Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of  begin 2018
Posts tonen met het label Mona Banister. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Mona Banister. Alle posts tonen

Zenuwzwakte en racisme en Ferdinand wordt verliefd op Charlotte in Nederlands-Indië


‘Zo leuk was het allemaal heus niet geweest’ hierbij doelde Julie op de grote groepen oud-Indiëgangers en Indo’s die na de tweede wereldoorlog dus vanaf 1945 naar Nederland waren gekomen, en die volgens Julie aan ‘verheerlijking’ deden. De geschiedenis van Julie is door haar relativerende geslotenheid en stille verdriet incompleet. De foto’s en andere afbeeldingen uit het oude Nederlands-Indië zijn ‘momentopnamen’ van een tijd die al weer lang achter ons ligt. Beelden van grote huizen met ruime terrassen omgeven door tropische planten. Met poserende volwassen en kinderen in tropenkleding met soms een aantal inlandse bedienden die zijdelings op de foto staan en wat onzeker kijken. 

Julie had een blanke grootmoeder en grootvader van de kant van haar vader. Het enige kind van haar grootouders was haar blanke vader. Julie had een vader die in Soerabaya op Haagse wijze werd opgevoed en naar de Hollandse lagere school en de Hollandse HBS beiden in Soerabaya werd gestuurd. Als hij na school naar huis kwam was er zijn lieve baboe die hem als kind jaren lang waste en naar bed bracht. En hem fijne hapjes toestopte die zijn moeder verbood. De lieve en warme baboe was zo anders als zijn strenge en afstandelijke moeder. De baboe van Ferdinand kon lief troosten. 

Toen Ferdinand ver van zijn moeder en baboe aan zijn eerste baan begon als negentien jarige assistent-machinist op een suikerfabriek in Poerworedjo werd hij al snel verliefd op de vier jaar oudere Charlotte. Een halfbloed meisje met de warme melancholische maar troostende uitstraling van zijn baboe en die net zo accentloos Nederlands sprak als zijn moeder. 

Twee maanden na de geboorte van hun eerste kindje Julie, trouwden zij heimelijk en zonder groot feest in het huis van de assistent-resident niet ver van het station van Jenar. De moeder van Ferdinand was niet aanwezig, zij was woedend en diep verdrietig geweest. Haar énig kind was gevallen voor een meisje uit de lagere rangen. Dat gaf toch geen stand, en wat zou men in Holland wel niet denken.  

Die mooie oude Tempo Doeloe beelden die in menig boek over het oude Indië te vinden zijn en zo gekoesterd worden. Beelden die zelden de kleine en grote waarheden aan het licht brengen rond de discriminerende en racistische opvattingen en de daarbij bedachte wetten die de koloniale overheersers de inlandse bevolking oplegde. 

Er waren drie soorten wetten: Voor de Inlanders,  voor de nieuwe ‘tussenlaag’ die Indo’s werden genoemd en voor de Europeanen c.q. Nederlanders. De rechtspositie van de Indo’s zou pas vanaf 1898 enigszins verbeterd worden. Vanaf de VOC periode begin 1600 werden er al gemengdbloedige kinderen geboren o.a. door het grote gebrek aan blanke vrouwen. In een later stadium zouden deze kinderen zich weer mengen met andere halfbloed kinderen of anders met een Hollander of een inlander. 

Het Indo zijn komt dus voor in vele varianten. Julie werd geboren uit een blanke vader en een halfbloed moeder maar zag er desondanks zeer Indisch uit. Al jong werd haar voorgehouden dat zij ‘anders’ was en zich vooral zeer Hollands diende te gedragen. Door haar zeer Indische uitstraling kon Julie zich tijdens de Japanse bezetting relatief onopvallend in verschillende steden op Java min of meer schuil houden. Eenmaal in Nederland aangekomen eind 1946 werd Julie er bijna dagelijks aan herinnerd dat zij Indisch was, dus anders. Of zij Nederlands sprak (begreep) en kon schrijven werd haar vaak gevraagd. 

Het verhaal rond Julie noteren is als een dwaaltocht door een ver verleden waarin kleine en grote gebeurtenissen voortdurend nieuwe consequenties lijken te hebben, niet in het minst voor het opslagvermogen in het DNA van Julie en haar kinderen en kleinkinderen. Ouderwetse uitspraken zoals ‘je neemt er wat van mee’ of ‘je houd er wat aan over’ krijgen weer betekenis. Julie en haar nakomelingen komen immers voort uit gemengde relaties. De moeder van Julie heet Charlotte Deuning en háár moeder was een Javaanse uit de kraton van Yogyakarta en geboren rond 1855. Bezien met de toenmalige westerse ideeën over de ‘Inlanders’ moet mijn overgrootmoeder primitief, infantiel en ook ‘niet goed snik’ zijn geweest. 

De in Solo (Soeracarta) geboren overgrootvader van Julie, Casper F. Deuning (1841) was ook niet helemaal van het zuiverste bloed en zou daardoor niet op kunnen klimmen op de maatschappelijke ladder om bijvoorbeeld hoofdambtenaar te worden. Hij bracht het tot administrateur van de Suiker Fabriek Tjokro Toeloong in de buurt van Klaten. De beste posities waren immers gereserveerd voor Hollanders met 100% Nederlands bloed.

