Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of  begin 2018
Posts tonen met het label Frits Suyderhoud. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Frits Suyderhoud. Alle posts tonen

1942 - 1996 Mata Hari in Bandoeng en een moeizaam wederzien in San Remo



Bandoeng mei 1942 - Julie was na haar vlucht uit Soerabaya bij haar moeder in de grote wasserij aan de Merdikaweg 10 ingetrokken. Naast de wasserij bevond zich een ruime woning waar moeder Charlotte had samen gewoond met haar vriend F. de Block. Mijnheer de Block, zo noemde Julie hem. Was met vele andere mannen reeds door de Japanse bezetters in een mannenkamp opgesloten. Zijn norse en dominante persoonlijkheid lag nog vers in het geheugen van Julie. Zij verweet hem dat haar moeder zich onderdanig en volgzaam had opgesteld en dat hij haar tot lid had gemaakt van de toenmalige Indische Nationaal Socialistische Beweging. 

De Indische NSB was een belangrijke tak van de Nederlandse NSB. Opgericht door Anton Mussert een symphatisant van het Duitse nationaal socialisme. Charlotte en mijnheer De Block hadden weliswaar al voor 10 mei 1940 hun lidmaatschap opgezegd. Maar in de jaren die jaren van vóór 1940 had Julie haar moeder herhaaldelijk met het bekende bruine NSB hemd in optochten mee zien lopen. 

Na een bezoek van Mussert in 1935 steeg de aanhang van de Indische NSB behoorlijk; op haar hoogtepunt in 1937 telde ze ongeveer 5000 leden. In tegenstelling tot de NSB in Nederland nam de Indische NSB een gezagsgetrouwe, dus anti Japanse houding aan. Daarnaast was van racisme in nationaal-socialistische zin nauwelijks sprake, gezien het feit dat vele gemengdbloedigen, zogenaamde Indo’s, lid waren van de NSB. In Indië was de NSB veel meer een ultra-nationalistische groep mensen, die Indië als kolonie voor Nederland wilden blijven behouden. Toch verloor de NSB eind jaren dertig veel van haar leden toen duidelijk werd dat zij zich toch steeds meer op raszuiverheid richtte en een onderscheid maakte tussen vol- en halfbloed Nederlanders. Veel Indische Nederlanders zegden hun lidmaatschap op. Daarnaast was de keuze vóór Duitsland voor velen onaanvaardbaar. In mei 1940 telde de Indische NSB nog maar 1100 leden en zo’n 680 begunstigers (bron Nationaal Archief).

Een van de minder beschreven kanten van de vooroorlogse Indische samenleving is de roddel en achterklap waar bijna iedereen zich schuldig aan leek te maken. Er werd veel ‘achter de hand' gefluisterd en kleine onschuldige voorvallen werden door achterklap tot grote schandalen opgepompt. Niet alleen de onruststokerij van de Indische NSB riep soms felle protesten of juist sympathie voor hun doelstellingen op. Er was meer aan de hand in het door de Nederlanders en de zich op een lager hierarchies niveau bevindend Indisch Bestuur. Het Indisch bestuur had de handen vol aan de inlandse nationalisten en het veronderstelde ‘zedenverval’ onder de Hollanders en Indo’s. 

Na langdurige voorbereiding in het kader van een beschavingsoffensief werd eind 1938 de jacht geopend op homoseksuelen. Marieke Bloembergen schrijft hierover in – De geschiedenis van de politie in Nederlands-Indië – Het is een treurig makend relaas omtrent een grote groep mensen die voorheen vaak een onopvallende maatschappelijke positie in namen. Op 9 mei 1940 besloot de Indische regering dat de NSB voor bestuursambtenaren een verboden vereniging werd. H. Colijn, de toenmalige minister van Koloniën en minister president, had er steeds al op aangedrongen dat de regering in Indië in navolging van Nederland maatregelen zou nemen tegen de NSB-ambtenaren. 

Gouverneur-generaal Tjarda van Starkenborgh had dit geweigerd op grond van de redenering dat de Indische NSB geen gevaar voor de openbare orde vormde en loyaal tegenover het gouvernement stond. Na de Duitse aanval op Nederland gaf de gouverneur-generaal op 10 mei het bevel om alle Duitsers in Nederlands-Indië ter internering op te pakken. Op dezelfde dag nog werd in Bandoeng het kringhuis van de NSB bestormd en werden vijftien NSB’ers gearresteerd. In de dagen die volgden werden personen opgepakt die ervan verdacht werden lid te zijn van of te sympathiseren met de NSB. De NSB’ers werden het doelwit van een ware haatcampagne onder de bevolking en de Nederlandstalige pers in Indië. Er deden allerlei geruchten de ronde dat de NSB in Indië een vijfde colonne vormde die samenzwoer met de Duitsers teneinde zich meester te maken van het land. 

Het oppakken van NSB’ers gebeurde dan ook in een sfeer van achterdocht en willekeur. Mensen die een hekel hadden aan hun buren konden dezen aangeven; onder de gearresteerden bevonden zich dan ook verschillende mensen die nooit lid waren geweest van de NSB. Tekenend is het verhaal van J.E. Stulemeyer, die op Java in militaire dienst was en nooit lid was geweest van de beweging, en die door zijn buurman werd aangebracht nadat deze hem, teleurgesteld na het bericht dat de koningin naar Londen was uitgeweken, had horen zeggen: ‘Nu komen die moffen binnen en neemt de koningin de benen!’. Stulemeyer zou pas in 1946 worden vrijgelaten (Bron Nationaal Archief). Wij zien in het huidige Nederland die roep om ‘eigen volk eerst’ weer hernieuwd populair worden. Of het nu gaat om elkaar aangevende buren in het oude Indië of een meldings website over illegale of lastige Polen en die door Indo Geert Wilders in de lucht werd gezet. Hebben we dan niets geleerd van onze koloniale geschiedenis?

De sfeer van roddel en achterklap veranderde weinig nadat de Japanse bezetter in maart 1942 het bestuur over Java hadden overgenomen. De meer dan 15.000 Nederlands-Indische inwoners van Bandoeng kwamen in een zeer ongemakkelijke positie terecht. De inlandse bevolking werd door de Japanners een hogere maatschappelijke positie toebedeeld en de gezagsverhoudingen van ‘vroeger’ waren binnen een paar weken volledig veranderd. De Nederlanders en veel Indo’s raakten niet alleen hun bezittingen en hun salarissen kwijt. Voor het eerst in de koloniale geschiedenis van Nederlands-Indië werden zij afhankelijk van de Indonesische bevolking. De verbittering onder de in kampen opgesloten Nederlandse inwoners van Java werd almaar groter. 

Zij hadden immers te maken met een vijand waar zij maar heel weinig van zagen. Uit de vele kampdagboeken ademt vooral de sfeer van het uitzichtloze en machteloze opgesloten zijn in een benauwende micro samenleving waar oude normen en waarden ingeruild werden voor overlevingsgedrag. De verschrikkingen waren er niet minder om. De kampen waren veelal schoolgebouwen of fabrieksterreinen waar een Japanner de leiding over had en gesecondeerd werd door uit (door Japan bezet Korea) afkomstige Koreanen en door Indonesiërs die nooit eerder een hogere rang hadden gehad. Later in 1942 werden hele wijken door hoge bamboewanden (pagars) en prikkeldraad afgeschermd. Indo’s werden voor de keuze gesteld. Buiten het kamp blijven en je aanpassen of anders opgesloten raken achter de grote bamboewanden. Maar buiten de kampen werd het voor veel Indo's soms gevaarlijker dan binnen de kampen. Gevaarlijker door roddel, jalouzie én verraad.

