Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of  begin 2018
Posts tonen met het label Donner. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Donner. Alle posts tonen

Oost-Indisch doof en collectief geheugenverlies in Nederland

Met het geheugen van Julie is nooit iets mis geweest. Julie had ook geen last van dissociatieve amnesie zoals dat veel voorkomt bij mensen en met name bij jonge kinderen die betrokken zijn geweest bij een oorlog of een grote natuurramp. Het komt ook voor bij personen die een belangrijke functie hadden als bestuurder van Nederlands-Indië, of nog hoger in ‘s Gravenhage. 

In het eerste artikel van dit blog ‘Spekkoek werd het kleine dossiermapje van Julie geïntroduceerd. Een dun dossiermapje met circa 35 bruikbare velletjes papier die bijna 80 jaar van haar leven bevatten. Eind 2009 begon de speurtocht naar het Indisch verleden van Julie van der Steur. Duizenden foto’s uit Nederlands-Indië zijn bekeken. Tientallen boeken zijn gelezen en er liggen nog 10tallen boeken klaar om gelezen te worden. Daarnaast een grote hoeveelheid wetenschappelijke onderzoeken en kranten uit het voormalig Nederlands-Indië zijn als bronnen doorgenomen. Daarnaast een groot aantal kampverhalen uit boeken en kampbelevenissen die van het ‘net' zijn geplukt. Opvallend is het aantal uiteenlopende getuigenissen van de wijze waarop het verblijf in dezelfde kampen is ervaren.

Er zijn echter opvallend minder ‘buitenkamper’ verhalen en ook een zeer beperkt aantal boeken over of door ‘buitenkampers’ zelf geschreven publicaties te vinden. Zelfs veel minder foto’s uit die periode. Terwijl er toch bijna twee keer méér mensen buiten de kampen hebben geleefd tijdens de oorlog dan in de kampen. Waarom is dat zo? Omdat de ‘blanken’ door hun achtergrond en veronderstelde hogere opleidingsniveau zich beter kunnen verwoorden? Was het zoveel erger in de kampen dan er buiten? Of was er soms meer belangstelling voor de verschrikkelijke kampervaringen? Natuurlijk liepen de Indonesiërs en Japanners in Indië wel eens rond met een camera in de periode 1942 - 1946. Het vergt een apart onderzoek naar mogelijk bewaard gebleven foto's en boeken gemaakt door Indonesiërs of van Japanners tijdens hun verblijf in Indonesië. 

Een andere onderzoeksvraag is of er er eigenlijk voldoende bewijs bestaat voor de stelling dat de Indo's zo zwijgzaam waren over hun verleden en of de buitenkamp Indo’s ook zo'n last zouden hebben van de bijna legendarische ‘Indische Zwijgzaamheid’? Die vervolgens weer uitgelegd wordt als zo typisch bij de Indo’s passend. En waren de Indo’s en inlanders ook niet een beetje doof. Zoals de Oost-Indische doofheid zo treffend omschreven door P.J. Harrebomée: 


‘Die hebbelijkheid is wel het meest op de Oost-Indiërs toepasselijk, daar hun, door de heete luchtgesteldheid, eene natuurlijke traagheid eigen is.

Nog zo’n grappig spreekwoord uit het boekje van Harrebomée wat mogelijk van toepassing geweest kan zijn op de mensen die voor de VOC hebben gewerkt of zich als Koloniaal Planter hadden gevestigd en bewonderd werden door bijvoorbeeld oud Minister President Balkenende die zijn toehoorders in 2010 nog opriep terug te keren naar de VOC mentaliteit.

Wees horende doof en ziende blind:
die kan zien en verhelen, zal men alle deugd bevelen.

