Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of begin 2018

Boyolali en Julie, een Indisch meisje eind 2017 of  begin 2018
Posts tonen met het label Semarang. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Semarang. Alle posts tonen

DNA 4 Charlotte Henriëtte Deuning - Heilige Antonius, beste vrind, maak dat ik m’n sleutels vind


De moeder van Julie werd in 1896 in het grote huis op Tjokro geboren. Zij was het dertiende kind van Casper en Djeminem Deuning. Charlotte overleed in  Deventer 1979. Mama waar is oma Charlotte eigenlijk opgegroeid? Julie antwoordde: ‘ergens bij de nonnen in de buurt van Magelang’. Nonnen? Wat voor nonnen? Meer kregen wij niet te horen. Het boterde nooit echt goed tussen Julie (1920) en haar moeder Charlotte. Julie kon zich mateloos ergeren aan het soms lethargische en dan weer uitgelaten en dweepzieke gedrag van Charlotte. Charlotte zou haar hele leven in tweestrijd leven. 

Zwevend tussen streng gelovig en dan weer het ultra rechtse nationalistische gedachtegoed omhelzend. Voor het koningshuis had zij groot respect. Julie vond haar moeder racistisch en Charlotte zou een voorstander zijn van rassenverbetering zijn geweest. Julie vond dat er eigenlijk niets ‘te verbeteren’ viel aan de mens. Waar je werd geboren en hoe je er dan uitzag was je lotsbestemming. Dat moest je volgens Julie gewoonweg maar accepteren. 

Voor Charlotte lag dat kennelijk anders. Die kreeg van jongs af aan te horen dat zij als Indo meisje minderwaardig was en bij het ‘vertrapte ras’ zou horen. En dat zij twee keer harder moest geloven, bidden en werken om die door het lot bepaalde achterstand weg te kunnen werken. Maar hoe doe je dat als je als laatst geborene van dertien kinderen in een weeshuis voor inlandse meisjes wordt opgeborgen bij Hollandse Zusters met klinkende namen zoals Zr. Aloysa, Zr. Florida, Zr. Ernestine en Zr. Jovina?

Wie de verhalen over Casper Frederik Deuning heeft gevolgd, heeft de vader van Charlotte enigszins leren kennen. Charlotte heeft nauwelijks de kans gekregen om háár ouders te leren kennen. Moeder Djeminem overleed toen Charlotte twee jaar oud was en een maand voor haar achtste verjaardag overleed Casper. Als je al zo jong je ouders verliest dan is dat de ideale voedingsbodem voor een hechtingsstoornis. De oudere broers en zusters van Charlotte waren nog zeer jong werkten verspreid over Midden-Java en waren soms net getrouwd. Er zal bij hen geen opvang voor Charlotte geweest zijn. 

De Deuning’s waren katholiek en er werd voor Charlotte een plaatsje in het Semarangse Zusters Franciscanessen internaat/weeshuis voor meisjes gevonden. Enige jaren later werden Charlotte en een groepje leeftijdgenoten naar Mendoet verhuisd. De Inlandse Lagere School veranderde in een H.I.S. een Hollands Indische School. De Zusters maakten hierbij goed gebruik van de ruime subsidies die beschikbaar waren gekomen om het onderwijs aan inlanders te bevorderen. Uiteindelijk zou Charlotte het Huishoudschool diploma behalen en zich bij haar broer Reinier voegen die werkzaam was op een suikerfabriek in Poerworedjo. Reinier was voorbestemd om ‘suikerman’ te worden. Net zoals zijn vader en oudere broers dat hadden gedaan.

Het nieuwe weeshuis voor inlandse meisjes van de Zusters Franciscanessen groeide zo voorspoedig dat er rond 1912 ook een oefenschool voor aanstaande inlandse onderwijzeressen geopend kon worden. Charlotte zal blij geweest zijn met haar vertrek naar Mendoet. Niet vanwege de nabijheid van de Borobudur en de vele Hindoestaanse tempels in de wijde omgeving maar omdat haar twee jaar oudere broer Henri al jaren op minder dan acht kilometer afstand bij de Paters Jezuïeten. 

Henri woonde al enige jaren op het terrein van het door Pater Franciscus van Lith in 1906 gestichte Xaverius College in Moentilan. Een dorpje aan de weg van Magelang naar Yogyakarta. De afslag nemend naar Moentilan en dan doorrijdend kwam je van zelf in Mendoet. Het huidige Mendut. En Moentilan heet nu Muntilan.

Voor veel mensen die de Japanse bezetting van Indië tussen 1942 en 1945 hebben meegemaakt heeft de plaats Moentilan en Mendoet een volstrekt andere betekenis. Het ruim opgezette scholencomplex binnen de overal heersende tropische bomen, planten en bloempracht en omringd door riviertjes en oude tempels werd evenals het veel kleinere instituut van de Zusters in Mendoet gebruikt om de nonnen, paters, broeders en later burgers te interneren. 

Op de pagina’s van de Indische Kamparchieven kan men meer informatie vinden. Een bijzonder dagboekverslag met een beschrijving van het kampregime kan men via deze link lezen. Tegenwoordig worden de gebouwen gebruikt als ‘Van Lith Senior High School’. De schoolgebouwen van de Zusters in Mendoet zijn in 1948 door opstandige nationalisten volledig verwoest . Alleen de toegangspoort is overgebleven. Een zeer bijzondere man was bisschop Petrus Johannes Willekens die de Japanse bezetter trotseerde door demonstratief door Batavia te blijven fietsen om mensen te helpen.