1942 - Julie verveelde zich in het huis van haar moeder. Moeder Charlotte gaf leiding aan het personeel in de wasserij en het aantal Japanse klanten nam wekelijks toe. Julie bezag de Japanisering van de voormalige koloniale samenleving met lede ogen aan en had via een voormalige chef van de Bandoengse PTT ingestemd met voedselbedelingen en soms het verdelen van geldsommen aan met name zeer armlastige Molukse KNIL families in de wijk Tjiateul. “Je kwam dus niet in de buurt van de Papandajanlaan” vertelde Julie in 1986 aan een journaliste van de Volkskrant. Van het gesprek zijn cassettebandjes gemaakt. Julie komt sterk en kordaat over in de geschreven tekst van het artikel. 

De urenlange cassettebandjes laten een geheel ander geluid horen. Julie vecht vaak met haar emoties, huilt hard dan weer snikkend vertelend. Zij voelde zich verraden door het lot. En door mensen die in hun angst en gedreven door overlevingsdrift de namen van anderen aan de Japanse inlichtingendienst hadden doorgegeven. Natuurlijk was Julie op de hoogte van de roddels en achterklap in het dorpse Bandoeng. Er waren op Java geboren Nederlanders die hun huid trachten te redden door voor de Japanners te werken. 

Een van hen was haar volle nicht Deetje Heijligers. Een dochter van de broer van haar grootmoeder Jeanne Van der Steur-Heijligers. Julie en Deetje zijn beiden in 1920 geboren. Deetje een maand eerder. Van 1934 tot 1936 heeft Julie bij de familie Heijligers aan de Papandajanlaan 52 gewoond. Beide meisjes bezochten de zelfde middelbare school en zaten in de zelfde klas. Julie kon gemakkelijk leren maar Deetje was zeker niet dom maar snel afgeleid en weinig geconcentreerd. De moeder van Deetje had besloten dat de aanwezigheid van Julie gunstig zou kunnen werken op de matige schoolresultaten van Deetje. In 1936 behaalde Julie met hoge cijfers het eindexamen. Deetje was niet geslaagd. Haar moeder was hier zo boos over geweest dat Julie op stel en sprong het huis moest verlaten. Julie moest tegen haar zin bij haar moeder intrekken, in het grote huis van die norse mijnheer De Block en een moeder waar zij geen gevoelsband mee had.

Julie en Deetje zouden elkaar weer kort ontmoeten nadat Julie noodgedwongen in mei 1942 vanuit Soerabaya naar Bandoeng moest verhuizen. Tijdens een fietstocht op weg naar een voedseluitdeling passeerde Julie haar nicht Deetje. Het was een warme juli zaterdagavond en Deetje was op weg naar een dancing in Bandoeng. Zij hebben elkaar kort gesproken. Deetje was mooi gekleed en in gezelschap van een groepje Nederlandse vriendinnen en een aantal Japanse militairen. De stemming was vrolijk geweest. Het vrolijke gedrag van Deetje had Julie benauwd. Heulen met de vijand? Was dat wel gepast? 

Journalist Ralph Boekholt schrijft in november 1989 een bijzonder artikel in het Indisch Maandblad Moesson. Het artikel is in het bijzonder verzorgde digitale archief van de moesson.nl website te vinden. Het artikel betreft een Kort Geding wat Deetje Heijligers in 1989 heeft aangespannen tegen de auteur van een in 1988 verschenen boek van de hand van Jan Bouwer. Een in Bandoeng ondergedoken journalist die via buurtbewoners, de illegale radio en andere bronnen jarenlang een dagboek heeft kunnen bijgehouden. Op een ander blog Java Post kan men meerdere artikelen vinden over het dagelijks leven in Bandoeng buiten de kampen in bezettingsjaren en tijdens de Bersiap periode.

In een apart kader ‘HEULEN’ op pagina 2 van het artikel van Ralph Boekholt (het gehele artikel is hieronder afgebeeld) vraagt Boekholt zich af of het terecht is om meer dan 40 jaar na de oorlog één vrouw te ontmaskeren als spionne op basis van dagboekaantekeningen. Daarna stelt Boekholt dat als Deetje ‘fout’ is geweest dan zouden er volgens Boekholt duizenden ‘fout’ zijn geweest. Hij schrijft verder: en als zij écht ‘fout’ was geweest dan zou er toch toen al een rechtzaak en een veroordeling zijn geweest. Dit blog heeft als thema ‘verdringing en ontkenning’ en de gevolgen hiervan. Gevolgen voor de mensen zelf maar ook voor hun nabestaanden. In dat licht bezien is het interview met Deetje een beetje merkwaardig. Er worden namen in genoemd en geschreven over wél of niet bestaande radiozenders. Over de naoorlogse Nederlandse Inlichtingendienst de NEFIS, die Deetje nooit 'iets' gevraagd zou hebben. 

Deetje voelde zich vooral slachtoffer van de zo aanwezige roddel en achterklap. Ja, zij was naïef geweest en oppervlakkig. En zij vertelde eerlijk dat zij in een winkel aan de Bragaweg werkte waar veel Japanners kwamen. Maar van wie was die winkel. En waarom heeft zij zo ijverig Japans geleerd? Waardoor zij tijdens een kampperiode een ‘beter baantje’ op het kampkantoor kreeg. Medio augustus 1945 kwam Deetje vrij uit haar laatste kamp in Batavia. Het eerste wat zij deed was bij ‘bevoegde’ instanties zoals de ‘Australian Intelligence’ uitzoeken hoe dat zat met de ‘Australische Radio’ waar Jan Bouwer over had geschreven. Bouwer beschrijft dat de Australische radio op vrijdag 10 juli 1942 gewaarschuwd zou hebben voor ‘de praktijken van een zekere mej. Deetje Heijligers’ die er ondermeer van werd beschuldigd door de zeer gevreesde Japanse militaire politie te zijn geronseld om voor hen spionage werk te verrichten. 

Volgens Deetje kon de Australische geheime dienst in Batavia zich medio 1945 ‘niet voorstellen’ dat er in juli 1942 een uitzending door Australië was verzorgd. Deetje sluit na haar 'onderzoek' in Batavia voor zichzelf de kwestie af. Alsof een clandestiene en zelfs een mogelijk niet bestaande Bandoengse zender de voor Deetje zo ongemakkelijke waarheid niet zou hebben verkondigd. Jan Bouwer zal het allemaal wel gedroomd hebben. Het was echter deze zender, de ‘PKP Bandoeng’ waar Jan Bouwer en vele anderen naar luisterden;

- Call sign PKP, Bandoeng, transmitter built by PTT staff, one of whom had left for Australia with pre-arranged codes. Messages sent from July until November 42 and again in Feb-March 43. Radio destroyed before discovery.

Berichten uit o.a. Bandoeng werden verzameld en doorgegeven aan de sterkere Australische zender die vervolgens bereik had over geheel Java.