Behalve dat Nederland straatarm was na de oorlog o.a. vanwege het wegvallen van de inkomsten uit Nederlands-Indië sinds 1941 was Nederland ook het bestuur over meer dan 70 miljoen dwarsliggende Islamieten kwijt. Zou dit verlies die openlijke boosheid bij Indo Geert Wilders veroorzaakt hebben? Het enorme gebrek aan woonruimte in Nederland o.a. voor de repatrianten maar ook voor de  duizenden terugkerende oorlogsslachtoffers uit de vele Europese landen en de dynamiek van de wederopbouw vroeg veel aandacht. De Nederlanders wisten  daarnaast heel weinig over de soms zeer grote cultuurverschillen tussen Nederland en Indië maar hadden ook weinig weet van de grote onderlinge cultuurverschillen in Indië zelf. Opgroeien op bijvoorbeeld Celebes of Sumatra was aanmerkelijk anders geweest dan opgroeien in Bandoeng op Java. Indo's woonden en werkten in alle lagen van de bevolking maar het merendeel van de Indo's hadden dichter tegen de inlanders aan geleefd en waren over het algemeen lager opgeleid dan de veel kleinere groep Indo kinderen met ouders die het wel konden betalen om hun kinderen de blanke scholen in Indië te laten bezoeken of hen zelfs naar Nederland hadden gestuurd om de middelbare school of hoger te laten volgen.


Als gerepatrieerde Indo familie was het ook zeer raadzaam om zo geassimileerd mogelijk over te komen (dus je mond te houden) want dan had je een grotere kans op werk en zelfstandige woonruimte. Voor de psychologische opvang van oorlogsslachtoffers was nog weinig tijd, expertise en geld beschikbaar. Laat staan voor de buitenkampers want die hadden het immers toch niet zó slecht gehad. Pas veel later, vanaf de jaren ’70 toen de welvaart was toegenomen zou er aandacht (en budget) komen voor ‘verwerking’ bij de eerste generatie Indo's die na de oorlog uit Indië waren gekomen. In hoeverre de naoorlogse Haagse Pasar Malam met z'n Tempo Doeloe karakter en al vóór 1957 in kleinere vorm opnieuw geïntroduceerd door Mary Bruckel-Beiten. En later in 1959 organisatorisch werd overgenomen door Tjalie Robinson en zijn vriendenkring, een rol heeft gespeeld bij de voorlichting over het oude Indië is een apart verhaal waard. 


Naar mijn idee is het met name collectieve schaamte, heimelijk racisme en onbekendheid met de grote  cultuurverschillen tussen Indië en Nederland. Die veel Indo’s er toe bracht om minder open te zijn over hun ervaringen o.a. vanwege de hoge toon waarop de totoks (Nederlanders) over hun kampperiode  spraken of schreven. Als je niet in een kamp had gezeten dan had je het kennelijk ‘beter’ gehad. En tegelijkertijd was er de niet volmondig uitgesproken verdachtmaking richting de buitenkampers dat zij mogelijk gecollaboreerd zullen hebben met de Indonesiërs en de Japanners omdat zij niet in de kampen hadden gezeten. Hierdoor leek het alsof de geïnterneerden meer te lijden hadden gehad. Het was algemeen bekend dat veel inlanders de Japanners met open armen hadden ontvangen. Wat toen de positie van de Indo's zou worden vroeg men zich in Nederland niet af. En niet te vergeten de heimelijke en soms openlijke verwijten die gerepatrieerde Indo’s op straat kregen van de Nederlanders toen na de oorlog zoveel militairen (soms gedwongen) naar Indië werden gestuurd. Veel Indo's besloten toen om dan maar te zwijgen, ook Julie. In de a.s. Julie, een Indisch meisje  boek publicatie wordt er dieper op de eerder genoemde aspecten en feiten ingegaan. 