De nieuwe schoolgebouwen en kerk werden op nog geen honderd meter van de rivier de Elo gebouwd. Honderd meter terug aan de overkant van de kerk en op een groot open veld staat de indrukwekkende Tjandi van Mendoet. Als je er boven op zou mogen klimmen dan zou je in een rechte lijn de Tjandi Pawon en daarna de Borobudur zien liggen. Deze wonderbaarlijke en mystieke omgeving met gebouwen die meer dan duizend jaar oud zijn moesten kennelijk opgeschud worden door de Kerk en Staat. Jezuïet Pater Hoevenaar was al in 1899 naar Mendoet vertrokken omdat hij een groot voorstander was van het kerstenen van de laagste klasse. 

Door de opkomst van de islam vanaf het begin van de 15e eeuw verdween het Boeddhisme naar de achtergrond. De omgeving rond de Borobudur was kennelijk nog relatief islam vrij en bood de Paters Jezuïeten en Zusters Franciscanessen kennelijk voldoende ‘werk & leefruimte’ om hun geloof uit te dragen. Het helpt dan enorm als je gratis onderwijs in mooie gebouwen kan leveren aan de indertijd zeer verpauperde bevolking die weliswaar een grote bijdrage aan de winsten leverden die het cultuurstelsel en later de ethische politiek hadden bedongen.

Charlotte met haar kleine en donkere gestalte zal door haar soms wat apathische uitstraling en flegmatische (Indo) gedrag. Menig zwart/wit geklede Zuster flink kwaad gemaakt hebben. Lijfstraffen waren ook bij de Zusters niet ongewoon en Charlotte paste niet zo in het opportunistische toekomst perspectief wat die de Zusters voor hun leerlingen hadden. Anderzijds waren de leerlingen waarvan het merendeel geen ouders had volledig aan de macht en willekeur van de Zusters overgeleverd. 

De Zusters waren er zeer op gebrand inlandse onderwijzeressen en zo mogelijk ook nieuwe Zusters op te leiden. Charlotte was een kleine soms onwillige leerling die regelmatig uren lang met haar blote knieën op de koude tegels naar de binnenmuur van het klooster mocht kijken. Later in het Nederland van de jaren vijftig paste Charlotte deze straf ook toe op sommige van haar kleinkinderen. 

Op zon en feestdagen zal er tijd geweest zijn om naar het zich immer uitbreidende Moentilan te begeven. Daar woonde haar twee jaar oudere broer Henri met wie Charlotte een nauwe band zou ontwikkelen. Henri deed het kennelijk goed op school. Hij overwoog zelfs om pater te worden en was jarenlang novice. Of Henri daadwerkelijk broeder en later pater is geworden is onbekend. Over zijn broers Charles, Georgius en Reinier is enige informatie bekend. 

Henri Theodorus Albertus Deuning was getuige op 25 januari 1921 bij de inzegening van het huwelijk van Charlotte met Ferdinand Pieter van der Steur. De inzegening heeft plaats gevonden in het kerkje of gebedsruimte van Djenar (Jenar) dicht bij suikerfabriek Poerworedjo. Pater J.J. Hoevenaars heeft hen getrouwd. Het was een oude bekende van Charlotte en Henri uit hun schooljaren in Moentilan.

Charlotte heeft na haar examen het meisjesinternaat verlaten en een werkkring gevonden in de huishouding van directie van S.F. Poerworedjo een van de grootste en succesvolste suikerfabrieken op Java. Het grote woonterrein was te vergelijken met een klein dorp met inwoners uit alle lagen van de bevolking. In de fabriek en op de terreinen werkten eveneens de nazaten van de uit Afrika afkomstige KNIL soldaten die zich vermengd hadden met inlandse vrouwen. 

Het zal voor Charlotte een bevrijding zijn geweest. Tegenover tien jaar strak dagregime in Mendoet; opstaan, bidden, ontbijten, huishoudelijke taken, schoollessen, huishoudelijke taken, middagmaaltijd en kleine pauze, huishoudelijke taken, avondeten, avondgebed, slapen. En bij gelegenheid bezoekjes aan haar broer Henri en ander uitstapjes. 

In Poerworedjo had Charlotte een eigen kamer, veel inlandse bedienden die meehielpen in en om het grote huis van de blanke mevrouw en de mijnheer.  Charlotte was betrokken bij het begeleiden van de blanke kinderen van mevrouw en mijnheer én had meer vrijheid een klein salaris en vrije dagen die haar de mogelijkheid gaven familie te bezoeken en soms uit te gaan in het nabijgelegen Poerworedjo. 

De leuke jonge blanke en Indo mannen die op de verschillende afdelingen aan het werk waren en knipoogden naar Charlotte zullen haar na de jaren van strenge controle op zedelijkheid en goede manieren goed hebben gedaan. Toch zal het gevoel van verlatenheid en minderwaardigheid Charlotte niet hebben los gelaten. De Zusters hadden haar goed laten weten dat zij inferieur was aan het blanke ras en dat zij daarom altijd een 'dienende' functie zou hebben.

