Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of  begin 2018
Posts tonen met het label Geert Wilders. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Geert Wilders. Alle posts tonen

Oost-Indisch doof en collectief geheugenverlies in Nederland

Met het geheugen van Julie is nooit iets mis geweest. Julie had ook geen last van dissociatieve amnesie zoals dat veel voorkomt bij mensen en met name bij jonge kinderen die betrokken zijn geweest bij een oorlog of een grote natuurramp. Het komt ook voor bij personen die een belangrijke functie hadden als bestuurder van Nederlands-Indië, of nog hoger in ‘s Gravenhage. 

In het eerste artikel van dit blog ‘Spekkoek werd het kleine dossiermapje van Julie geïntroduceerd. Een dun dossiermapje met circa 35 bruikbare velletjes papier die bijna 80 jaar van haar leven bevatten. Eind 2009 begon de speurtocht naar het Indisch verleden van Julie van der Steur. Duizenden foto’s uit Nederlands-Indië zijn bekeken. Tientallen boeken zijn gelezen en er liggen nog 10tallen boeken klaar om gelezen te worden. Daarnaast een grote hoeveelheid wetenschappelijke onderzoeken en kranten uit het voormalig Nederlands-Indië zijn als bronnen doorgenomen. Daarnaast een groot aantal kampverhalen uit boeken en kampbelevenissen die van het ‘net' zijn geplukt. Opvallend is het aantal uiteenlopende getuigenissen van de wijze waarop het verblijf in dezelfde kampen is ervaren.

Er zijn echter opvallend minder ‘buitenkamper’ verhalen en ook een zeer beperkt aantal boeken over of door ‘buitenkampers’ zelf geschreven publicaties te vinden. Zelfs veel minder foto’s uit die periode. Terwijl er toch bijna twee keer méér mensen buiten de kampen hebben geleefd tijdens de oorlog dan in de kampen. Waarom is dat zo? Omdat de ‘blanken’ door hun achtergrond en veronderstelde hogere opleidingsniveau zich beter kunnen verwoorden? Was het zoveel erger in de kampen dan er buiten? Of was er soms meer belangstelling voor de verschrikkelijke kampervaringen? Natuurlijk liepen de Indonesiërs en Japanners in Indië wel eens rond met een camera in de periode 1942 - 1946. Het vergt een apart onderzoek naar mogelijk bewaard gebleven foto's en boeken gemaakt door Indonesiërs of van Japanners tijdens hun verblijf in Indonesië. 

Een andere onderzoeksvraag is of er er eigenlijk voldoende bewijs bestaat voor de stelling dat de Indo's zo zwijgzaam waren over hun verleden en of de buitenkamp Indo’s ook zo'n last zouden hebben van de bijna legendarische ‘Indische Zwijgzaamheid’? Die vervolgens weer uitgelegd wordt als zo typisch bij de Indo’s passend. En waren de Indo’s en inlanders ook niet een beetje doof. Zoals de Oost-Indische doofheid zo treffend omschreven door P.J. Harrebomée: 


‘Die hebbelijkheid is wel het meest op de Oost-Indiërs toepasselijk, daar hun, door de heete luchtgesteldheid, eene natuurlijke traagheid eigen is.

Nog zo’n grappig spreekwoord uit het boekje van Harrebomée wat mogelijk van toepassing geweest kan zijn op de mensen die voor de VOC hebben gewerkt of zich als Koloniaal Planter hadden gevestigd en bewonderd werden door bijvoorbeeld oud Minister President Balkenende die zijn toehoorders in 2010 nog opriep terug te keren naar de VOC mentaliteit.

Wees horende doof en ziende blind:
die kan zien en verhelen, zal men alle deugd bevelen.

Behalve dat Nederland straatarm was na de oorlog o.a. vanwege het wegvallen van de inkomsten uit Nederlands-Indië sinds 1941 was Nederland ook het bestuur over meer dan 70 miljoen dwarsliggende Islamieten kwijt. Zou dit verlies die openlijke boosheid bij Indo Geert Wilders veroorzaakt hebben? Het enorme gebrek aan woonruimte in Nederland o.a. voor de repatrianten maar ook voor de  duizenden terugkerende oorlogsslachtoffers uit de vele Europese landen en de dynamiek van de wederopbouw vroeg veel aandacht. De Nederlanders wisten  daarnaast heel weinig over de soms zeer grote cultuurverschillen tussen Nederland en Indië maar hadden ook weinig weet van de grote onderlinge cultuurverschillen in Indië zelf. Opgroeien op bijvoorbeeld Celebes of Sumatra was aanmerkelijk anders geweest dan opgroeien in Bandoeng op Java. Indo's woonden en werkten in alle lagen van de bevolking maar het merendeel van de Indo's hadden dichter tegen de inlanders aan geleefd en waren over het algemeen lager opgeleid dan de veel kleinere groep Indo kinderen met ouders die het wel konden betalen om hun kinderen de blanke scholen in Indië te laten bezoeken of hen zelfs naar Nederland hadden gestuurd om de middelbare school of hoger te laten volgen.