Julie’s geheugen was zeer op orde. Maar zij kon zich gewoonweg niet uitspreken over de soms extreme situaties waarin zij tijdens de oorlog in terecht was gekomen. Enerzijds zal een rol gespeeld hebben dat zij dacht dat de luisteraar zich onvoldoende in zou kunnen leven door gebrek aan kennis over de Indische cultuur. Anderzijds zal zij belangstellenden de verhalen hebben willen besparen vanwege de bijna ongeloofwaardige details of gebeurtenissen die gewoonweg te veel pijn deden om weer naar boven te halen. Als kind van een buitenkamper kreeg ik na verloop van tijd en na het stellen van vragen de indruk dat (toen ik nog veel jonger was) Julie mij de verhalen wilde besparen vanuit een goedbedoeld pedagogisch 'ach, je bent nog te jong' motief. Later maakte dat plaats voor 'ach, het is al zolang geleden'. Dit in tegenstelling tot mijn vader die juist zeer veel over 'zijn' oorlog in Nederland sprak. Vragen stellen had dus niet zoveel zin bij Julie. Op onverwachte momenten waren er echter spontane confrontaties met mensen uit het verleden die Julie niet zelf kon dirigeren of controleren. 

Een voorval uit 1981. Julie was bij ons op bezoek. Wij bewoonden toen een grote vrijstaande verbouwde boerderij in de buurt van Mijdrecht. Wij woonden daar samen met circa 11 kinderen. Eigen kinderen en pleegkinderen. Julie kwam niet vaak op bezoek zij vond het best wel druk met al die kinderen om haar heen. Wat verderop, boven aan de dijk woonde onze buurman in een oude molen Veel buren hadden wij niet en hij dus ook niet. Na verloop van tijd kwamen de kinderen thuis en vertelde de zij de buurman hadden ontmoet en die wilde wel eens kennis maken met ons. Prima! Na enige weken stond er ’s middags een aardig uitziende man voor de deur met grijs haar en opvallend lichte ogen. Het was een prettig aandoende man die duidelijk al rond de 70 was maar zeer jeugdig en vlot overkwam. Hij stelde zich voor als Dr. Schoonheyt. Er volgde in ons huis een bijzonder aangename kennismaking en hij had een plezierige belangstelling voor onze kinderen. Leuke buurman vonden wij. Enige maanden later was Julie bij ons visite en buurman Schoonheyt kwam toevallig ook langs.

Julie en Dr. Schoonheyt werden aan elkaar voorgesteld en hij vroeg onmiddellijk aan Julie. Komt jij uit Indonesië? Oh wat leuk antwoordde hij toen en daarmee was het onderwerp meteen mee afgesloten. Er volgde geen 'klik' tussen hen om over 'vroeger' te praten. Toen hij na enige tijd vertrokken was zei Julie 'Ik ken die naam' en ik weet dat hij arts is geweest in Boven-Digoel. Ja, zei Julie peinzend dat was een soort concentratiekamp voor nationalisten op Nieuw Guinea voor de oorlog. Oh, was onze reactie. Hadden wij dan concentratiekampen in Nederlands-Indië? Pas vele jaren later kwam Dr. Schoonheyt opnieuw ter sprake. Hij was toen al overleden, maar Rudy Kousbroek beschreef hem uitgebreid in zijn boek het ‘Oost-Indisch Kampsyndroom’.

Met Julie hebben wij er indertijd nooit meer over Dr. Schoonheyt gesproken. En bij mij was dit voorval ergens achterin de opslag van het lange termijn geheugen verdwenen. Julie had in haar jeugdjaren over het deportatiekamp Boven-Digoel in de Indische kranten gelezen en daar was op dat moment alles mee gezegd. Er is veel geschreven over Boven-Digoel. O.a. door Schoonheyt zelf. Een door Londoh geschreven blog begint met deel 1 op 15 september 2009. Hij verwijst voldoende door naar bronnen voor lezers die meer willen weten. 
Een bijzonder helder en soms zeer aangrijpend verslag doet een van de kampbewoners en schrijver I.F.M. Salim in zijn boek Vijftien jaar Boven-Digoel. Rudy Kousbroek gooide met zijn boek Het Oost-Indisch Kampsyndroom veel polemische knuppels in veel Nederlandse hoenderhokken. Kousbroek nivelleerde echter op geen enkele wijze de verschrikkingen in en buiten de kampen. Julie wist dat ik het boek had gelezen maar heeft het niet willen lezen. We hebben toen wel een discussie gehad over de halteplaats Ataka en over racisme in Nederlands-Indië