Na het huwelijk van Charlotte kwam er opnieuw een dominante blanke vrouw in het leven van Charlotte. Haar Hollandse schoonmoeder Jeanne Heijligers, kwam na de geboorte van het tweede kind van Charlotte in huis wonen. Al na enige maanden had Jeanne de leiding overgenomen. En weer was er iemand in het leven van Charlotte die haar vertelde hoe zij hij leven in moest richten en haar tevens het gevoel gaf van een ‘mindere klasse’ te zijn. Ferdinand haar echtgenote vond het juist fijn dat zijn moeder in huis was komen wonen. Moeder las veel boeken, luisterde samen met Ferdinand naar de radio en operamuziek. Moeder bracht een cultuur mee waar Charlotte nooit weet van had gehad. 

Het boek wat Charlotte het best kende was de bijbel en daarnaast de door de Zusters indertijd toegestane stichtelijke lectuur. Jeanne kocht nooit geneeskrachtige kruiden en ging niet naar de Doekoen. Jeanne ging naar een échte dokter. Jeanne geloofde niet in de oude Javaanse sagen en legenden. Terwijl Charlotte juist genoot van de enge, gefluisterde verhalen van de Baboe of het wasmeisje en de tuinjongen. Charlotte voelde dat de kinderen haar langzaam afgenomen werden en had moeite met het kwikzilver gedrag van Julie en het aan haar rokken hangen van kleine Boy.

Pas in 1928 ging Jeanne weer uit huis om afwisselend in Soerabaja of Bandoeng te wonen bij haar succesvolle zus en broer. Na lang daarna begonnen de economische problemen binnen de suikerindustrie. Ferdinand en Reinier de broer van Charlotte waren actief in de suikerbond en veel van huis. Na 1930 raakte de wereldwijde financiële crisis ook het gezin van Charlotte. De prijzen stegen terwijl de suikerinkomsten bijna stil vielen. In 1931 werd ook Ferdinand ontslagen. 

De suikerfabriek werd voor weinig verkocht en meer dan de helft van de medewerkers moesten het terrein verlaten. Ook Charlotte en Ferdinand. Zij woonden enige tijd in Sragen terwijl de kinderen naar de Europese School konden. Maar ook dat werd te duur en in 1932 vertokken zij naar een zeer kleine arbeiderswoning aan de rand van een kampong in Bandoeng. Charlotte was diep  teleurgesteld en was niet echt blij met het plan van Ferdinand om op de Filippijnen aan het werk te gaan als manager op een suikerfabriek. 

Ferdinand nam de job aan voor zijn gevoel had hij geen andere keuze. Na een jaar kwam hij terug en vond behalve Charlotte ook een ‘half-Indische kaartlegger’ (schrijft Julie aan haar broer in 1999). Er is ruzie en het wordt bijgelegd. Charlotte en Ferdinand zijn samen naar Calcutta afgereisd en woonden in Allahabad waar Ferdinand ’s morgens met de trein en later met de auto naar de suikerfabriek in Jushi vertrok om 's avonds laat weer thuis te komen. Charlotte voelde zich diep ongelukkig had moeite met de taal en voelde zich niet geaccepteerd door de stijve Engelsen en de kleurrijke Indiërs.

Ferdinand daarentegen vond het geweldig dat zijn inzet en kennis hogelijk werden gewaardeerd. Ferdinand had een carriere stap gemaakt waarvan hij in Nederlands-Indië niet had durven dromen. Hij was ‘general manager’ van een suikerfabriek. Een positie die in Indië alleen voor in Nederland gestudeerden was weg gelegd. Na enige maanden reisde Charlotte alleen en gedesillusioneerd terug naar Indië. Terug in Bandoeng trok Charlotte met beide kinderen in bij haar zus Suus die een pension aan de Engelbert van Bevervoordeweg nr.4 dreef. Charlotte nam een baan aan bij familie de Block. Een woonhuis met een grote wasserij aan de Merdikaweg. Na enige maanden kreeg zij een verhouding met eigenaar Frans de Block (geboren in de Haarlemmermeer en in 1915 naar Indië vertrokken). 

Er was geen plaats voor de twee kinderen. Julie werd ondergebracht bij schoolvriendinnetje Nel Chevalier en Boy werd door Charlotte naar het kinderhuis van Pa van der Steur gebracht. Hiermee liet zij vooral Ferdinand voelen dat door hém het gezin uiteen was gevallen. Dat Charlotte zich nooit écht heeft kunnen hechten aan haar echtgenoot en kinderen zal alles te maken hebben met het verlies van haar ouders en de opvoeding bij de Zusters. In hoeverre Charlotte haar hechting problemen heeft overgedragen aan haar twee kinderen en kleinkinderen weten we nog niet zeker. De wetenschap is er nog niet uit of hechtingsstoornisen erfelijk zijn. 

Frans de Block was een forse Hollandse man. Een dominante man, die ook Charlotte lid van de Indische NSB maakte. In Nederland was de NSB bekend om hun nationaal socialistische sympathieën met het gedachte goed van Adolf Hitler en zijn Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij. Charlotte had geen tijd meer voor de kinderen. Zij was druk in de wasserij en liep mee in de NSB optochten met een bruin hemd en haar arm uitgestrekt omhoog. Julie en haar schoolvriendin zagen Charlotte lopen tijdens een optocht. ‘Kijk mijn moeder’: zei Julie geschrokken tegen Nel.