Als gerepatrieerde Indo familie was het ook zeer raadzaam om zo geassimileerd mogelijk over te komen (dus je mond te houden) want dan had je een grotere kans op werk en zelfstandige woonruimte. Voor de psychologische opvang van oorlogsslachtoffers was nog weinig tijd, expertise en geld beschikbaar. Laat staan voor de buitenkampers want die hadden het immers toch niet zó slecht gehad. Pas veel later, vanaf de jaren ’70 toen de welvaart was toegenomen zou er aandacht (en budget) komen voor ‘verwerking’ bij de eerste generatie Indo's die na de oorlog uit Indië waren gekomen. In hoeverre de naoorlogse Haagse Pasar Malam met z'n Tempo Doeloe karakter en al vóór 1957 in kleinere vorm opnieuw geïntroduceerd door Mary Bruckel-Beiten. En later in 1959 organisatorisch werd overgenomen door Tjalie Robinson en zijn vriendenkring, een rol heeft gespeeld bij de voorlichting over het oude Indië is een apart verhaal waard. 


Naar mijn idee is het met name collectieve schaamte, heimelijk racisme en onbekendheid met de grote  cultuurverschillen tussen Indië en Nederland. Die veel Indo’s er toe bracht om minder open te zijn over hun ervaringen o.a. vanwege de hoge toon waarop de totoks (Nederlanders) over hun kampperiode  spraken of schreven. Als je niet in een kamp had gezeten dan had je het kennelijk ‘beter’ gehad. En tegelijkertijd was er de niet volmondig uitgesproken verdachtmaking richting de buitenkampers dat zij mogelijk gecollaboreerd zullen hebben met de Indonesiërs en de Japanners omdat zij niet in de kampen hadden gezeten. Hierdoor leek het alsof de geïnterneerden meer te lijden hadden gehad. Het was algemeen bekend dat veel inlanders de Japanners met open armen hadden ontvangen. Wat toen de positie van de Indo's zou worden vroeg men zich in Nederland niet af. En niet te vergeten de heimelijke en soms openlijke verwijten die gerepatrieerde Indo’s op straat kregen van de Nederlanders toen na de oorlog zoveel militairen (soms gedwongen) naar Indië werden gestuurd. Veel Indo's besloten toen om dan maar te zwijgen, ook Julie. In de a.s. Julie, een Indisch meisje  boek publicatie wordt er dieper op de eerder genoemde aspecten en feiten ingegaan. 

Julie’s geheugen was zeer op orde. Maar zij kon zich gewoonweg niet uitspreken over de soms extreme situaties waarin zij tijdens de oorlog in terecht was gekomen. Enerzijds zal een rol gespeeld hebben dat zij dacht dat de luisteraar zich onvoldoende in zou kunnen leven door gebrek aan kennis over de Indische cultuur. Anderzijds zal zij belangstellenden de verhalen hebben willen besparen vanwege de bijna ongeloofwaardige details of gebeurtenissen die gewoonweg te veel pijn deden om weer naar boven te halen. Als kind van een buitenkamper kreeg ik na verloop van tijd en na het stellen van vragen de indruk dat (toen ik nog veel jonger was) Julie mij de verhalen wilde besparen vanuit een goedbedoeld pedagogisch 'ach, je bent nog te jong' motief. Later maakte dat plaats voor 'ach, het is al zolang geleden'. Dit in tegenstelling tot mijn vader die juist zeer veel over 'zijn' oorlog in Nederland sprak. Vragen stellen had dus niet zoveel zin bij Julie. Op onverwachte momenten waren er echter spontane confrontaties met mensen uit het verleden die Julie niet zelf kon dirigeren of controleren. 

Een voorval uit 1981. Julie was bij ons op bezoek. Wij bewoonden toen een grote vrijstaande verbouwde boerderij in de buurt van Mijdrecht. Wij woonden daar samen met circa 11 kinderen. Eigen kinderen en pleegkinderen. Julie kwam niet vaak op bezoek zij vond het best wel druk met al die kinderen om haar heen. Wat verderop, boven aan de dijk woonde onze buurman in een oude molen Veel buren hadden wij niet en hij dus ook niet. Na verloop van tijd kwamen de kinderen thuis en vertelde de zij de buurman hadden ontmoet en die wilde wel eens kennis maken met ons. Prima! Na enige weken stond er ’s middags een aardig uitziende man voor de deur met grijs haar en opvallend lichte ogen. Het was een prettig aandoende man die duidelijk al rond de 70 was maar zeer jeugdig en vlot overkwam. Hij stelde zich voor als Dr. Schoonheyt. Er volgde in ons huis een bijzonder aangename kennismaking en hij had een plezierige belangstelling voor onze kinderen. Leuke buurman vonden wij. Enige maanden later was Julie bij ons visite en buurman Schoonheyt kwam toevallig ook langs.

