Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of  begin 2018
Posts tonen met het label Bandoeng 1942. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bandoeng 1942. Alle posts tonen

DNA 5 deel 2 - Ferdinand Pieter van der Steur - Suikerman in hart en nieren 1900 - 1973

Het vervolg op deel 1 over Ferdinand Pieter van der Steur is nog 'in de maak'. 

Graag zou ik de dossiers in kijken die zich in het Nationaal Archief bevinden.

Er zijn echter allerhande restricties en aanvraag procedures. Als ik toestemming krijg dan mag ik de dossiers eventueel 'ter plaatse' in zien en moet dan toestemming vragen als ik mijn bevindingen wil publiceren. 

Er bevind zich ook een dossier over Julie. Waar de zelfde procedure voor nodig is. 











Zenuwzwakte en racisme en Ferdinand wordt verliefd op Charlotte in Nederlands-Indië


‘Zo leuk was het allemaal heus niet geweest’ hierbij doelde Julie op de grote groepen oud-Indiëgangers en Indo’s die na de tweede wereldoorlog dus vanaf 1945 naar Nederland waren gekomen, en die volgens Julie aan ‘verheerlijking’ deden. De geschiedenis van Julie is door haar relativerende geslotenheid en stille verdriet incompleet. De foto’s en andere afbeeldingen uit het oude Nederlands-Indië zijn ‘momentopnamen’ van een tijd die al weer lang achter ons ligt. Beelden van grote huizen met ruime terrassen omgeven door tropische planten. Met poserende volwassen en kinderen in tropenkleding met soms een aantal inlandse bedienden die zijdelings op de foto staan en wat onzeker kijken. 

Julie had een blanke grootmoeder en grootvader van de kant van haar vader. Het enige kind van haar grootouders was haar blanke vader. Julie had een vader die in Soerabaya op Haagse wijze werd opgevoed en naar de Hollandse lagere school en de Hollandse HBS beiden in Soerabaya werd gestuurd. Als hij na school naar huis kwam was er zijn lieve baboe die hem als kind jaren lang waste en naar bed bracht. En hem fijne hapjes toestopte die zijn moeder verbood. De lieve en warme baboe was zo anders als zijn strenge en afstandelijke moeder. De baboe van Ferdinand kon lief troosten. 

Toen Ferdinand ver van zijn moeder en baboe aan zijn eerste baan begon als negentien jarige assistent-machinist op een suikerfabriek in Poerworedjo werd hij al snel verliefd op de vier jaar oudere Charlotte. Een halfbloed meisje met de warme melancholische maar troostende uitstraling van zijn baboe en die net zo accentloos Nederlands sprak als zijn moeder. 

Twee maanden na de geboorte van hun eerste kindje Julie, trouwden zij heimelijk en zonder groot feest in het huis van de assistent-resident niet ver van het station van Jenar. De moeder van Ferdinand was niet aanwezig, zij was woedend en diep verdrietig geweest. Haar énig kind was gevallen voor een meisje uit de lagere rangen. Dat gaf toch geen stand, en wat zou men in Holland wel niet denken.  

Die mooie oude Tempo Doeloe beelden die in menig boek over het oude Indië te vinden zijn en zo gekoesterd worden. Beelden die zelden de kleine en grote waarheden aan het licht brengen rond de discriminerende en racistische opvattingen en de daarbij bedachte wetten die de koloniale overheersers de inlandse bevolking oplegde. 

Er waren drie soorten wetten: Voor de Inlanders,  voor de nieuwe ‘tussenlaag’ die Indo’s werden genoemd en voor de Europeanen c.q. Nederlanders. De rechtspositie van de Indo’s zou pas vanaf 1898 enigszins verbeterd worden. Vanaf de VOC periode begin 1600 werden er al gemengdbloedige kinderen geboren o.a. door het grote gebrek aan blanke vrouwen. In een later stadium zouden deze kinderen zich weer mengen met andere halfbloed kinderen of anders met een Hollander of een inlander. 

Het Indo zijn komt dus voor in vele varianten. Julie werd geboren uit een blanke vader en een halfbloed moeder maar zag er desondanks zeer Indisch uit. Al jong werd haar voorgehouden dat zij ‘anders’ was en zich vooral zeer Hollands diende te gedragen. Door haar zeer Indische uitstraling kon Julie zich tijdens de Japanse bezetting relatief onopvallend in verschillende steden op Java min of meer schuil houden. Eenmaal in Nederland aangekomen eind 1946 werd Julie er bijna dagelijks aan herinnerd dat zij Indisch was, dus anders. Of zij Nederlands sprak (begreep) en kon schrijven werd haar vaak gevraagd. 

Het verhaal rond Julie noteren is als een dwaaltocht door een ver verleden waarin kleine en grote gebeurtenissen voortdurend nieuwe consequenties lijken te hebben, niet in het minst voor het opslagvermogen in het DNA van Julie en haar kinderen en kleinkinderen. Ouderwetse uitspraken zoals ‘je neemt er wat van mee’ of ‘je houd er wat aan over’ krijgen weer betekenis. Julie en haar nakomelingen komen immers voort uit gemengde relaties. De moeder van Julie heet Charlotte Deuning en háár moeder was een Javaanse uit de kraton van Yogyakarta en geboren rond 1855. Bezien met de toenmalige westerse ideeën over de ‘Inlanders’ moet mijn overgrootmoeder primitief, infantiel en ook ‘niet goed snik’ zijn geweest. 

De in Solo (Soeracarta) geboren overgrootvader van Julie, Casper F. Deuning (1841) was ook niet helemaal van het zuiverste bloed en zou daardoor niet op kunnen klimmen op de maatschappelijke ladder om bijvoorbeeld hoofdambtenaar te worden. Hij bracht het tot administrateur van de Suiker Fabriek Tjokro Toeloong in de buurt van Klaten. De beste posities waren immers gereserveerd voor Hollanders met 100% Nederlands bloed.

De Rotterdamse verfhandelaar Hendrik Tollens schreef in 1816 een prijswinnend en later tot volkslied verheven gedicht:

Wien Neêrlands bloed in d’âd’ren vloeit,
Van vreemde smetten vrij,

Dat  was duidelijke taal en sloot zo mooi aan op de goedburgerlijke opvattingen ter bescherming van de geldende normen en waarden om het anders zijn (dus geen Hollander) en afwijkend gedrag tot infantiel, ziek of ongewenst te verklaren. Een zienswijze die ook naar Nederlands-Indië werd geïmporteerd (en ook heden nog op nieuwkomers in Nederland als etiket wordt geplakt). 

Dat je door een verblijf in Nederlands-Indië enorm zou veranderen en ook de tropenkolder kon oplopen of ‘zenuwziek’ kon worden blijkt wel uit een artikel in de toenmalig veel gelezen “De Gids”. In het magazine verscheen in 1888 een artikel van de arts Th. Swart Abrahamsz. over Eduard Douwes Dekker. Toen al zeer bekend onder zijn pseudoniem Multatuli en schrijver van o.a. het veel gelezen boek Max Havelaar. Een geromantiseerde aanklacht tegen de uitbuiting van de Javaanse landarbeiders maar ook een aanklacht tegen de toenmalige politieke keuzes. 

Het is niet bekend of Dr. Swart Abrahamsz ooit in Nederlands-indië is geweest maar Swart Abrahamsz dacht aan te kunnen tonen dat Dekker behoorlijk ziek(er) was geworden vanwege zijn verblijf in de ‘West’. Lees eens aantal passages mee uit een van de vele lezenswaardige ‘opstellen’ van de letterkundige Jean Koene* die geven een goed beeld van de polemieken geschreven na het overlijden in 1887 van Multatuli. Het opstel uit 1997 is getiteld; ‘Een hooggewaardeerde zenuwlijder’

‘eene ziektegeschiedenis’

Na de dood van Multatuli, in 1887, werd het stilzwijgen doorbroken en barstte de kritiek los. De aanzet daartoe werd in 1888 gegeven door een neef van Multatuli, de arts Dr. Swart Abrahamsz. Die schreef in dat jaar een stuk in het tijdschrift De Gids, niet over het werk, maar over de persoonlijkheid van Multatuli. Met die persoonlijkheid bleek iets ernstigs aan de hand. Op grond van medische en ‘zielkundige’ analyse was Swart Abrahamsz tot de slotsom gekomen, dat Multatuli geestelijk niet in orde was en als gevolg daarvan niet verantwoordelijk kon worden gesteld voor wat hij deed en schreef. 

Het resultaat van het onderzoek werd gepubliceerd in De Gids onder het veelzeggende opschrift: ‘Eene Ziektegeschiedenis’. Douwes Dekker leed — volgens de diagnose van Swart Abrahamsz — aan een zenuwziekte, die ten gevolge van zijn verblijf in Nederlands-Indië zeer ernstige vormen had aangenomen. 