De repatriantenschepen vanuit Indië maakten een tussenstop in de havenplaats Adabia en vervolgens ging men met een treintje naar Ataka waar er (warme) kleding en voedsel werd aangeboden. Schoenen mocht men kopen. Het was de eerste kennismaking met het ogenschijnlijk gastvrije maar zakelijke Nederland. Met het aldaar gekregen mantelpakje van dik donkergeel katoen kwam Julie in Nederland aan. Rudy Kousbroek had zelf in een kamp gezeten en fileerde in zijn boek maar ook  in het NRC,  het boek Bezonken rood van Jeroen Brouwers. 
Kousbroek begint zijn artikel met: Het Indische kampsyndroom, zo heb ik al vaker betoogd, is de onwil om na te gaan hoe het werkelijk geweest is en liever vast te houden aan een onwaarachtige voorstelling van zaken, aan een mythe. Kousbroek is van mening dat Brouwers zwaar overdrijft net zo als zijn kampgenoot Willem Brandt die kamp Tjideng beschrijft als het 'Bergen-Belsen van Azië’

Ter vergelijking schrijft Kousbroek: in ons kamp is 6 procent van de geïnterneerden omgekomen; in Bergen-Belsen 70 procent. Kousbroek gaat verder: In het begin dacht ik: zo was het niet, maar dat doet er niet toe. Het is irrelevant of het echt gebeurd is: het is zoals hij het zich herinnert. Het is iemand zijn privé-waarheidKousbroek vond de waarheid erg genoeg maar verzette zich tegen de overdrijving, net zoals Julie. 
Het waren dit soort boeken en verhalen waar ‘overdrijving en aandachttrekkerij’ een hoofdrol speelde zoals in de verhalen van Brouwers en Willem Brandt (o.a. zijn boek: 'De gele terreur') die Julie het schaamrood naar de kaken joeg, of haar innerlijk boos maakte. 

'Vertel of schrijf toch gewoon de waarheid of houd anders je mond' zei Julie, terwijl zij met opgeheven naar buiten staarde. 


Uit Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië 1930 
internering van communisten van de Soediro-partij


I.F.M.Salim over het Nederlandse 
concentratiekamp op Nieuw-Guinea

Dr. L.J.A. Schoonheyt over zijn werk als arts 
in het concentratiekamp Boven-Digoel

Dokters woning in Boven-Digoel


Bannelingen in het kamp Boven Digoel werden zonder enig proces jaren lang opgesloten

Een pagina uit Het Oostindisch kampsyndroom van Rudy Kousbroek



USA Camp Manzanar. Meer dan 10.000 voor het merendeel onschuldige Japanners 
werden in 1942 opgepakt en opgesloten.

Na de bevrijding ging het gelukkig al weer wat beter met de bewoners van het kamp in Indië

Jeroen Brouwers is geboren in 1940 en was 5 jaar oud toen Tjideng werd bevrijd. 
Hij publiceerde in 1981 Bezonken rood

Rudy Kousbroek was bijna 16 jaar oud 
toen hij uit het kamp werd bevrijd

Tjideng 1943

Kampgeld in Tjideng


klik hier

Paula Kogel het huis aan Ampasiet

Willem Brandt noemde kamp Tjideng het Bergen-Belsen van Azië
op de foto ruimt kamparts Dr. Klein uit Bergen-Belsen de lijken op 
onder bewaking van de bevrijders