De Rotterdamse verfhandelaar Hendrik Tollens schreef in 1816 een prijswinnend en later tot volkslied verheven gedicht:

Wien Neêrlands bloed in d’âd’ren vloeit,
Van vreemde smetten vrij,

Dat  was duidelijke taal en sloot zo mooi aan op de goedburgerlijke opvattingen ter bescherming van de geldende normen en waarden om het anders zijn (dus geen Hollander) en afwijkend gedrag tot infantiel, ziek of ongewenst te verklaren. Een zienswijze die ook naar Nederlands-Indië werd geïmporteerd (en ook heden nog op nieuwkomers in Nederland als etiket wordt geplakt). 

Dat je door een verblijf in Nederlands-Indië enorm zou veranderen en ook de tropenkolder kon oplopen of ‘zenuwziek’ kon worden blijkt wel uit een artikel in de toenmalig veel gelezen “De Gids”. In het magazine verscheen in 1888 een artikel van de arts Th. Swart Abrahamsz. over Eduard Douwes Dekker. Toen al zeer bekend onder zijn pseudoniem Multatuli en schrijver van o.a. het veel gelezen boek Max Havelaar. Een geromantiseerde aanklacht tegen de uitbuiting van de Javaanse landarbeiders maar ook een aanklacht tegen de toenmalige politieke keuzes. 

Het is niet bekend of Dr. Swart Abrahamsz ooit in Nederlands-indië is geweest maar Swart Abrahamsz dacht aan te kunnen tonen dat Dekker behoorlijk ziek(er) was geworden vanwege zijn verblijf in de ‘West’. Lees eens aantal passages mee uit een van de vele lezenswaardige ‘opstellen’ van de letterkundige Jean Koene* die geven een goed beeld van de polemieken geschreven na het overlijden in 1887 van Multatuli. Het opstel uit 1997 is getiteld; ‘Een hooggewaardeerde zenuwlijder’

‘eene ziektegeschiedenis’

Na de dood van Multatuli, in 1887, werd het stilzwijgen doorbroken en barstte de kritiek los. De aanzet daartoe werd in 1888 gegeven door een neef van Multatuli, de arts Dr. Swart Abrahamsz. Die schreef in dat jaar een stuk in het tijdschrift De Gids, niet over het werk, maar over de persoonlijkheid van Multatuli. Met die persoonlijkheid bleek iets ernstigs aan de hand. Op grond van medische en ‘zielkundige’ analyse was Swart Abrahamsz tot de slotsom gekomen, dat Multatuli geestelijk niet in orde was en als gevolg daarvan niet verantwoordelijk kon worden gesteld voor wat hij deed en schreef. 

Het resultaat van het onderzoek werd gepubliceerd in De Gids onder het veelzeggende opschrift: ‘Eene Ziektegeschiedenis’. Douwes Dekker leed — volgens de diagnose van Swart Abrahamsz — aan een zenuwziekte, die ten gevolge van zijn verblijf in Nederlands-Indië zeer ernstige vormen had aangenomen. 

Was hij in Nederland gebleven, dan zou de patiënt er minder slecht aan toe zijn geweest, want hier zouden ‘de eischen der Europeesche samenleving en voornamelijk de eisch van beroepskeuze’ een matigende uitwerking op zijn ziekte hebben gehad. Aan zijn verblijf in de tropen was het toe te schrijven, dat het met de zenuwlijder helemaal de verkeerde kant op ging. Het onderzoek dat Swart Abrahamsz had ingesteld, wees uit dat Douwes Dekker een ongevaarlijke neurasthenicus was. Doordat hij nogal tenger was uitgevallen, had de maatschappij niets van hem te vrezen. Heel anders zou het zijn geweest, als hij een atletisch type was geweest. In dat geval had men hem, in zijn eigen belang en in het belang van de maatschappij, moeten opsluiten in een krankzinnigengesticht of in een gevangenis.

Dr. Swart Abrahamsz had inderdaad bijzondere ideeën over geestesziektes die mede door het aanwezig zijn Indië versterkt zouden worden. Neem anders zijn opmerkingen over Chinezen in zijn artikel over Multatuli :

Opmerkenswaardig is het in elk geval, dat de breedgeschedelde (brachycephale) volken, zooals b.v. de Chineezen, een zeer weinig ontwikkeld voorstellingsvermogen hebben, bij groote intelligentie en krachtigen wil.

Dr. Swart Abrahamsz is nog niet helemaal klaar met Multatuli;

Voorts zijn er onzes inziens nog enige factoren, die schadelijk inwerken op het zenuwgestel van den Europeaan in Indië, en die ook bij Douwes Dekker hun invloed niet hebben gemist. In de eerste plaats werkt het klimaat verzwakkend. Is deze invloed al niet dadelijk merkbaar op het individu, dat zij op de progenituur nimmer geheel uitblijft, pleit ontegensprekelijk voor haar bestaan. Wij gelooven niet te veel te zeggen, door te beweren dat nakomelingen in het vierde geslacht van Europeanen - geheel onvermengd - in de tropen niet voorkomen. 