Julie en Dr. Schoonheyt werden aan elkaar voorgesteld en hij vroeg onmiddellijk aan Julie. Komt jij uit Indonesië? Oh wat leuk antwoordde hij toen en daarmee was het onderwerp meteen mee afgesloten. Er volgde geen 'klik' tussen hen om over 'vroeger' te praten. Toen hij na enige tijd vertrokken was zei Julie 'Ik ken die naam' en ik weet dat hij arts is geweest in Boven-Digoel. Ja, zei Julie peinzend dat was een soort concentratiekamp voor nationalisten op Nieuw Guinea voor de oorlog. Oh, was onze reactie. Hadden wij dan concentratiekampen in Nederlands-Indië? Pas vele jaren later kwam Dr. Schoonheyt opnieuw ter sprake. Hij was toen al overleden, maar Rudy Kousbroek beschreef hem uitgebreid in zijn boek het ‘Oost-Indisch Kampsyndroom’.

Met Julie hebben wij er indertijd nooit meer over Dr. Schoonheyt gesproken. En bij mij was dit voorval ergens achterin de opslag van het lange termijn geheugen verdwenen. Julie had in haar jeugdjaren over het deportatiekamp Boven-Digoel in de Indische kranten gelezen en daar was op dat moment alles mee gezegd. Er is veel geschreven over Boven-Digoel. O.a. door Schoonheyt zelf. Een door Londoh geschreven blog begint met deel 1 op 15 september 2009. Hij verwijst voldoende door naar bronnen voor lezers die meer willen weten. 
Een bijzonder helder en soms zeer aangrijpend verslag doet een van de kampbewoners en schrijver I.F.M. Salim in zijn boek Vijftien jaar Boven-Digoel. Rudy Kousbroek gooide met zijn boek Het Oost-Indisch Kampsyndroom veel polemische knuppels in veel Nederlandse hoenderhokken. Kousbroek nivelleerde echter op geen enkele wijze de verschrikkingen in en buiten de kampen. Julie wist dat ik het boek had gelezen maar heeft het niet willen lezen. We hebben toen wel een discussie gehad over de halteplaats Ataka en over racisme in Nederlands-Indië

De repatriantenschepen vanuit Indië maakten een tussenstop in de havenplaats Adabia en vervolgens ging men met een treintje naar Ataka waar er (warme) kleding en voedsel werd aangeboden. Schoenen mocht men kopen. Het was de eerste kennismaking met het ogenschijnlijk gastvrije maar zakelijke Nederland. Met het aldaar gekregen mantelpakje van dik donkergeel katoen kwam Julie in Nederland aan. Rudy Kousbroek had zelf in een kamp gezeten en fileerde in zijn boek maar ook  in het NRC,  het boek Bezonken rood van Jeroen Brouwers. 
Kousbroek begint zijn artikel met: Het Indische kampsyndroom, zo heb ik al vaker betoogd, is de onwil om na te gaan hoe het werkelijk geweest is en liever vast te houden aan een onwaarachtige voorstelling van zaken, aan een mythe. Kousbroek is van mening dat Brouwers zwaar overdrijft net zo als zijn kampgenoot Willem Brandt die kamp Tjideng beschrijft als het 'Bergen-Belsen van Azië’

Ter vergelijking schrijft Kousbroek: in ons kamp is 6 procent van de geïnterneerden omgekomen; in Bergen-Belsen 70 procent. Kousbroek gaat verder: In het begin dacht ik: zo was het niet, maar dat doet er niet toe. Het is irrelevant of het echt gebeurd is: het is zoals hij het zich herinnert. Het is iemand zijn privé-waarheidKousbroek vond de waarheid erg genoeg maar verzette zich tegen de overdrijving, net zoals Julie. 
Het waren dit soort boeken en verhalen waar ‘overdrijving en aandachttrekkerij’ een hoofdrol speelde zoals in de verhalen van Brouwers en Willem Brandt (o.a. zijn boek: 'De gele terreur') die Julie het schaamrood naar de kaken joeg, of haar innerlijk boos maakte. 

'Vertel of schrijf toch gewoon de waarheid of houd anders je mond' zei Julie, terwijl zij met opgeheven naar buiten staarde. 


Uit Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië 1930 
internering van communisten van de Soediro-partij


I.F.M.Salim over het Nederlandse 
concentratiekamp op Nieuw-Guinea

Dr. L.J.A. Schoonheyt over zijn werk als arts 
in het concentratiekamp Boven-Digoel

Dokters woning in Boven-Digoel


Bannelingen in het kamp Boven Digoel werden zonder enig proces jaren lang opgesloten

Een pagina uit Het Oostindisch kampsyndroom van Rudy Kousbroek



USA Camp Manzanar. Meer dan 10.000 voor het merendeel onschuldige Japanners 
werden in 1942 opgepakt en opgesloten.