Was het vanwege het verlies op zeer jonge leeftijd van haar beide ouders en de liefdeloze opvoeding bij de Zusters die Charlotte zo weinig flexibel en ontoegankelijk hadden gemaakt. Kan het minderwaardigheidscomplex van Charlotte te maken hebben met haar Indo achtergrond. Zij was geen Javaanse en zij was geen Hollandse. Zij sprak accentloos Hollands en kende al jong alle belangrijke steden in Nederland. Zij had leren bidden en schreef in sierlijke schrijfletters: ‘Onze Vader, laat toekomen Uw Rijk ook voor ons, arme Javanen’

Maar ondanks de Zusters voelde Charlotte zich geen arme Javaanse. Door haar relatie met Frans de Block was Charlotte weer de mevrouw die zij zo graag wilde zijn. De Indische NSB vond de benaming Indo-Europeaan maar niets. Zij spraken liever over “Indische Nederlanders” – “zijnde van westerse cultuur” hiermee werden de Indo’s en volbloed Nederlanders gelijkgesteld. Nadat duidelijk werd dat de NSB in Nederland de ideeën van de Nazi’s ondersteunenden die sex met andere rassen verbood nam de populariteit van de NSB in Indië met rasse schreden af. 

Charlotte en Frans de Block zijn nooit getrouwd. Frans werd in 1942 geïnterneerd en zou in een kamp overlijden. Omdat Charlotte kon aantonen dat zij meer dan 75% Javaans bloed had kon zij zonder problemen buiten de interneringskampen blijven. Er bleef haar niets anders over dan de wasserij van Frans de Block voort te zetten. Julie heeft nog korte tijd bij haar gewoond in 1942 maar moest met achterlating van haar twee zeer jonge kinderen vluchten voor de Kempeitai. In het najaar van 1945, tijdens de nationalistische opstand (Bersiap) werd de wasserij door rebellen in brand gestoken. Tijdens de bezettingsjaren had Charlotte ook voor de Japanse militairen en ambtenaren hun was en het stoomwerk verzorgd. Charlotte verloor al haar bezittingen en verbleef met kleinkind Billy enige maanden in een opvangkamp.

Julie heeft haar in augustus 1946 gevonden en er voor kunnen zorgen dat Charlotte ook mee kon naar Nederland in oktober 1946. Charlotte was vijftig jaar oud. En woonde na verloop van tijd bij haar drie oudere zussen in de Den Haag. Charlotte werd ‘Toet’ genoemd. Afgeleid van de Balinese naamgeving. Daar wordt het vierde kind ‘Ketut’ genoemd. Alle andere broers en zusters waren immers in Indië overleden. Behalve de vier Indische tantes in Den Haag, waarvan er eigenlijk duizenden waren. De ‘weduwe van Indië’ zong totok meisje Wieteke van Dort. Charlotte riep graag beschermheiligen aan als zij iets kwijt was, dat had Charlotte in Mendoet geleerd. 

Toch hebben de Zusters in Mendoet hun werk niet echt goed gedaan. In het Indisch bejaardenhuis in Deventer voelde Charlotte zich niet altijd ‘senang’. Zij vond niet alle bewoners (veelal Indo’s) betrouwbaar en had weinig sociale contacten. Ook de Pastoor, de Dominee en zelfs de joodse Rabbi hadden haar niet kunnen geruststellen toen haar einde naderde. Charlotte zal twijfelend aan de vóór het sterven nog gesloten hemelpoort hebben gestaan. Ik hoor het oma Charlotte nog vertwijfeld uitroepen.... Heilige Antonius, beste vrind, maak dat ik m’n sleutels vind”. 

Instituut Zusters Franciscanessen

 Een 'gemengde' meisjes klas in Indië

A.s. onderwijzeressen opgeleid door de Zusters Franciscanessen


De omgeving van Mendoet - Mendut

1910 Tjandi Mendoet heet nu Candi Mendut

1910 In de Tjandi van Mendoet

Pater Frans van Lith met Henri -

'Onze Vader, laat toekomen Uw Rijk ook voor ons, arme Javanen’









1931 De weg naar Tjandi Mendoet - 
links het Franciscanessen klooster


1945 Augustus na de Japanse overgave verlaten 
de gevangenen kamp Moentilan 
http://nla.gov.au/nla.pic-an833803.


2008 De poort naar het voormalige Mendoet complex


Charlotte Henriëtte Deuning

Zenuwzwakte en racisme en Ferdinand wordt verliefd op Charlotte in Nederlands-Indië


‘Zo leuk was het allemaal heus niet geweest’ hierbij doelde Julie op de grote groepen oud-Indiëgangers en Indo’s die na de tweede wereldoorlog dus vanaf 1945 naar Nederland waren gekomen, en die volgens Julie aan ‘verheerlijking’ deden. De geschiedenis van Julie is door haar relativerende geslotenheid en stille verdriet incompleet. De foto’s en andere afbeeldingen uit het oude Nederlands-Indië zijn ‘momentopnamen’ van een tijd die al weer lang achter ons ligt. Beelden van grote huizen met ruime terrassen omgeven door tropische planten. Met poserende volwassen en kinderen in tropenkleding met soms een aantal inlandse bedienden die zijdelings op de foto staan en wat onzeker kijken. 

Julie had een blanke grootmoeder en grootvader van de kant van haar vader. Het enige kind van haar grootouders was haar blanke vader. Julie had een vader die in Soerabaya op Haagse wijze werd opgevoed en naar de Hollandse lagere school en de Hollandse HBS beiden in Soerabaya werd gestuurd. Als hij na school naar huis kwam was er zijn lieve baboe die hem als kind jaren lang waste en naar bed bracht. En hem fijne hapjes toestopte die zijn moeder verbood. De lieve en warme baboe was zo anders als zijn strenge en afstandelijke moeder. De baboe van Ferdinand kon lief troosten. 

Toen Ferdinand ver van zijn moeder en baboe aan zijn eerste baan begon als negentien jarige assistent-machinist op een suikerfabriek in Poerworedjo werd hij al snel verliefd op de vier jaar oudere Charlotte. Een halfbloed meisje met de warme melancholische maar troostende uitstraling van zijn baboe en die net zo accentloos Nederlands sprak als zijn moeder. 

Twee maanden na de geboorte van hun eerste kindje Julie, trouwden zij heimelijk en zonder groot feest in het huis van de assistent-resident niet ver van het station van Jenar. De moeder van Ferdinand was niet aanwezig, zij was woedend en diep verdrietig geweest. Haar énig kind was gevallen voor een meisje uit de lagere rangen. Dat gaf toch geen stand, en wat zou men in Holland wel niet denken.  

Die mooie oude Tempo Doeloe beelden die in menig boek over het oude Indië te vinden zijn en zo gekoesterd worden. Beelden die zelden de kleine en grote waarheden aan het licht brengen rond de discriminerende en racistische opvattingen en de daarbij bedachte wetten die de koloniale overheersers de inlandse bevolking oplegde. 

Er waren drie soorten wetten: Voor de Inlanders,  voor de nieuwe ‘tussenlaag’ die Indo’s werden genoemd en voor de Europeanen c.q. Nederlanders. De rechtspositie van de Indo’s zou pas vanaf 1898 enigszins verbeterd worden. Vanaf de VOC periode begin 1600 werden er al gemengdbloedige kinderen geboren o.a. door het grote gebrek aan blanke vrouwen. In een later stadium zouden deze kinderen zich weer mengen met andere halfbloed kinderen of anders met een Hollander of een inlander. 

Het Indo zijn komt dus voor in vele varianten. Julie werd geboren uit een blanke vader en een halfbloed moeder maar zag er desondanks zeer Indisch uit. Al jong werd haar voorgehouden dat zij ‘anders’ was en zich vooral zeer Hollands diende te gedragen. Door haar zeer Indische uitstraling kon Julie zich tijdens de Japanse bezetting relatief onopvallend in verschillende steden op Java min of meer schuil houden. Eenmaal in Nederland aangekomen eind 1946 werd Julie er bijna dagelijks aan herinnerd dat zij Indisch was, dus anders. Of zij Nederlands sprak (begreep) en kon schrijven werd haar vaak gevraagd. 

Het verhaal rond Julie noteren is als een dwaaltocht door een ver verleden waarin kleine en grote gebeurtenissen voortdurend nieuwe consequenties lijken te hebben, niet in het minst voor het opslagvermogen in het DNA van Julie en haar kinderen en kleinkinderen. Ouderwetse uitspraken zoals ‘je neemt er wat van mee’ of ‘je houd er wat aan over’ krijgen weer betekenis. Julie en haar nakomelingen komen immers voort uit gemengde relaties. De moeder van Julie heet Charlotte Deuning en háár moeder was een Javaanse uit de kraton van Yogyakarta en geboren rond 1855. Bezien met de toenmalige westerse ideeën over de ‘Inlanders’ moet mijn overgrootmoeder primitief, infantiel en ook ‘niet goed snik’ zijn geweest. 

De in Solo (Soeracarta) geboren overgrootvader van Julie, Casper F. Deuning (1841) was ook niet helemaal van het zuiverste bloed en zou daardoor niet op kunnen klimmen op de maatschappelijke ladder om bijvoorbeeld hoofdambtenaar te worden. Hij bracht het tot administrateur van de Suiker Fabriek Tjokro Toeloong in de buurt van Klaten. De beste posities waren immers gereserveerd voor Hollanders met 100% Nederlands bloed.

De Rotterdamse verfhandelaar Hendrik Tollens schreef in 1816 een prijswinnend en later tot volkslied verheven gedicht:

Wien Neêrlands bloed in d’âd’ren vloeit,
Van vreemde smetten vrij,

Dat  was duidelijke taal en sloot zo mooi aan op de goedburgerlijke opvattingen ter bescherming van de geldende normen en waarden om het anders zijn (dus geen Hollander) en afwijkend gedrag tot infantiel, ziek of ongewenst te verklaren. Een zienswijze die ook naar Nederlands-Indië werd geïmporteerd (en ook heden nog op nieuwkomers in Nederland als etiket wordt geplakt). 

Dat je door een verblijf in Nederlands-Indië enorm zou veranderen en ook de tropenkolder kon oplopen of ‘zenuwziek’ kon worden blijkt wel uit een artikel in de toenmalig veel gelezen “De Gids”. In het magazine verscheen in 1888 een artikel van de arts Th. Swart Abrahamsz. over Eduard Douwes Dekker. Toen al zeer bekend onder zijn pseudoniem Multatuli en schrijver van o.a. het veel gelezen boek Max Havelaar. Een geromantiseerde aanklacht tegen de uitbuiting van de Javaanse landarbeiders maar ook een aanklacht tegen de toenmalige politieke keuzes. 

Het is niet bekend of Dr. Swart Abrahamsz ooit in Nederlands-indië is geweest maar Swart Abrahamsz dacht aan te kunnen tonen dat Dekker behoorlijk ziek(er) was geworden vanwege zijn verblijf in de ‘West’. Lees eens aantal passages mee uit een van de vele lezenswaardige ‘opstellen’ van de letterkundige Jean Koene* die geven een goed beeld van de polemieken geschreven na het overlijden in 1887 van Multatuli. Het opstel uit 1997 is getiteld; ‘Een hooggewaardeerde zenuwlijder’

‘eene ziektegeschiedenis’

Na de dood van Multatuli, in 1887, werd het stilzwijgen doorbroken en barstte de kritiek los. De aanzet daartoe werd in 1888 gegeven door een neef van Multatuli, de arts Dr. Swart Abrahamsz. Die schreef in dat jaar een stuk in het tijdschrift De Gids, niet over het werk, maar over de persoonlijkheid van Multatuli. Met die persoonlijkheid bleek iets ernstigs aan de hand. Op grond van medische en ‘zielkundige’ analyse was Swart Abrahamsz tot de slotsom gekomen, dat Multatuli geestelijk niet in orde was en als gevolg daarvan niet verantwoordelijk kon worden gesteld voor wat hij deed en schreef. 

Het resultaat van het onderzoek werd gepubliceerd in De Gids onder het veelzeggende opschrift: ‘Eene Ziektegeschiedenis’. Douwes Dekker leed — volgens de diagnose van Swart Abrahamsz — aan een zenuwziekte, die ten gevolge van zijn verblijf in Nederlands-Indië zeer ernstige vormen had aangenomen. 

Was hij in Nederland gebleven, dan zou de patiënt er minder slecht aan toe zijn geweest, want hier zouden ‘de eischen der Europeesche samenleving en voornamelijk de eisch van beroepskeuze’ een matigende uitwerking op zijn ziekte hebben gehad. Aan zijn verblijf in de tropen was het toe te schrijven, dat het met de zenuwlijder helemaal de verkeerde kant op ging. Het onderzoek dat Swart Abrahamsz had ingesteld, wees uit dat Douwes Dekker een ongevaarlijke neurasthenicus was. Doordat hij nogal tenger was uitgevallen, had de maatschappij niets van hem te vrezen. Heel anders zou het zijn geweest, als hij een atletisch type was geweest. In dat geval had men hem, in zijn eigen belang en in het belang van de maatschappij, moeten opsluiten in een krankzinnigengesticht of in een gevangenis.

Dr. Swart Abrahamsz had inderdaad bijzondere ideeën over geestesziektes die mede door het aanwezig zijn Indië versterkt zouden worden. Neem anders zijn opmerkingen over Chinezen in zijn artikel over Multatuli :

Opmerkenswaardig is het in elk geval, dat de breedgeschedelde (brachycephale) volken, zooals b.v. de Chineezen, een zeer weinig ontwikkeld voorstellingsvermogen hebben, bij groote intelligentie en krachtigen wil.

Dr. Swart Abrahamsz is nog niet helemaal klaar met Multatuli;

Voorts zijn er onzes inziens nog enige factoren, die schadelijk inwerken op het zenuwgestel van den Europeaan in Indië, en die ook bij Douwes Dekker hun invloed niet hebben gemist. In de eerste plaats werkt het klimaat verzwakkend. Is deze invloed al niet dadelijk merkbaar op het individu, dat zij op de progenituur nimmer geheel uitblijft, pleit ontegensprekelijk voor haar bestaan. Wij gelooven niet te veel te zeggen, door te beweren dat nakomelingen in het vierde geslacht van Europeanen - geheel onvermengd - in de tropen niet voorkomen. 

Waar het tegendeel verzekerd wordt is de bewering verdacht en niet te bewijzen en mocht het wèl het geval wezen, dan zijn de gevallen toch zeldzaam. Doch meestal is de schadelijke invloed wèl merkbaar bij het individu en mocht men zelf er ook niets van meenen te bespeuren, zoolang men in Indië is, dan komen de neurasthenische verschijnselen toch te voorschijn, zoodra men zich naar Europa verplaatst. Zoowel de bekende ‘apathie’ als de ‘irritabiliteit’ van onze Indische landgenooten zijn verschijnselen van zenuwverzwakking. 

Wie pas in Indië komt, herkent zijne landgenooten niet meer. Niet onaardig gaf Van Rijckevorsel den indruk, die zij op hem maakten weêr, door te zeggen, dat het hem voorkwam, als waren zij allen onder den verdoovenden invloed van morphine. Hij zou echter, bij nauwkeuriger observatie hebben ingezien, dat dit hoofdzakelijk geldt van de zoogenaamd hooggeplaatste ambtenaren, dat de ‘hommes satisfaits,’ - die in woorden en daden steeds blijken nimmer voldaan te zijn - veelal dit kenmerk vertoonen, maar dat er onder de jongeren en onder de lagergeplaatsten velen gevonden worden, die u voorkomen in een voortdurenden staat van zenuw opgewonden-heid te leven. 

Welnu, dat een zenuwstimulans onzen kalmen landaard geen minder beminnelijk aanschijn verleent, kan men aan het Indische leger waarnemen. Het Indische leger draagt een stempel, heeft een wijze van doen en laten, een bij de Hollandsche dapperheid en taaiheid gevoegd ‘élan’, dat men bij een Hollandsche troepenmacht niet zou zoeken.

Krankzinnig worden kwam ook in het oude Indië kwam regelmatig voor. Het Maleise woord amok is ook in Nederland jarenlang goed ‘ingeburgerd’ geweest. In het woordenboek staat: plotseling onbesuisd optreden, opschudding verwekken. Ofwel zomaar iemand aanvallen of willen vermoorden. Later kregen hele groeperingen de naam van amokmakers. De Nederlandse psychiaters in Indië die indertijd in de ‘krankzinnigenzorg’ werkten ontdekten ook andere ziektebeelden zoals ‘tropenkolder’ een tropische variant op de in Amerika 1869 ontdekte ziekte ‘neurasthenie’. Tropenkolder kon je krijgen door langdurig en eenzaam verblijf in de tropen. Neurasthenie behoort tot de somatoforme stoornissen

Men heeft dan lichamelijke klachten waar geen lichamelijke ziekte bij gevonden kan worden.  Tegenwoordig valt het onder de chronische vermoeidheid ziekten zoals fybromyalgie. Ziek worden in de tropen was toen ook al geen pretje. De diagnostiek was nog zeer beperkt evenals het aantal ‘behandelbare’ ziektebeelden. In de Javapost.nl schrijven Menne Bartelsman en Pieter Eckhardt een geslaagd artikel over vier psychiatrische syndromen die in Indië behandeld werden.

Voor de Europeanen waren er wel zorg voorzieningen maar voor de Indo’s en inlanders was dat een aanzienlijk minder of soms in het geheel niet. Hierbij speelde ook een rol of je een Nederlands Onderdaan was. Rond 1880 woonden er circa 60.000 Europeanen in de Indische archipel. Hoeveel Indo’s er werden geboren werd niet bijgehouden. Als een militair een syfilis  had opgelopen dan kon hij wel behandeld worden maar zijn Njai niet. 

Als de militair genezen werd verklaard dan was het advies om een nieuwe vrouw te zoeken snel gegeven. Inlandse vrouwen die syfilis hadden in de ‘sluimerstand’ gaven zonder dat zij het wisten de ziekte door aan hun nieuwe kinderen. Die werden dan ‘Tolol’ (dom, getikt). Maar er was verbetering op komst. Er klonken steeds meer protesten tegen de op uitbuiting gestoelde politiek en vanaf 1901 is het nieuwe beleid een feit.

Koningin Wilhelmina bepleit in 1901 tijdens haar troonrede de Ethische Politiek:

- Als Christelijke mogendheid is Nederland verplicht, in de Indische Archipel de rechtspositie der inlandse Christenen beter te regelen, aan de Christelijke zending op vaster voet steun te verlenen en geheel het regeringsbeleid te doordringen van het besef dat Nederland tegenover de bevolking dezer gewesten een zedelijke roeping heeft te vervullen. In verband hiermee trekt de mindere welvaart der inlandse bevolking op Java mijn bijzondere aandacht. Ik wens naar de bijzondere oorzaken hiervan een onderzoek in te stellen. Aan bepalingen ter bescherming van de onder contract werkende koelies zal gestrengelijk de hand worden gehouden. Naar decentralisatie van het bestuur zal gestreefd worden. De toestand op het noordelijk gedeelte van Sumatra zal, naar ik vertrouw, bij handhaving van het thans gevolgde stelsel tot algehele pacificatie leiden -.

Kritische geluiden waren er ook te horen vanuit Nederland maar ook uit de Europese gemeenschap in Indië. Men maakten zich zorgen over het opkomend nationalisme onder de inlanders. Stel dat zij allemaal goed onderwijs genieten! Dan zouden ‘zij’ zich wel eens tegen de Europeanen kunnen keren. De Fransen hadden ondertussen een ander systeem opgezet voor hun koloniën. ‘Meer welvaart onder de bevolking brengen door meer economische vrijheid’. Hierbij werd niet gekeken naar ras of afkomst. De Nederlanders waren echter niet van plan om deze aanpak over te nemen. Nog rond 1930 was meer dan 90% van de bevolking analfabeet. 

De nieuwgebouwde scholen werden wel steeds meer bevolkt door Indo’s. Waarvan het merendeel zich later ‘tegen’ de Nederlandse aanwezigheid zou keren. De zo geroemde Hollandse Koopmansgeest won het telkens opnieuw van de nieuwe inzichten op het gebied van de ontwikkeling van de psychologie en de Nederlandse onderwijs methoden die op de scholen in Indië werden gehanteerd gaven de Indo’s en de knappe inlandse kinderen die naar school mochten eveneens veel inzicht in de ‘geest’ van het Nederlandse denken. Het gezegde er zijn ‘kapers aan de kust’ werd goed uitgelegd in het kader van de wereldgeschiedenis. De ‘verovering’ van Indië werd als heldendaad aan de onschuldige kindertjes uitgelegd. De inlandse kindertjes leerden op hun Desaschool ook waar Hoogezand en Sappemeer lagen.

Er waren ook mensen die zich grote zorgen maakten over het gedrag van Nederland in Indië. Met name Nederlanders die Indië goed kenden en zonder racistische vooroordelen herhaaldelijk blijk gaven van de intelligentie onder de Javaanse bevolking. Een van hen was Dr. J. H. Abendanon. Jaques Henrij Abendanon was in 1852 in Suriname geboren in een joodse familie van vermoedelijk Portugees-Braziliaanse afkomst. In 1862 het zelfde jaar dat het tweede kabinet van Johann Rudolph Thorbecke was geïnstalleerd kwam Abandanon in Nederland aan. 

Het was ook het jaar dat Fukuzawa Yukichi in Nederland op bezoek was om kennis te maken met de zeden en gewoontes in Europa. Fukuzawa is later de oprichter geworden van de Keio School voor Nederlandse Studies die nu de huidige Keio Universiteit is genoemd. Abandanon is later rechter geworden in Batavia het huidige Jakarta. Door dit werk ontstond bij hem de overtuiging dat door verouderde voorschriften en rechtspreking er geen ‘recht’ aan de Javaanse bevolking werd gedaan. Abandanon bekritiseerde de misstanden en drong aan op gelijkwaardige behandeling van alle inwoners zonder onderscheid op huidskleur (Indo’s) of ras.  

Zijn vriendschap met Raden Mas Ismangoen Danoe Winoto die in latere jaren onderwijs inspecteur op Java was en met de eerste vrouwelijke inlandse die uitstekend Nederlands schrijvende Raden Adjeng Kartini zal Abandanon zeker beïnvloed hebben tijdens zijn werk na zijn benoeming tot directeur van Onderwijs, Eredienst en Nijverheid in 1900. Na zijn pensionering bleef hij nog actief vanuit Nederland als publicist van vele artikelen en heeft op de achtergrond een zeer grote rol gespeeld bij de introductie van het onderwijs in de koloniën.

Nog in 1911 nam Jaques Abandanon deel aan de First Unversal Races Congress in Londen. Een van de initiatief nemers was Felix Adler oprichter van de Ethical Culture Movement  in Amerika. Als vertegenwoordigers van de Nederlandse Ethische Politiek was er een grote groep Nederlanders aanwezig. Wereldwijd was er belangstelling geweest voor dit eerste congres. Er was ook een  vertegenwoordiging uit Japan waaronder professoren van de Keio Universiteit uit Tokio en natuurlijk was er een ook vanuit Duitsland veel belangstelling. Japan en Duitsland hadden zo hun eigen ideeën over de verschillende rassen. Dat zou pas vele jaren later  blijken uit de Duitse plannen met de joden en zigeuners. 

Rond 1911 had Duitsland veel minder koloniën dan de Britten, Fransen of Nederland. Koloniën die Duitsland allen weer zou kwijt raken door het Verdrag van Versailles uit 1919. Japan had ook geen Koloniën van betekenis behalve dan Taiwan (Formosa) van 1895 tot 1945. De Amerikanen hadden het overigens in 1910 wel op een akkoordje gegooid met de Japanners. Uit zorg tegen de Russische invloed in Korea had Amerika er geen bezwaar tegen dat Japan Korea volledig zou annexeren. Als zij Filipijns Amerika dan maar met rust zouden laten. Japan en Duitsland hebben vanaf 1930 getracht hun achtergestelde positie in te halen wat uiteindelijk zou leiden tot de tweede grote wereldoorlog van 1940 tot 1945.

Hoeveel Indo’s ofwel gemengdbloedigen er indertijd zijn achtergebleven in het huidige Indonesië is niet precies bekend. Er wordt hier en daar geschreven over enige miljoenen. Velen onder hen zullen zich niet (meer) bewust zijn geweest van hun westerse roots of waren al dusdanig in de Indonesische maatschappij geïntegreerd dat zij geen aanleiding of mogelijkheid zagen om zich alsnog Nederlander te willen voelen. Na de nationalistische oproer periode de Bersiap-periode in 1945 en nog tientallen jaren daarna was het in Indonesië ‘not done’ en zelfs levensbedreigend om je voor je voor te laten staan op gedeeltelijke blanke afkomst. 

In Nederland wonen momenteel circa 1,2 miljoen nakomelingen van wie beide ouders of grootouders of een van hen in een van de voormalige Nederlandse koloniën zijn geboren. Een steeds grotere groep van deze nakomelingen wil weten waar zij vandaan komen en wil begrijpen waarom hun ouders of grootouders zo zwijgzaam en weemoedig waren. Of soms zo onvoorstelbaar boos. 

Na de tweede wereldoorlog zijn er circa 350.000 grote en kleine mensen uit het voormalige Nederlands Indië ‘gerepatrieerd’. De hieruit voortgekomen bevolkingsgroep wordt wel de eerste generatie van de ‘succesvolle integratie van  buitenlanders’ in Nederland genoemd. Ook in Indonesië was men trots op de succesvolle integratie van de Indo’s die zelfs hun Hollandse namen veranderden. 

 angst voor vroegtijdige paring in Indië



Jeanne van der Steur-Heyligers en haar schoondochter Charlotte van der Steur-Deuning

Pa van der Steur met 8 Indo jongens rond 1906 - 
Uiteindelijk zou Pa van der Steur rond de 7000 veelal uit  gemengde 
relaties geboren kinderen in zijn opvanghuizen opnemen

kweekschool voor Inlandse onderwijzers

Hollandse meisjesschool in Indië

Een Desaschool in Indië 

Hollandse mannen na het zware werk in Indië

Dr. Swart Abrahamsz en Multatuli (Douwes Dekker)



Een ambulance in Indië

Behandel ruimte in een psychiatrisch ziekenhuis Indië

 De Herenafdeling van een ziekenhuis op Java

De Damesafdeling van een ziekenhuis op Java

Een groepje tennisspelers in een krankzinnigengesticht op Java

Inlandse patiënten in een ziekenhuis op Java aan de middagmaaltijd  


Tijdens de oorlogen op Sumatra/Atjeh vochten er behalve Inlanders ook speciaal 
uit West Afrika gecontracteerde soldaten mee. 
Het merendeel woonde in Poerworedjo en huwden veelal met Inlandse vrouwen.