Waar het tegendeel verzekerd wordt is de bewering verdacht en niet te bewijzen en mocht het wèl het geval wezen, dan zijn de gevallen toch zeldzaam. Doch meestal is de schadelijke invloed wèl merkbaar bij het individu en mocht men zelf er ook niets van meenen te bespeuren, zoolang men in Indië is, dan komen de neurasthenische verschijnselen toch te voorschijn, zoodra men zich naar Europa verplaatst. Zoowel de bekende ‘apathie’ als de ‘irritabiliteit’ van onze Indische landgenooten zijn verschijnselen van zenuwverzwakking. 

Wie pas in Indië komt, herkent zijne landgenooten niet meer. Niet onaardig gaf Van Rijckevorsel den indruk, die zij op hem maakten weêr, door te zeggen, dat het hem voorkwam, als waren zij allen onder den verdoovenden invloed van morphine. Hij zou echter, bij nauwkeuriger observatie hebben ingezien, dat dit hoofdzakelijk geldt van de zoogenaamd hooggeplaatste ambtenaren, dat de ‘hommes satisfaits,’ - die in woorden en daden steeds blijken nimmer voldaan te zijn - veelal dit kenmerk vertoonen, maar dat er onder de jongeren en onder de lagergeplaatsten velen gevonden worden, die u voorkomen in een voortdurenden staat van zenuw opgewonden-heid te leven. 

Welnu, dat een zenuwstimulans onzen kalmen landaard geen minder beminnelijk aanschijn verleent, kan men aan het Indische leger waarnemen. Het Indische leger draagt een stempel, heeft een wijze van doen en laten, een bij de Hollandsche dapperheid en taaiheid gevoegd ‘élan’, dat men bij een Hollandsche troepenmacht niet zou zoeken.

Krankzinnig worden kwam ook in het oude Indië kwam regelmatig voor. Het Maleise woord amok is ook in Nederland jarenlang goed ‘ingeburgerd’ geweest. In het woordenboek staat: plotseling onbesuisd optreden, opschudding verwekken. Ofwel zomaar iemand aanvallen of willen vermoorden. Later kregen hele groeperingen de naam van amokmakers. De Nederlandse psychiaters in Indië die indertijd in de ‘krankzinnigenzorg’ werkten ontdekten ook andere ziektebeelden zoals ‘tropenkolder’ een tropische variant op de in Amerika 1869 ontdekte ziekte ‘neurasthenie’. Tropenkolder kon je krijgen door langdurig en eenzaam verblijf in de tropen. Neurasthenie behoort tot de somatoforme stoornissen

Men heeft dan lichamelijke klachten waar geen lichamelijke ziekte bij gevonden kan worden.  Tegenwoordig valt het onder de chronische vermoeidheid ziekten zoals fybromyalgie. Ziek worden in de tropen was toen ook al geen pretje. De diagnostiek was nog zeer beperkt evenals het aantal ‘behandelbare’ ziektebeelden. In de Javapost.nl schrijven Menne Bartelsman en Pieter Eckhardt een geslaagd artikel over vier psychiatrische syndromen die in Indië behandeld werden.

Voor de Europeanen waren er wel zorg voorzieningen maar voor de Indo’s en inlanders was dat een aanzienlijk minder of soms in het geheel niet. Hierbij speelde ook een rol of je een Nederlands Onderdaan was. Rond 1880 woonden er circa 60.000 Europeanen in de Indische archipel. Hoeveel Indo’s er werden geboren werd niet bijgehouden. Als een militair een syfilis  had opgelopen dan kon hij wel behandeld worden maar zijn Njai niet. 

Als de militair genezen werd verklaard dan was het advies om een nieuwe vrouw te zoeken snel gegeven. Inlandse vrouwen die syfilis hadden in de ‘sluimerstand’ gaven zonder dat zij het wisten de ziekte door aan hun nieuwe kinderen. Die werden dan ‘Tolol’ (dom, getikt). Maar er was verbetering op komst. Er klonken steeds meer protesten tegen de op uitbuiting gestoelde politiek en vanaf 1901 is het nieuwe beleid een feit.

Koningin Wilhelmina bepleit in 1901 tijdens haar troonrede de Ethische Politiek:

- Als Christelijke mogendheid is Nederland verplicht, in de Indische Archipel de rechtspositie der inlandse Christenen beter te regelen, aan de Christelijke zending op vaster voet steun te verlenen en geheel het regeringsbeleid te doordringen van het besef dat Nederland tegenover de bevolking dezer gewesten een zedelijke roeping heeft te vervullen. In verband hiermee trekt de mindere welvaart der inlandse bevolking op Java mijn bijzondere aandacht. Ik wens naar de bijzondere oorzaken hiervan een onderzoek in te stellen. Aan bepalingen ter bescherming van de onder contract werkende koelies zal gestrengelijk de hand worden gehouden. Naar decentralisatie van het bestuur zal gestreefd worden. De toestand op het noordelijk gedeelte van Sumatra zal, naar ik vertrouw, bij handhaving van het thans gevolgde stelsel tot algehele pacificatie leiden -.