Na de bevrijding ging het gelukkig al weer wat beter met de bewoners van het kamp in Indië

Jeroen Brouwers is geboren in 1940 en was 5 jaar oud toen Tjideng werd bevrijd. 
Hij publiceerde in 1981 Bezonken rood

Rudy Kousbroek was bijna 16 jaar oud 
toen hij uit het kamp werd bevrijd

Tjideng 1943

Kampgeld in Tjideng


klik hier

Paula Kogel het huis aan Ampasiet

Willem Brandt noemde kamp Tjideng het Bergen-Belsen van Azië
op de foto ruimt kamparts Dr. Klein uit Bergen-Belsen de lijken op 
onder bewaking van de bevrijders


Goede reis naar Nederland gewenst vanuit Attaca vanaf 1945

1942 - 1996 Mata Hari in Bandoeng en een moeizaam wederzien in San Remo



Bandoeng mei 1942 - Julie was na haar vlucht uit Soerabaya bij haar moeder in de grote wasserij aan de Merdikaweg 10 ingetrokken. Naast de wasserij bevond zich een ruime woning waar moeder Charlotte had samen gewoond met haar vriend F. de Block. Mijnheer de Block, zo noemde Julie hem. Was met vele andere mannen reeds door de Japanse bezetters in een mannenkamp opgesloten. Zijn norse en dominante persoonlijkheid lag nog vers in het geheugen van Julie. Zij verweet hem dat haar moeder zich onderdanig en volgzaam had opgesteld en dat hij haar tot lid had gemaakt van de toenmalige Indische Nationaal Socialistische Beweging. 

De Indische NSB was een belangrijke tak van de Nederlandse NSB. Opgericht door Anton Mussert een symphatisant van het Duitse nationaal socialisme. Charlotte en mijnheer De Block hadden weliswaar al voor 10 mei 1940 hun lidmaatschap opgezegd. Maar in de jaren die jaren van vóór 1940 had Julie haar moeder herhaaldelijk met het bekende bruine NSB hemd in optochten mee zien lopen. 

Na een bezoek van Mussert in 1935 steeg de aanhang van de Indische NSB behoorlijk; op haar hoogtepunt in 1937 telde ze ongeveer 5000 leden. In tegenstelling tot de NSB in Nederland nam de Indische NSB een gezagsgetrouwe, dus anti Japanse houding aan. Daarnaast was van racisme in nationaal-socialistische zin nauwelijks sprake, gezien het feit dat vele gemengdbloedigen, zogenaamde Indo’s, lid waren van de NSB. In Indië was de NSB veel meer een ultra-nationalistische groep mensen, die Indië als kolonie voor Nederland wilden blijven behouden. Toch verloor de NSB eind jaren dertig veel van haar leden toen duidelijk werd dat zij zich toch steeds meer op raszuiverheid richtte en een onderscheid maakte tussen vol- en halfbloed Nederlanders. Veel Indische Nederlanders zegden hun lidmaatschap op. Daarnaast was de keuze vóór Duitsland voor velen onaanvaardbaar. In mei 1940 telde de Indische NSB nog maar 1100 leden en zo’n 680 begunstigers (bron Nationaal Archief).

Een van de minder beschreven kanten van de vooroorlogse Indische samenleving is de roddel en achterklap waar bijna iedereen zich schuldig aan leek te maken. Er werd veel ‘achter de hand' gefluisterd en kleine onschuldige voorvallen werden door achterklap tot grote schandalen opgepompt. Niet alleen de onruststokerij van de Indische NSB riep soms felle protesten of juist sympathie voor hun doelstellingen op. Er was meer aan de hand in het door de Nederlanders en de zich op een lager hierarchies niveau bevindend Indisch Bestuur. Het Indisch bestuur had de handen vol aan de inlandse nationalisten en het veronderstelde ‘zedenverval’ onder de Hollanders en Indo’s. 

Na langdurige voorbereiding in het kader van een beschavingsoffensief werd eind 1938 de jacht geopend op homoseksuelen. Marieke Bloembergen schrijft hierover in – De geschiedenis van de politie in Nederlands-Indië – Het is een treurig makend relaas omtrent een grote groep mensen die voorheen vaak een onopvallende maatschappelijke positie in namen. Op 9 mei 1940 besloot de Indische regering dat de NSB voor bestuursambtenaren een verboden vereniging werd. H. Colijn, de toenmalige minister van Koloniën en minister president, had er steeds al op aangedrongen dat de regering in Indië in navolging van Nederland maatregelen zou nemen tegen de NSB-ambtenaren. 