Was hij in Nederland gebleven, dan zou de patiënt er minder slecht aan toe zijn geweest, want hier zouden ‘de eischen der Europeesche samenleving en voornamelijk de eisch van beroepskeuze’ een matigende uitwerking op zijn ziekte hebben gehad. Aan zijn verblijf in de tropen was het toe te schrijven, dat het met de zenuwlijder helemaal de verkeerde kant op ging. Het onderzoek dat Swart Abrahamsz had ingesteld, wees uit dat Douwes Dekker een ongevaarlijke neurasthenicus was. Doordat hij nogal tenger was uitgevallen, had de maatschappij niets van hem te vrezen. Heel anders zou het zijn geweest, als hij een atletisch type was geweest. In dat geval had men hem, in zijn eigen belang en in het belang van de maatschappij, moeten opsluiten in een krankzinnigengesticht of in een gevangenis.

Dr. Swart Abrahamsz had inderdaad bijzondere ideeën over geestesziektes die mede door het aanwezig zijn Indië versterkt zouden worden. Neem anders zijn opmerkingen over Chinezen in zijn artikel over Multatuli :

Opmerkenswaardig is het in elk geval, dat de breedgeschedelde (brachycephale) volken, zooals b.v. de Chineezen, een zeer weinig ontwikkeld voorstellingsvermogen hebben, bij groote intelligentie en krachtigen wil.

Dr. Swart Abrahamsz is nog niet helemaal klaar met Multatuli;

Voorts zijn er onzes inziens nog enige factoren, die schadelijk inwerken op het zenuwgestel van den Europeaan in Indië, en die ook bij Douwes Dekker hun invloed niet hebben gemist. In de eerste plaats werkt het klimaat verzwakkend. Is deze invloed al niet dadelijk merkbaar op het individu, dat zij op de progenituur nimmer geheel uitblijft, pleit ontegensprekelijk voor haar bestaan. Wij gelooven niet te veel te zeggen, door te beweren dat nakomelingen in het vierde geslacht van Europeanen - geheel onvermengd - in de tropen niet voorkomen. 

Waar het tegendeel verzekerd wordt is de bewering verdacht en niet te bewijzen en mocht het wèl het geval wezen, dan zijn de gevallen toch zeldzaam. Doch meestal is de schadelijke invloed wèl merkbaar bij het individu en mocht men zelf er ook niets van meenen te bespeuren, zoolang men in Indië is, dan komen de neurasthenische verschijnselen toch te voorschijn, zoodra men zich naar Europa verplaatst. Zoowel de bekende ‘apathie’ als de ‘irritabiliteit’ van onze Indische landgenooten zijn verschijnselen van zenuwverzwakking. 

Wie pas in Indië komt, herkent zijne landgenooten niet meer. Niet onaardig gaf Van Rijckevorsel den indruk, die zij op hem maakten weêr, door te zeggen, dat het hem voorkwam, als waren zij allen onder den verdoovenden invloed van morphine. Hij zou echter, bij nauwkeuriger observatie hebben ingezien, dat dit hoofdzakelijk geldt van de zoogenaamd hooggeplaatste ambtenaren, dat de ‘hommes satisfaits,’ - die in woorden en daden steeds blijken nimmer voldaan te zijn - veelal dit kenmerk vertoonen, maar dat er onder de jongeren en onder de lagergeplaatsten velen gevonden worden, die u voorkomen in een voortdurenden staat van zenuw opgewonden-heid te leven. 

Welnu, dat een zenuwstimulans onzen kalmen landaard geen minder beminnelijk aanschijn verleent, kan men aan het Indische leger waarnemen. Het Indische leger draagt een stempel, heeft een wijze van doen en laten, een bij de Hollandsche dapperheid en taaiheid gevoegd ‘élan’, dat men bij een Hollandsche troepenmacht niet zou zoeken.

Krankzinnig worden kwam ook in het oude Indië kwam regelmatig voor. Het Maleise woord amok is ook in Nederland jarenlang goed ‘ingeburgerd’ geweest. In het woordenboek staat: plotseling onbesuisd optreden, opschudding verwekken. Ofwel zomaar iemand aanvallen of willen vermoorden. Later kregen hele groeperingen de naam van amokmakers. De Nederlandse psychiaters in Indië die indertijd in de ‘krankzinnigenzorg’ werkten ontdekten ook andere ziektebeelden zoals ‘tropenkolder’ een tropische variant op de in Amerika 1869 ontdekte ziekte ‘neurasthenie’. Tropenkolder kon je krijgen door langdurig en eenzaam verblijf in de tropen. Neurasthenie behoort tot de somatoforme stoornissen

Men heeft dan lichamelijke klachten waar geen lichamelijke ziekte bij gevonden kan worden.  Tegenwoordig valt het onder de chronische vermoeidheid ziekten zoals fybromyalgie. Ziek worden in de tropen was toen ook al geen pretje. De diagnostiek was nog zeer beperkt evenals het aantal ‘behandelbare’ ziektebeelden. In de Javapost.nl schrijven Menne Bartelsman en Pieter Eckhardt een geslaagd artikel over vier psychiatrische syndromen die in Indië behandeld werden.

Voor de Europeanen waren er wel zorg voorzieningen maar voor de Indo’s en inlanders was dat een aanzienlijk minder of soms in het geheel niet. Hierbij speelde ook een rol of je een Nederlands Onderdaan was. Rond 1880 woonden er circa 60.000 Europeanen in de Indische archipel. Hoeveel Indo’s er werden geboren werd niet bijgehouden. Als een militair een syfilis  had opgelopen dan kon hij wel behandeld worden maar zijn Njai niet. 

Als de militair genezen werd verklaard dan was het advies om een nieuwe vrouw te zoeken snel gegeven. Inlandse vrouwen die syfilis hadden in de ‘sluimerstand’ gaven zonder dat zij het wisten de ziekte door aan hun nieuwe kinderen. Die werden dan ‘Tolol’ (dom, getikt). Maar er was verbetering op komst. Er klonken steeds meer protesten tegen de op uitbuiting gestoelde politiek en vanaf 1901 is het nieuwe beleid een feit.

Koningin Wilhelmina bepleit in 1901 tijdens haar troonrede de Ethische Politiek:

- Als Christelijke mogendheid is Nederland verplicht, in de Indische Archipel de rechtspositie der inlandse Christenen beter te regelen, aan de Christelijke zending op vaster voet steun te verlenen en geheel het regeringsbeleid te doordringen van het besef dat Nederland tegenover de bevolking dezer gewesten een zedelijke roeping heeft te vervullen. In verband hiermee trekt de mindere welvaart der inlandse bevolking op Java mijn bijzondere aandacht. Ik wens naar de bijzondere oorzaken hiervan een onderzoek in te stellen. Aan bepalingen ter bescherming van de onder contract werkende koelies zal gestrengelijk de hand worden gehouden. Naar decentralisatie van het bestuur zal gestreefd worden. De toestand op het noordelijk gedeelte van Sumatra zal, naar ik vertrouw, bij handhaving van het thans gevolgde stelsel tot algehele pacificatie leiden -.

Kritische geluiden waren er ook te horen vanuit Nederland maar ook uit de Europese gemeenschap in Indië. Men maakten zich zorgen over het opkomend nationalisme onder de inlanders. Stel dat zij allemaal goed onderwijs genieten! Dan zouden ‘zij’ zich wel eens tegen de Europeanen kunnen keren. De Fransen hadden ondertussen een ander systeem opgezet voor hun koloniën. ‘Meer welvaart onder de bevolking brengen door meer economische vrijheid’. Hierbij werd niet gekeken naar ras of afkomst. De Nederlanders waren echter niet van plan om deze aanpak over te nemen. Nog rond 1930 was meer dan 90% van de bevolking analfabeet. 

De nieuwgebouwde scholen werden wel steeds meer bevolkt door Indo’s. Waarvan het merendeel zich later ‘tegen’ de Nederlandse aanwezigheid zou keren. De zo geroemde Hollandse Koopmansgeest won het telkens opnieuw van de nieuwe inzichten op het gebied van de ontwikkeling van de psychologie en de Nederlandse onderwijs methoden die op de scholen in Indië werden gehanteerd gaven de Indo’s en de knappe inlandse kinderen die naar school mochten eveneens veel inzicht in de ‘geest’ van het Nederlandse denken. Het gezegde er zijn ‘kapers aan de kust’ werd goed uitgelegd in het kader van de wereldgeschiedenis. De ‘verovering’ van Indië werd als heldendaad aan de onschuldige kindertjes uitgelegd. De inlandse kindertjes leerden op hun Desaschool ook waar Hoogezand en Sappemeer lagen.