Kritische geluiden waren er ook te horen vanuit Nederland maar ook uit de Europese gemeenschap in Indië. Men maakten zich zorgen over het opkomend nationalisme onder de inlanders. Stel dat zij allemaal goed onderwijs genieten! Dan zouden ‘zij’ zich wel eens tegen de Europeanen kunnen keren. De Fransen hadden ondertussen een ander systeem opgezet voor hun koloniën. ‘Meer welvaart onder de bevolking brengen door meer economische vrijheid’. Hierbij werd niet gekeken naar ras of afkomst. De Nederlanders waren echter niet van plan om deze aanpak over te nemen. Nog rond 1930 was meer dan 90% van de bevolking analfabeet. 

De nieuwgebouwde scholen werden wel steeds meer bevolkt door Indo’s. Waarvan het merendeel zich later ‘tegen’ de Nederlandse aanwezigheid zou keren. De zo geroemde Hollandse Koopmansgeest won het telkens opnieuw van de nieuwe inzichten op het gebied van de ontwikkeling van de psychologie en de Nederlandse onderwijs methoden die op de scholen in Indië werden gehanteerd gaven de Indo’s en de knappe inlandse kinderen die naar school mochten eveneens veel inzicht in de ‘geest’ van het Nederlandse denken. Het gezegde er zijn ‘kapers aan de kust’ werd goed uitgelegd in het kader van de wereldgeschiedenis. De ‘verovering’ van Indië werd als heldendaad aan de onschuldige kindertjes uitgelegd. De inlandse kindertjes leerden op hun Desaschool ook waar Hoogezand en Sappemeer lagen.

Er waren ook mensen die zich grote zorgen maakten over het gedrag van Nederland in Indië. Met name Nederlanders die Indië goed kenden en zonder racistische vooroordelen herhaaldelijk blijk gaven van de intelligentie onder de Javaanse bevolking. Een van hen was Dr. J. H. Abendanon. Jaques Henrij Abendanon was in 1852 in Suriname geboren in een joodse familie van vermoedelijk Portugees-Braziliaanse afkomst. In 1862 het zelfde jaar dat het tweede kabinet van Johann Rudolph Thorbecke was geïnstalleerd kwam Abandanon in Nederland aan. 

Het was ook het jaar dat Fukuzawa Yukichi in Nederland op bezoek was om kennis te maken met de zeden en gewoontes in Europa. Fukuzawa is later de oprichter geworden van de Keio School voor Nederlandse Studies die nu de huidige Keio Universiteit is genoemd. Abandanon is later rechter geworden in Batavia het huidige Jakarta. Door dit werk ontstond bij hem de overtuiging dat door verouderde voorschriften en rechtspreking er geen ‘recht’ aan de Javaanse bevolking werd gedaan. Abandanon bekritiseerde de misstanden en drong aan op gelijkwaardige behandeling van alle inwoners zonder onderscheid op huidskleur (Indo’s) of ras.  

Zijn vriendschap met Raden Mas Ismangoen Danoe Winoto die in latere jaren onderwijs inspecteur op Java was en met de eerste vrouwelijke inlandse die uitstekend Nederlands schrijvende Raden Adjeng Kartini zal Abandanon zeker beïnvloed hebben tijdens zijn werk na zijn benoeming tot directeur van Onderwijs, Eredienst en Nijverheid in 1900. Na zijn pensionering bleef hij nog actief vanuit Nederland als publicist van vele artikelen en heeft op de achtergrond een zeer grote rol gespeeld bij de introductie van het onderwijs in de koloniën.

Nog in 1911 nam Jaques Abandanon deel aan de First Unversal Races Congress in Londen. Een van de initiatief nemers was Felix Adler oprichter van de Ethical Culture Movement  in Amerika. Als vertegenwoordigers van de Nederlandse Ethische Politiek was er een grote groep Nederlanders aanwezig. Wereldwijd was er belangstelling geweest voor dit eerste congres. Er was ook een  vertegenwoordiging uit Japan waaronder professoren van de Keio Universiteit uit Tokio en natuurlijk was er een ook vanuit Duitsland veel belangstelling. Japan en Duitsland hadden zo hun eigen ideeën over de verschillende rassen. Dat zou pas vele jaren later  blijken uit de Duitse plannen met de joden en zigeuners. 

Rond 1911 had Duitsland veel minder koloniën dan de Britten, Fransen of Nederland. Koloniën die Duitsland allen weer zou kwijt raken door het Verdrag van Versailles uit 1919. Japan had ook geen Koloniën van betekenis behalve dan Taiwan (Formosa) van 1895 tot 1945. De Amerikanen hadden het overigens in 1910 wel op een akkoordje gegooid met de Japanners. Uit zorg tegen de Russische invloed in Korea had Amerika er geen bezwaar tegen dat Japan Korea volledig zou annexeren. Als zij Filipijns Amerika dan maar met rust zouden laten. Japan en Duitsland hebben vanaf 1930 getracht hun achtergestelde positie in te halen wat uiteindelijk zou leiden tot de tweede grote wereldoorlog van 1940 tot 1945.

Hoeveel Indo’s ofwel gemengdbloedigen er indertijd zijn achtergebleven in het huidige Indonesië is niet precies bekend. Er wordt hier en daar geschreven over enige miljoenen. Velen onder hen zullen zich niet (meer) bewust zijn geweest van hun westerse roots of waren al dusdanig in de Indonesische maatschappij geïntegreerd dat zij geen aanleiding of mogelijkheid zagen om zich alsnog Nederlander te willen voelen. Na de nationalistische oproer periode de Bersiap-periode in 1945 en nog tientallen jaren daarna was het in Indonesië ‘not done’ en zelfs levensbedreigend om je voor je voor te laten staan op gedeeltelijke blanke afkomst. 