Gouverneur-generaal Tjarda van Starkenborgh had dit geweigerd op grond van de redenering dat de Indische NSB geen gevaar voor de openbare orde vormde en loyaal tegenover het gouvernement stond. Na de Duitse aanval op Nederland gaf de gouverneur-generaal op 10 mei het bevel om alle Duitsers in Nederlands-Indië ter internering op te pakken. Op dezelfde dag nog werd in Bandoeng het kringhuis van de NSB bestormd en werden vijftien NSB’ers gearresteerd. In de dagen die volgden werden personen opgepakt die ervan verdacht werden lid te zijn van of te sympathiseren met de NSB. De NSB’ers werden het doelwit van een ware haatcampagne onder de bevolking en de Nederlandstalige pers in Indië. Er deden allerlei geruchten de ronde dat de NSB in Indië een vijfde colonne vormde die samenzwoer met de Duitsers teneinde zich meester te maken van het land. 

Het oppakken van NSB’ers gebeurde dan ook in een sfeer van achterdocht en willekeur. Mensen die een hekel hadden aan hun buren konden dezen aangeven; onder de gearresteerden bevonden zich dan ook verschillende mensen die nooit lid waren geweest van de NSB. Tekenend is het verhaal van J.E. Stulemeyer, die op Java in militaire dienst was en nooit lid was geweest van de beweging, en die door zijn buurman werd aangebracht nadat deze hem, teleurgesteld na het bericht dat de koningin naar Londen was uitgeweken, had horen zeggen: ‘Nu komen die moffen binnen en neemt de koningin de benen!’. Stulemeyer zou pas in 1946 worden vrijgelaten (Bron Nationaal Archief). Wij zien in het huidige Nederland die roep om ‘eigen volk eerst’ weer hernieuwd populair worden. Of het nu gaat om elkaar aangevende buren in het oude Indië of een meldings website over illegale of lastige Polen en die door Indo Geert Wilders in de lucht werd gezet. Hebben we dan niets geleerd van onze koloniale geschiedenis?

De sfeer van roddel en achterklap veranderde weinig nadat de Japanse bezetter in maart 1942 het bestuur over Java hadden overgenomen. De meer dan 15.000 Nederlands-Indische inwoners van Bandoeng kwamen in een zeer ongemakkelijke positie terecht. De inlandse bevolking werd door de Japanners een hogere maatschappelijke positie toebedeeld en de gezagsverhoudingen van ‘vroeger’ waren binnen een paar weken volledig veranderd. De Nederlanders en veel Indo’s raakten niet alleen hun bezittingen en hun salarissen kwijt. Voor het eerst in de koloniale geschiedenis van Nederlands-Indië werden zij afhankelijk van de Indonesische bevolking. De verbittering onder de in kampen opgesloten Nederlandse inwoners van Java werd almaar groter. 

Zij hadden immers te maken met een vijand waar zij maar heel weinig van zagen. Uit de vele kampdagboeken ademt vooral de sfeer van het uitzichtloze en machteloze opgesloten zijn in een benauwende micro samenleving waar oude normen en waarden ingeruild werden voor overlevingsgedrag. De verschrikkingen waren er niet minder om. De kampen waren veelal schoolgebouwen of fabrieksterreinen waar een Japanner de leiding over had en gesecondeerd werd door uit (door Japan bezet Korea) afkomstige Koreanen en door Indonesiërs die nooit eerder een hogere rang hadden gehad. Later in 1942 werden hele wijken door hoge bamboewanden (pagars) en prikkeldraad afgeschermd. Indo’s werden voor de keuze gesteld. Buiten het kamp blijven en je aanpassen of anders opgesloten raken achter de grote bamboewanden. Maar buiten de kampen werd het voor veel Indo's soms gevaarlijker dan binnen de kampen. Gevaarlijker door roddel, jalouzie én verraad.

1942 - Julie verveelde zich in het huis van haar moeder. Moeder Charlotte gaf leiding aan het personeel in de wasserij en het aantal Japanse klanten nam wekelijks toe. Julie bezag de Japanisering van de voormalige koloniale samenleving met lede ogen aan en had via een voormalige chef van de Bandoengse PTT ingestemd met voedselbedelingen en soms het verdelen van geldsommen aan met name zeer armlastige Molukse KNIL families in de wijk Tjiateul. “Je kwam dus niet in de buurt van de Papandajanlaan” vertelde Julie in 1986 aan een journaliste van de Volkskrant. Van het gesprek zijn cassettebandjes gemaakt. Julie komt sterk en kordaat over in de geschreven tekst van het artikel. 

De urenlange cassettebandjes laten een geheel ander geluid horen. Julie vecht vaak met haar emoties, huilt hard dan weer snikkend vertelend. Zij voelde zich verraden door het lot. En door mensen die in hun angst en gedreven door overlevingsdrift de namen van anderen aan de Japanse inlichtingendienst hadden doorgegeven. Natuurlijk was Julie op de hoogte van de roddels en achterklap in het dorpse Bandoeng. Er waren op Java geboren Nederlanders die hun huid trachten te redden door voor de Japanners te werken. 

Een van hen was haar volle nicht Deetje Heijligers. Een dochter van de broer van haar grootmoeder Jeanne Van der Steur-Heijligers. Julie en Deetje zijn beiden in 1920 geboren. Deetje een maand eerder. Van 1934 tot 1936 heeft Julie bij de familie Heijligers aan de Papandajanlaan 52 gewoond. Beide meisjes bezochten de zelfde middelbare school en zaten in de zelfde klas. Julie kon gemakkelijk leren maar Deetje was zeker niet dom maar snel afgeleid en weinig geconcentreerd. De moeder van Deetje had besloten dat de aanwezigheid van Julie gunstig zou kunnen werken op de matige schoolresultaten van Deetje. In 1936 behaalde Julie met hoge cijfers het eindexamen. Deetje was niet geslaagd. Haar moeder was hier zo boos over geweest dat Julie op stel en sprong het huis moest verlaten. Julie moest tegen haar zin bij haar moeder intrekken, in het grote huis van die norse mijnheer De Block en een moeder waar zij geen gevoelsband mee had.

Julie en Deetje zouden elkaar weer kort ontmoeten nadat Julie noodgedwongen in mei 1942 vanuit Soerabaya naar Bandoeng moest verhuizen. Tijdens een fietstocht op weg naar een voedseluitdeling passeerde Julie haar nicht Deetje. Het was een warme juli zaterdagavond en Deetje was op weg naar een dancing in Bandoeng. Zij hebben elkaar kort gesproken. Deetje was mooi gekleed en in gezelschap van een groepje Nederlandse vriendinnen en een aantal Japanse militairen. De stemming was vrolijk geweest. Het vrolijke gedrag van Deetje had Julie benauwd. Heulen met de vijand? Was dat wel gepast? 

Journalist Ralph Boekholt schrijft in november 1989 een bijzonder artikel in het Indisch Maandblad Moesson. Het artikel is in het bijzonder verzorgde digitale archief van de moesson.nl website te vinden. Het artikel betreft een Kort Geding wat Deetje Heijligers in 1989 heeft aangespannen tegen de auteur van een in 1988 verschenen boek van de hand van Jan Bouwer. Een in Bandoeng ondergedoken journalist die via buurtbewoners, de illegale radio en andere bronnen jarenlang een dagboek heeft kunnen bijgehouden. Op een ander blog Java Post kan men meerdere artikelen vinden over het dagelijks leven in Bandoeng buiten de kampen in bezettingsjaren en tijdens de Bersiap periode.

In een apart kader ‘HEULEN’ op pagina 2 van het artikel van Ralph Boekholt (het gehele artikel is hieronder afgebeeld) vraagt Boekholt zich af of het terecht is om meer dan 40 jaar na de oorlog één vrouw te ontmaskeren als spionne op basis van dagboekaantekeningen. Daarna stelt Boekholt dat als Deetje ‘fout’ is geweest dan zouden er volgens Boekholt duizenden ‘fout’ zijn geweest. Hij schrijft verder: en als zij écht ‘fout’ was geweest dan zou er toch toen al een rechtzaak en een veroordeling zijn geweest. Dit blog heeft als thema ‘verdringing en ontkenning’ en de gevolgen hiervan. Gevolgen voor de mensen zelf maar ook voor hun nabestaanden. In dat licht bezien is het interview met Deetje een beetje merkwaardig. Er worden namen in genoemd en geschreven over wél of niet bestaande radiozenders. Over de naoorlogse Nederlandse Inlichtingendienst de NEFIS, die Deetje nooit 'iets' gevraagd zou hebben. 

Deetje voelde zich vooral slachtoffer van de zo aanwezige roddel en achterklap. Ja, zij was naïef geweest en oppervlakkig. En zij vertelde eerlijk dat zij in een winkel aan de Bragaweg werkte waar veel Japanners kwamen. Maar van wie was die winkel. En waarom heeft zij zo ijverig Japans geleerd? Waardoor zij tijdens een kampperiode een ‘beter baantje’ op het kampkantoor kreeg. Medio augustus 1945 kwam Deetje vrij uit haar laatste kamp in Batavia. Het eerste wat zij deed was bij ‘bevoegde’ instanties zoals de ‘Australian Intelligence’ uitzoeken hoe dat zat met de ‘Australische Radio’ waar Jan Bouwer over had geschreven. Bouwer beschrijft dat de Australische radio op vrijdag 10 juli 1942 gewaarschuwd zou hebben voor ‘de praktijken van een zekere mej. Deetje Heijligers’ die er ondermeer van werd beschuldigd door de zeer gevreesde Japanse militaire politie te zijn geronseld om voor hen spionage werk te verrichten. 

Volgens Deetje kon de Australische geheime dienst in Batavia zich medio 1945 ‘niet voorstellen’ dat er in juli 1942 een uitzending door Australië was verzorgd. Deetje sluit na haar 'onderzoek' in Batavia voor zichzelf de kwestie af. Alsof een clandestiene en zelfs een mogelijk niet bestaande Bandoengse zender de voor Deetje zo ongemakkelijke waarheid niet zou hebben verkondigd. Jan Bouwer zal het allemaal wel gedroomd hebben. Het was echter deze zender, de ‘PKP Bandoeng’ waar Jan Bouwer en vele anderen naar luisterden;

- Call sign PKP, Bandoeng, transmitter built by PTT staff, one of whom had left for Australia with pre-arranged codes. Messages sent from July until November 42 and again in Feb-March 43. Radio destroyed before discovery.

Berichten uit o.a. Bandoeng werden verzameld en doorgegeven aan de sterkere Australische zender die vervolgens bereik had over geheel Java.

Is tijdens en ná elke oorlog ‘de waarheid’ niet het grootste slachtoffer? Deetje laat zich door Boekholt als een oppervlakkig en niet in politiek geïnteresseerde jonge vrouw neer zetten. Gelukkig heeft zij wel een heel goed geheugen en weet een redelijk sluitend verhaal te vertellen en doet voor alsof haar omgang met de Japanners slechts incidenteel was. Het betreft echter een periode van meer dan zes maanden. Eind november 1942 verdween ook Deetje naar een kamp. Zij heeft daarna, zoals veel anderen een zeer nare periode in verschillende kampen doorgebracht. In 1996 kreeg ik het verzoek van Julie die inmiddels al weer vier jaar in San Remo (It.) woonde om haar nicht Deetje op te zoeken in haar Amsterdamse appartement. Ik kende haar niet en Julie had geen huisnummer gehad. Na aangebeld te hebben werd de deur schielijk op een kier gezet. De kleine gestalte van Deetje vroeg met kleine onderzoekende ogen waar ik voor kwam. Ik mocht binnen komen. Het was een ruime maar donker gehouden flat. De inrichting deed wat Indisch aan met de vele grote en kleine planten. Opvallend waren de paar grote schilderijen aan de muur. Het was alsof de acrylverf extra licht gaf aan de woonkamer. 

Het waren niet al te best gelukte portretten van Elvis Presley de jong overleden Amerikaanse zanger. Deetje deed luchtig. ‘Ja wij houden nogal van Elvis’. Zij moest haar oudere zoon bedoeld hebben. En als hij dit verhaal zou lezen. Dan doe ik hem de groeten. Hij staat immers volledig buiten dit verhaal en schijnt een goed mens te zijn en voortreffelijke muzikant. Deetje verteld dat hij rechten zou hebben gestudeerd. De brief van Julie werd overhandigd. Deetje las de brief aandachtig. Julie en Deetje zouden beiden 76 jaar oud worden in dat jaar. Deetje zag er zeer verzorgd uit en deed wat ‘Haags’ aan met haar overduidelijk gesoigneerde gesprekstoon. Toch was ik blij dat ik de flat kon verlaten. 

Enige tijd later kreeg ik het verzoek van Julie om Dee, want zo noemde Julie haar op te halen van het vliegveld van Nice. Dee zou voor een dag of tien naar San Remo komen. Wij woonden in die periode gedeeltelijk in Amsterdam en in de buurt van Nice. Deetje zou aankomen met de vroege ochtendvlucht. Op het vliegveld aangekomen stond Dee al in de aankomsthal waar ook de koffers door een band uit de muur zouden verschijnen. Dee zag er wat moe en gespannen uit. Zij keek misprijzend naar de Franse mannen en mompelde: ‘precies wat ik dacht, zij lijken allemaal op criminelen’. Ik schoot in de lach. ‘Tante Dee?’ bent u hier al eens eerder geweest? ‘Nee, maar ik heb voldoende mensenkennis om dit soort gajus door te hebben’. 


Talmend bleef zij bij de bagage band staan. Haar koffer was er al. Er zou nog een grote zilveren schaal van de band moeten komen. Die was te groot geweest voor haar koffer. Het zou een cadeau voor Julie zijn. Na dertig minuten wachten zei Dee. ‘Kom laten wij gaan, die schaal zal wel nooit komen’. Maar tante Dee laten we dan even vragen waar die schaal is en anders aangifte doen? 'Ach laat maar kijk toch om je heen die schaal is allang gestolen'. Protesteren had geen zin en ik liet het er maar bij zitten. In de auto was Dee opvallend stil en keek nauwelijks naar buiten. Een gesprek zat er niet in. Het was een prachtige dag en het landschap tussen Nice en het 55 kilometer verder gelegen San Remo is beeldschoon. Dee bleef strak en peinzend voor zich uit kijken.

Aangekomen in San Remo daalde Dee voorzichtig de steile betonnen trap af naar het tegen een beboste en tussen de kleine kwekerijen gelegen huisje van Julie. Zij hadden elkaar sinds 1942 niet meer gezien. Na meer dan vijftig jaar later keken zij elkaar in de ogen en er was een afstandelijke omhelzing en toch dicht tegen elkaar aan. Er waren tranen bij Julie. Maar er blonk ook een licht vuurtje in ogen van Julie. Een vuurtje waarvan wij als kinderen al wisten, opletten. Bij mijn afscheid waren Julie en ik even alleen. Ma, zij wil vier maanden blijven, wist jij dat? Julie keek mij aan. 'O, dat zien we nog wel'. Een paar weken later. Dee was door de vriend van Julie al eerder die week naar het vliegveld gebracht. Waarom is Dee al weg, Ma? Julie schonk een borrel in en lachte wat mysterieus. 'Ach weet je, zij kon zich niet aanpassen aan onze vrienden'. 'Zij zat maar stil in haar stoel'. In de keuken stond een nieuwe, zeer grote koelkast met dubbele deuren. "Van Dee gekregen als vergoeding voor haar verblijf", vertelde Julie. 

Maar Ma zij is minder dan drie weken bij jou geweest, is dat niet een beetje te veel? Ach zei Julie, wij hadden nog iets anders te verrekenen. Het klonk wat onheilspellend. Ma, wat is er echt gebeurd tussen jullie? Julie deed wat chique en jonge meidenachtig. Zij was immers verliefd op haar Carlo, een veel jongere Italiaanse beeldhouwer. Toch kwam de ernst in haar ogen terug toen zij vertelde dat zij in de eerste week veel met Dee had gesproken over ‘vroeger’ in Indië. Over de oorlog en de Kempeitai

Het moet voor Deetje verschrikkelijk geweest zijn. Julie kan met haar feilloze intuïtie (zelf)bedrog en leugens van mensen fileren tot op het bot. Deetje moet zich naakt gevoeld hebben, eenzaam en beschaamd. Weet je : zei Julie. Het leven gaat ook over ‘vergeven, - maar niet vergeten' voegde zij bedachtzaam toe. Ik voelde mij niet bij mijn moeder op bezoek. Maar in de koffiekamer van een rechtbank. Waar de rechter even bijkomt met een borrel. Na de behandeling van een moeilijke en zeer oude zaak.

Wij hebben in Nederland een échte spionne gekend. Margaretha Zelle. In Nederlands-Indië heeft zij zich de artiestennaam Mata Hari aangemeten. Mata Hari betekend in het Maleis ‘Oog van de dageraad’ ofwel zon. Later zou Mata Hari bekend worden met haar exotische dansen die onder andere geïnspireerd waren op de Javaanse danstechnieken die Zelle in Magelang had opgedaan. Het is nooit duidelijk geworden of Mata Hari écht schuldig was. Maar zij had alle schijn tegen, en werd ter dood veroordeeld. De invalshoek van Ralph Boekholt was ‘ook de mooie spionne’ maar dan uit Bandoeng. Hierdoor heeft Boekholt een kans gemist om Deetje écht aan het praten te krijgen. 

Jan Bouwman heeft Deetje Heijligers nooit van spionage beschuldigd. Hij had het van horen zeggen. En publiceert zijn dagboek. Het Bandoengse publiek werd gewaarschuwd. Voor een zich dom en oppervlakkig voordoend meisje die zo dom was om zich in te laten met Japanse officieren. En later in een juwelierswinkel ging werken aan de Bragaweg. Ja, voorheen was de eigenaar een Nederlander met een Chinese partner. Maar die werden al snel in een van de vele Bandoengse kampen gestopt. Julie werd niet veel later gearresteerd door de zelfde Kempeitai waar Deetje toen nog zo vrolijk mee om ging. 

Leg dat ‘onschuldige uitgaan met Japanners’ maar eens uit aan je eigen nicht waar je samen meer dan twee jaar huiswerk mee hebt gemaakt. Had Deetje per ongeluk voor het verkeerde ‘oog van de dageraad’ gekozen? Die rode zon in de Japanse vlag. 


1941 - Al voor de Japanse bezetting werd de bevolking 
via kranten en radio geïnformeerd over de Japanners. 
Er werd vroegtijdig gewaarschuwd tegen het 
'heulen' met de Japanners

De Indische NSB krant 1936



Maart 1942 - Nederlands-Indië is bezet door Japan 
in kranten en op muren werd onderstaande proclamatie afgebeeld




Deetje Heijligers Moesson 15-11-1989



Julie - Volkskrant 8 december 1986

Julie - Volkskrant 8 december 1986


1943 Een kampbewoonster ergert zich aan het 
'beschamende gedrag van de Nederlandse vrouwen'


Julie, Italië 1996 in de periode dat haar nicht 
Deetje Heijligers op bezoek kwam


1932 - Mata Hari verfilming met Greta Garbo. 
Werd ook in de Indische bioscopen vertoond.


1907 - Mata Hari 
De Friese Margarethe Zelle heeft 5 jaar in Indië gewoond