Er waren ook mensen die zich grote zorgen maakten over het gedrag van Nederland in Indië. Met name Nederlanders die Indië goed kenden en zonder racistische vooroordelen herhaaldelijk blijk gaven van de intelligentie onder de Javaanse bevolking. Een van hen was Dr. J. H. Abendanon. Jaques Henrij Abendanon was in 1852 in Suriname geboren in een joodse familie van vermoedelijk Portugees-Braziliaanse afkomst. In 1862 het zelfde jaar dat het tweede kabinet van Johann Rudolph Thorbecke was geïnstalleerd kwam Abandanon in Nederland aan. 

Het was ook het jaar dat Fukuzawa Yukichi in Nederland op bezoek was om kennis te maken met de zeden en gewoontes in Europa. Fukuzawa is later de oprichter geworden van de Keio School voor Nederlandse Studies die nu de huidige Keio Universiteit is genoemd. Abandanon is later rechter geworden in Batavia het huidige Jakarta. Door dit werk ontstond bij hem de overtuiging dat door verouderde voorschriften en rechtspreking er geen ‘recht’ aan de Javaanse bevolking werd gedaan. Abandanon bekritiseerde de misstanden en drong aan op gelijkwaardige behandeling van alle inwoners zonder onderscheid op huidskleur (Indo’s) of ras.  

Zijn vriendschap met Raden Mas Ismangoen Danoe Winoto die in latere jaren onderwijs inspecteur op Java was en met de eerste vrouwelijke inlandse die uitstekend Nederlands schrijvende Raden Adjeng Kartini zal Abandanon zeker beïnvloed hebben tijdens zijn werk na zijn benoeming tot directeur van Onderwijs, Eredienst en Nijverheid in 1900. Na zijn pensionering bleef hij nog actief vanuit Nederland als publicist van vele artikelen en heeft op de achtergrond een zeer grote rol gespeeld bij de introductie van het onderwijs in de koloniën.

Nog in 1911 nam Jaques Abandanon deel aan de First Unversal Races Congress in Londen. Een van de initiatief nemers was Felix Adler oprichter van de Ethical Culture Movement  in Amerika. Als vertegenwoordigers van de Nederlandse Ethische Politiek was er een grote groep Nederlanders aanwezig. Wereldwijd was er belangstelling geweest voor dit eerste congres. Er was ook een  vertegenwoordiging uit Japan waaronder professoren van de Keio Universiteit uit Tokio en natuurlijk was er een ook vanuit Duitsland veel belangstelling. Japan en Duitsland hadden zo hun eigen ideeën over de verschillende rassen. Dat zou pas vele jaren later  blijken uit de Duitse plannen met de joden en zigeuners. 

Rond 1911 had Duitsland veel minder koloniën dan de Britten, Fransen of Nederland. Koloniën die Duitsland allen weer zou kwijt raken door het Verdrag van Versailles uit 1919. Japan had ook geen Koloniën van betekenis behalve dan Taiwan (Formosa) van 1895 tot 1945. De Amerikanen hadden het overigens in 1910 wel op een akkoordje gegooid met de Japanners. Uit zorg tegen de Russische invloed in Korea had Amerika er geen bezwaar tegen dat Japan Korea volledig zou annexeren. Als zij Filipijns Amerika dan maar met rust zouden laten. Japan en Duitsland hebben vanaf 1930 getracht hun achtergestelde positie in te halen wat uiteindelijk zou leiden tot de tweede grote wereldoorlog van 1940 tot 1945.

Hoeveel Indo’s ofwel gemengdbloedigen er indertijd zijn achtergebleven in het huidige Indonesië is niet precies bekend. Er wordt hier en daar geschreven over enige miljoenen. Velen onder hen zullen zich niet (meer) bewust zijn geweest van hun westerse roots of waren al dusdanig in de Indonesische maatschappij geïntegreerd dat zij geen aanleiding of mogelijkheid zagen om zich alsnog Nederlander te willen voelen. Na de nationalistische oproer periode de Bersiap-periode in 1945 en nog tientallen jaren daarna was het in Indonesië ‘not done’ en zelfs levensbedreigend om je voor je voor te laten staan op gedeeltelijke blanke afkomst. 

In Nederland wonen momenteel circa 1,2 miljoen nakomelingen van wie beide ouders of grootouders of een van hen in een van de voormalige Nederlandse koloniën zijn geboren. Een steeds grotere groep van deze nakomelingen wil weten waar zij vandaan komen en wil begrijpen waarom hun ouders of grootouders zo zwijgzaam en weemoedig waren. Of soms zo onvoorstelbaar boos. 

Na de tweede wereldoorlog zijn er circa 350.000 grote en kleine mensen uit het voormalige Nederlands Indië ‘gerepatrieerd’. De hieruit voortgekomen bevolkingsgroep wordt wel de eerste generatie van de ‘succesvolle integratie van  buitenlanders’ in Nederland genoemd. Ook in Indonesië was men trots op de succesvolle integratie van de Indo’s die zelfs hun Hollandse namen veranderden. 

 angst voor vroegtijdige paring in Indië



Jeanne van der Steur-Heyligers en haar schoondochter Charlotte van der Steur-Deuning

Pa van der Steur met 8 Indo jongens rond 1906 - 
Uiteindelijk zou Pa van der Steur rond de 7000 veelal uit  gemengde 
relaties geboren kinderen in zijn opvanghuizen opnemen

kweekschool voor Inlandse onderwijzers

Hollandse meisjesschool in Indië

Een Desaschool in Indië 

Hollandse mannen na het zware werk in Indië

Dr. Swart Abrahamsz en Multatuli (Douwes Dekker)



Een ambulance in Indië

Behandel ruimte in een psychiatrisch ziekenhuis Indië

 De Herenafdeling van een ziekenhuis op Java

De Damesafdeling van een ziekenhuis op Java

Een groepje tennisspelers in een krankzinnigengesticht op Java

Inlandse patiënten in een ziekenhuis op Java aan de middagmaaltijd  


Tijdens de oorlogen op Sumatra/Atjeh vochten er behalve Inlanders ook speciaal 
uit West Afrika gecontracteerde soldaten mee. 
Het merendeel woonde in Poerworedjo en huwden veelal met Inlandse vrouwen.

1942 Kerstmis in Bandoeng, Calcutta en San Remo 1992 – deel 1


December 1942 - Het Huis van Bewaring in de Bantjeuj straat was een smerig en slecht onderhouden gebouw uit circa 1870. Het had al jaren eerder gesloopt moeten worden maar door onenigheid in de gemeenteraad was het nooit zover gekomen. Door de komst van de Japanse bezetters had een nieuwe functie gekregen. Enerzijds bleef het de vaste verblijfplaats voor beruchte criminelen en moordenaars die al voor de Japanse bezetters waren vastgezet. Anderzijds heeft het gediend als onderkomen voor ‘vijandig gezinde onderdanen’ die op lijsten voorkwamen en verhoord moesten worden. O.a. door de al snel berucht geworden Japanse militaire politie de Kempei Tai die kantoor hield in een schoolgebouw aan de nabijgelegen Heetjansweg. De Nederlandse mevrouw Wilhelmina van Kooten ook bekend geworden als spionne  ‘Nr. 30’ heeft tussen 1942 en 1945 flink meegeholpen met het aanleggen van namenlijsten die de Kempeitai goed kon gebruiken. Inmiddels werden in december 1942 ook de Europese vrouwen en kinderen naar burgerkampen gedirigeerd. Vanaf september 1943 tot 1945 was Bantjeuj een ‘burgerkamp’ waar in hoofdzaak niet–‘Europeanen’ als politieke gevangen werden opgesloten. Dat zal ook de reden zijn dat er zo weinig bekend is uit die periode. De naoorlogse ‘zwijgzaamheid’ van de Indo’s en ook de Ambonezen is kennelijk toen al begonnen. Vanaf de jaren ’50 van de vorige eeuw zou Bantjeuj opnieuw in de belangstelling komen als de locatie waar de later president geworden Ing. Soekarno op 31 december 1929 was ondergebracht in cel 5 om daar een jaar te verblijven. Dat er in Bantjeuj vanaf 1942 tot 1945 veel mensen als gevolg van uithongering en mishandeling zijn omgekomen staat in géén van de Indonesische geschiedenisboeken.