In Nederland wonen momenteel circa 1,2 miljoen nakomelingen van wie beide ouders of grootouders of een van hen in een van de voormalige Nederlandse koloniën zijn geboren. Een steeds grotere groep van deze nakomelingen wil weten waar zij vandaan komen en wil begrijpen waarom hun ouders of grootouders zo zwijgzaam en weemoedig waren. Of soms zo onvoorstelbaar boos. 

Na de tweede wereldoorlog zijn er circa 350.000 grote en kleine mensen uit het voormalige Nederlands Indië ‘gerepatrieerd’. De hieruit voortgekomen bevolkingsgroep wordt wel de eerste generatie van de ‘succesvolle integratie van  buitenlanders’ in Nederland genoemd. Ook in Indonesië was men trots op de succesvolle integratie van de Indo’s die zelfs hun Hollandse namen veranderden. 

 angst voor vroegtijdige paring in Indië



Jeanne van der Steur-Heyligers en haar schoondochter Charlotte van der Steur-Deuning

Pa van der Steur met 8 Indo jongens rond 1906 - 
Uiteindelijk zou Pa van der Steur rond de 7000 veelal uit  gemengde 
relaties geboren kinderen in zijn opvanghuizen opnemen

kweekschool voor Inlandse onderwijzers

Hollandse meisjesschool in Indië

Een Desaschool in Indië 

Hollandse mannen na het zware werk in Indië

Dr. Swart Abrahamsz en Multatuli (Douwes Dekker)



Een ambulance in Indië

Behandel ruimte in een psychiatrisch ziekenhuis Indië

 De Herenafdeling van een ziekenhuis op Java

De Damesafdeling van een ziekenhuis op Java

Een groepje tennisspelers in een krankzinnigengesticht op Java

Inlandse patiënten in een ziekenhuis op Java aan de middagmaaltijd  


Tijdens de oorlogen op Sumatra/Atjeh vochten er behalve Inlanders ook speciaal 
uit West Afrika gecontracteerde soldaten mee. 
Het merendeel woonde in Poerworedjo en huwden veelal met Inlandse vrouwen.

1948 - Het DNA van Anton en Julie en hun eerste kindje wordt geboren

In 1947 was Amsterdam nog aan het bijkomen van de gevolgen van de tweede wereldoorlog die van 1940 tot 1945 ook een aanslag op het uiterlijk van de stad had veroorzaakt. De grauwsluier was nog niet weggepoetst door nieuwe aanplant, renovatie’s en aanvulling van ontbrekend stadsmeubilair. In de Amsterdamse Indische buurt met de zwoel klinkende namen van de vele eilanden rond Java had Julie vanaf haar fiets geen enkel aanknopingspunt gevonden met haar verleden op Java. Nergens waren er de warme tropische geuren met de gezellige multiculturele samenleving zoals Julie die had gekend in Jakarta, Bandoeng, Soerabaya, Solo en vele andere steden op Java.

De heerlijke warmte in de eerste weken van mei 1947 was voor Julie de eerste periode in Nederland dat zij zonder dikke jas naar buiten kon. Sinds haar aankomst eind november 1946 had zij het koud gehad. Het was nu anders. Julie kon met Anton aan haar zijde de stad ontdekken. Zij was met hem naar het oude Waterlooplein geweest en had met afschuw de nabij gelegen donkere muren rond de Jodenbuurt waargenomen. Anton had verteld over vrienden en soms hele families die niet meer terug waren gekomen. Julie miste haar vader waar niets over bekend was geweest. Haar moeder Charlotte kwam regelmatig met berichten over vermiste en omgekomen familie in Indië. Het zou nooit meer worden zoals vroeger. Vermisten werden doden.

Eind juni 1947 bemerkte Julie dat zij zwanger was. Was het een ongelukje? Of was het een ontzichtbaar anker wat uit was geworpen in de stugge aarde van een land wat nog door Julie veroverd moest worden. Julie zal het Anton verteld hebben. En hem aan hebben gekeken, zoekend naar een reaktie. Julie had al twee kinderen van een man die nooit meer terug zou komen. Anton was al eerder vijf keer vader geworden en was formeel nog samen met de vrouw die zijn laatste vier kinderen ter wereld had gebracht. Samen zouden Anton en Julie vanaf 1948 tot 1969 twaalf kinderen krijgen. Was het uit liefde voor elkaar? Of was het compensatie voor het verlies en het geleden verdriet in de uiterst moeilijke jaren die beiden achter zich wilden laten. De kinderen van Anton en Julie hebben later 25 kinderen (stand 2011) gekregen.

Het DNA van Julie en Anton bevat overerfde informatie die zich behalve bij Julie en Anton ook in de eigenschappen, talenten en karkatertrekken van hun kinderen en kleinkinderen zullen manifesteren. Hoog blonde kinderen en dan weer kinderen met sterk Indonesiese trekken of juist weer een mengeling van beide. Al lijken de kinderen van Julie en Anton op elkaar er zijn ook grote verschillen in persoonlijkheid waarneembaar die soms tot onderlinge botsingen en verwijderingen leiden dan wel tot tijdelijke groepsvorming met een sentimenteel karakter zoals verjaardagen of familiefeestjes. Het ziet er naar uit dat overgrootmoeder Djeminem uit Bojolali de oudste genen heeft. Toen Indië al duizenden jaren bewoond werd waren de aanstaande Europeanen nog onderweg vanuit Afrika via Egypte en toen linksaf door Turkije richting Europa. Charlotte de moeder van Julie was een kind van Casper Frederik Deuning. In 1843 in Soerakarta het huidige Solo geboren. Casper is een kind uit de 4de generatie Deuning.

De eerste Deuning is in 1728 met een VOC schip naar Batavia gekomen. En stamt af van de familie Dohna/Donin/Donyn en uiteindelijk Dohning uit Anspach Duitsland. Casper zou vanaf 1860 meer dan veertig jaar als landeigenaar en later als administrateur van suikerfabriek Tjokro Toeloeng in de suikerindustrie werken. Samen met zijn inheemse vrouw Djeminem zouden zij samen meer dan 14 kinderen krijgen in het prachtig gelegen Bojolali. De Deuning’s in Indië waren veelal planters en landverhuurders en zouden later ook als gewoon ambtenaar of bij staatsbedrijven zoals de Indische spoorwegen of de lokale trammaatschappijen werken. 

Charlotte, een dochter van Casper Frederik Deuning en Djeminem zou in 1920 trouwen met Ferdinand Pieter van der Steur. Zijn vader was Adriaan Hendrik van der Steur een marineman uit Amersfoort die enige jaren in Soerabaya zou werken als machinist en later stuurman op een van de speciale schepen waarmee de Indische overheid op opiumsmokkelaars jaagden. Adriaan zou in 1901 vanwege depressie’s opgenomen worden in een kliniek te Lawang en in 1907 scheiden van Joanna de moeder van Ferdinand. Adriaan is in 1914 onder mysterieuze omstandigheden verdronken en dood aangetroffen op het strand bij Katwijk. Hij liet opnieuw een zeer jonge zoon achter. Charlotte verloor al heel jong haar moeder Djeminem en was bijna 9 toen haar vader overleed. Ferdinand heeft na 1905 nooit meer iets van zijn vader vernomen. 

De Van Der Steurs zouden mogelijk via het zuiden van Italië als meetrekkende kathedralenbouwers rond 1500 in Nederland zijn aangekomen. Of waren het gewoonweg Hollandse vissers die goed waren in het vangen van de indertijd zo grote 'steur' vissen die in de Nederlandse rivieren te vangen waren? Adriaan Hendrik van der Steur trouwde op 6 december 1899 met een meisje Heijligers ook wel als Joanna Carolina Heyligers geschreven. Een familie van Duits-Nederlandse oorsprong die al enige generatie’s in Nederland en Indië woonden en veelal beroepsmilitairen waren. 

In Nederlands-Indië’s woonden veel Duitsers en andere buitenlanders die via het wervingsdepot in Harderwijk aan een militaire loopbaan in Indië konden beginnen. Een neef van Adriaan was Johannes van der Steur die later in Indië bekend zou worden als Pa van der Steur. Johannes heeft een aantal jaren in Harderwijk als zendeling gewerkt en aldaar besloten om naar Indië te vertrekken om zijn zendingswerk op Java voort te zetten.

De Deijmann’s (Deiman, Deyman, Deymann) worden zichtbaar in west europa vanaf circa 1200. In het gebied rond Haarlem. Al voor 1500 zijn er Deyman's betrokken bij de opbouw van de stad Haarlem. Zelfs in het huidige Mauretanië met een link naar Turkije komt de naam Deymani voor. Maar ook Deyman in Iran, Azerbeidzjan, Uzbekistan, Turkije, Bulgarije, Polen. 

De Deymann’s in west europa zouden veelal landarbeiders, handelsreizigers en soms regenten worden. De naam Deyman werd door veranderende taalspelling regels en mogelijk door (in)schrijffouten op verschillende wijze gevoerd. De Deymann’s waar Anton uit voort is gekomen kwamen uit Ter Apel Nederland en vestigden zich vanaf circa 1700 in het Duitse Eemsland gebied voorbij Klazinaveen. De textiel handelsroute die vanuit Nederland tot ver voorbij het Poolse Krakau zou lopen en aansluiting zou hebben met Azië heeft veel Deymann’s aangezet om als marskramer, wijn en textielhandelaar een graantje mee te pikken. In de steden aan de oude handelswegen vanuit Nederland tot ver voorbij Polen komt de naam Deyman voor. 

De grootvader van Anton is in het Duitse Meppen katholiek gedoopt en vermoedelijk in het nabijgelegen Haren geboren. Hij was samen met zijn broer in Meppen handelaar in wijnen en daar kwamen later naaimachines en aanverwante artikelen bij. Zij verkochten veel handel in Groningen waarna de broers besloten een nevenvestiging in Groningen te openen. Eerst in de Oude Kijk in 't Jatstraat en later in de Harmoniestraat. Hij zou rond 1875 in Groningen trouwen met een meisje Koets die weer banden had met de Amsterdamse fournituren en knopen familie Koets in de Utrechtsestraat in het pand waar zich nu Boekhandel Veenstra bevindt. 

Hun zoon (mijn grootvader dus) was een ‘lastpost’ en werd op 15jarige leeftijd door zijn Groningse ouders naar de toenmalige Zeevaartschool in Leiden gestuurd. Na zijn opleiding werd hij in Den Helder geplaatst. Hij zou in 1901 trouwen met een meisje uit de Van Wolferen tak die al eeuwen in de buurt van Den Helder woonden en veelal vissers en jutter’s waren. De vader van Anton werd ondanks zijn vele dienstjaren bij de marine vaak gedegradeerd vanwege ernstig alcoholmisbruik. Het huwelijk tussen de grillig aangelegde Anton senior en zijn vrouw Helena zou in een scheiding eindigen.

De 12 kinderen van Julie en Anton hebben aldus Indonesies-Duits-Nederlands bloed met mogelijk een snuifje bloed uit Perzië. Mocht het zo zijn dat de oorsprong van de Deyman's nog verder gaat dan zuid-slavische volkeren, Turkije en zelfs in Iran ligt dan zou dat geen verbazing wekken als men de fysieke en emotionele kenmerken van Anton en zijn kinderen vergelijkt met de volkeren die men daar aantreft.   
Er wordt door sommige van de kinderen verondersteld dat er Joods bloed in de familie aanwezig zou zijn maar daar zijn (nog) geen aanwijzingen voor. Veel Deymann’s bereisden de internationale textiel handelsroute en er kan natuurlijk van alles onderweg gebeurd zijn. Het merendeel van alle  familie’s was rooms katholiek en bepaald niet calvinistisch ingesteld. 

Een opvallend groot aantal familieleden had en heeft tot op vandaag een vrij beroep of geeft daar de voorkeur aan. Vaak gelieërd aan het onderwijs en/of creatieve beroepen. Julie en Anton hebben met elkaar gemeen dat hun beider vader het gezin verliet rond hun twaalfde levensjaar. Voor de verlaten moeders heeft dat tot soms grote economische en emotionele problemen geleid. Julie en Anton hebben zich hierdoor onvoldoende kunnen identificeren met de ‘vaderrol’. Vervolgens hebben Julie en Anton de grote economische crisis 1929 – 1935 meegemaakt. Waarbij opgemerkt kan worden dat Anton bijna 7 jaar oud was toen de eerste wereldoorlog voorbij was en indertijd opgroeide in een dijkhuiswinkeltje aan de levendige haven van een ‘gemobiliseerde’ marinestad.

Julie heeft de problemen die door de werkeloosheid van haar vader ontstonden van zeer dichtbij meegemaakt. De toenemende verwijdering tussen haar vader en moeder was een pijnlijk proces voor Julie. Moeder Charlotte wilde onder geen beding Indië verlaten voor een onzekere toekomst in India of de Philipijnen waar wel voldoende werk was in de suikerindustrie voor vader Ferdinand. Toen Julie’s vader naar India was vertrokken raakte haar moeder emotioneel geblokkerd en uitgekeken op haar twee kinderen. Julie en haar broer werden steeds vaker ondergebracht in pleeggezinnen zodat moeder Charlotte haar handen vrij had om werk aan te nemen maar ook om vriendschappen met mannen aan te gaan. In 1936 werd door de rechtbank in Batavia de scheiding uitgesproken maar hun relatie was al in in 1933 voorbij geweest. Anton groeide in de puberteit op op zonder vaderfiguur, evenals Julie. Julie heeft zich door de omstandigheden rond haar vader en moeder ook niet voldoende kunnen identificeren met de ‘moederrol’.

De jaren ‘20 kenden weliswaar economische voorspoed maar daar kwam vanaf 1930 een einde aan. Nederland en Nederlands-Indië werden zwaar getroffen door grote werkeloosheid en nieuwe armoede. Nadat Anton in Den Helder zijn MULO diploma had gehaald vertrok Anton in 1928 met zijn moeder Helena naar Aalsmeer. Hij werd ingeschreven op de lagere Rijks Winter Tuinbouwschool en studeerde daar tuinbouw en bloementeelt. Na twee jaar was Anton gediplomeerd tuinman en was daarnaast zeer aktief bij de NJN ofwel de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie. Eind 1933 trouwde de eenentwintigjarige  Anton met Truus Bosma en opende een kantoorboekhandel in Den Helder. Hun enige zoon Warner werd op 16 juni 1934 geboren. Hun echtscheiding werd op 3 december 1936 uitgesproken. Truus zou later hertrouwen met de schrijver Antonie van Kampen die zijn stiefzoon Warner de naam Warry van Kampen zou geven. 

Door de moeilijke economische situatie en het zoeken naar werk zou Anton tot 1940 zeer vaak verhuizen. Anton trouwde toen voor de tweede maal. Hun eerste kind Karel was reeds in 1938 ‘buitenechtelijk‘ geboren. Ook dit huwelijk eindigde in een zeer moeizame echtscheiding die  in 1951 uitgesproken zou worden en zou grote emotionele gevolgen voor de inmiddels vier kinderen hebben. 

