dat was een soort concentratiekamp voor nationalisten op Nieuw Guinea voor de oorlog. Oh, was onze reactie. Hadden wij dan concentratiekampen in Nederlands-Indië? Pas vele jaren later kwam Dr. Schoonheyt opnieuw ter sprake. Hij was toen al overleden, maar Rudy Kousbroek beschreef hem uitgebreid in zijn boek het ‘Oost-Indisch Kampsyndroom’.

Met Julie hebben wij er indertijd nooit meer over Dr. Schoonheyt gesproken. En bij mij was dit voorval ergens achterin de opslag van het lange termijn geheugen verdwenen. Julie had in haar jeugdjaren over het deportatiekamp Boven-Digoel in de Indische kranten gelezen en daar was op dat moment alles mee gezegd. Er is veel geschreven over Boven-Digoel. O.a. door Schoonheyt zelf. Een door Londoh geschreven blog begint met deel 1 op 15 september 2009. Hij verwijst voldoende door naar bronnen voor lezers die meer willen weten. 
Een bijzonder helder en soms zeer aangrijpend verslag doet een van de kampbewoners en schrijver I.F.M. Salim in zijn boek Vijftien jaar Boven-Digoel. Rudy Kousbroek gooide met zijn boek Het Oost-Indisch Kampsyndroom veel polemische knuppels in veel Nederlandse hoenderhokken. Kousbroek nivelleerde echter op geen enkele wijze de verschrikkingen in en buiten de kampen. Julie wist dat ik het boek had gelezen maar heeft het niet willen lezen. We hebben toen wel een discussie gehad over de halteplaats Ataka en over racisme in Nederlands-Indië

De repatriantenschepen vanuit Indië maakten een tussenstop in de havenplaats Adabia en vervolgens ging men met een treintje naar Ataka waar er (warme) kleding en voedsel werd aangeboden. Schoenen mocht men kopen. Het was de eerste kennismaking met het ogenschijnlijk gastvrije maar zakelijke Nederland. Met het aldaar gekregen mantelpakje van dik donkergeel katoen kwam Julie in Nederland aan. Rudy Kousbroek had zelf in een kamp gezeten en fileerde in zijn boek maar ook  in het NRC,  het boek Bezonken rood van Jeroen Brouwers. 
Kousbroek begint zijn artikel met: Het Indische kampsyndroom, zo heb ik al vaker betoogd, is de onwil om na te gaan hoe het werkelijk geweest is en liever vast te houden aan een onwaarachtige voorstelling van zaken, aan een mythe. Kousbroek is van mening dat Brouwers zwaar overdrijft net zo als zijn kampgenoot Willem Brandt die kamp Tjideng beschrijft als het 'Bergen-Belsen van Azië’

Ter vergelijking schrijft Kousbroek: in ons kamp is 6 procent van de geïnterneerden omgekomen; in Bergen-Belsen 70 procent. Kousbroek gaat verder: In het begin dacht ik: zo was het niet, maar dat doet er niet toe. Het is irrelevant of het echt gebeurd is: het is zoals hij het zich herinnert. Het is iemand zijn privé-waarheidKousbroek vond de waarheid erg genoeg maar verzette zich tegen de overdrijving, net zoals Julie. 
Het waren dit soort boeken en verhalen waar ‘overdrijving en aandachttrekkerij’ een hoofdrol speelde zoals in de verhalen van Brouwers en Willem Brandt (o.a. zijn boek: 'De gele terreur') die Julie het schaamrood naar de kaken joeg, of haar innerlijk boos maakte. 

'Vertel of schrijf toch gewoon de waarheid of houd anders je mond' zei Julie, terwijl zij met opgeheven naar buiten staarde. 


Uit Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië 1930 
internering van communisten van de Soediro-partij


I.F.M.Salim over het Nederlandse 
concentratiekamp op Nieuw-Guinea

Dr. L.J.A. Schoonheyt over zijn werk als arts 
in het concentratiekamp Boven-Digoel

Dokters woning in Boven-Digoel


Bannelingen in het kamp Boven Digoel werden zonder enig proces jaren lang opgesloten

Een pagina uit Het Oostindisch kampsyndroom van Rudy Kousbroek



USA Camp Manzanar. Meer dan 10.000 voor het merendeel onschuldige Japanners 
werden in 1942 opgepakt en opgesloten.

Na de bevrijding ging het gelukkig al weer wat beter met de bewoners van het kamp in Indië

Jeroen Brouwers is geboren in 1940 en was 5 jaar oud toen Tjideng werd bevrijd. 
Hij publiceerde in 1981 Bezonken rood

Rudy Kousbroek was bijna 16 jaar oud 
toen hij uit het kamp werd bevrijd

Tjideng 1943

Kampgeld in Tjideng


klik hier

Paula Kogel het huis aan Ampasiet

Willem Brandt noemde kamp Tjideng het Bergen-Belsen van Azië
op de foto ruimt kamparts Dr. Klein uit Bergen-Belsen de lijken op 
onder bewaking van de bevrijders


Goede reis naar Nederland gewenst vanuit Attaca vanaf 1945

1939 - Julie verhuisd van Batavia naar Soerabaya

Zo rond december 1939 is Julie haar koffers aan het pakken om naar Soerabaya te verhuizen. De stad waar haar vader is geboren in 1900. In de voorgaande maanden was er een nerveuze stemming in Batavia ontstaan. De berichten uit Nederland waren zeer verontrustend. De mobilisatie van de bevolking in Nederland was inmiddels op gang gekomen vanwege het dreigende gevaar uit Duitsland. In Batavia werden voortdurend militaire oefeningen gehouden. Er werd ook geld verdiend aan de opkomende oorlogsindustrie. Er was veel vraag naar rubber, katoen, touwvezels, kapok voor kledingvulling en matrassen. De prijzen stegen echter met de dag vanwege het gebrek aan transportschepen en de verhoogde verzekeringspremies.  Sommige handelaren verdienden vlot grote bedragen maar de arbeiders moesten opnieuw voor hun baan vrezen omdat er ook tekorten aan grondstoffen ontstonden. 

De pogingen van het Indisch Gouvernement om ‘in gesprek’ te blijven met de Japanners liepen vaak op niets uit. Dwz er werd overleg gevoerd maar er werd vooral een ‘stoere houding’ aangenomen door de Nederlanders. Tegelijkertijd realiseerden veel anderen dat het bijna onmogelijk was om met het relatief kleine leger de meer dan 40.000 kilometer kust te verdedigen. Julie volgde de berichten in de kranten en de conversaties met vrienden en bij kennissen. Maar kon er geen conclusies voor haarzelf aan verbinden ze had het zoals zoveel gewone mensen te druk met de kleine en grote dagelijkse beslommeringen. Mogelijk had zij een ongerust gevoel wat was te vergelijken met de periode 1930 – 1932 toen zij als klein meisje geconfronteerd werd met de gevolgen van de wereldcrisis die haar vader en moeder ook zouden treffen. 

Verhuizingen, zichtbare armoede onder de inlandse bevolking later zelfs honger. Charlotte haar moeder die haar altijd optimistische echtgenoot de schuld gaf van de armoede in het kleine gezin. Vrienden van vader Ferdinand die op bezoek kwamen in de economisch zeer moeilijke periode van 1930 tot 1932 en met elkaar spraken over de grote gevolgen van het ontslag uit de eens zo veilige werkomgeving binnen de suikerindustrie.

De werkeloosheid in Indië bereikte in de beginjaren ’30 een recordhoogte terwijl tegelijkertijd de salarissen met meer dan 50% werden verlaagd. Nederland bleef zich als een uitzuigend hongerig beest opstellen en had de inkomsten uit Indië hard nodig om de staatskas in Nederland aan te vullen. De bezuinigingen troffen  ook de Inlandse bevolking en er ontstond met name buiten de grote steden hongersnood. Minister-president Colijn vond indertijd 2 ½ cent salaris per dag al te hoog voor de koelies. Julie was pas 10 jaar oud maar kon zich de toen zichtbare armoede nog wel goed herinneren. 

Evenals de arrestatie in Bandoeng van nationalistenleider Soekarno en eind december 1930 en zijn daarop volgende pleitrede. Het verhoogde de spanningen tussen de Europeanen en de lokale bevolking die naar meer autonomie snakten maar de spanningen had ook gevolgen voor de Indo’s die net iets lager stonden dan Nederlanders maar weer wat hoger dan de inlanders. Zij zaten er tussen in. Maar welke keuze hadden zij? Voor Nederland of voor Indië?

De oorlogsdreiging uit Europa zorgde ook in de residentie voor een politieke verharding in het woelige 1939. Nederland weigerde Indië opnieuw meer autonomie te geven. Er werd zeer streng opgetreden tegen de Nationalisten en politici die zich wilden voorbereiden op de mogelijke komst van de Japanners. De petitie van Soetardjo die in 1936 was ingediend en in 1938 werd afgewezen zou in 1939 leiden tot de oprichting van de GAPI. De Gabungan Politik Indonesia waarin bijna alle Indonesische politieke partijen zich zouden verenigen en aanstuurden op een volwaardig Indonesisch parlementair  bestuur. Gouverneur-generaal Tjarda van Starkenborg Stachouwer wees dit namens de Nederlandse regering van de hand. Hij zou hierop na jaren van gevangenschap door de Japanners persoonlijk op terugkomen. Hij was na (misschien al tijdens?) de oorlog een groot voorstander van de soevereiniteitsoverdracht zonder ‘neven oogmerken’ geworden.

In de voorgaande maanden in 1939 had Julie gewerkt als serveerster en had haar zangcarrière een vlucht genomen. Zij lakte nu dagelijks haar nagels, gebruikte make-up en droeg de laatste mode die zij hoofdzakelijk zelf maakte  of zij liet zich helpen door de vele kleine naaiateliers in de buurt van de Chinese wijk waar zij op kamers woonde  bij een Chinese familie die uit intellectuelen bestond. Een familie waar zij onder geheel andere omstandigheden in 1943 als onderduikster opnieuw voor enige maanden terecht zou kunnen.

Julie zou in december 1939 negentien jaar oud worden. Als 18jarige was zij al volkomen zelfstandig en nam zij haar eigen beslissingen zonder invloed door haar ouders. De scheiding van haar ouders en de jaren die zij in gastgezinnen had door moeten maken hadden haar een soort innerlijke en uiterlijke zelfstandigheid gegeven. Zij had ook in moeilijke omstandigheden geleerd om voor zichzelf te zorgen. Door haar Indische uiterlijk kon zij zich in alle lagen van de bevolking bewegen. Haar zo precieze en accentloos gesproken Nederlands charmeerde weer de Nederlanders die dan vroegen waar zij zo goed Hollands had leren spreken. Julie wist dan precies hoe zij op charmante wijze de verbazing over de ‘Hollandsche welsprekendheid van zoo’n donker Indisch meisje ‘ weg kon nemen. Julie sprak ook uitstekend Engels, Duits en Frans en niet te vergeten Maleis en andere lokale dialecten. 

De wijze waarop de Europeanen omgingen met de Indo’s en de inlanders wekte soms haar irritatie of schaamte op en de wijze waarop zij haar baan bij de PTT was kwijtgeraakt kon haar in latere jaren nog boos maken. Maar wie en wát ben je als 18jarig Indo meisje in een land aan de vooravond van een wereldwijde tragedie. Julie was 1.58 lang en woog circa 54 kilo en rook vaak naar Boldoot of Patschuli. In september 1939 kwam Julie in Soerabaya aan. Het was de derde grote stad op Java waar Julie kwam te wonen. Tot haar twaalfde levensjaar had zij ‘landelijk’ gewoond. Opgroeiend op het terrein van een suikerfabriek die temidden van eeuwenoude Hindoe tempelcomplexen was gebouwd. Met Chinese tempels en de vele grote en kleine moskeen in de directe omgeving. Bezocht door mensen die alleen Maleis of een andere lokale taal spraken maar geen Nederlands zoals zij thuis en op school leerde. 

Java heeft een indrukwekkend en sterk glooiend tropisch landschap met eeuwen oude vulkanen zoals de Merapi die Julie in 1930 nog angsten hadden bezorgd na een enorme uitbarsting en waar zij met haar vader en broer nog is gaan kijken. De natuur zorgde op gezette tijden voor een enorme bloempracht met sterke geuren na een forse regenbui met daarna de warme zon. Haar moeder had haar voortdurend gewaarschuwd voor de enge bossen met verborgen geesten. Voor de sterk stromende rivieren die kinderen meesleurden. Voor de grote beelden in en rond de tempel complexen die opeens tot leven konden komen. Voor Julie was het makkelijker gebleken om in de relatieve anonimiteit van de steden een leven op te bouwen en misschien voelde zij zich ook wel veiliger vanwege mogelijk natuur geweld en minder sociale controle. 

Nadat zij zich vijftig jaar later begin jaren '90 van de vorige eeuw volledig had gevestigd in de zonnige heuvels van San Remo dacht (en sprak) zij vaak terug aan de exotische natuur waar zij was opgegroeid. Bijna dagelijks werkte zij in haar heuvelachtige tuin en plantte bij voorkeur cactussen die als een beschermende wal om haar huisje heen groeide. Maar het waren toch vooral de vele hibiscusbloemen in haar tuin die Julie aan 'vroeger' deden denken. Een bloem die zich sluit en zich bij de eerste ochtendstralen opent. Julie voelde zich sterk verbonden met het karakter van deze bloem. 
                     


Julie schrijft in 1999 aan haar broer Boy

            Uitbarsting van de Merapi 1930 waar ook Julie met haar familie is gaan kijken.


Hibiscus onder de as van de Merapi na de uitbarsting in 2006


Zicht op de Merapi 2006


1930 Soekarno in het midden met dossiertas en medestanders in Bandoeng


Luchtfoto van Soerabaya met in het midden de Roode Brug


Straatbeeld Soerabaya met man op de Roode Brug


De uitgaanswijk in Soerbaya waar Julie zou gaan werken in de Tabarin Bar


Studio portret van een Europese familie in Soerabaya


Soerabaya - veroordeelden op weg naar de gevangenis


Europese familie voor hun huis in Soerabaya

een groep poserende jongens in Soerabaya


Groepsportret met leerlingen van de Koningin Emma School Soerabaya


Moskee in Soerabaya


Straatbeeld Soerabaya met Chinese tempel


Een Europese familie in Soerabaya


Soerabaya Kampong 1938


Een groep Arabische mannen bij de Arabische poort in Soerabaya


Julie vertrok naar Soerabaya en Tjarda van Starkenborgh Stachouwer bleef in Batavia en wilde Indië na de inval door de Japanners niet in de steek laten.

Soekarno als student

Sukarno met President Kennedy 1962