Bantjeuj bevond zich op nog geen 15 minuten lopen van de Merdikaweg waar oma Charlotte met de twee kinderen van Julie in de wasserij van Mijnheer De Block woonde. Na de zware verhoren begin december door de Kempeitai (Japanse militaire politie) was Julie een paar dagen vrij geweest en alsnog opgehaald en in een gemengde afdeling van Bantjeuj opgesloten. Een afdeling waar met name Ambonezen om politieke redenen werden vastgehouden. Op onbepaalde tijden werden zij opgehaald door de Indische politie of de Koreaanse bewakers om ‘verhoord’ te worden. Julie zou hun strakke gezichten nooit meer vergeten. Na de verhoren werden zij vaak meer dood dan levend terug gebracht en zo goed mogelijk door de medegevangen verzorgd. Pas na meer dan vijftig jaar kon Julie kortaf en met ingehouden emoties vertellen over de gemartelde Ambonezen die na de verhoren het leven zouden laten in het schemer van de slecht verlichte ruimte. Het waren vaak intense momenten als de stervende mannen hun hoop uitspraken dat hun familie en kinderen het ooit nog goed zouden hebben als die ‘rot oorlog’ voorbij zou zijn. Het was hun onvoorwaardelijke liefde voor God en Vaderland die grote indruk op Julie hadden gemaakt. Het merendeel van de gevangen genomen Ambonezen waren KNIL militairen die trouw hadden gezworen aan Koningin Wilhelmina en hierin zo onverzettelijk bleken te zijn dat de Japanners hen als een groot gevaar zagen.

In 1992 braken er op Ambon hevige onlusten uit gericht tegen de komst van de eerste Islamitische Gouverneur op Ambon. De Christelijke Ambonezen voelden zich diep gekwetst en bedreigd door deze politieke zet van President Soeharto om via deze vorm van Islamisering alsnog in het zadel te kunnen blijven. Door de berichtgeving in de internationale kranten kwamen bij Julie de beelden uit de Bantjeuj gevangenis weer naar boven. De beelden van de dappere Amboneze mannen die in haar schoot waren gestorven of met een strakke maar ongebroken blik naar boven hadden gestaard en met hun handen op hun rug gebonden gewacht hadden op het zwaard wat met een zucht hun hoofd van hun lichaam zou scheiden. Julie en haar medegevangen moesten de onthoofdingen verplicht aanzien op de schaars verlichte binnenplaats. Niet kijken zou betekenen dat zij het zelfde lot zouden ondergaan. Nadat Julie eind februari 1943 vrij kwam heeft zij besloten om de twee kinderen bij haar moeder achter te laten en schielijk uit Bandoeng te verdwijnen. Zij zou jarenlang op de vlucht blijven uit angst voor de Kempeitai. Julie heeft vanuit haar huisje in San Remo eind 1992 een serie emotionele oproepen geschreven aan o.a. het adres van Amnesty International opdat Amnesty toch vooral veel aandacht zou schenken aan het lot van de vervolgde christelijke Ambonezen op Ambon en de andere Molukse eilanden. 

Pas rond de kerstdagen van 1942 mocht haar moeder wat eten komen brengen. Oma Charlotte had Julie’s oudste zoontje meegenomen. Die zal zeker niet vergeten zijn dat het pannetje met eten door het grote hek aan de straatkant door een sterk vermagerde en diep verdrietige Julie werd aangenomen. Het waren die spaarzame en korte momenten dat Julie zich wél verbonden zou voelen met haar moeder. Vele jaren later zou haar ouder geworden moeder het zelfde doen. Julie had inmiddels een groot en druk gezin. Haar moeder woonde in het grote gezin van Julie en zou bij gelegenheid Julie van kleine Indische hapjes voorzien als Julie weer eens een periode had van hoge concentratie die nodig was om de huishoudkas aan te vullen. Julie sloot zich dan op in haar kleine ‘kantoortje’ om een reclame campagne af te werken waar een ‘dead line’ aan kleefde. Het waren dan die kleine Indische lekkerheden van oma Charlotte die haar op de been hielden. Net zoals toen, kerstmis 1942 in Bandoeng.

Er zullen in de schemerige ruimte van de Bantjeuj gevangenis zeker momenten zijn geweest dat Julie aan haar vader Ferdinand gedacht zal hebben. Al jaren had zij niets meer van hem gehoord. Zij wist dat hij in India woonde. En dat hij manager was van een suikerfabriek in de buurt van de Indiase stad Allahabad. Zijn laatste brieven waren van ver voor 1940 geweest. Het zou hem goed gaan had hij geschreven en weinig meer. Natuurlijk had hij ook geschreven dat de oorlogsdreiging ook veel onrust in India had gebracht. De Indiërs roken net zoals de Indonesiërs een mogelijke bevrijding van het koloniale bewind en in beide koloniën werden de krachten gemobiliseerd om juist het koloniale bewind in stand te houden of er tegen in verzet te komen. De internationale postverzorging in beide koloniën werd hierdoor onder toenemende censuur geplaatst maar ook de internationale zeevaart ondervond al grote moeilijkheden waardoor de postbezorging grote vertraging opliep en veel postzakken gewoonweg niet meer bezorgd konden worden. Pas in 1998 zou Julie enigermate gaan weten hoe het haar vader Ferdinand was vergaan vanaf 1940. De vaste lezers van dit blog weten inmiddels wel dat Ferdinand in november 1900 in Soerabaya is geboren als zoon van een in Amersfoort geboren stuurman Adriaan Hendrik van der Steur die in december 1899  in Soerabaya zou trouwen met Jeanne (Joanna Carolina Elisabeth) Heijligers. Een dochter uit een hoogstaand militair geslacht wat zich al voor 1850 op Java gevestigd had en veelal woonachting waren in Batavia, Djokja en Solo. Vanaf circa 1850 zouden nakomelingen ook hoge ambtelijke posities gaan in nemen als rechter, deurwaarder, leraar of anderzijds.

Ferdinand groeide op als enig kind in Soerabaya en later in Bandoeng en heeft zijn vader weinig gezien. Adriaan werd in 1901 ernstig ziek (depressief) opgenomen in de Centraal Burgerlijke Ziekeninrichting van de buitenplaats Lawang. Daar bevond zich ook een ‘Krankzinnigen afdeling’. De oorzaak van de depressiviteit laat zich enigszins raden. In de voorgaande periode had Adriaan al eerste machinist op een ‘opiumjager’ van de Gouvernementele Marine gewerkt. In die jaren was Nederland de grootste opiumproducent van de wereld en om de opiumsluikhandel tegen te gaan werden er speciale schepen ingezet om de illegale opium smokkel te bestrijden. In de voorgaande jaren was Adriaan al herhaaldelijk van positie veranderd en leek het nergens lang vol te kunnen houden.  Kennelijk was de spanning die rond de opiumjacht hem te veel geworden. Uiteindelijk is Adriaan meerder malen opgenomen geweest en is zonder vrouw en kind op langdurig verlof gegaan naar Nederland. In 1907 zijn Adriaan en Joanna per post gescheiden vanuit Den Haag. In hoeverre Ferdinand heeft geweten dat hij in 1912 een halfbroer (Frits) heeft gekregen weet ik niet. Ferdinand zal vermoedelijk wel hebben vernomen dat zijn vader in 1914 en 46 jaar oud na een storm en het vergaan van zijn schip begin oktober levenloos op het strand bij Wijk aan Zee was gevonden. 

Ferdinand bleek een levendig en intelligent kind te zijn. Ondanks de afwezigheid van zijn vader en de aanwezigheid van een zeer dominante moeder verliep zijn lager school periode en zijn scholing op de Christelijke HBS zeer voorspoedig. Zijn grote belangstelling voor stoommachines en stoomtechniek zou zeer van pas komen bij zijn opleiding tot machinist van suikerriet verwerkende machines die over geheel Java verspreid te vinden waren in de meer dan 100 suikerondernemingen. Op negentienjarige leeftijd ontmoet Ferdinand in de Suikerfabriek Poerworedjo de 23 jarige Nederlands-Indische Charlotte Deuning en hun eerste kindje wordt in december 1920 geboren. Zij trouwen in januari 1921 en in 1922 wordt hun zoontje Gerardus (Boy) geboren en heeft Ferdinand een goed betaalde positie als tweede machinist van de Suikerfabriek Delanggoe verworven. Door verdere studie behaalt hij elk jaar nieuwe ‘suiker diploma’s’ en wordt ook actief binnen de Bond van Suiker Geëmployeerden’ en verwerft hiermee aanzien en status als ‘notabele figuur’. Na aanvang van de grote economische wereldcrisis vanaf 1929 verslechterde de export van de suiker en in 1932 raak ook Ferdinand zijn positie en bedrijfswoning kwijt. Hij bracht zijn vrouw Charlotte en de twee kinderen in een veel kleinere en eenvoudige woning onder en in het buitenland op zoek naar werk. In 1933 vertrok hij naar de Filippijnen en in na enige maanden vond hij een nieuwe betrekking in West Bengalen en liet Charlotte overkomen. Hun relatie was al onder druk komen te staan door het veel lagere inkomen en Charlotte voelde zich bijzonder ongelukkig in het door de Engelsen overheerste India en kon ook slecht uit de voeten met de Indiase mentaliteit die zo verschillend was van hetgeen zij als Indo-europese uit de hogere middenklasse  op Java gewend was geweest. Na enige maanden was zij al weer terug op Java en bracht Julie onder in een pleeggezin en haar zoon naar het Instituut van  Pa van der Steur en trok zelf in bij een oudere zus die een pension beheerde in Bandoeng. Het gezin was in 1936 definitief uiteen gevallen.