Goede reis naar Nederland gewenst vanuit Attaca vanaf 1945

1949 Deel 4 - Mama wat doen we hier had het jongste kind gevraagd

28 december 1949 – Julie was diep geraakt geweest door de 27 december toespraak van Koningin Juliana uit het paleis op de Dam. De radio had haar woorden ‘live’ uitgezonden. Julie zou zich de strekking van de toespraak nog tot ver na 2000 herinneren. De woorden van Juliana hadden zo anders geklonken dan de stoere taal van haar moeder Wilhelmina die op 9 december 1941 vanuit Engeland de oorlog aan Japan had verklaard. Ook toen was Julie thuis geweest. In de huiskamer aan de Niasstraat in Soerabaya had Julie met de pas geboren baby op schoot gezeten. William en Julie hadden elkaar verschrikt en zwijgend aangekeken. Julie wist nu zeker dat William door de vliegdienst opgeroepen zou worden. Indië was nu in oorlog met Japan. De mobilisatie in Nederlands-Indië in het voorgaande jaar had al veel stress veroorzaakt in het nog jonge gezin. De tweede baby was na een onrustige zwangerschap geboren en huilde veel.

Julie verbleef op 17 augustus 1945 in Jakarta en had de ‘Proklamasi’ uitgesproken door Soekarno ook gehoord. Daarna waren op de straten van Jakarta vreugdefeesten en onlusten uitgebroken.

Wij het volk van Indonesië proclameren hierbij de onafhankelijkheid van Indonesië. Aangelegenheden met betrekking tot het bestuur zullen op ordelijke wijze en zo snel mogelijk worden geregeld

De Proklamasi was mede ondertekend door Mohammed Hatta die naast Juliana had gezeten tijdens haar toespraak. President Soekarno was niet naar Amsterdam afgereisd omdat hij vond dat op 17 augustus 1945 de onafhankelijkheid al was uitgesproken. Nog in december 1927 was Mohammed Hatta als Rotterdamse student gearresteerd in opdracht van de toenmalige Minister van Justitie J. Donner (de huidige P.H.Donner is huisvriend van de Oranje’s). Hatta was beschuldigd van ‘communisme’ en was de bedenker van de leus ‘Indonesia Merdeka’. 


Vier jaar en enige maanden later had Juliana’s stem door de radio geklonken in de huiskamer van Anton en Julie.

“Niet langer staan wij gedeeltelijk tegenover elkander. Wij zijn nu naast elkaar gaan staan. Hoezeer ook geschonden en gescheurd en vol van lidtekens van wrok en spijt”.

Julie had de naoorlogse interventies in Indië door de Nederlandse regering vanaf haar aankomst in 1946 via de kranten en de radio-uitzendingen gevolgd. De politionele (lees militaire) acties in Indië hadden opnieuw veel mensenlevens gekost. Maar ook verdriet en verscheurdheid veroorzaakt in vele Indonesische en Nederlandse gezinnen die hun kinderen zouden verliezen vanwege de halsstarrige houding van het naoorlogse Nederlandse bewind. Opnieuw vielen er oorlogslachtoffers en opnieuw werden er Indobaby’s geboren. Pas in 2005 zal Nederland na een officieel bezoek door toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot de onafhankelijkheids datum 17 augustus 1945 in politieke zin accepteren. Kennelijk kon dat alleen maar gebeuren door iemand die zelf als jongen gevangen had gezeten in een Japans interneringskamp in Nederlands-Indië.

Julie had zich veel zorgen gemaakt over haar vele Molukse vrienden die zij had leren kennen tijdens haar verzetswerk en gevangenschap in Bandoeng 1942/1943 en later in de Boei Lama gevangenis in Cheribon. Zij wist dat de Molukkers zeer trouw waren aan hun belofte om de Nederlandse Staat te dienen. Julie vroeg zag af hoe het haar twee Molukse petekinderen was vergaan. (hier kom ik later op terug). 