Julie en Anton hebben beiden de tweede wereldoorlog intens en van zeer dichtbij meegemaakt. Een oorlog die zich afspeelde in de zeer verschillende culturen waarin Julie en Anton opgroeiden en volwassen werden. Met ervaringen die zo verschillend waren waardoor onderlinge uitwisseling over de persoonlijke ervaringen en gebeurtenissen niet altijd op wederzijds begrip of ‘aanvoelen’ kon rekenen. De twaalf aanstaande kinderen waren zeker niet gepland maar er werd kennelijk weinig moeite gedaan om géén kinderen te krijgen. Julie wilde  ieder kind wat zich aankondigde altijd met liefde ontvangen. In hoeverre Anton al zijn kinderen (17 of waren er meer?) heeft gewenst is wat hem betreft onuitgesproken gebleven. Door welke speling van het lot Julie en Anton zijn samengebracht is een boeiende vraag. 

De eerste twee huwelijken van Anton werden voltrokken met twee struise Hollandse vrouwen die beiden uit de geboorteplaats van Anton kwamen. Anton had altijd veel ‘sjans’ gehad in de danszaal van het Carlton Hotel en tijdens het Thé Dansant in tearoom-restaurant Formosa, waar oudere dames jonge heren konden huren. Anton werd ook wel de Cary Grant van de Kalverstraat genoemd. Julie was met haar kleine ranke gestalte en haar zwart golvende kapsel een exotische tegenstelling waaraan de sporen uit de Gordel van Smaragd goed te zien waren. Julie had altijd grote bewondering voor de zwoele maar pittige amerikaanse filmactrice Joan Crawford gehad, die als kind ‘Billie’ werd genoemd. 

Het eerste dochtertje van de Amsterdamse Cary Grant en Joan Crawford werd in januari 1948 geboren.


1857 - Toen de Deuning's nog Deunin waren in Nederlands-Indië
Deunin - Donin -


De 'Duitscher Deunin' (g) werkte als militair in Fort Vastenburg te Solo

1996 - Julie herinnerde zich de oude verhalen over haar Duitse familie 
van haar moeders-zijde en begon aan een Engelstalig boek. 
Het bleek dus Deunin van Dönin van Donin te zijn.


rond 1900 - Sheikh Sidy Ahmed Ibn Ismouhou Deyman uit Mauretanië
zijn lijn gaat via Konya terug naar Tabriz in Iran. Hij was een Soefi

Rond 1880 - Een van de Deymann's uit het geslacht Deymann 
  regio Meppen, Xanten en Wesuwe in Duitsland

De Deymann's hadden ook een drankje 
de suiker kwam veelal uit Nederlands-Indië


1948 - Anton en Julie zijn tot aan de komst van de televisie in de 
Nederlandse huiskamers fervente film liefhebbers geweest. 
Anton luisterde ook veel naar de radio 
en kocht zijn eerste TV in 1959 

De korte filmpjes geven een indruk van het Amsterdam 
van Anton vóór dat hij Julie leerde kennen.

Joan Crawford, Julie, Cary Grant en Anton

Anton en Julie gingen vanaf hun kennismaking in 1947
vaak naar de Amsterdamse bioscopen.



1947 Joan Crawford in Daisy Kenyon

1947 Cary Grant in The Bishop's Wife

Vier Nederlandse speelfilms die veel stof op lieten waaien.

Max Havelaar,

Soldaat van Oranje,

Oeroeg en

De gordel van smaragd

Julie was in de periode 1939 - 1940 zangeres. 
Zij trad op in Soerabaja op onder de naam Mona Banister. 
Er was met name op Java een intensief uitgaansleven. 
De vele bioscopen bezoeken en 
daarna gaan 'dansen' was zeer populair.

Op de foto Esmée de la Bretoniére als Ems.

Peter Faber en Sacha Bulthuis in Max Havelaar (1976) 

Rutger Hauer en Belinda Meuldijk in Soldaat van Oranje (1977)

Oeroeg film naar het boek van Hella S. Haasse (1993)

De gordel van smaragd met Esmée de la Bretoniére met Pierre Bokma. 
Deze film zou veel meer emoties en kritiek oproepen dan bijvoorbeeld de 
Soldaat van Oranje film of Oeroeg en Max Havelaar. 

De interpretatie van regisseur Orlow Seunke die in Jakarta is gaan wonen en werken, 
en de gevoeligheden rond de koloniale geschiedenis zorgden voor 
heftige discussies en zelfs afwijzing van de film. 
Het is de eerste grote Nederlandse speelfilm waar de soms innerlijke 
verscheurdheid van de Indo-Europeaan breed uitgelicht wordt.







1947 Indonesië - verweesde kinderen in een republikeins kamp op Java 
waar Julie nog maar kort vandaan was gekomen

1947 Java - Dit kind heeft het niet gered in het Adak kamp

1946 Java - De oom van Julie heette Pa van der Steur. 



De broer van Julie heeft jarenlang op zijn Instituut "Oranje Nassau Stichting' gewoond. 
In 1946 was er van het werk van Pa van der Steur niet veel meer over. 
In de voorgaande jaren had Pa met zijn medewerkers 
meer dan 7000 kinderen opgevangen.
Toch werd zijn werk voortgezet

Het merendeel van deze kinderen had een Indo-Europese achtergrond
Op de foto verlaten 'Steurtjes' in 1946