De liefhebbende vader was een verre vader geworden. Ook Ferdinand zal zich ongelukkig gevoeld hebben maar wist dat goed te verbergen (weg te drukken?). In oktober 1936 werd de scheiding definitief uitgesproken terwijl Ferdinand nog in Allahabad verbleef. In december 1936 reisde Ferdinand naar Java en verbleef een week in het bekende Bandoengse Hotel Homan. Daar vertelde hij opgetogen over zijn nieuwe liefde. Een beeldschone jonge Engelse vrouw die zwanger zou zijn van hun eerste kindje. Julie was blij geweest voor haar vader en had ook genoten van zijn aanwezigheid. Het zou de laatste keer zijn dat Julie hem zou zien. De vader die zij in de jaren die volgenden zocht was het beeld van een gelukkig ogende jonge zesendertig jaar oude man. Pas in 1998 zou Julie na een eerste ontmoeting met haar halfzus die in 1937 in Calcutta werd geboren, gedeeltelijk horen hoe het haar vader was vergaan vanaf die laatste dagen in Bandoeng 1936.

Door oudere brieven uit het dossier van Julie en de meer recente contacten met de andere halfzusters en broers van Julie maar ook door het snuffelen in wereldwijde archieven werd steeds opnieuw duidelijk dat economische crisissen en oorlogen de mensheid enorm in beweging kan brengen. Als verdriet (en verdringing) een beest is wat diep onder de huid verborgen kan blijven en in onuitspreekbare trauma’s of onbegrepen lichamelijke klachten vertaald word of als het geheugen opspeelt. Dan lijkt het overlevingsinstinct het lange tijd te winnen van het verdrietige beest wat toch nog onverwacht opspeelt na zich zo lang verscholen te hebben. Dan uit het verdrietige beest zich niet alleen met tranen, er komen ook boosheid en soms kleine of grote woede mee. Maar ook de wens om erkenning en of genoegdoening. 

De kerstdagen waren voor Julie altijd een belangrijk feest gebleven. Een feest waarop zij vooral de wereldvrede wilde vieren. Na haar scheiding in 1992 gunde Julie het verdrietige beest meer vrijheid. Zij vierde de kerstdagen na een vijfenveertig jaar durende relatie geheel alleen. Julie liet haar verdrongen herinneringen vrijelijk toe. Julie schreef hierdoor veel brieven aan haar kinderen, aan haar ex-echtgenoot en begon oude ook rekeningen te vereffenen. Hierin leek zij in het geheel niet op haar vader Ferdinand of op haar moeder Charlotte. Als geen ander ging Ferdinand verdriet en tegenslag uit de weg en begon telkens opnieuw een nieuw leven zonder het vorige leven voldoende af te ronden. Hierin verschilde hij niet veel van de andere grootvader. De vader van Julie’s tweede echtgenote die net als zijn vader Anton genoemd werd. Lees meer over Ferdinand die zich vanaf 1937 Peter liet noemen in het volgende blog artikel.


Het Huis van Bewaring Bantjeut - Bandoeng - Penjara Banceuy Bandung



Banceuy Bandung - Bantjeut Bandoeng




Bandoeng voor de Japanse bezetting in 1942





19 dec 1942 De blijde aankomst in het Tjihapitkamp - Bandoeng'




Sakit betekend ziek in het Japans

De hygiëne in de kampen was gebrekkig. Er was een tekort aan water, zeep en schoonmaakmiddelen. De afvoer van de wc’s gaf problemen en… stank. Ziektes kregen in zo’n omgeving volop de kans. Maar medicijnen werden amper verstrekt. Dysenterie, buikloop, kwam vaak voor. Door ondervoeding hadden veel mensen hongeroedeem. In sommige kampen was aan het eind van de oorlog 1/3 deel ziek. Van de 140.000 geïnterneerden overleden er 20.000.




Vlak voor haar vertrek naar Nederland op 24 oktober 1946 met de Ms. "Klipfontein". Heeft Julie die in Indië Jill of Jilly werd genoemd een zeer gedecideerde afscheidstekst in de krant laten opnemen. De afkorting  p.p.c. staat voor 'pour prendre congé'. Alhoewel haar moeder ook op het zelfde schip meereisde heeft Julie haar naam niet in de advertentie opgenomen. Haar moeder had het tweede kindje Teddy tijdens de  bezetting aan een andere vrouw gegeven. Na een maandenlange en zeer verbeten strijd heeft Julie haar zoontje tenslotte terug gekregen. Pas tijdens de wekenlange reis naar Nederland zijn moeder en dochter weer enigermate tot elkaar gekomen. 





Vanaf 1947 kwamen er in Indië processen op gang. Uit onderstaand artikel blijkt opnieuw dat ook de Indonesiërs vaak zeer heftig tegen de Ambonezen gekant waren geweest tijdens de Japanse bezettingsjaren.





Kenpei spionne No. 30



                                                        
 







1963 – Kerstmis 2013 – De dromen van Julie en Martin Luther King


Het is dit jaar 2013 en vijftig jaar geleden. Toen was ik nog een heel jong Indo ventje. Het was ook het jaar dat ik wakker werd. De 1963 moord op president John F. Kennedy werd in november 2013 uitvoerig herdacht. De talloze complot theorieën worden opnieuw uitgebreid uitgesponnen op de Nederlandse TV zenders die wij in Senegal kunnen ontvangen. Het brengt beelden over vroeger bij mij terug. In mijn herinnering was er in 1963 ook bij ons thuis grote schrik en openlijk verdriet over de moord. Kennedy was immers een held. Waarom weet ik niet meer precies, ik begreep toen dat hij voor vrede zorgde. Kennedy had al eerder een oplossing gevonden voor de Russische atoomraketten die in 1962 op Cuba waren neergezet. 

Men was toen ook bang dat de Russen gekke dingen gingen doen in West Berlijn en dat ligt niet ver van het dorp in Nederland waar wij toen woonden. Kennedy had in juni 1963 op de TV gezegd “Ich bin ein Berliner”. De Russische president Chroestjov had al veel eerder met zijn schoen op zijn spreektafel geslagen in het gebouw van de Verenigde Naties. Wij deden de UN vergaderingen na op school na. Dicky B. was dan Chroestjov want die had de dikste kop.

Onze Pa had ons eerder en zeer ernstig kijkend uitgelegd wat wij moesten doen als er een atoombom zou vallen. Wij hadden het boekje van de Bescherming Burgerbevolking in mogen kijken. Pa zou onder het bureau gaan zitten en er konden volgens de opgenomen illustraties vijf kinderen per bom gered worden. Wij waren met tien kinderen. Vijf van ons zouden het niet halen als de bom zou vallen. Wij kwamen er onderling niet uit wie er om zouden moeten komen. Pa sprak erg lang en werd kwaad als wij hem onderbraken met vragen. 

Zelf had ik besloten om bij het luchtalarm vlug weg te komen. Om in een zijtunneltje van het spoorwegviaduct te schuilen. Ik overwoog om mijn jongste zusje mee te nemen. Maar ik twijfelde of ik niet liever samen met een Ambonees schoolvriendje zou ‘onderduiken’. Die had ook iets tegen de Russen en zijn vader had in het KNIL gediend, het vroegere Indische Leger. Die Molukse vader had dus wel verstand van oorlog voeren en ook hoe de Nederlandse regering met soldaten en slachtoffers pleegt om te gaan. 

1963 was een bijzonder jaar geweest. Het jaar was begonnen met een extreem koude winterperiode. Ons dorp was een Katholieke Volks Partij bolwerkje en er werd zeer geschamperd over Boer Koekoek van de Boeren Partij die in de Tweede Kamer was verkozen. In de klas deden wij zijn knauwende Drentse accent na; “ik krijg nooit een beurt”. De Juf werd er gek van. Dr. Martin Luther King sprak in augustus een hoopvolle rede uit “I have a dream”. Moeder was zeer ontroerd geweest en had ons uitgelegd dat Martin Luther King tégen geweld was. Nooit eerder had Ma zich uitgesproken over oorlog en geweld. De jaarlijks dodenherdenking op 4 mei ging immers over de verschrikkelijke oorlog die onze Pa had meegemaakt. Daar wist Ma heus niets over die had zo'n oorlog niet meegemaakt. Die was in tropisch Indië geboren. Altijd zon en nasi goreng en een moeder die er nooit over wilde spreken. 