Juliana sprak verder: “Onmerkbaar groot is de voldoening van een volk dat zijn vrijheid verwerkelijkt ziet”. 


Het was deze zinsnede die Julie tot haar overlijden in 2001 zou onthouden en waar zij opnieuw aan zou denken toen Juliana in 1971 op bezoek was in Indonesië. Wilhelmina was in haar regeerperiode nooit in Indië geweest; “ach wat moet zo’n volk met een dik en zweterig mens op bezoek” had zij zelf als motivatie voor het uitblijven van een bezoek geuit. Julie was ontroerd en zeer van slag geweest tijdens de TV uitzendingen over het bezoek van Juliana. In kleur zag Julie de ongelooflijk hartelijke begroeting door de ‘vrije’ Indonesische bevolking. Maar het was vooral het terugzien van het land en de herkenning van gebouwen, straten en het natuurschoon wat Julie zo van streek zou maken.

Tijdens de laatste dagen van 1949 had Julie ook andere zorgen gehad. De jongens van 9 en 8 jaar oud speelden veel aan de grachten en in de zijstraten van het zich nog steeds herstellend Amsterdam. De jongens hadden ondertussen kennis gemaakt met de andere kinderen van Anton uit zijn vorige huwelijk. Die woonden met hun moeder op nog geen vijf minuten lopen en de oudste zoon Karel kwam wekelijks de alimentatie ophalen. Zijn toenmalige echtgenote wilde beslist niet van scheiden weten als er geen stabiele alimentatie regeling was beklonken. De echtscheidingsprocedure verliep hierdoor uiterst traag. Anton had elke week grote moeite om de alimentatie bijeen te verdienen maar er zat ook betalingsonwil van zijn kant bij. Hij had immers een nieuw gezin en zijn a.s. ex werkte immers als schoonmaakster en had dus een eigen inkomen. De twee kleine kinderen bonden Julie aan huis en ook de nieuwe zwangerschap zou opnieuw voor gezinsuitbreiding in het veel te kleine onderkomen zorgen. De zaken van Anton liepen niet echt geweldig en brachten weinig op.

In Julie groeide de wens naar meer rust en stabiliteit in haar gezin. Julie uitte nu openlijk kritiek op Anton. Hij kon dan driftig worden en was zelfs een keer handtastelijk. Julie kocht knalrode naar bloed kleurende nagellak en een dure nagelvijl. Zij liet trots haar nieuwe puntig uitlopend nagels aan Anton zien. ‘Hiermee krab ik je gezicht helemaal open als jij mij nog eenmaal slaat’. Julie vertelde dit verhaal als een serieuze anekdote in 1998. En wat zien wij op de jeugdfoto van Julie toen zij als zangeres Mona Banister een glamourfoto liet maken. Een charmante jonge vrouw die een goed gelakte en mooi gevijlde wijsvinger wat zwoel naar haar kin laat wijzen. De duim onafhankelijk en  wilskrachtig naast haar andere vingers.

Julie had Indië eind 1946 verlaten vanwege het falende beleid van de Nederlandse regering en de sterke wil van de Indonesische bevolking. De wil om onafhankelijk te zijn. Julie had voor vertrek naar Nederland gekozen omdat zij de hoop had eenmaal in Nederland aangekomen om onafhankelijk te zijn. Zij wilde haar kinderen maar ook haar moeder en zichzelf in veiligheid stellen. Niet meer op de vlucht zijn en geen honger meer hebben. In de jaren ervoor was openlijk Nederlands spreken verboden geweest. De volkswoede (bersiap periode) ten opzichte van alles wat Nederlands was had haar meer dan zeven maanden in een door de Nederlanders gebouwde gevangenis laten verblijven waar vroeger alleen Indonesische bandieten werden opgesloten.