Is tijdens en ná elke oorlog ‘de waarheid’ niet het grootste slachtoffer? Deetje laat zich door Boekholt als een oppervlakkig en niet in politiek geïnteresseerde jonge vrouw neer zetten. Gelukkig heeft zij wel een heel goed geheugen en weet een redelijk sluitend verhaal te vertellen en doet voor alsof haar omgang met de Japanners slechts incidenteel was. Het betreft echter een periode van meer dan zes maanden. Eind november 1942 verdween ook Deetje naar een kamp. Zij heeft daarna, zoals veel anderen een zeer nare periode in verschillende kampen doorgebracht. In 1996 kreeg ik het verzoek van Julie die inmiddels al weer vier jaar in San Remo (It.) woonde om haar nicht Deetje op te zoeken in haar Amsterdamse appartement. Ik kende haar niet en Julie had geen huisnummer gehad. Na aangebeld te hebben werd de deur schielijk op een kier gezet. De kleine gestalte van Deetje vroeg met kleine onderzoekende ogen waar ik voor kwam. Ik mocht binnen komen. Het was een ruime maar donker gehouden flat. De inrichting deed wat Indisch aan met de vele grote en kleine planten. Opvallend waren de paar grote schilderijen aan de muur. Het was alsof de acrylverf extra licht gaf aan de woonkamer. 

Het waren niet al te best gelukte portretten van Elvis Presley de jong overleden Amerikaanse zanger. Deetje deed luchtig. ‘Ja wij houden nogal van Elvis’. Zij moest haar oudere zoon bedoeld hebben. En als hij dit verhaal zou lezen. Dan doe ik hem de groeten. Hij staat immers volledig buiten dit verhaal en schijnt een goed mens te zijn en voortreffelijke muzikant. Deetje verteld dat hij rechten zou hebben gestudeerd. De brief van Julie werd overhandigd. Deetje las de brief aandachtig. Julie en Deetje zouden beiden 76 jaar oud worden in dat jaar. Deetje zag er zeer verzorgd uit en deed wat ‘Haags’ aan met haar overduidelijk gesoigneerde gesprekstoon. Toch was ik blij dat ik de flat kon verlaten. 

Enige tijd later kreeg ik het verzoek van Julie om Dee, want zo noemde Julie haar op te halen van het vliegveld van Nice. Dee zou voor een dag of tien naar San Remo komen. Wij woonden in die periode gedeeltelijk in Amsterdam en in de buurt van Nice. Deetje zou aankomen met de vroege ochtendvlucht. Op het vliegveld aangekomen stond Dee al in de aankomsthal waar ook de koffers door een band uit de muur zouden verschijnen. Dee zag er wat moe en gespannen uit. Zij keek misprijzend naar de Franse mannen en mompelde: ‘precies wat ik dacht, zij lijken allemaal op criminelen’. Ik schoot in de lach. ‘Tante Dee?’ bent u hier al eens eerder geweest? ‘Nee, maar ik heb voldoende mensenkennis om dit soort gajus door te hebben’. 


Talmend bleef zij bij de bagage band staan. Haar koffer was er al. Er zou nog een grote zilveren schaal van de band moeten komen. Die was te groot geweest voor haar koffer. Het zou een cadeau voor Julie zijn. Na dertig minuten wachten zei Dee. ‘Kom laten wij gaan, die schaal zal wel nooit komen’. Maar tante Dee laten we dan even vragen waar die schaal is en anders aangifte doen? 'Ach laat maar kijk toch om je heen die schaal is allang gestolen'. Protesteren had geen zin en ik liet het er maar bij zitten. In de auto was Dee opvallend stil en keek nauwelijks naar buiten. Een gesprek zat er niet in. Het was een prachtige dag en het landschap tussen Nice en het 55 kilometer verder gelegen San Remo is beeldschoon. Dee bleef strak en peinzend voor zich uit kijken.

Aangekomen in San Remo daalde Dee voorzichtig de steile betonnen trap af naar het tegen een beboste en tussen de kleine kwekerijen gelegen huisje van Julie. Zij hadden elkaar sinds 1942 niet meer gezien. Na meer dan vijftig jaar later keken zij elkaar in de ogen en er was een afstandelijke omhelzing en toch dicht tegen elkaar aan. Er waren tranen bij Julie. Maar er blonk ook een licht vuurtje in ogen van Julie. Een vuurtje waarvan wij als kinderen al wisten, opletten. Bij mijn afscheid waren Julie en ik even alleen. Ma, zij wil vier maanden blijven, wist jij dat? Julie keek mij aan. 'O, dat zien we nog wel'. Een paar weken later. Dee was door de vriend van Julie al eerder die week naar het vliegveld gebracht. Waarom is Dee al weg, Ma? Julie schonk een borrel in en lachte wat mysterieus. 'Ach weet je, zij kon zich niet aanpassen aan onze vrienden'. 'Zij zat maar stil in haar stoel'. In de keuken stond een nieuwe, zeer grote koelkast met dubbele deuren. "Van Dee gekregen als vergoeding voor haar verblijf", vertelde Julie. 

Maar Ma zij is minder dan drie weken bij jou geweest, is dat niet een beetje te veel? Ach zei Julie, wij hadden nog iets anders te verrekenen. Het klonk wat onheilspellend. Ma, wat is er echt gebeurd tussen jullie? Julie deed wat chique en jonge meidenachtig. Zij was immers verliefd op haar Carlo, een veel jongere Italiaanse beeldhouwer. Toch kwam de ernst in haar ogen terug toen zij vertelde dat zij in de eerste week veel met Dee had gesproken over ‘vroeger’ in Indië. Over de oorlog en de Kempeitai. 

Het moet voor Deetje verschrikkelijk geweest zijn. Julie kan met haar feilloze intuïtie (zelf)bedrog en leugens van mensen fileren tot op het bot. Deetje moet zich naakt gevoeld hebben, eenzaam en beschaamd. Weet je : zei Julie. Het leven gaat ook over ‘vergeven, - maar niet vergeten' voegde zij bedachtzaam toe. Ik voelde mij niet bij mijn moeder op bezoek. Maar in de koffiekamer van een rechtbank. Waar de rechter even bijkomt met een borrel. Na de behandeling van een moeilijke en zeer oude zaak.

Wij hebben in Nederland een échte spionne gekend. Margaretha Zelle. In Nederlands-Indië heeft zij zich de artiestennaam Mata Hari aangemeten. Mata Hari betekend in het Maleis ‘Oog van de dageraad’ ofwel zon. Later zou Mata Hari bekend worden met haar exotische dansen die onder andere geïnspireerd waren op de Javaanse danstechnieken die Zelle in Magelang had opgedaan. Het is nooit duidelijk geworden of Mata Hari écht schuldig was. Maar zij had alle schijn tegen, en werd ter dood veroordeeld. De invalshoek van Ralph Boekholt was ‘ook de mooie spionne’ maar dan uit Bandoeng. Hierdoor heeft Boekholt een kans gemist om Deetje écht aan het praten te krijgen. 

Jan Bouwman heeft Deetje Heijligers nooit van spionage beschuldigd. Hij had het van horen zeggen. En publiceert zijn dagboek. Het Bandoengse publiek werd gewaarschuwd. Voor een zich dom en oppervlakkig voordoend meisje die zo dom was om zich in te laten met Japanse officieren. En later in een juwelierswinkel ging werken aan de Bragaweg. Ja, voorheen was de eigenaar een Nederlander met een Chinese partner. Maar die werden al snel in een van de vele Bandoengse kampen gestopt. Julie werd niet veel later gearresteerd door de zelfde Kempeitai waar Deetje toen nog zo vrolijk mee om ging. 

Leg dat ‘onschuldige uitgaan met Japanners’ maar eens uit aan je eigen nicht waar je samen meer dan twee jaar huiswerk mee hebt gemaakt. Had Deetje per ongeluk voor het verkeerde ‘oog van de dageraad’ gekozen? Die rode zon in de Japanse vlag. 


1941 - Al voor de Japanse bezetting werd de bevolking 
via kranten en radio geïnformeerd over de Japanners. 
Er werd vroegtijdig gewaarschuwd tegen het 
'heulen' met de Japanners

De Indische NSB krant 1936



Maart 1942 - Nederlands-Indië is bezet door Japan 
in kranten en op muren werd onderstaande proclamatie afgebeeld




Deetje Heijligers Moesson 15-11-1989



Julie - Volkskrant 8 december 1986

Julie - Volkskrant 8 december 1986


1943 Een kampbewoonster ergert zich aan het 
'beschamende gedrag van de Nederlandse vrouwen'


Julie, Italië 1996 in de periode dat haar nicht 
Deetje Heijligers op bezoek kwam


1932 - Mata Hari verfilming met Greta Garbo. 
Werd ook in de Indische bioscopen vertoond.


1907 - Mata Hari 
De Friese Margarethe Zelle heeft 5 jaar in Indië gewoond

1942 Kerstmis in Bandoeng, Calcutta en San Remo 1992 – deel 1


December 1942 - Het Huis van Bewaring in de Bantjeuj straat was een smerig en slecht onderhouden gebouw uit circa 1870. Het had al jaren eerder gesloopt moeten worden maar door onenigheid in de gemeenteraad was het nooit zover gekomen. Door de komst van de Japanse bezetters had een nieuwe functie gekregen. Enerzijds bleef het de vaste verblijfplaats voor beruchte criminelen en moordenaars die al voor de Japanse bezetters waren vastgezet. Anderzijds heeft het gediend als onderkomen voor ‘vijandig gezinde onderdanen’ die op lijsten voorkwamen en verhoord moesten worden. O.a. door de al snel berucht geworden Japanse militaire politie de Kempei Tai die kantoor hield in een schoolgebouw aan de nabijgelegen Heetjansweg. De Nederlandse mevrouw Wilhelmina van Kooten ook bekend geworden als spionne  ‘Nr. 30’ heeft tussen 1942 en 1945 flink meegeholpen met het aanleggen van namenlijsten die de Kempeitai goed kon gebruiken. Inmiddels werden in december 1942 ook de Europese vrouwen en kinderen naar burgerkampen gedirigeerd. Vanaf september 1943 tot 1945 was Bantjeuj een ‘burgerkamp’ waar in hoofdzaak niet–‘Europeanen’ als politieke gevangen werden opgesloten. Dat zal ook de reden zijn dat er zo weinig bekend is uit die periode. De naoorlogse ‘zwijgzaamheid’ van de Indo’s en ook de Ambonezen is kennelijk toen al begonnen. Vanaf de jaren ’50 van de vorige eeuw zou Bantjeuj opnieuw in de belangstelling komen als de locatie waar de later president geworden Ing. Soekarno op 31 december 1929 was ondergebracht in cel 5 om daar een jaar te verblijven. Dat er in Bantjeuj vanaf 1942 tot 1945 veel mensen als gevolg van uithongering en mishandeling zijn omgekomen staat in géén van de Indonesische geschiedenisboeken.

Bantjeuj bevond zich op nog geen 15 minuten lopen van de Merdikaweg waar oma Charlotte met de twee kinderen van Julie in de wasserij van Mijnheer De Block woonde. Na de zware verhoren begin december door de Kempeitai (Japanse militaire politie) was Julie een paar dagen vrij geweest en alsnog opgehaald en in een gemengde afdeling van Bantjeuj opgesloten. Een afdeling waar met name Ambonezen om politieke redenen werden vastgehouden. Op onbepaalde tijden werden zij opgehaald door de Indische politie of de Koreaanse bewakers om ‘verhoord’ te worden. Julie zou hun strakke gezichten nooit meer vergeten. Na de verhoren werden zij vaak meer dood dan levend terug gebracht en zo goed mogelijk door de medegevangen verzorgd. Pas na meer dan vijftig jaar kon Julie kortaf en met ingehouden emoties vertellen over de gemartelde Ambonezen die na de verhoren het leven zouden laten in het schemer van de slecht verlichte ruimte. Het waren vaak intense momenten als de stervende mannen hun hoop uitspraken dat hun familie en kinderen het ooit nog goed zouden hebben als die ‘rot oorlog’ voorbij zou zijn. Het was hun onvoorwaardelijke liefde voor God en Vaderland die grote indruk op Julie hadden gemaakt. Het merendeel van de gevangen genomen Ambonezen waren KNIL militairen die trouw hadden gezworen aan Koningin Wilhelmina en hierin zo onverzettelijk bleken te zijn dat de Japanners hen als een groot gevaar zagen.

In 1992 braken er op Ambon hevige onlusten uit gericht tegen de komst van de eerste Islamitische Gouverneur op Ambon. De Christelijke Ambonezen voelden zich diep gekwetst en bedreigd door deze politieke zet van President Soeharto om via deze vorm van Islamisering alsnog in het zadel te kunnen blijven. Door de berichtgeving in de internationale kranten kwamen bij Julie de beelden uit de Bantjeuj gevangenis weer naar boven. De beelden van de dappere Amboneze mannen die in haar schoot waren gestorven of met een strakke maar ongebroken blik naar boven hadden gestaard en met hun handen op hun rug gebonden gewacht hadden op het zwaard wat met een zucht hun hoofd van hun lichaam zou scheiden. Julie en haar medegevangen moesten de onthoofdingen verplicht aanzien op de schaars verlichte binnenplaats. Niet kijken zou betekenen dat zij het zelfde lot zouden ondergaan. Nadat Julie eind februari 1943 vrij kwam heeft zij besloten om de twee kinderen bij haar moeder achter te laten en schielijk uit Bandoeng te verdwijnen. Zij zou jarenlang op de vlucht blijven uit angst voor de Kempeitai. Julie heeft vanuit haar huisje in San Remo eind 1992 een serie emotionele oproepen geschreven aan o.a. het adres van Amnesty International opdat Amnesty toch vooral veel aandacht zou schenken aan het lot van de vervolgde christelijke Ambonezen op Ambon en de andere Molukse eilanden. 

Pas rond de kerstdagen van 1942 mocht haar moeder wat eten komen brengen. Oma Charlotte had Julie’s oudste zoontje meegenomen. Die zal zeker niet vergeten zijn dat het pannetje met eten door het grote hek aan de straatkant door een sterk vermagerde en diep verdrietige Julie werd aangenomen. Het waren die spaarzame en korte momenten dat Julie zich wél verbonden zou voelen met haar moeder. Vele jaren later zou haar ouder geworden moeder het zelfde doen. Julie had inmiddels een groot en druk gezin. Haar moeder woonde in het grote gezin van Julie en zou bij gelegenheid Julie van kleine Indische hapjes voorzien als Julie weer eens een periode had van hoge concentratie die nodig was om de huishoudkas aan te vullen. Julie sloot zich dan op in haar kleine ‘kantoortje’ om een reclame campagne af te werken waar een ‘dead line’ aan kleefde. Het waren dan die kleine Indische lekkerheden van oma Charlotte die haar op de been hielden. Net zoals toen, kerstmis 1942 in Bandoeng.

Er zullen in de schemerige ruimte van de Bantjeuj gevangenis zeker momenten zijn geweest dat Julie aan haar vader Ferdinand gedacht zal hebben. Al jaren had zij niets meer van hem gehoord. Zij wist dat hij in India woonde. En dat hij manager was van een suikerfabriek in de buurt van de Indiase stad Allahabad. Zijn laatste brieven waren van ver voor 1940 geweest. Het zou hem goed gaan had hij geschreven en weinig meer. Natuurlijk had hij ook geschreven dat de oorlogsdreiging ook veel onrust in India had gebracht. De Indiërs roken net zoals de Indonesiërs een mogelijke bevrijding van het koloniale bewind en in beide koloniën werden de krachten gemobiliseerd om juist het koloniale bewind in stand te houden of er tegen in verzet te komen. De internationale postverzorging in beide koloniën werd hierdoor onder toenemende censuur geplaatst maar ook de internationale zeevaart ondervond al grote moeilijkheden waardoor de postbezorging grote vertraging opliep en veel postzakken gewoonweg niet meer bezorgd konden worden. Pas in 1998 zou Julie enigermate gaan weten hoe het haar vader Ferdinand was vergaan vanaf 1940. De vaste lezers van dit blog weten inmiddels wel dat Ferdinand in november 1900 in Soerabaya is geboren als zoon van een in Amersfoort geboren stuurman Adriaan Hendrik van der Steur die in december 1899  in Soerabaya zou trouwen met Jeanne (Joanna Carolina Elisabeth) Heijligers. Een dochter uit een hoogstaand militair geslacht wat zich al voor 1850 op Java gevestigd had en veelal woonachting waren in Batavia, Djokja en Solo. Vanaf circa 1850 zouden nakomelingen ook hoge ambtelijke posities gaan in nemen als rechter, deurwaarder, leraar of anderzijds.

Ferdinand groeide op als enig kind in Soerabaya en later in Bandoeng en heeft zijn vader weinig gezien. Adriaan werd in 1901 ernstig ziek (depressief) opgenomen in de Centraal Burgerlijke Ziekeninrichting van de buitenplaats Lawang. Daar bevond zich ook een ‘Krankzinnigen afdeling’. De oorzaak van de depressiviteit laat zich enigszins raden. In de voorgaande periode had Adriaan al eerste machinist op een ‘opiumjager’ van de Gouvernementele Marine gewerkt. In die jaren was Nederland de grootste opiumproducent van de wereld en om de opiumsluikhandel tegen te gaan werden er speciale schepen ingezet om de illegale opium smokkel te bestrijden. In de voorgaande jaren was Adriaan al herhaaldelijk van positie veranderd en leek het nergens lang vol te kunnen houden.  Kennelijk was de spanning die rond de opiumjacht hem te veel geworden. Uiteindelijk is Adriaan meerder malen opgenomen geweest en is zonder vrouw en kind op langdurig verlof gegaan naar Nederland. In 1907 zijn Adriaan en Joanna per post gescheiden vanuit Den Haag. In hoeverre Ferdinand heeft geweten dat hij in 1912 een halfbroer (Frits) heeft gekregen weet ik niet. Ferdinand zal vermoedelijk wel hebben vernomen dat zijn vader in 1914 en 46 jaar oud na een storm en het vergaan van zijn schip begin oktober levenloos op het strand bij Wijk aan Zee was gevonden. 

Ferdinand bleek een levendig en intelligent kind te zijn. Ondanks de afwezigheid van zijn vader en de aanwezigheid van een zeer dominante moeder verliep zijn lager school periode en zijn scholing op de Christelijke HBS zeer voorspoedig. Zijn grote belangstelling voor stoommachines en stoomtechniek zou zeer van pas komen bij zijn opleiding tot machinist van suikerriet verwerkende machines die over geheel Java verspreid te vinden waren in de meer dan 100 suikerondernemingen. Op negentienjarige leeftijd ontmoet Ferdinand in de Suikerfabriek Poerworedjo de 23 jarige Nederlands-Indische Charlotte Deuning en hun eerste kindje wordt in december 1920 geboren. Zij trouwen in januari 1921 en in 1922 wordt hun zoontje Gerardus (Boy) geboren en heeft Ferdinand een goed betaalde positie als tweede machinist van de Suikerfabriek Delanggoe verworven. Door verdere studie behaalt hij elk jaar nieuwe ‘suiker diploma’s’ en wordt ook actief binnen de Bond van Suiker Geëmployeerden’ en verwerft hiermee aanzien en status als ‘notabele figuur’. Na aanvang van de grote economische wereldcrisis vanaf 1929 verslechterde de export van de suiker en in 1932 raak ook Ferdinand zijn positie en bedrijfswoning kwijt. Hij bracht zijn vrouw Charlotte en de twee kinderen in een veel kleinere en eenvoudige woning onder en in het buitenland op zoek naar werk. In 1933 vertrok hij naar de Filippijnen en in na enige maanden vond hij een nieuwe betrekking in West Bengalen en liet Charlotte overkomen. Hun relatie was al onder druk komen te staan door het veel lagere inkomen en Charlotte voelde zich bijzonder ongelukkig in het door de Engelsen overheerste India en kon ook slecht uit de voeten met de Indiase mentaliteit die zo verschillend was van hetgeen zij als Indo-europese uit de hogere middenklasse  op Java gewend was geweest. Na enige maanden was zij al weer terug op Java en bracht Julie onder in een pleeggezin en haar zoon naar het Instituut van  Pa van der Steur en trok zelf in bij een oudere zus die een pension beheerde in Bandoeng. Het gezin was in 1936 definitief uiteen gevallen.

De liefhebbende vader was een verre vader geworden. Ook Ferdinand zal zich ongelukkig gevoeld hebben maar wist dat goed te verbergen (weg te drukken?). In oktober 1936 werd de scheiding definitief uitgesproken terwijl Ferdinand nog in Allahabad verbleef. In december 1936 reisde Ferdinand naar Java en verbleef een week in het bekende Bandoengse Hotel Homan. Daar vertelde hij opgetogen over zijn nieuwe liefde. Een beeldschone jonge Engelse vrouw die zwanger zou zijn van hun eerste kindje. Julie was blij geweest voor haar vader en had ook genoten van zijn aanwezigheid. Het zou de laatste keer zijn dat Julie hem zou zien. De vader die zij in de jaren die volgenden zocht was het beeld van een gelukkig ogende jonge zesendertig jaar oude man. Pas in 1998 zou Julie na een eerste ontmoeting met haar halfzus die in 1937 in Calcutta werd geboren, gedeeltelijk horen hoe het haar vader was vergaan vanaf die laatste dagen in Bandoeng 1936.