Pa las de vroegere verzetskrant Het Parool wond zich op en las dan hardop voor. Pa had niéts met de communisten of het nieuwe Indonesië. Pa liet moeder dan wel eens foto's zien. Van bijvoorbeeld de toenmalige Indonesische president Soekarno. Die zou een vies spelletje spelen met de Amerikanen en de Russen om Nederland en vooral Minister Luns van buitenlandse zaken te irriteren. Ma haalde dan haar schouders op en kijk zogenaamd neutraal naar haar breiwerkje. De 1963 rede van Dr. King zal Ma geïnspireerd hebben een zeer aangrijpend artikel te schrijven in het Indisch Magazine De Moesson. Een artikel waarvan ik het bestaan niet kende en wat ik door toeval in 2011 tegen kwam.

De tekst van Dr. King uit 1963 is bijzonder:

“Ik heb een droom dat op een dag dit land zal opstaan en de ware betekenis van haar credo zal naleven: "Wij vinden de volgende waarheden vanzelfsprekend: dat alle mensen gelijk geschapen zijn". Ik heb een droom dat op een dag, op de rode heuvels van Georgia, de zonen van voormalige slaven en de zonen van voormalige slavenhouders in staat zullen zijn samen aan te schuiven aan een tafel van broederschap.

Ik heb een droom dat op een dag zelfs de staat Mississippi, een staat, die blakert in de hitte van onrecht en blakert in de hitte van onderdrukking, veranderd zal worden in een oase van vrijheid en gerechtigheid. Ik heb een droom dat mijn vier kinderen op een dag zullen leven in een land waar zij niet beoordeeld zullen worden op hun huidskleur, maar naar de inhoud van hun karakter. Ik heb een droom vandaag”.

Moeder heet Julie en schreef in haar artikel in het zelfde jaar o.a.

“Als een felle zomerzon straalt over het Hollandse platteland, dan overvalt mij soms een vreemde heimwee. Het is een stemming, die mij zelf vreemd aandoet, want verlangen naar mijn geboorte land doe ik niet. Ik woon en leef al zo lang in Holland. Mijn kinderen werden hier allen geboren en mijn man kent Indië niet. Hij is een totok. Onze vrienden zijn totoks en ook onze buren en onze zakelijke relaties. Voor hen is Indië slechts een vreemde, verre herinnering aan een koloniale staatsie.

Heb ik mijn man en kinderen dan niet verhaald over mijn geboorteland, mijn Java? Ach als een snaar geen klankbord vindt, wat geeft het deze te beroeren ... “. Als de Hollandse zon straalt over Hollandse dreven, dan overvalt mij een weemoed om al dat éigene, dat langzaam, maar o zo zeker, uit mijn leven weg ebt.

Wij, Indische Nederlanders, wij migreren en assimileren. Onze kinderen werden hier geboren. Zij groeien op als puur Hollandse kinderen. Ach ja, aan hun uiterlijk is – soms – duidelijk te zien, dat zij “Indisch” zijn, maar spreken zij onze taal? Denken zij onze gedachten? Voelen zij een heimwee, die ons soms stil doet zijn? Wij (de Indo’s) zullen ons niet tegen een volledige assimilatie kunnen verzetten. Waarom zouden wij ook? Ons Vaderland is goed! Het heeft ons ontwortelden, in een tijd van doodsnood een veilig thuis gegeven”.

In 1959 had Pa zijn kwekerij verloren. Wij verhuizden naar een kleinere woning. Er bleven grote schulden. Pas in 1963 waren Pa en Ma eindelijk uit de economische moeilijkheden gekomen. De voorgaande jaren waren thuis zeer magere jaren geweest. Zomer en winter liepen wij op plastic sandalen of rubberlaarzen en hadden nauwelijks kleding. Soms werd het  stroom afgesloten omdat Ma geen geld had voor de stroommeter waar je guldens in moest gooien. De Wet op de Kinderbijslag werd in 1963 geïntroduceerd en met tien kinderen in huis was dat een leuke som per kwartaal. 

In het voorjaar van 1963 was er opeens slagroomgebak geweest. Pa en Ma hadden hard gewerkt aan een ‘contract’ met een Duitse firma waarvoor zij werk gingen doen. Vroeger was Pa altijd fel anti-Duits geweest. Hij had ons vaak bang gemaakt met verhalen over de oorlog en wat de Duitsers allemaal hadden gedaan met het Nederlandse volk en ook met hem. Natuurlijk schrokken wij toen Pa zei dat het huis opgeruimd moest worden. Hij zei; ‘er komen Duitsers op bezoek’.

Mijn oudere broer en ik hadden als verdediging in de bosjes aan de overkant van het huis een stapel keien verstopt. Die zouden wij naar de Duitsers gooien als zij kwamen. Van een oude fietsband hadden wij ringen geknipt en deze aan elkaar geknoopt om een katapult te maken. Wij hadden dagen lang geoefend met kiezelstenen en zouden zeker één Duitser om kunnen leggen. Op de padvinderij hadden wij ook geleerd hoe wij knopen moesten maken die niet los zouden raken. Zo konden wij de Duitsers eventueel gevangen houden. 

In het padvindersblad Weest Paraat hadden wij ook over de kunst van het ‘sluipen’ gelezen. Ik was lang in onderhandeling geweest met vriendje Alfons over het ruilen van mijn collectie voetbalclubemblemen voor een militair mes. Daarmee zou ik mij verdedigen tegen een Duitser of eventueel ook tegen de Russen. Wij waren goed voor bereid op de oorlog. Dat was zeker.

Ons toenmalige vijandbeeld beperkte zich niet tot de Duitsers en Russen. Wij hadden ook een diepe haat tegen de Japanners. Want die hadden het land van Ma aangevallen in dezelfde tijd dat de Duitsers, Nederland hadden bezet. Ma was in Indië geboren, net zoals onze twee halfbroers. Zij waren na de oorlog naar Nederland gevlucht. Ma wilde nooit iets vertellen over de oorlog met Japan. Pa vertelde juist heel veel over de oorlog. Hij ging toen nog bijna elke zaterdag naar Amsterdam om met zijn vrienden uit het ‘verzet’ te praten. Pa was tijdens een razzia in 1944 in zijn been geschoten. Elke dag ging dat been omhoog en werd het lichtbruine ziekenfondsverband opnieuw om het geraakte onderbeen gewikkeld. Het was een eng wit, blauwgeaderd been. Net zo eng als de verhalen die Pa vertelde.

Als kind dacht ik dat ouder worden ook voortdurend oorlog voeren betekende. De oorlog werd immers 2e wereldoorlog genoemd. Dus er was ook een eerste wereldoorlog geweest. En de derde wereldoorlog zou wel snel komen. Op school werden wij gevoerd met veldslagen, oorlogen tegen de Koreanen, Fransen, de Engelsen, de Spanjaarden en zelfs in Nederland waren er de Hoekse en Kabeljauwse twisten en een 80jarige oorlog geweest. Wie kon je eigenlijk wel vertrouwen? Over de oorlog in Nederlands-Indië en wat er daarna gebeurde tussen 1945-1949 werd op school nooit gesproken. Over de oorlogen en veldslagen die Nederland in het Indië van vóór 1942 hadden gevoerd was helemaal niets te vinden in de toenmalige geschiedenisboekjes. Eigenlijk nog steeds niet.

Op de katholieke school zaten alleen maar witte kinderen. Op mijn nieuwe school voelde ik mij beter thuis. In mijn nieuwe klas zaten een Indisch meisje, een Ambonees jongetje met een grote gitaar en een Indo tweeling bij wie ik veel speelde. Hun moeder was een wonderschone slanke Javaanse die altijd heel lief en zachtaardig was. Zij ging liever niet naar buiten want zij had een 'fobie' had een van haar zoons gezegd. In de klas zat ook een jongetje uit Duitsland. Over zijn vader werd gefluisterd dat hij ‘verkeerd’ was geweest. In de hogere klassen zaten twee Surinaamse kinderen en een jongen van de Antillen met veel kroeshaar. Er waren toen nog nauwelijks gastarbeiders uit Spanje, Italië en later Turkije en Marokko in Nederland en zeker nog geen gastarbeider kinderen op de scholen in Nederland. De haat tegen de Indo’s was net een paar jaar geluwd (Indo Go Home). Alhoewel ik op straat toch nog vaak voor pinda-Chinees werd uitgemaakt.  

Als er dus racistische ‘grappen’ werden gemaakt waren de Ambonezen, Indische en Surinaamse kinderen vaak het slachtoffer. Zelf zag ik  er toen nog zeer Indisch uit. Ik was klein van stuk, heel slank en had pikzwart haar en was ook in de winter bruin getint. Dat leverde mij vaak spontane rotopmerkingen en soms klappen op. Gewoon op straat lopend. Hé bruine, ga naar je eigen land! In het dorp waar wij toen woonden deed iedereen het met elkaar. In mijn klas was meer dan helft van de kinderen familie van elkaar. Neven en nichten. Hun ouders ware blank en kweekten bloemen en planten of verkochten bollen en zaden. Zij werkten in elkaar’s bedrijven. 

Mijn vriendje Sjonnie had ouders die allebei dezelfde achternaam hadden. Zijn moeder had net als Sjonnie een muizengezicht en een slordige mond die voortdurend ratelde. Hun familie woonden al honderden jaren op het zelfde dorp. De ogen van de moeder van Sjonnie stonden heel dicht naar elkaar toe. Net zoals bloembollen die in elkaar waren gegroeid. Tijdens het zomerse bollen pellen moesten die in elkaar gegroeide bollen apart gelegd worden. Daar had je toch niets aan.

Eigenlijk was ik als kind voortdurend in een staat van paraatheid en had veel angst. Het waren de oorlogsverhalen van Pa en het onuitgesproken maar diepe verdriet van Ma. Dat heet nu stress. In 1961 had ik besloten om niet meer naar de katholieke school te gaan. De verhalen die daar verteld werden klopten niet met mijn werkelijkheid. Dat God je zou beschermen waar je ook maar zou zijn. Nou, daar klopte dus niets van. Schamen deed ik mij ook. Voor mijn oudere broer die fanatiek misdienaar was maar buiten schooltijd godsliederlijk kon vloeken. 

Via het voetballen was ik bevriend geraakt met een Indische tweeling die op een andere school zaten. Die vertelden dat zij het reuze naar hun zin hadden. Mijn besluit stond vast. Ma was zeer verbaasd en Pa werd kwaad. Sla me maar dood zei ik tegen Pa maar ik ga niet meer naar die school. Ma begreep het. Wat ik niet begreep is dat zij had gehuild in het spreekkamertje van mijn nieuwe school. Ook mijn nieuwe Juf keek meewarig naar mij. Maar ik was gelukkig op de nieuwe school aangenomen. En wat héb ik van die Juf gehouden.

De kerstverhalen op mijn nieuwe school waren anders dan op de katholieke school. De aandacht ging minder naar het kindje Jezus uit. Jozef en Maria werden als échte en verantwoordelijk handelende ouders neer gezet. Voor het eerst hoorde ik echt iets over de Drie Wijzen uit het oosten. Ofwel de drie Koningen. Die hadden een ster gevolgd en kwamen zo bij het stalletje waar Jezus was geboren. Die ster is nog steeds mijn lievelingsster. Door die ster heb ik toen geleerd dat er méér is dan dat moeizame dorp waar wij toen leefden. Dat Maria een kind had gekregen zonder dat Jozef haar had aangeraakt vond ik best wel onwaarschijnlijk. 

Elke keer als mijn vader onze moeder aanraakte leek zij meteen wel zwanger. In 1963 had Ma al twaalf kinderen gekregen, er zouden er nog twee volgen. Vroeger was mijn vader tuinman en kweker geweest. Vanaf 1959 was hij een keurige en in een strak kostuum gestoken vertegenwoordiger in snijbloemen en vaste potplanten. Pa reed elk jaar in een nieuwe Duitse auto. Zijn baas was een oude schoolvriend en die had een naam die je in elke straat in ons dorp een paar keer tegen kwam.

De Duitsers kwamen toch, in het voorjaar van 1963. Een grijze Mercedes met Duits kenteken stond voor onze deur toen ik uit school kwam. Voorzichtig sloop ik tegen de voorgevel aangedrukt naar het grote raam van onze doorzon woning. Mijn ouders bleken niet vastgebonden te zijn door de Nazi’s. Er werd geanimeerd gelachen vanuit het rotanbankstel in de woonkamer. Met een met keien gevulde dichtgeknopte zakdoek in mijn hand ben ik voorzichtig naar binnen gegaan. Het touwtje om het deurslot open te trekken hing gewoon uit de brievenbus. Dat zou de toenmalige  ‘Sicherheitsdienst’ nooit zo gedaan hebben. Eenmaal binnen liep ik voorzichtig naar de woonkamer deur en hoorde opnieuw het geanimeerde lachen en een moeder die vloeiend Duits sprak die ook voor mijn vader vertaalde. ‘Ach ist dass der William, der sieht ja hübsch aus’ sprak de vriendelijk ogende Duitse mijnheer. Toch meende ik verbazing te zien in zijn ogen. Ik zag er kennelijk niet écht Hollands uit.

De Duitse bezoeker Dr. Fritz Hertel en zijn zoon waren ongelooflijk aardige bezoekers. Hertel was bioloog en schrijver van veel boeken over bloemen en planten. Het waren de eerste Duitsers die ik zou ontmoeten. Van de oorlogsfoto’s in de boeken van mijn vader kende ik alleen maar enge mannen in uniformen. Mijn moeder straalde en mijn vader wisselde zijn blijken van respect met knikken als hij het begreep. Soms zei hij ‘ach so’. Het contract was dus binnen. En er veranderde veel in ons huis en in de maanden die zouden volgen. Wij kregen allemaal nieuwe kleding. Er kwamen nieuwe meubelen. De bijkeuken werd verbouwd tot een heus kantoor voor Pa en Ma. Er was na vele jaren opeens voldoende geld om lekkerder en afwisselend te eten. En mijn jongere zus en ik kregen onze eerste echt goede brillen. Op mijn vraag aan Pa waarom hij nu wél opeens 'zo goed' was met de Duitsers kreeg ik een vernietigende blik maar geen antwoord.

Op de weekmarkt in ons dorp had ik al vele maanden een baantje. Elke dinsdagavond damesondergoed vouwen wat in grote dozen gelegd werd en dan in de auto van mijnheer Max Loog. Om circa 19.00 uur kreeg ik dan  twee kwartjes van een zwijgende mijnheer Loog die vaak tranen in zijn droevig kijkende ogen had. Als het donker werd dan begon mijnheer Loog te ijsberen om de kraan heen. Hoehoe klonk het dan zacht uit zijn keel. Mijnheer Loog was een zwierige grote man met enorme handen en een sterk lichaam. Hij zal toen circa 55 jaar oud zijn geweest. Iets ouder dan mijn vader. Zijn zacht klinkende wolvengehuil werd soms wat luider. Het gaf mij rillingen. Dan klonken er stemmen uit de andere marktkramen. "Het is goed Max, het is goed" klonk er dan geruststellend uit de andere kraampjes. Later hoorde ik dat Max een joodse achtergrond had en een van de weinigen was die een verschrikkelijk vernietigingskamp in Duitsland had overleefd. De rillingen die ik kreeg waren vergelijkbaar met de enge Herodus verhalen op mijn oude katholieke school. Dat was die engerd die Jezus dood wilde hebben. Vele jaren later was er een nieuwe engerd. Adolf Hitler.

Jaren later herkende ik de ingehouden snikkende geluiden van Max opnieuw. Moeder maakte de zelfde ingehouden geluiden. Dat begon vanaf de jaren zeventig. Al eerder schreef ik over de existentiële crisis waar Julie in terecht kwam. In 1963 ging het met Ma nog stukken beter. De nieuwe en ruimere inkomsten moesten door hard werken vergaard worden maar er was eindelijk een eind gekomen aan de zorgen. Als troost voor de kinderen was er meer eten, nieuw kleding, betere bedden en zelfs een nieuw wasmachine. Voor de oudere kinderen waar ook ik toe behoorde brak er een positieve periode aan. De zorgen van onze ouders drukten niet meer op ons. En ook Pa leek meer ontspannen alhoewel hij er dagelijks met de auto op uit moest om door het gehele land ‘voorlichting’ te geven over turfstrooisel producten. In oktober 1963 werden er enorm veel kolen voor de kachel gebracht. Dat was nooit eerder gebeurd.

Er mocht nu ook overdag gestookt worden en als de deuren op de boven etage de hele dag openstonden dan was het ’s avonds behaaglijk in de slaapkamers. Er was nu ook geld voor gordijnen en Nederland kon toen nog zo koud zijn waardoor ’s ochtends de slaapkamerramen bedekt waren met ijsbloemen. Die tijd was voorbij. Alle Nederlanders kregen het beter. In november stonden de kranten vol met artikelen en foto’s van de moord op Kennedy. Pa leek na de moord weer terug te vallen in zijn oude angstpraat over oorlogen. Nu tegen de Russen. Ma werd weer stiller en het feestgevoel van de vorige maanden leek weg te ebben. Onze oudste broer was militair en zou af gaan zwaaien als soldaat. Ging dat nog wel door. Zou hij opgeroepen worden. Onze andere halfbroer was op  22 november geboren. Hij voorspelde toen: voortaan wordt Kennedy op mijn verjaardag herdacht en ik niet meer. Ook deze broer was een oorlogskind (1941) een oorlog die hem zijn leven lang parten zou spelen. Hij overleed in 1998.

Vanaf half december 1963 werden de berichten uit Amerika geruststellender. Kennedy was door een geesteszieke eenling vermoord. En zijn moordenaar Lee Harvey Oswald werd door een andere geesteszieke man vermoord, Jack Ruby. Het zijn namen die ik nooit zal vergeten. De wereld treurde over Kennedy en op ons dorp werd voor het eerst uitbundige kerstverlichting ontstoken. Ma wilde dit jaar alle kinderen bij elkaar hebben en er was een veel grotere boom met veel meer kaarsjes dan in de vorige jaren. Er waren wel risico’s. Pa kon niet goed overweg met de tweede zoon van Ma. In mijn herinnering is deze kerst goed verlopen op een flinke ruzie tussen mijn oudste broers na. 

Met name Ma voelde zich dat jaar volledig geïntegreerd in Nederland. Haar eerste Kerst in Nederland was in 1946. Julie was met haar moeder Charlotte en de twee kinderen in november 1946 per schip in Rotterdam aangekomen. Zij werden ondergebracht In een contractpension te Markelo. De contractpensions waren speciaal opgezet als opvangadressen voor de meer dan 200.00 Indo’s die het Indonesië van ná de Japanse bezetting wilden of moesten verlaten. Zoals zoveel Indische mensen was ook moeder zwijgzaam over haar verleden in Indië.

Ma wilde ons opvoeden in een katholieke en pacifistische sfeer. Al haar kinderen zijn katholiek gedoopt. Alle kinderen zijn tegen oorlogen. Toch hebben de oorlogen van Pa en Ma, hoe verschillend die ook waren. Een grote rol in het bijna jaarlijks groeiende gezin gespeeld. Pa las veel over de oorlog en over het verzet. Ondanks de inspanningen van Pa en Ma hebben wij als kinderen onbewust en later bewust de emotionele gevolgen van hun oorlogen ondervonden. Ook in onszelf, alhoewel elk kind van Pa en Ma het anders heeft ervaren. En of er nog iemand van ons katholiek is? Ik zou het niet weten. 

Ma liet haar katholieke geloof met het toenemen van de jaren steeds meer varen. Het werd Jiddu Krishnamurti. Voor Ma was het lezen van Krishnamurti een geruststelling en bevestiging dat oorlogen geen oplossingen bieden. In 1963 mochten de grote kinderen voor het eerst mee toasten. Op de kerstfoto zit ik naast Ma, met een brilletje op. Het was mijn eerste glas Beaujolais. Vrede op aarde sprak Ma dan aangedaan. Vader zou vele jaren later met een pen op de foto tekenen om te kijken of een baard hem goed zou staan. 

Vijftig jaar later vier ik kerst in Afrika. Er groeien geen dennenbomen hier in Senegal. In sommige winkels is er kerstverlichting te verkrijgen. Ook wat doosjes met schreeuwend dure kerstballen en slingers maar kerst word hier in feite nauwelijks gevierd. Toch praten de Kids nú al over het aanstaande kerstfeest. Op mijn vragen waarom er eigenlijk kerstfeest bestaat weten de moslimkinderen geen antwoord. 

Ja, de Kerstman brengt cadeautjes en er word extra lekker gegeten. Sommigen weten dat het de geboortedag van Jezus is maar zij weten niets over zijn ouders, Jozef en Maria. Wat ga ik hun vertellen? Als Hollands/Indische jongen twijfel ik over de Hollandse kerst van mijn vader. Of zal ik vertellen over de door de tropische hitte smeltende kaarsen op de kersttafel van de Indische gezinnen in het koloniale Indië van mijn moeder? Of over de altijd gespannen relatie van mijn ouders die ook tijdens de kerstdagen van mijn jeugd een rol speelden waardoor ik nog steeds moeite heb met kerst vieren? 


Vijftig jaar later kijk ik niet terug op warme jeugdherinneringen. Toch heb ik bewondering voor mijn ouders die ondanks die nare oorlogen en de jaren die daarop volgden positief bleven. Dat leerde ik ook van Max Loog en enige andere bijzondere en vaak fijne mensen uit mijn jeugdjaren. Zij leerden ons vooral om te over-leven, ook als het eens flink tegen zit. In de jaren negentig van de vorige eeuw heb ik veel met Ma kunnen spreken over een wereld zonder geweld. En over haar wens dat háár kinderen daar aan zouden bijdragen. En dat haar kleinkinderen wereldburgers zouden worden zoals Krishnamurti dat bedoeld had op de een na laatste foto onderaan dit artikel. Dat was de droom van Julie.

Mijn besluit staat vast. Wij gaan er in Senegal een fijne kerstdag van maken. Vóór dat wij gaan eten, gaan wij een lange wandeling maken door de velden van Sandiara. Een landelijk dorp op 100 kilometer van Dakar. Onder mijn lievelingsboom een duizend jaar oude reuze Baobab zal ik de kids  foto’s laten zien van de waringinboom op Java. De boom waar mijn moeder zo graag onder schuilde. En foto’s van de iepenbomen op de beschermende dijken in het Holland van mijn vader. En ik zal vertellen over mijn droom. Dat al mijn kinderen en alle andere kinderen op de wereld op basis van karakter, inzicht en vlijt hun dromen waar mogen maken. En dat zij goed naar die grote ster moeten kijken die tijdens de kerst periode zo dicht bij de maan staat. Of droom ik maar wat?  



Pa heeft zelf het baardje en snor gezet om te kijken of het 'leuk' stond.

de auto's van mijn vader 1961-1962-1963

de Drie Wijzen en een schilderij van Hendrik ter Brugghen 
waarop een waardige zwarte Koning is afgebeeld. Hetgeen zeer zeldzaam is.

Chroetsjov en Kennedy en de atoombomdreiging 1960 - 1963

advies uit het Burger Bescherming boekje- ga onder je bureau zitten

Weest Paraat het padvinders magazine 1963 en Samson reclame 1963

Indo's werden vaak pinda-Chinees genoemd? 
Op de foto's een Chinese mijnheer die pinda's in Amsterdam verkoopt

President Kennedy met Minister Luns in het midden. 

Wij deden de hese stem van Luns veel na op school
Luns wilde Nederlands Nieuw Guinea toen nog niet opgeven

President Kennedy met president Sukarno

President Sukarno met de russische president Chroetsjov

De Nazi vijanden van mijn vader

Julie en Anton in 1967 op een Duits feestje


Julie had grote moeite met het bezoeken van onze Hollandse scholen. 
Het gebouw op de foto is een school in Bandoeng waar Julie 
verschillende malen is verhoord. Het staat aan de voormalige Heetjansweg. 
Later zou Julie jarenlang op de vlucht zijn om uit handen van 
de gevreesde Kempeitai te blijven.

Kerstmis 1936 in Indië - 
Onder de kerstboom een foto met de overleden vader van William C. Dobson. 
De eerste echtgenoot van Julie. Hij zou in 1944 omkomen.


Julie werd in 1943 door Kempeitai gearresteerd vanwege 'verzetsdaden'. 

Het betrof hier noodhulp aan met name Ambonese (Molukse) families in Bandoeng. Families waarvan de vaders zeer getrouwe KNIL soldaten waren. 
In de gevangenis van Bandoeng werd Julie opgesloten bij de Molukse soldaten
 die de verhoren door de Kempeitai niet allen zouden overleven.




Julie heeft zich tot aan haar overlijden ingezet voor de 'Molukse zaak'. 

In 1951 werden de Molukse soldaten zonder pardon uit het leger ontslagen. 
Hun oprechte woede, verbittering en de psycho-sociale gevolgen voor de 
soldaten en hun families spelen ook vandaag de dag nog 
een grote rol binnen de Molukse gemeenschap.





Een waringinboom bij een typische Indische vijver


Julie vond een latere jaren veel troost in de boeken van Jiddu Krishnamurti. De onderstaande uitspraak van Krishnamurti was voor Julie een van de redenen om niet meer katholiek te willen zijn.