Julie besefte eenmaal vrij gekomen uit de gevangenis dat deze periode van ontberingen en ziekte haar ook hadden beschermd tegen de aanvallen en moordpartijen van de opstandige Indonesische bevolking. Haar beslissing om naar Nederland te vertrekken was wel overwogen geweest. Julie wist dat de Indonesisch bevolking zich niet opnieuw zou laten kolonialiseren. Haar jongere broer Boy had zij niet kunnen overtuigen. Die voelde zich verraden door zijn in Soerabaya geboren Nederlandse vader. Hij voelde zich in de steek gelaten door zijn Indische moeder Charlotte die hem in 1936 naar het kinderhuis van Pa van der Steur had gestuurd. Boy wilde blijven en meehelpen de nieuwe republiek op te bouwen. Want hadden de Nederlanders hém geholpen toen hij als slaaf onder de meest verschrikkelijk omstandigheden aan de Birma spoorweg had moeten werken?

Julie had niet meer bij zich dan haar twee jongen kinderen, haar moeder en wat tassen met bagage toen zij in november 1946 voor het eerst haar voeten in het schemerdonker op de kade van de Rotterdamse kade had geplaatst. ‘Mama wat doen we hier had het jongste kind gevraagd’. Tijdens de zeereis had Julie veel nagedacht over hetgeen zij achter had moeten laten. Haar huis, haar meubelen, haar spaargeld, de fotoalbums, haar vrienden en vriendinnen. Haar baboe en de tuinjongen uit Sragen die later in Cheribon zou wonen en haar had geholpen de sieraden van Julie en anderen te verkopen op de Chinese markten. Wat Julie niet afgenomen werd waren haar herinneringen aan het uitzicht op de vulkanen en de mooie tuin met het koele water van de kleine Kali in de buurt van suikerfabriek DeLanggoe tijdens de eerste gelukkig te noemen tien jaar van haar leven. Ondanks de trieste scheiding van haar ouders had Julie het gevoel dat zij veel had kunnen leren op de scholen en tijdens de opleiding en het werken bij de Indische Posterijen in Bandoeng en Batavia.

Na haar huwelijk in 1940 werd zij moeder en er was zelfs ruimte in haar huis geweest voor Jim, de jongere broer van echtgenoot William. Die werd door hen beiden in huis genomen omdat hij anders voor galg en rad zou opgroeien. Na de moeilijke oorlogsjaren onder de Japanse bezetters en haar verblijf in de gevangenis had Julie grote moeite moeten doen om haar kinderen terug te krijgen. Kleine Jim was groot geworden en had samen met Ukkie Sombeek getuigd dat Julie een Jappenhoer was geweest en om die redenen haar tweede kind Ted niet terug zou moeten krijgen. Haar moeder Charlotte had haar Bandoengse huis, goederen en haar in leren fauteuils ingenaaide geld en sieraden tijdens een door de opstandige jeugdige Pemoeda’s aangestoken brand in vlammen op zien gaan. Ook het uithangbord aan de gevel met daarop de tekst ‘Machinale en Chemische Wasscherij De Hollandse’ was in de vlammen opgegaan. De straatnaam van het gebouw ‘Merdikaweg’ werd niet lang daarna omgedoopt in Jalan Merdeka.

Julie’s vertrouwen in de mensheid had in de jaren ’40 een onwaarschijnlijk grote knauw gekregen. Tijdens die laatste dagen van 1949 had Julie de woorden van Koningin Juliana ook op haar zelf betrokken en had er een persoonlijk tintje aan gegeven. ‘Onmeetbaar groot kan een mens zijn die zijn vrijheid verwezenlijkt ziet’. Julie had de wens gevoeld om haar kinderen in vrijheid op te laten groeien met veel broers en zussen die de niet zoals haar medegevangen lotgenoten van hun vrijheid en hun hoofd beroofd zouden worden. Begin jaren ’90 had Julie een prachtig wandkleed met een boom van gestikt gouddraad gemaakt op een zwart zijden achtergrond. Aan de grote boom hingen 15 verschillende met Indiaas garen geborduurde bladeren. Elk blad zou een omgekomen (onthoofde) gevangene representeren en elk blad was een nieuw kind van Julie geweest. Ondanks de pracht van geborduurde kunstwerk vond een van de kinderen van Julie dat hij en ook zijn zussen en broers niet gezien moesten worden als vervangers van de doden. Het zou dan zijn dat Julie in haar kinderen haar vermoorde lotgenoten zou zien. Als zodanig wilden de kinderen van Julie niet afgebeeld worden. Zij wilden allen en onafhankelijk van elkaar gewoon een kind van hun moeder zijn.