Door oudere brieven uit het dossier van Julie en de meer recente contacten met de andere halfzusters en broers van Julie maar ook door het snuffelen in wereldwijde archieven werd steeds opnieuw duidelijk dat economische crisissen en oorlogen de mensheid enorm in beweging kan brengen. Als verdriet (en verdringing) een beest is wat diep onder de huid verborgen kan blijven en in onuitspreekbare trauma’s of onbegrepen lichamelijke klachten vertaald word of als het geheugen opspeelt. Dan lijkt het overlevingsinstinct het lange tijd te winnen van het verdrietige beest wat toch nog onverwacht opspeelt na zich zo lang verscholen te hebben. Dan uit het verdrietige beest zich niet alleen met tranen, er komen ook boosheid en soms kleine of grote woede mee. Maar ook de wens om erkenning en of genoegdoening. 

De kerstdagen waren voor Julie altijd een belangrijk feest gebleven. Een feest waarop zij vooral de wereldvrede wilde vieren. Na haar scheiding in 1992 gunde Julie het verdrietige beest meer vrijheid. Zij vierde de kerstdagen na een vijfenveertig jaar durende relatie geheel alleen. Julie liet haar verdrongen herinneringen vrijelijk toe. Julie schreef hierdoor veel brieven aan haar kinderen, aan haar ex-echtgenoot en begon oude ook rekeningen te vereffenen. Hierin leek zij in het geheel niet op haar vader Ferdinand of op haar moeder Charlotte. Als geen ander ging Ferdinand verdriet en tegenslag uit de weg en begon telkens opnieuw een nieuw leven zonder het vorige leven voldoende af te ronden. Hierin verschilde hij niet veel van de andere grootvader. De vader van Julie’s tweede echtgenote die net als zijn vader Anton genoemd werd. Lees meer over Ferdinand die zich vanaf 1937 Peter liet noemen in het volgende blog artikel.


Het Huis van Bewaring Bantjeut - Bandoeng - Penjara Banceuy Bandung



Banceuy Bandung - Bantjeut Bandoeng




Bandoeng voor de Japanse bezetting in 1942





19 dec 1942 De blijde aankomst in het Tjihapitkamp - Bandoeng'




Sakit betekend ziek in het Japans

De hygiëne in de kampen was gebrekkig. Er was een tekort aan water, zeep en schoonmaakmiddelen. De afvoer van de wc’s gaf problemen en… stank. Ziektes kregen in zo’n omgeving volop de kans. Maar medicijnen werden amper verstrekt. Dysenterie, buikloop, kwam vaak voor. Door ondervoeding hadden veel mensen hongeroedeem. In sommige kampen was aan het eind van de oorlog 1/3 deel ziek. Van de 140.000 geïnterneerden overleden er 20.000.




Vlak voor haar vertrek naar Nederland op 24 oktober 1946 met de Ms. "Klipfontein". Heeft Julie die in Indië Jill of Jilly werd genoemd een zeer gedecideerde afscheidstekst in de krant laten opnemen. De afkorting  p.p.c. staat voor 'pour prendre congé'. Alhoewel haar moeder ook op het zelfde schip meereisde heeft Julie haar naam niet in de advertentie opgenomen. Haar moeder had het tweede kindje Teddy tijdens de  bezetting aan een andere vrouw gegeven. Na een maandenlange en zeer verbeten strijd heeft Julie haar zoontje tenslotte terug gekregen. Pas tijdens de wekenlange reis naar Nederland zijn moeder en dochter weer enigermate tot elkaar gekomen. 





Vanaf 1947 kwamen er in Indië processen op gang. Uit onderstaand artikel blijkt opnieuw dat ook de Indonesiërs vaak zeer heftig tegen de Ambonezen gekant waren geweest tijdens de Japanse bezettingsjaren.





Kenpei spionne No. 30



                                                        
 







1962 – Geslaagde assimilatie uit een verloren land en een oranje klysma met een vlaggetje.

In 1962 zijn Anton en Julie vijftien jaar samen en tien kinderen verder die allen vooral uiterlijk, een flink scheut Indo bloed hebben. Door de steeds beter draaiende economie gaat Anton beter verdienen en haalt Julie steeds vaker kleine reclamewerk opdrachten binnen. De assimilatie van Julie lijkt geslaagd te zijn. Haar Indo uiterlijk is niet meer het eerste onderwerp van gesprek, haar kwaliteiten als ontwerpster en tekstschrijver lijken het winnen. Het oude Nederlands-Indië is geen dagelijks nieuws meer en de geschiedschrijving moet nog op gang komen. Het vooral politieke idee, dat Indo-Europeanen uit bijvoorbeeld Java het ook hartstikke leuk in Nederlands-Nieuw-Guinea zouden hebben wordt eindelijk losgelaten. Ook in economisch opzicht bleek Nieuw-Guinea niet zo'n pracht inkomstenbron te zijn als de voormalige koloniën. 

Het inzicht dat Nederland als kolonialisten/imperialisten heeft gefaald zou pas vele jaren later op gang komen. Er wordt in 1962 hard gewerkt aan een veel belovende toekomst voor Nederland, op eigen kracht en zonder de geweldige inkomsten uit voorheen Nederlands-Indië. De druk op Nederland door o.a. Amerika om Nieuw Guinea los te laten zal op 15 augustus ’s avonds om 20.00 uur met een internationaal akkoord bezegeld worden. Een dag eerder sneuvelt de 20 jarige Peter Mannie in de buurt van Sorong. Hij zou de laatste  Nederlandse militair zijn die in ons ‘oude Indië’ zou omkomen. Uit het artikel uit de Panorama van 1982 blijkt opnieuw dat de Nederlandse regering buitengewoon slecht om weet te gaan met de persoonlijke gevoelens en het verdriet van de achterblijvers.

Ook op 15 augustus, maar dan in 1945 capituleren de Japanners. Julie hoort het nieuws pas meer dan een week later op haar schuiladres in Batavia. In de voorgaande maanden had zij ziek en sterk vermagerd ondergedoken gezeten in het achterhuis van Cililitan Besar. Het in 1775 door Laurens van der Crap gebouwde Landhuis Kampong Makassar. Tijdens de Japanse bezetting was het landhuis in gebruikgenomen door Japanse militairen en kampleider Kapitein Tanaka had door bemiddeling van Julie’s school vriendin Marie uit Bandoeng, toestemming gegeven aan Julie, om zich in de periode mei-juni-juli-augustus 1945 in een hok naast de keuken van het oude landhuis op te mogen houden. Hij was bang geweest dat Julie tuberculose zou hebben en hij wilde haar daarom niet in het nabijgelegen kamp hebben. Julie zal toen niet hebben geweten wat zich in de voorgaande jaren in het nabijgelegen interneringskamp Makassar afgespeeld zal hebben. Julie was als Indo niet in een kamp opgesloten. Zij was op basis van haar etnische afkomst een buitenkamper. Het waren immers de Japanners die duidelijker dan voorheen de Nederlanders, een indeling hadden gemaakt wie wel en niet Europees (totok) zouden zijn en daardoor geïnterneerd dienden te worden. 

In het op de Javapost.nl opnieuw gepubliceerde artikel ‘Allerminst een feest’  van Frits J. Suyderhoud wordt een bangsa (afkomst) indeling gehanteerd met name voor de regio Bandoeng. Julie zal de afkomst van haar moeder Charlotte gebruikt hebben om als Indo 3 of 4 haar Pedafteran ofwel haar persoonsbewijs geldig te laten verklaren. Op de foto’s onderaan de pagina twee afbeeldingen van het in Japans-Indië tussen 1942 en 1945 verplichte persoonsbewijs. Lees meer op de website van het NIOD over persoonsbewijzen. De grootvader van Julie van de kant van haar moeder Charlotte Deuning had er reeds in 1896 op toegezien dat zijn Inlandse vrouw ‘gelijkgesteld’ zou worden met de Europeanen. De vader van Julie was geheel en al van Nederlandse afkomst. Haar grootouders waren A.H. Van der Steur en J.C. Heijligers. Julie kende behalve veel Indo- en Indonesische families ook veel Arameense en Chinese families in Bandoeng, Cheribon, Soerabaya en Batavia en sprak altijd met warmte en respect over hen.

Behalve de Chinees-Indische Eddy Lie schrijft ook Mr. Dr. Patricia Thiook-Liem in een Indische School les de toenmalige situatie als volgt; - citerend. “Niet alle buitenlanders die in Nederlands­-Indië waren gevestigd werden Nederlands onderdaan. Alleen zij die in Nederlands­-Indië waren geboren uit ouders die daar waren gevestigd verkregen het Nederlands onderdaanschap. Vanaf 1910 kon de staatkundige positie van de bevolking van Nederlands­Indië onderscheiden worden in die van 
a) Nederlanders (personen die de Nederlandse nationaliteit hadden), 
b) niet-Nederlanders die Nederlandse onderdanen waren (personen die niet de Nederlandse nationaliteit bezaten, maar in Nederlands­Indië waren geboren uit ouders die daar waren gevestigd), en 
c) vreemdelingen (personen die niet onder a of b vielen en een andere nationaliteit hadden, zoals Chinese en Arabische nieuwkomers, Belgen, Duitsers etc.).
Nederlanders en Nederlandse onderdanen konden op grond van hun staatkundige positie (nationaliteit) buiten Nederlands­-Indië aanspraak maken op bescherming van de Nederlandse staat. Binnen Nederlands­ Indië was hun rechtspositie echter afhankelijk van hetgeen art 109 RR en later art 163 IS bepaalde”.

Julie zal zich in het broeierige en kapotte Batavia op 15 augustus 1945 niet bezig gehouden hebben met haar staatkundige positie. Zij zal zich verbaasd hebben dat zij kon gaan en staan waar zij maar wilde. Maar waar kon zij heen? Nog niet naar haar kinderen in Bandoeng. Zij moest zich eerst op de hoogte stellen van de reismogelijkheden. Terug naar het Sakurai-kantoor van haar vriendin Marie (Marie had een Japanse moeder en Hollandse vader) was geen optie. De winkel annex groothandel voor Japanse militairen was een object voor plundering geworden. Dit kantoor mag niet verward worden met de beruchte Sakura Club. Nadat Soekarno op 17 augustus 1945 de onafhankelijk van Indonesië had geproclameerd werd het ook voor Julie steeds duidelijker dat haar status als Indo-europese wel eens een groter nadeel dan haar voormalige status onder de Japanners zou kunnen zijn. In de voorgaande jaren had zij zich kunnen redden door uiterst onopvallend en zich met nadruk als Indische in Inlandse kleding door het straatleven te begeven. 

Bij gelegenheid is Julie enige malen naar Bandoeng afgereisd in een geleend uniform van de Japanse winkel waar haar vriendin Marie ook gewerkt zou hebben. De anti-Nederlandse leuzen op de radio en later op de muren en overgekalkte Japanse propaganda borden en de protesten op straat zagen er op toe dat Julie zich opnieuw zeer behoedzaam zou gaan gedragen. Op 18 oktober 1945 werd Julie op weg naar het treinstation van Jakarta alsnog door de Indonesische Politie opgepakt en per vrachtwagen naar Cheribon afgevoerd. Julie zou noodgedwongen meer dan zeven maanden in de Oude Boei gevangenis verblijven. Later zou de Nederlandse regering ook deze gevangenis als ‘beschermingskamp’ bestempelen. Hierdoor was er geen sprake van een ‘oorlogsgevangen kamp’ en zou men aldus ‘beschermd’ zijn geweest door de Nederlandse regering en zou men geen recht hebben op enige vorm van ‘uitkering’. 

Julie zou na haar vertrek naar Nederland nooit enige aanspraak maken op ‘enige vorm’ van uitkering. Zij was haar echtgenoot, haar huis, haar inboedel, haar spaargeld en veel familie kwijt geraakt. Julie koos er voor om te zwijgen over het verleden en het vergeten te laten ondersteunen door bijna jaarlijks zwanger te zijn van haar nieuwe totok echtgenoot.

Vijftien jaar later woont Julie in Nederland in een doorzonwoning met tien van haar twaalf kinderen en haar Hollandse echtgenoot. Julie heeft genoeg van de relatieve armoede en heeft in de voorgaande jaren ontdekt of moeten inzien dat zij zelf het voortouw moet nemen in haar huwelijk. Door de toenemende welvaart en de zich nog voorzichtig ontwikkelende ontzuiling van de Nederlandse gemeenschap. Assimileert en emancipeert Julie naar een gelijke positie met haar echtgenoot Anton. Door te reageren op een personeels advertentie waarin door een Nederlands-Duitse tuinbouw organisatie een voorlichter wordt gevraagd worden beiden aangenomen als één personeelslid. Anton spreekt immers onvoldoende Duits en Julie spreekt en schrijft vloeiend Duits als gevolg van haar stenografen opleiding in het Nederlands-Indië van voor de tweede wereldoorlog. Een extra meevaller voor de Nederlands-Duitse werkgever is het contract. Julie bedingt dat het voorlichtingskantoor niet in Zwolle maar in haar woonhuis te Aalsmeer wordt gevestigd. 

Daarnaast opteert zij voor een wettelijk basisloon inclusief onkostenvergoedingen en als extra dat  zij de nodige reclame campagnes mag ontwerpen en uit laten voeren. Kerntaak is de promotie van turfstrooisel als bemesting van tuinen en perken door geheel Nederland. In de praktijk blijkt dat de Duitsers en niet de Nederlanders het voor 90% voor het zeggen hebben en dat zij zeer gecharmeerd van de exotisch ogende, maar toch zo zakelijk Nederlandse Julie zijn. Anton spreekt weliswaar weinig Duits maar komt groot en krachtig over. De Duitsers zijn zeer ingenomen met het voortvarende echtpaar. Als extra artikel wordt een verkoop percentage van elke verkochte turfbaal (groot of klein) in het contract opgenomen. Pas veel later zouden de Duisters spijt krijgen van dit verkoop percentage. Julie wist met helderziende blik dat Nederland ‘klaar’ was voor groene tuinen en veel beplantingen. Binnen vier jaar zouden Julie en Anton bijna alle beschikbare turfstrooisel in Nederland en West Duitsland weten te verkopen. Na een korte aanlooptijd waarin nieuwe ontwerpen voor de turfverpakkingen werden goedgekeurd en Anton met een nagesynchroniseerde Duitse voorlichtingsfilm het land door zou gaan reizen nam beetje bij beetje ook de welvaart binnen het gezin toe. 

De kinderen kregen nieuwe kleding en echte schoenen en als Anton en Julie voor ‘Turf’ besprekingen naar Drenthe of Duitsland afreisden dan kwam er bij terugkeer soms echt ‘turfgebak’ op tafel. Een slagroomlekkernij met een jasje van lichtbruine chocolade in de vorm van een liggende turfbaal. Omdat het afgesloten contract niet op urenbasis was gebaseerd kon Julie naast haar ‘Turf’ werk ook andere reclame klussen aannemen hieruit ontstond een samenwerking met de toen al bekende reclamemaker Hans Ferrée. Regelmatig kwamen Hans Ferrée en zijn vrouw Edith bij ons thuis. Julie bloeide door hun creatieve invloed enorm op. In 1963 werd de bijkeuken omgebouwd tot kantoor en reclamebureau. Julie kreeg het zeer druk en Anton was steeds meer uren onderweg met zijn voorlichtingsfilm. Hij bezocht met name plattelandsvrouwen verenigingen en Julie bedacht daar later ook voorstellingen voor lagere scholen bij. De leerlingen zouden dan immers enthousiast aan hun ouders vertellen dat turfstrooisel zo schoon en makkelijk voor thuis in de tuin zou zijn. Het leek zo te zijn dat Julie na de moeilijke beginjaren zich ‘gesettled’ voelde. 

Toch was het vreemd voor ons dat de altijd zo anti-Duitse Anton 'opeens' met de Duitsers ging samenwerken. Julie had dat soort anti-sentimenten niet. Zij kwam immers uit Indië en had meer moeite met Japanners. Ondanks het feit dat Julie en Anton weinig tijd hadden voor de grote kinderschare die regelmatig om aandacht vroeg, had Julie het idee dat het dat het gezin op rolletjes liep. Zelf kijk ik haar anders op terug. Er was enerzijds een grote bewegingsvrijheid voor de oudere kinderen anderzijds ontbrak het ook aan sociale controle. Ouderavonden werden nauwelijks bezocht door Julie of Anton en er was ook te weinig tijd voor affectieve aandacht voor de groter groeiende kinderen. Natuurlijk realiseerden wij als grotere kinderen, dat Anton en Julie hard aan het werken waren voor ons welzijn maar er waren momenten dat wij innerlijk zeer eenzaam konden zijn. 

Eind april 1963 was Anton op zondagbezoek bij familie in Den Helder. De drie oudere jongens waaronder ik, mochten mee. Eenmaal in Den Helder aangekomen kregen wij wat zakgeld om een zakje patat frites te kopen. Bij de houten snackkraam in het centrum van Den Helder zakte ik na het eerste patatje in elkaar en werd door een vriendelijke, passerende automobilist naar een huisarts gereden die constateerde dat ik een acute blindedarmontsteking zou hebben. Na overleg met Anton werd ik opgenomen in het Marinehospitaal van Den Helder en nog de zelfde avond geopereerd.

In die jaren betekende een operatieve ‘appendix’ ingreep nog  een lange en flinke snee in de buikwand. En ik werd maandagochtend wakker met een enorme pleister over een dikke bobbel op mijn elfjarige buik. Er was niemand van de familie behalve een streng kijkende non met een witte reuze kap op haar hoofd die vroeg hoe het met mij ging. ’s Avonds kreeg ik bezoek van de oudere broer van mijn vader, oom Jo. In mijn beleving was hij een vriendelijke en warme man. Zo anders dan mijn vader. Hij is drie keer langs geweest en ik zou bijna 20 dagen ‘opgenomen’ blijven. De operatiewond was gedicht met stalen krammetjes en eerst moest de wond voldoende dichtgroeien en dan konden de krammetjes met een koud tangetje losgemaakt worden. Op de zaal lagen in mijn ogen oudere mannen met flinke verwondingen. Een man had zijn neus verloren tijdens een valpartij op een marineschip en er waren mannen met gebroken benen en armen of hadden een zware tropeninfectie. Een jongere matroos wilde weten of ik uit Indië kwam en trok ook de dekens weg om te kijken hoe ik er van onderen uitzag. Ik lag met een geleend hemd aan, verder was ik naakt. 

Voor een elfjarige een kille, sombere, soms beangstigende en altijd naar een sterk schoonmaakmiddel ruikende omgeving. De nonnen waren streng en afstandelijk, zij moesten de immers de woeste zeelieden onder bedwang houden. Met name de Hoofdzuster boezemde mij angst in. Op vijf mei ‘bevrijdingsdag’ kwam zij nogal dreigend en gehaast met een groot dienblad met oranje puddinkjes met een vlaggetje aan mijn bed staan. “Wil je een klysma?” vroeg zij. Ik dacht dat de puddinkjes een klysma waren en vond het zo’n vreemde naam dat ik nee heb geschud. Hoofdzuster liep door. Aan het eind van de dag kwam er een andere zuster vragen of ik geen klysma wilde. Ik zei toen dat ik niet van oranje pudding hield. Deze zuster begreep het. Zij legde mij uit wat een klysma was en ik werd na vele dagen bevrijd van een overvolle darm. Het was bevrijdingsdag 5 mei 1963.

Anton en Julie hebben om begrijpelijke redenen nooit tijd gehad om de  lange reis van Aalsmeer naar Den Helder te maken om één kind op te zoeken. Voor mij was het de tweede keer dat ik in een ziekenhuis lag. Deze keer was het anders ik lag niet in coma zoals in 1958 maar was deze keer bij vol bewustzijn en voelde me eenzaam en verlaten. Eenmaal thuisgekomen had ik nog weken nodig om bij te komen van de toch wel forse aanslag op mijn lijf die een operatie in die dagen inhield. Het koste mij grote moeite om de draad weer op te pakken, thuis én op school. Julie vertelde mij dat ik dóór moest zetten, en vergeten. Dan zou ik me vast beter gaan voelen. Ik was immers een échte Hollandse jongen. Op straat werd ik niet meer voor pinda, of Indo uitgescholden. Ik kreeg een nieuwe bijnaam. In de snackbar vlak bij school had de eigenaar ‘Carlos’ in z’n opschrijf boekje geschreven. Pas na enige maanden zag ik dat. Ik vroeg hem; waarom? Oh, omdat je uiterlijk op een Spaanse gastarbeider lijkt. Dat was kennelijk de nieuwe groepering in Nederland die cultureel racistische opmerking kreeg te verduren. De Indo’s leken redelijk tot zeer goed geassimileerd en er waren zelfs populair door hun muzikaliteit Anneke Gronloh zong nu over brandend zand en een verloren land (Indië ?) en niet meer over Bengawan Solo. De Indo broers, de Blue Diamonds waren zelfs al reuze populair in Duitsland. De Tielman Brothers pakten het wat ruiger aan.

In de volgende blog bijdrage een integraal opgenomen artikel wat Julie november 1963 voor het Indo Magazine de Tong-Tong had geschreven. 

Het Marinehospitaal in Den Helder

de auteur van dit blog als 11jarige 
- zomer 1963


Julie vertelde in 1986


Julie vertelde over vluchten en de opvattingen van haar moeder

Soerabaya straatbeeld 1900 - Chinese en Inlandse bewoners 

Chinees familieportret

Indo-europeese familie





Het was allerminst een feest - in Bandoeng 1942

1925 - Vergunning tot vestiging in Nedrlands-Indië
Bijzondere kenteekenen : pokdalig

vergunning verleent aan Kim ... uit China op 9-12-1925

Kim uit China in een wat groter formaat

2009 - Eddy Lie 'De aanpassing' 
koop het boek want er zit nu een lintje omheen

De achtercover zou moeten overtuigen en internet is ook niet alles


De Nieuw-Guinea doofpot

De begrafenis van Wilhelmina in 1962

Jaaroverzicht 1962