Achteraf kan voorzichtig vastgesteld worden dat de door de oorlog ontstane diepe wonden in de ziel van Julie  niet geheeld  werden door de komst van haar kinderen. Het gevolg is geweest dat veel kinderen van Julie zich emotioneel verwaarloosd voelen. Was het vijftiende blad aan de boom soms niet de miskraam uit 1966 die in de achtertuin van het huis in Bussum werd begraven? Een zelfde ritueel zoals bij haar Indische grootouders Casper en Djeminem die vanaf 1875 elke nageboorte ofwel moederkoek zouden begraven in de met tropische bloemen en planten begroeide tuin achter het grote huis in Bojolali waar Djeminem haar veertien kinderen zou baren. Zo Indisch was Julie dus weer wel. Met haar zwijgzaamheid en diepe lidtekens die niemand had mogen zien maar die altijd door haar kinderen gevoeld zouden worden. Daar kon de Hollandse nuchterheid en warmte van Anton niet tegen op.

Julie heeft tot haar laatste dagen haar nagels prachtig verzorgd. Het was een bijna noodzakelijk ritueel om haar gedachten op een rijtje te zetten. Het bracht orde in haar dagplanning. Onder die uiterlijk charmante laag van kwetsbaarheid, flegmatiek en Indisch aandoende schoonheid huisde een temperament wat niet wakker geschud moest worden. Het is vergelijkbaar met het Indonesische temperament waar ook de Nederlandse overheid zich zo vaak in vergist heeft. Anton had er kennis meegemaakt en het vervulde hem soms met vrees als hij ’s avonds moest vertellen dat er weer geen geld was verdiend. Julie kon dan stil vallen. Nadenken en dan uiterst scherp maar met zachte stem een analyse geven van wat Anton juist wél had moeten doen.

De oplossingen en de nodige gedragsverandering die Julie voorstond maakte Anton afhankelijk van de gunsten en het oordeel van Julie. Zijn moeder was nooit zo geweest. Die had altijd met zachte stem gezegd. ‘Ach jongen, het is ook allemaal niet makkelijk voor je’. Zo hoorde een vrouw te zijn volgens Anton. Liefdevol en begrijpend. In de voorgaande jaren maar ook al voor de oorlog was het huis van de moeder van Anton het belangrijkste vluchtadres geweest waar hij altijd begrip, weinig kritiek en trotse bewondering had gevonden. Zijn eerdere vriendinnen en echtgenotes waren ook altijd vol bewondering voor Anton geweest tot het moment dat zij zich kritisch zouden uiten. Anton had dan de neiging de ruzies te beëindigen met vertrek naar zijn moeder. Julie dacht daar anders over. Hij kon kiezen óf voor zijn moeder óf voor haar. Het werd een emotionele ruilhandel van geven en nemen met Julie aan het roer van een onbestendig schip wat langzaam de nog komende jaren ’50 in zou varen.

1935 De Merapi en Merbaboe gezien vanuit Klaten - Java
niet ver van de plaats waar Julie opgroeide. 

De grootmoeders van Julie - Djeminem Deuning en Joanna van der Steur

de moeder van Anton - Helena Deijmann


Een polderlandschap. 
Anton hield van de polders en was lid van de NJN
de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie